Honderd keer pop in je moerstaal (26)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 26.

De artiest van vandaag heet Danny Boy, en het nummer dat we bespreken is “Repperdeklep”.

Oké. Wacht tot je uitgelachen bent en lees dan verder. Er komt namelijk een heel interessant verhaal.

Geen enkel genre plopt kant en klaar uit de grond omhoog, maar hiphop komt toch aardig in de buurt. Wanneer het is ontstaan is niet helemaal duidelijk. Eind jaren zestig misschien, bij de obscure Last Poets. Daarna ontwikkelde het zich bij talloze al even obscure artiesten uit de zwarte wijken van New York, vooral The Bronx. En toen opeens, eind 1979, was daar “Rapper’s Delight” van de Sugarhill Gang. Vijftien minuten lang ritmisch praten over een funkbegeleiding. De wereld wist niet wat hij hoorde! Een nieuw genre, rap of hiphop, was geboren.
  Op 15 december 1979 kwam het plaatje de Nederlandse top 40 binnen, om op 2 februari 1980 de eerste plaats te halen. Al op 22 maart meldde de eerste Nederlandse rapsingle zich in diezelfde hitlijst. Vergeet DJ Sven en MC Miker G, vergeet Osdorp Posse, de eerste rap-act hier te lande was Danny Boy. “Repperdeklep” deed niet veel, maar wel iets: het plaatje bracht twee weken in de Top 40 door en kwam tot de 38e positie.

Achter Danny Boy – een artiestennaam die is afgeleid van “Londonderry air (Oh Danny boy)”, een bij ouderen zeer populaire schlager – blijkt een destijds twaalfjarige jongen schuil te gaan. Danny Grevelt, zoals hij echt heette, was de zoon van Han Grevelt.
  Je ziet helemaal voor je wat er gebeurd is. Pa Grevelt hoort steeds de rap op de radio en ziet de potentie van dat nieuwe genre. Met zijn geoefende producershanden schrijft hij zelf een hiphopnummer en laat dat zijn zoon rappen. Misschien bracht het hem niet het succes dat hij gehoopt had, maar hij had wel een ongelofelijke primeur te pakken: nog geen halfjaar nadat de hiphop bovengronds was gekomen, hadden vader en zoon Grevelt al voor Nederlandse hiphop gezorgd! Bovendien zag pa duidelijk in wat de rest van Nederland pas later begreep: dat je voor zo’n talig genre maar beter je eigen taal kunt gebruiken in plaats van het Engels.

Hoe klinkt dit nummer precies? Laten we luisteren.

Meteen bij het voorspel blijkt: met de begeleiding zit het wel goed. Het is duidelijk funkmuziek; niet zeer briljant, maar wel heel behoorlijk. Rap werd in de beginjaren altijd boven een funkbegeleiding gedaan, dus die keuze is niet zo vreemd. Verder horen we een synthesizer. Dat was geheel volgens de laatste muziekmode en had bovendien als voordeel dat er geen dure gitarist of sessieblazers naar de studio gehaald moesten worden.
  Veel luisteraars zullen daarna vallen over Danny’s kinderstemmetje, of over de kinderlijke onderwerpen die hij bezingt. Niet bepaald typische hiphopteksten: school en huiswerk.

     Twee uur rekenen en daarna nog taal,
     Je begrijpt toch wel dat ik dan al baal.
     Wat heb ik een slaap, en wat word ik moe.
     Dan kijk ik maar een keer naar buiten toe.

Een kind dat in een modern popliedje zingt (in dit geval rapt) over zijn dagelijks leven: het doet denken aan Kinderen voor Kinderen. Misschien is het ook geen toeval dat dit project van de VARA nu net in 1980 van start ging. Zowel Grevelt als de VARA voelde aan dat er potentie was voor popmuziek gericht op prepuberale kinderen, met voor hen verstaanbare en herkenbare teksten.
  De vraag blijft waarom dat nou net toen gebeurde. Popmuziek was van meet af aan niet op een jonger publiek dan pubers gericht. Jongere kinderen luisterden er wel naar, maar het was nooit voor hen gemaakt – zie alleen al de eeuwige liefdesteksten. Dus waarom in 1980 en niet bijvoorbeeld in 1968?
  Ik kan twee verklaringen bedenken, die elkaar niet per se uitsluiten. Ten eerste werd in de jaren zeventig de pop langzaamaan mainstream. We hebben dat geconstateerd in aflevering 13 (over “Dinge-dong”) en 17 (over “Dokter Bernhard”). Misschien rees, nu popmuziek onder de gehele bevolking zo alomtegenwoordig werd, de vraag of er dan ook kinderliedjes in een popidioom moesten komen.
  Ten tweede werd de muziekmode in datzelfde decennium minder dwingend. Het was niet alleen maar rock-‘n-roll of alleen maar beat wat de klok sloeg, zoals in de jaren vijftig en zestig, maar er stonden allerlei genres naast elkaar. Als de normen minder streng worden, klinkt een popliedje voor en door kinderen niet meer zomaar als “nep”.

Er valt nog iets ander op aan dit nummer. Waar “Rapper’s delight” minutenlang aan een stuk associatief doorgaat, heeft “Repperdeklep” een kop en staart: op maat gesneden coupletten en een heus refrein. Er wordt zelf in gezongen, al kan Danny helaas niet echt toon houden. Wat nu? Heeft Han Grevelt als allereerste een couplet-refreinstructuur met rap gecombineerd, en is dit plaatje echt zo innovatief?
  Nee. “Repperdeklep” heeft zijn grootste inspiratie ergens anders gehaald. We zouden het bijna vergeten, maar in januari 1980, kort nadat Sugerhill Gang insloeg, kwam er nóg een rapartiest de hitparade binnen. Joe Bataan, die je nu zelden meer hoort, haalde de tweede positie in Nederland met…

…”Rap-o clap-o”! Eigenlijk het Engelse equivalent van “Repperdeklep”. Vind je die titel belachelijk, dan moet je in wezen Joe Bataans titel ook belachelijk vinden.
  Met deze kennis valt alles op zijn plaats. Zowel Joe Bataan als Danny Boy dragen een T-shirt met de titel van het nummer erop, en daaroverheen gekleurde bretels. De potentiële koper moet al meteen een rip-off vermoeden. De geluidseffecten in het begin zijn bijna gelijk. Joe Bataan geeft, anders dan de Sugerhill Gang, zijn nummers wél een refrein mee. Tot slot rapt Danny in het eerste couplet ook over Joe Bataan. Waar de inspiratie vandaan kwam is dus wel duidelijk.
  Hier en daar staat op het internet te lezen dat “Repperdeklep” een cover van “Rap-o clap-o” is. Dat klopt echter niet. De begeleiding is zeker niet identiek: het ostinato (ik zou gewoon de “sample” kunnen zeggen, maar in beide gevallen wordt er duidelijk niet vanaf een plaat gewerkt) van “Repperdeklep” duurt vier maten, dat van “Rap-o clap-o” maar twee. De coupletten zijn bij Joe Bataan veel langer. Dus nee, “Repperdeklep” is zeker een apart nummer, al is het dan een duidelijke rip-off.

Na 1980 raakte het plaatje snel in de vergetelheid. Alleen experts kennen het. Zelf leerde ik het kennen toen ik 2009, bij het werk aan mijn bachelorscriptie, de hitlijsten doorspitte op Nederlandstalige pop. Er was nog een heel detectivewerk voor nodig om het liedje daadwerkelijk te horen. Het stond nog niet op YouTube en via peer-to-peernetwerken was het ook niet te vinden. (Anno 2017 hebben verschillende bezitters van de single het liedje wel geüpload.)
  Iemand die het nummer wel al kende, was Extince. Deze zelfbenoemde koning van de Nederhop was dat natuurlijk aan zijn stand verplicht. Begin 2008 bracht hij een song uit met de naam “Repperdeklep”. Wederom geen cover, maar wel een feature met, jawel, Danny Boy, intussen een vent van veertig. En passant wordt de gangsterrap op de hak genomen. Nou ja, de rest kun je zelf ontdekken:

Honderd keer pop in je moerstaal (25)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 25.

Na dit stukje zitten we op een kwart van de reeks, en nu al zijn we in de jaren tachtig beland. De meeste Nederlandstalige popmuziek is de afgelopen 35 jaar gemaakt, dat is wel duidelijk.
  De overgang van de jaren zeventig naar de jaren tachtig verloopt hier vrij geruisloos. Net als de afgelopen twee weken bespreken we vandaag weer een band uit het linkse undergroundcircuit. Hoewel… van alle bandjes uit die hoek was Braak, want daar gaat het om, wel een van de bekendere. Misschien gingen ze al de kant van alternatief op.

Ik maakte kennis met Braak tijdens het schrijven van mijn bachelorscriptie. In de scriptie zelf komt de band niet voor: Braak heeft nooit een hit gehaald en het werkstuk ging om hitmuziek. Niettemin werden ze in boeken en artikelen over Nederlandstalige muziek vaak genoeg genoemd.

Braak werd in 1978 opgericht, maakte al gauw naam (in elk geval in Utrecht) en kwam in 1980 met zijn belangrijkste plaat, Suite voor een hypochonder. Muzikaal voorbeeld was Little Feat. Hiermee viel de band buiten de boot. De andere groepen uit de vroege Nederlandstalige golf opteerden in de geest van de punk vooral voor gemakkelijke stijlen; Braak koos meteen voor ongemakkelijke jazzrock met veel chromatiek en bevreemdende elementen.
  De teksten zijn net zo links en maatschappijkritisch als het werk uit de afgelopen episodes, maar spelen zich op een heel ander niveau af. Laagje op laagje ironie in een conceptplaat waarin de bandleden in de huid van verschillende types kruipen, dat is nogal een verschil met het onbewerkte geschreeuw van Tedje en de Flikkers.

We bespreken vandaag het nummer “Ik ben oké”. Dat staat niet los op YouTube. De volledige plaat en de liveperformance uit 2006 zijn wel geüpload. We luisteren naar de laatste. Ons liedje begint rond 3’43”.

Het liedje begint meteen al kunstzinnig. Terwijl de falsetuithaal van Hans Kosterman nog doorklinkt, horen we een voorspel met een akkoordprogressie die Drukwerk en Tedje en de Flikkers nog nooit van hun leven gehoord hadden. Het tempo lijkt wat te laag te liggen voor de harde muziek, wat een ongemakkelijk gevoel geeft. Doommetal zouden we deze stijl later noemen, maar dat bestond nog niet.
  De tekst is weer uiterst links. We horen een op zich legitiem, maar erg belerend verhaal over de verschillen tussen arm en rijk, en dat ook linkse mensen daar schuldig aan zijn:

     Het klinkt allemaal heel logisch:
     gelijk loon voor iedereen.
     Maar als ik dan naar jou kijk,
     dan zie ik al meteen:
     dat jouw tabak niet duur is
     wordt uiteindelijk ook bepaald
     door die verneukte boeren op Java
     want die worden zwaar onderbetaald!

Tja, geen speld tussen te krijgen. Toch zorgt Braak ervoor dat we het personage dat hier spreekt geen moment sympathiek vinden. Kritiek op een geestverwant en zelf met een button rondlopen om iedereen maar te tonen hoe links hij wel is:

     Ik draag een button.
     Ik ben oké!

Waar Braak nu eigenlijk heen wil met dit nummer wordt niet duidelijk. Misschien willen ze wel nergens heen. Wat is wijsheid: tot het gaatje gaan om de wereld beter te maken of met kleine stapjes veranderen? In het intellectuele wereldje waar Braak uit kwam kende iedereen wel zo’n vervelende betweter. Moest je luisteren naar zijn eeuwige dogmatische gedram?

De rest van de plaat maakt de zaak niet duidelijker. Zoals de titel al aangeeft, zijn angst en ongewisheid de centrale thema’s op de plaat. De maatschappij van 1980 maakt bang en eenzaam. Engagement ontaardt in cynisme, en uiteindelijk worden de mensen gewoon schaamteloos materialistisch (“Ik ben klaar voor de champagne”). Een serie hartenkreten, taai maar memorabel verklankt op een unieke plaat van een unieke band.

Braak kon in de verste verte niet meeliften op de aanstaande Nederpopgolf rond Doe Maar. Daarvoor waren ze veel te artistiekerig. Maar anders dan bij die andere unieke conceptplaat, Zilverdael (zie aflevering 19), bleef Suite voor een hypochonder niet onopgemerkt. Het album gooide hoge ogen bij de critici en kwam bij zijn 25e verjaardag in 2005 op cd uit. De cd-uitgave werd gevolgd door een optreden in Vredenburg, waar de band na al die jaren nog steeds in geweldige vorm bleek te steken. Deze versie zien we hierboven.

Ikzelf was in 2006 nog niet met mijn bachelorscriptie bezig. Zodoende kende ik Braak nog niet en gingen heruitgave en theateruitvoering aan me voorbij. Rond 2009 kocht ik de cd alsnog.
  Veel later maakte ik ook kennis met een van de bandleden: Hans Kosterman, gitarist en zanger die in de nummers vaak met een eigenaardige falsetstem zingt. Ik heb met hem echter niet over de band kunnen praten. Toen ik hem leerde kennen, lag hij compleet verlamd in een verzorgingstehuis waar ik vrijwilligerswerk deed. Een jaar of twee daarna was hij dood.

Honderd keer pop in je moerstaal (24)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 24.

1979 was echt een magisch jaar voor de Nederpop. Dat leerden we vorige week al aan de hand van de verzamelplaat Uitholling overdwars. Maar er gebeurde nog veel meer. In 1979 kwam Drukwerk boven water, verscheen de eerste single van Toontje Lager en kwam het debuutalbum van Doe Maar uit. Nederlandstalige rock werd meer en meer het gesprek van de dag.
   Toch was er één band waarover men vooral buiten de popwereld niet uitgesproken raakte. De Nijmeegse punkband Tedje en de Flikkers kreeg voor elkaar wat in de jaren zeventig steeds moeilijker was geworden: de gevestigde orde bang maken met een politieke, maar vooral choquerende act. De bandleden liepen in leren pakjes, soms met dildo’s erop gebonden, en zongen over hun belevingswereld. Expliciete liedjes over herenseks, scheldkanonnades op politici en minachtende teksten over het COC. Zij waren geen verwijfde mietjes die acceptatie zochten, zij zouden de wereld wel eens laten zien hoe mannelijk een homo kon zijn! De geuzennaam ‘flikker’ werd bij hen het Nederlandse equivalent van ‘queer’.

Logisch dat zo’n band zich aangetrokken voelde door de punk. Over deze rockstijl zijn hele boeken volgeschreven: waar kwam het vandaan, wat waren de voorbeelden, wanneer kun je van het eerste punkalbum spreken. Wat de lezer moet weten is dat de punk in 1976/77 bovengronds kwam dankzij de Sex Pistols, een band die in werkelijkheid door een manager bestierd werd maar die zich succesvol profileerde als de stem van een opstandige jeugd en vaandeldrager van de doe-het-zelfmentaliteit.
  Punk sloeg in – mensen spraken er schande van – maar het sloeg ook aan: binnen de kortste keren werd het mainstream en was de gevestigde rockelite verbannen naar een 25-pluspubliek. Althans: in het Verenigd Koninkrijk. Hier in Nederland bleef de punk een subcultuur, vooral tot het krakersmilieu beperkt. Volgens een onderzoek dat in 1983 onder tieners werd gehouden, was punk bij hen een van de minst geliefde genres, vergelijkbaar met country en smartlappen.
  Maar besproken werden ze wel. Popbladen schreven over “de mafste punkband van Nederland”. Burgemeesters verboden optredens. Mensen die normaal niet vielen over een seksliedje, noemden de teksten “vulgair”. Kortom: ze wisten hoe de media werken. Maar konden ze ook een beetje leuk muziek maken? Oordeel zelf:

“Subtiel” en “gepolijst” zijn niet de juiste woorden. Zo hoort het ook bij punk. Maar eerlijk is eerlijk: muzikaal scheert het geen hoge toppen. Het is geen popklassieker onder een dun laagje herrie (zoals “God save the Queen”), het is ook geen loeiharde confrontatie met de ruige werkelijkheid (zoals “London Calling”). Eigenlijk gaat het er bij het andere oor weer uit.
  Maar één ding moeten we ze nageven: ze hebben het keyboard er al bij en dat gebruiken ze goed. Feitelijk spelen ze al new wave, de stijl die in alle opzichten na de punk komt. In 1979 was dat het nieuwste van het nieuwste. Joy Division bracht zijn eerste album bijvoorbeeld toen pas uit. Dus als je als Nederlandse band dan al new wave maakt – pluimpje.
  Misschien komt dat door het gebrek aan taboes in de Nederlandse punkscene. Toen de Sex Pistols doorbraken, waren elektronische instrumenten absoluut niet welkom. Synthesizers waren voor de progrock, en dat was nu net een van de meest gehate stijlen. Pas toen de progrock met zijn pootjes omhoog lag, werden toetsinstrumenten langzaamaan weer acceptabel.
  Nederlandse bands voelden die muzikale polarisatie niet zo. Keyboards werden steeds populairder en steeds goedkoper, dus waarom zouden we er niet een gebruiken? We hoorden er afgelopen maandag al een bij Drukwerk, en nu dus bij Tedje en de Flikkers. En in de bridge krijgen ze er nog een heel aardig geluid uit.

Tot slot nog over de tekst. Ja, die is zo punk als hij maar zijn kan. Geen rijm, geen metrum, geen beeldspraak, gewoon letterlijk, met een lijzig Nijmeegs accent, zeggen wat je op je hart hebt. Vooral een hoop woede en frustratie, zo te horen:

     Vrouwen en flikkers moeten hun bek houden
     Gezinnetjes die blijven natuurlijk heilig
     De juten en het leger die worden alsmaar sterker
     Want je bent een stomme rechtse lul!

     Flikker Van Agt het raam uit! (4×)

Honderd keer pop in je moerstaal (23)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 23.

1979 was het jaar van de Nederlandstalige rock, zo betoogde ik vorige week. We zijn dan ook nog niet klaar met de kersverse Nederlandstalige scene; vandaag gaan we gewoon verder waar we donderdag gebleven waren. Wel met een veel bekendere band: Drukwerk. Jazeker, Drukwerk, die band die begin 1982 een nummereenhit had met “Je loog tegen mij”. Wat heeft de groep achter die smartlap nou te maken met de buurthuizenscene die we vorige week leerden kennen?
  Alles. Als er één band is die aan dat profiel voldoet, is het wel Drukwerk. Van meet af aan in de eigen taal (het Amsterdams!), nooit gericht op commercieel succes, bandleden rooier dan hun eigen bloed en politieke teksten over alledaagse problemen die de jongeren in Amsterdam-Noord ondervinden. Oorspronkelijk heette de groep ook JAN: ‘Jongeren in Amsterdam-Noord’.

Heel karakteristiek is “Ik verveel me zo (in Amsterdam-Noord)”. De titel zegt bijna al genoeg. Het is een cover van Bob Dylans lied “A hard rain’s a-gonna fall”. Ik denk dat de meeste lezers het origineel wel kennen. Laten we het niettemin nog eens luisteren, allen al omdat het zo’n mooi nummer is.

Nu “Ik verveel me zo” van Drukwerk:

Het eerste dat opvalt is de muziek. Als ik het er niet bij had gezegd, zou je misschien niet meteen het origineel erin herkennen. Bob Dylan begeleidt zichzelf, zoals we van hem gewend zijn, op de gitaar, zonder band of orkest erachter. Bij Drukwerk horen we een hele band, inclusief keyboard. Elektronische instrumenten werden rond 1980 in hoog tempo beter en betaalbaarder; we zullen ze nog vaak genoeg horen.
  Een diepergaand verschil is de maatverandering. Het origineel staat in 6/8-maat, hier horen we een gesyncopeerde vierkwartsmaat. De folk wordt buiten de deur gehouden ten gunste van de pop. (Waar hebben we zoiets eerder gehoord? In aflevering 3, bij Ria Valk.)

Bob Dylan is het vleesgeworden linkse engagement. Dat zal vast belangrijk zijn geweest voor de communist Harry Slinger en zijn band. Toch tonen ze niet hetzelfde engagement. Dylan zingt in de van hem bekende poëtische stijl over het leed van de wereld: oorlog, ongelijkheid, leugens.
  Slinger zingt niet over het kapitaal of de neutronenbom, maar over heel concrete dingen uit zijn eigen omgeving. Amsterdam-Noord, het stadsdeel van de arme autochtonen, kampt met woningnood, werkeloosheid en een gebrek aan leuke dingen. Zonder omhaal van woorden noemt hij de problemen én de oplossingen:

     Waar we nu voor willen pleiten:
     Een eigen buurthuis met activiteiten,
     Zelfstandig wonen en arbeidsplaatsen,
     Een bioscoop, en dat niet als laatst,
     Want ik verveel, ik verveel, ik verveel, ik verveel,
     Ik verveel me zo in Amsterdam-Noord.

Je kunt je stem wel laten horen tegen het onrecht in de wereld, maar wat doe je eraan, als eenvoudig bandje? Drukwerk wil niet protesteren, Drukwerk wil de gemeente zover krijgen om tot actie te komen. Dat is geëngageerde muziek in de letterlijke zin: je inzetten om met een liedje iets gedaan te krijgen.

Honderd keer pop in je moerstaal (22)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 22.

Yes! Yes! Yes! Ik had hem gevonden, niet ergens op de markt, niet op het internet, maar gewoon in de tweedehandsplatenzaak. Een puntgaaf exemplaar van Uitholling overdwars, de verzamelplaat uit 1979 waarmee de Nederlandstalige rocktraditie definitief van de grond kwam.
  De afgelopen maanden hebben we gezien hoe er in de jaren zestig wat losse initiatieven waren tot Nederlandstalige popmuziek, soms met hitsucces, vaak zonder. In de jaren zeventig kwam er langzaam iets op gang: pop voor volwassenen, Neerlands Hoop in Bange Dagen, Bots. Eenlingen, vooralsnog.
  Hoewel: Neerlands Hoop en Bots kregen navolging. Diverse bandjes besloten het Engels niet meer de eerste keuze te maken en zongen in de eigen taal. Ze liepen tegen grenzen aan bij het schrijven van Engelse teksten. En vaak hadden ze een boodschap, die moest worden uitgedragen. Het waren vaak links-geëngageerde en/of cabareteske bandjes, net als hun voorbeelden.
  In poppodia, op de radio en op festivals hoorde je die bands niet. Ze speelden vaker in cafés of op studentenverenigingen. En in buurthuizen, de kerken van de jaren zeventig. Het paste precies in hun straatje: Nederlandstalige muziek, begrijpelijk voor het volk en vaak nog uitgesproken links ook, daar wilden de programmeurs hun subsidie wel aan besteden. Zo ontstond er een heel circuit aan Nederlandstalige bands die bijna niemand kende.

In 1979 vond de pas opgerichte Stichting Popmuziek Nederland (het latere NPI) het tijd om iets voor die bands te doen. Er kwam een verzamelplaat met twaalf van die bands, die dus Uitholling overdwars werd genoemd. Ook muziekkrant OOR wijdde dat jaar een artikel aan het nieuwe genre. Het fenomeen “Nederlandstalige rock” begon ingang onder popliefhebbers te vinden. Toen in 1994 het boek Klare taal verscheen, over popmuziek in het Nederlands, gaven ze het als ondertitel mee “Vijftien jaar Nederlandstalige rock”. In 1979 ging het genre van underground (“third stream”) naar alternatief (“second stream”). We weten hoe het afliep: binnen een paar jaar werd Nederlandstalig zelfs mainstream.
  Wat vinden we op Uitholling overdwars? Twaalf destijds onbekende namen. De gemiddelde popliefhebber kende waarschijnlijk alleen Braak. Wij kennen Doe Maar en Toontje Lager, maar we zouden ze van deze plaat niet terug kennen. Ook deze latere tienerhelden begonnen subversief, cabaretesk en niet zo publieksvriendelijk. Maar sommige namen zijn anno 2017 nog net zo onbekend. Wie heeft er ooit gehoord van Jonny Jumbo and the Highjacker, Utang of Dorpsstraat?

Ik kom zo terug op dit maffe nummer. Eerst maar even over de band.
  Dorpsstraat komt nauwelijks in naslagwerken voor en blijkt nog niet zo gemakkelijk met Google te vinden. De meeste hits gaan over Dorpsstraat Ons Dorp, “dé coverband op het gebied van bekende Nederpop, rock en rock ‘n roll.” Dat is natuurlijk niet dezelfde band.
  De muziekencyclopedie van Beeld en Geluid kent een band met de naam Dorpsstraat De Munck, later gewoon De Munck. Deze encyclopedie komt voort uit de site van het (inmiddels opgeheven) NPI. Het NPI heeft deze plaat ooit gemaakt, dus daar zullen ze Dorpsstraat wel kennen. Is dat dezelfde band die wij bedoelen? Ja. Verder leren we dat frontman Jos van Woudenberg bij OOR werkte en ook betrokken was bij de samenstelling van Uitholling overdwars. Dit nummer dankt zijn opname waarschijnlijk aan zelfpromotie!

Maar dat is beslist geen vergissing. Het is misschien wel een van de betere nummers op de plaat. Het heeft een heerlijke gemoderniseerde rock-‘n-rollsound; het refrein nodigt uit tot twisten. Fijnzinnig is de muziek niet echt, maar dat geldt voor meer van die bands. De Nederlandstalige scene had een sterke punkmentaliteit, al maakte ze andere muziek. Het hoefde allemaal niet ingewikkeld te zijn, als je het maar zelf deed.
  Alleen die tekst. Daarmee valt Dorpsstraat toch wel uit de boot. De hele plaat staat vol met satirische teksten over het dagelijks leven. Deze band wil alleen maar een maffe tekst om goed te kunnen schreeuwen. Net als Peter Koelewijn jaren eerder (zie aflevering 2 nog maar eens na) gaat het er vooral om dat een tekst goed klinkt:

     En ik ben niet krankzinnig
     En ik ben niet gespleten
     Want ik eet er altijd mee
     Nou geef me godverdomme nou
     Want ik wil eeeeeeen
     Lepeltje!

Honderd keer pop in je moerstaal (21)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 21.

We zijn nu halverwege maart; ruim een vijfde van mijn rubriek zit erop. Tot nu toe hadden we voornamelijk liedjes uit Nederland (al dan niet naar een vreemd origineel) en een paar uit België. De verhouding zal nog wel een tijdje scheef blijven, maar ik vergeet mijn taalgenoten onder de grens niet.
  Er is natuurlijk nog een derde land met Nederlands als officiële taal: Suriname. Een land op de grens van Zuid-Amerika en het Caribisch gebied. Dan weet je muzikaal wel hoe laat het is: er moet gedanst worden, op een schat aan ritmische muziek met gemengde Afrikaanse, Europese en inheemse wortels. Zeker, het kleine Suriname mag trots zijn op zijn muziektradities.
  Toch zul je in deze rubriek niet heel veel Surinaamse muziek tegenkomen. Ten eerste heeft het land maar een half miljoen inwoners. Dat maakt de talentenpoel al kleiner. Ten tweede zingen ze vaak in het Sranantongo, de belangrijkste volkstaal van Suriname, en minder vaak in het Nederlands.
  Een ander punt is dat Surinaamse artiesten vaak goede muziek maakten, maar niet altijd pop. Ik had hier graag de muziek van Max Woiski sr. en jr. opgenomen, maar de kaseko – zo heet de belangrijkste Surinaamse volksmuziek – heeft naar mijn zin te weinig met popmuziek te maken. Geen “BB met R” of “Rijst met kouseband” dus.

In 1979 komt daar verandering in. De Surinaamse Bontjie Stars hebben dan een bescheiden hitje met “Madiwodo”.

Wat horen we? In wezen een rechttoe-rechtaan popliedje met een klein beetje syncopen. De steeldrum en de cornet zorgen voor een sterke couleur locale, maar echt Caribisch is dit nummer niet.
  Het is misschien geen toeval dat het door een Nederlander geschreven is. “Tekst en muziek van Peter Snoey”, vermeldt het hoesje duidelijk. Peter Snoey, dat is een Rotterdammer die we vooral kennen van reclameliedjes. Zo iemand kun je wel om een oorwurm sturen. Hoewel: drie minuten de aandacht vasthouden is wel wat anders dan vijf seconden eruit springen.
  Ook de tekst valt op. Hij is een beetje braaf. De meeste Surinaamse liedjes uit de jaren 60 en 70 zitten vol met schuine grappen. Dansbare muziek is vooral lichamelijke muziek, zoveel is duidelijk. De zanger van dit lied loopt bij wijze van spreken met bonbons en rozen naar zijn liefje, dat hij echt geen kwaad wil doen:

     Ma-di-wo-do-vrij-za-zo,
     Ik verlang naar jou toch zo!

En toch sloeg het liedje in. Het werd een hitje in Nederland, in Vlaanderen, en… in Suriname, waar men nog altijd madiwodo schijnt te zeggen als er een agenda bedoeld wordt. (Dit neem ik in vertrouwen aan van Vic van de Reijt, die hopelijk geen grapje maakte.)

We moeten oppassen al te grote conclusies aan dit liedje te verbinden. Er is meer Surinaamse muziek gemaakt, en ik ken er maar zo weinig van. Toch is het duidelijk onderdeel van een trend. Suriname gaat in deze tijd langzaamaan op buitenlandse genres over: reggae, soul of gewoon pop. Daar horen ook andere mores bij. De afloop kennen we: veel Surinaamse muzikanten zingen tegenwoordig liever over “een tuintje in mijn hart, maar alleen voor jou”. Maar allemaal? Nee. Genoeg anderen wilden niet van de dansvloer weg en hebben de kaseko tot op de huidige dag in leven gehouden. Wordt vervolgd.

Daniël Lohues – Moi

Dat Daniël Lohues bijna met de regelmaat van een klok nieuwe platen uitbrengt mag intussen bekend zijn. Alleen toen hij enkele jaren geleden Herman Finkers met Koo wit de floo hielp, schoot een eigen album erbij in, verder levert hij al sinds 2008 jaarlijks een plaat af, steevast van hoog niveau, met mooie liedjes die vaak het alledaagse overdenken. Slechte platen maakt Lohues niet. Fans en andere mensen die zijn nieuwe plaat Moi blind hebben gekocht, hebben ook dit jaar niets te vrezen: Lohues is nog steeds heel erg Lohues. Prima zo, want er zijn ook artiesten die hun fans acht jaar in spanning laten zitten voor een plaat die vervolgens het wachten niet echt waard bleek.

Voor zijn nieuwe werkstuk is de Drentse zanger-schrijver teruggegaan naar de formule van Allennig, het meesterlijke vierluik dat hij tussen 2006 en 2010 maakte. (Onlangs verscheen het op vinyl in een prachtige doos. Ik heb de cd’s al, maar alles in mij schreeuwt “hebbe-hebbe-hebbe”!) Op een enkel studio-effect na doet hij alles helemaal alleen, niet met de sessiemuzikanten die er de afgelopen jaren bij waren. De albumtitel is dubbelzinnig: moi is een Nedersaksische groet, maar je kunt het ook op zijn Frans opvatten en “ik” lezen. Een singer-songwriter wordt immers geacht over zichzelf te zingen. (Ook het album van vorig jaar, Aosem, was voor tweeërlei uitleg vatbaar: “awesome”.)
  De tekst en muziek doen weer vertrouwd aan. Begeleid met banjo, gitaar of piano, in een stijlenpalet variërend van cabaret met klassieke invloeden tot country en blues, zingt hij over de liefde, het platteland en de kleine en grote dingen in het leven. Wel heeft de tijdgeest vat op de Drentse muzikant: een paar liedjes tonen de grimmigheid van de huidige tijd. Terreur, oorlog en polarisatie maken deze plaat erg 2017.
  Midden op de plaat klinken liedjes over weer een verbroken relatie. Over de identiteit van zijn geliefden tasten we vaak in het duister, maar vorig jaar hoorden we dat hij een relatie had met zijn 15 jaar jongere collega Stéphanie Struik (ook bekend als Stevie Ann). “En toen kwam jij”, klonk het op Aosem. Is hun relatie intussen weer voorbij? Ligt het ingewikkeld? Of zingt de Drentse minnezanger hier over eerdere liefdespijn? Google biedt geen uitkomst. In ieder geval blijkt liefdesverdriet maar weer eens de vruchtbaarste bodem voor artistiek succes.

Dat Moi vertrouwd aandoet, is ook zijn grootste euvel. Het werk met de Louisiana Blues Club niet meegerekend is dit al Lohues’ negende soloplaat, en steeds heeft hij zich binnen hetzelfde idioom begeven. Dat is geen ramp, want zijn muzikale blik was van meet af aan wijd zijn platen bestrijken altijd meerdere stijlen, maar je denkt wel steeds vaker: “waar heb ik dat liedje eerder gehoord?” Met de meesterwerken van eerdere jaren in je achterhoofd wordt het moeilijk om evenveel ontroering te voelen als in 2008 of 2011. Bovendien kent de plaat haar mindere nummers. Zo is Lohues niet op zijn best als hij breed uitgemeten knallers wil schrijven. “Maak joe waor” is een aandachttrekker, maar geen hoogtepunt, en doet daarin denken aan “Goed hööi komt zelden van slecht grös” en “Op ’t platteland”. Ook diverse tekstregels die niet of niet goed rijmen vielen me negatief op. Dat zijn we niet gewend van iemand die zijn taal zo goed beheerst.
  Niet alle nummers zijn inwisselbaar voor oudere. “Kom, dans met mij” heeft me bijzonder geraakt: het doet me denken aan een liedje van mij waarvan de blauwdruk al dertien jaar in mijn hoofd zit, maar dat ik nooit heb afgemaakt. Nu is het te laat, nu heeft de vakman het geschreven. Muzikaal ook zeer interessant is “Widukind” (over de laatste heerser der Saksen, die het tegen de Franken moest afleggen), waarin Lohues handig laveert tussen een traditionele, modale melodie en moderner muziekidioom. De tekst is vrij nationalistisch, en dat zijn we van de man die het nationalisme in zijn columns vaak afwijst niet gewend. “Widukind, Widukind / Zien geest weijt zachies op de wind.” Maar Lohues is natuurlijk gewoon Nedersaks en heeft reden genoeg om een speciale band te voelen met Groningers, Achterhoekers en Westfalers.

Wat ik van de plaat moet vinden, weet ik nog niet. Er zit geen sleet op Daniël Lohues, wel op zijn formule. Zijn albums beginnen op elkaar te lijken en dat is zonde. Voor iemand die hem niet (goed) kent is dit echter een prima instapplaat; net zo goed als alle andere. Laten we hopen dat de bard van Erica zich de komende jaren vernieuwt, dan kan hij weer jaren mee. Want aan zijn talent, werklust en veelzijdigheid zal het ook nu niet liggen.

Honderd keer pop in je moerstaal (20)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 20.

Vorige week, in het stuk over “Evelyne” van Bert De Coninck, beschreef ik hoe Vlaanderen ook in de jaren zeventig nog ferm katholiek bleef, hoezeer de buurlanden en -regio’s ook veranderden. “Vlaanderen boven, waar men de Heer nog kan loven”, zong Raymond van het Groenewoud treffend. Daarmee heb ik echter maar de halve waarheid verteld. Juist tegen het einde van dit decennium breekt ook in Vlaanderen de revolutie door. Luc Versteylen (een geestelijke nota bene!) begint een brede beweging die milieubewustzijn en een vrije seksuele moraal propageert. Komiek Urbanus stapt op de veel te lange burgerlijke tenen en zingt er naar Nederlands voorbeeld ook bij. Uit Engeland waait de punk over, met The Kids als vaandeldragers.
  Broeinesten van de tegencultuur zijn Antwerpen (met zijn havenarbeiders), Leuven (met zijn studenten) en in mindere mate Gent (met beide). In de Leuvense kroegen hangt Big Bill rond, een cultfiguur die Chuck Berry-achtige retrorock-‘n-roll maakt, gecombineerd met een snoeiharde distorsion en Vlaamse teksten. Buiten het studentenmilieu breekt hij niet door, maar navolging krijgt hij wel. Van Kazzen en Koo bijvoorbeeld.

Kazzen en Koo – ik ken deze band doordat Vic van de Reijt er een single van opnam in zijn compilatie Surivlaams!. Ik vond het nummer leuk, daarom nam ik het zonder aarzelen in deze lijst op. Maar toen ik het nakeek, bleken we wel met een vrij obscure groep te maken te hebben. Geen artikel op Wikipedia, geen Belgische hitnotering, niet genoemd in OOR’s Popencyclopedie. Wel een website, die ons gelukkig verder brengt. Kazzen is Marc Cassiman, een in 1956 geboren Ninovieter, die in 1978 met Kazzen en Koo de finale van de eerste Humo’s Rock Rally haalde. De Rock Rally, moet de lezer weten, is een tweejaarlijks muziekconcours voor bandjes, georganiseerd door het blad Humo. Diverse grote bands braken op dit podium door, soms als winnaar (Noordkaap, 1990; Das Pop, 1998; School is Cool, 2010) of als tweede (2 Belgen, 1982). Tegenwoordig doen er honderden bandjes aan mee, bij die eerste aflevering waren het er 71. Winnaar werd toen het obscure Once More (een paar jaar later iets succesvoller als Luna Twist). Naast Kazzen en Koo stonden ook De Kreuners in de finale.

Cassimans website vermeldt dat de single “Wat ik geleerd heb in dit leven” ook in 1978 uitkwam. Volgens Vic van de Reijt, die vermoedelijk het platenhoesje volgt, was dat 1977. Enfin, genoeg geschreven, laten we gaan luisteren:

Wie de bovenstaande beschrijving van Big Bill heeft onthouden, kan direct constateren dat Kazzen inderdaad een navolger is. Het riffje aan het begin is helemaal Chuck Berry, op één detail na: de gitaarsound is vervormd. De grote rock-‘n-rollers van de jaren vijftig gebruikten gewoon een clean gitaargeluid. Distorsion werd waarschijnlijk voor het eerst toegepast door Link Wray, die daarvoor met een potlood zijn luidspreker verminkte. Later werd dat geluid omarmd door diverse bluesgitaristen en in de jaren zeventig was het, met de opkomst van de hardrock, gemeengoed geworden.
  Maar dan die tekst. Een verschil met “Ene me hesp of ene me kees”-Big Bill is dat Kazzen de standaardtaal hanteert. Met een Vlaams accent, zeker, maar de standaardtaal. Hij gebruikt in couplet twee zelfs een zeer Noord-Nederlands woord als “poen”. Maar er staan toch heel wat woorden in die we noch in Nederland, noch in Vlaanderen kennen:

    Wat ik geleerd heb ik dit leven
    Is in een simpel woord gezegd.
    Dat is djie-bie-djie-bie-djie
    En soms ook djoe-bie-djoe-bie-djoe.

Even verderop biedt hij een mogelijke verklaring: hij is drugsverslaafd.

    Ik kom er eerlijk voor uit:
    Ik zit al tien jaar aan de spuit.

Of we dat moeten geloven van een 21-jarige is nog maar de vraag. Maar het resultaat klinkt lekker.

Honderd keer pop in je moerstaal (19)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 19.

De loopbaan van Alexander Curly loopt in veel opzichten parallel met die van Robert Long. Allebei werden ze in de jaren veertig geboren; op tijd voor Elvis en ruim op tijd voor de Beatles. Allebei namen ze een sprekend pseudoniem aan dat hun uiterlijk beschreef. Allebei begonnen ze met Engelstalig poprepertoire voor tieners, om daarna op Nederlandstalig werk voor volwassenen over te gaan. Allebei zagen ze hun muziekcarrière in de jaren tachtig inzakken (Long werd presentator, Curly trok zich uit het openbare leven terug). En allebei stierven ze op middelbare leeftijd aan kanker.
  Er is echter één groot verschil. Waar Robert Long bekend werd met bijtende geëngageerde liedjes die in brede kring waardering vonden, bestormde Curly de hitlijsten met pretentieloze albums als Vette jus en boerenjongens en dito liedjes als “Guus kom naar huus”. Long was links, Curly was rechts. Dat was je in de jaren zeventig al wanneer je liedjes nergens over gingen (“geen politiek is instemmen met de status quo en dus ook politiek”, vond men in die gepolariseerde tijd), maar sommige van zijn nummers (“Agessus”, over een Turk met een mes) geven ook daadwerkelijk blijk van een rechtse en zelfs een beetje dubieuze kijk op de wereld.

Robert Long ontbreekt in mijn honderd liedjes: ik vind zijn muziek te veel schlager en te weinig pop. Alexander Curly zou hier al helemaal niets te zoeken hebben, ware het niet dat hij één plaat heeft uitgebracht die totaal niet in de rest van zijn oeuvre past. In 1977 kwam hij met Zilverdael, een prachtig en volstrekt uniek conceptalbum over elfen, trollen en dwergen.

Zilverdael: een Nederlandse fantasy-plaat
Het verhaal is een redelijke rip-off van The Lord of the Rings, de vuistdikke Tolkien-klassieker die dat decennium iedereen in zijn greep hield. In het paradijselijke Zilverdael heerst vrede, totdat de trollen en de dwergen, twee volkeren die elkaar nooit konden uitstaan, zich verenigen en het land aanvallen. Vendor, de koning der elfen, ziet een overmacht oprukken en grijpt naar een paardenmiddel: hij gaat naar het dodenrijk om het Zilveren Zwaard te halen. Dit zwaard zal hem een zekere overwinning bezorgen, maar na zeven dagen zal hij sterven. Aldus geschiedt: net op tijd komt de koning terug en hakt de vijandelijke legers in de pan, wat hij met de dood bekoopt.

Conceptalbums waren dé mode in de serieuze popmuziek van de jaren zeventig. Eind jaren zestig was het album in de popmuziek langzaamaan belangrijker geworden dan de single. Pet sounds van de Beach Boys, Freak out! van Frank Zappa, Sgt. Pepper van de Beatles: het zijn platen waarop het geheel (de elpee) meer is dan de som der delen (de diverse losse songs). Van lieverlee gingen bands hele albums maken waarin één idee, soms zelfs één verhaal centraal stond. Deze mode associëren we vooral met de progressieve rock: de stijl van bands als Pink Floyd, ELO, Yes, Steely Dan, Led Zeppelin, Genesis en nog vele andere. Invloeden uit klassiek en jazz, lange songs, ongewone structuren, kortom: een poging om de rock te emanciperen.
  Ook de conceptalbums met fantasythema’s worden vaak met de progrock in verband gebracht. Dat is niet helemaal eerlijk: zoveel complete fantasyalbums zijn er niet gemaakt. Ze zijn er wel. Bo Hansen kwam met het prozaïsch getitelde Music inspired by Lord of the Rings. Relayer van Yes past ook in dat rijtje. Verder zijn het meer losse songs die in aanmerking komen. Het artwork en de muziek zijn vaak wel erg sprookjesachtig.

Progrock leefde, ook in Nederland. We hadden bands als Ekseption, Focus en Supersister, en alle drie haalden ze grote successen en zeker Supersister mag zich nog altijd verheugen in de goedkeuring van popkenners. Maar Nederlandstalige progrock? Die is er nauwelijks. Het liedje “Snotneus” van Bots komt in aanmerking. De Nederlandstalige plaat die nog het dichtst bij Zilverdael in de buurt komt is misschien Nacht en ontij van Boudewijn de Groot, een soort muzikaal hoorspel dat in 1968 langs alles en iedereen heen ging.

Alexander Curly moest voor Zilverdael dus grotendeels van onderop beginnen. Eén ding had hij alvast mee: progrock kent geen taboes. Alle invloeden en schema’s zijn mogelijk. Dat is natuurlijk ook een nadeel. Zie uit zo’n mer à boire maar eens de juiste muziek te vissen.
  Hoewel de progrock en het conceptalbum erg Angelsaksisch zijn, zoekt Curly zijn muzikale inspiratie vooral dichtbij huis. Het titelnummer, waarmee de plaat ook opent, herinnert aan Elly en Rikkert. Het tweede nummer had zo van Boudewijn de Groot kunnen zijn, wiens dictie grote invloed op Curly lijkt te hebben gehad. Maar wij bespreken vandaag het derde nummer, waarin de trollen zich voorstellen.

(Het vierde nummer, “Dwergenlied”, krijg je er gratis bij.)

Meteen in het begin wordt de toon gezet. Bas en drums geven een harde dreun op iedere tel, wat in de wereld van de gesyncopeerde rockmuziek nogal lomp en grimmig klinkt. Het geeft meteen het gewenste effect: het boze en weinig elegante volkje van de trollen schilderen. Als versterking wordt er een hoorspeleffect van stal gehaald: de morrende menigte.

     Wij zijn de trollen, wij zijn gemeen.
     Wie voor onze voeten komt, vertrappen wij meteen!

Verderop (vanaf 0:39) wordt de grimmigheid met een ander middel geschetst. Curly moduleert eerst van e-klein naar b-klein en dan onverwacht naar d-klein. In de toonsoort b-klein is de noot d een soort ontsnappingsclausule. Ze biedt een gemakkelijke uitweg uit de grimmige mineurtoonsoort naar het vrolijker D-majeur. Maar hier komt er bovenop die d weer een mineurakkoord! Weg ontsnapping. Curly moduleert nog een paar keer en komt zo weer bij e-klein uit. Merk en passant de harpglissandi op die dit stukje sieren: een klassiek instrument, een nieuwe aanwijzing dat we met progrock te maken hebben.
  Vanaf 1:56 komt er een andere wijziging in het spel: de maatsoort verandert van 4/4 naar 6/8. Eerst wisselen de maten nog, alsof de muziek twijfelt, en de luisteraar moet met een gitaarriff bij de les worden gebracht. De maatverandering gaat gepaard met een tekstuele wissel: ging het eerst nog over de trollen in het algemeen, nu zingen ze over hun massale opmars naar het Zilverdael.

     Honderdduizend trollen uit het verre diepe trollenwoud.
     Het elfenbloed zal stollen, elke elfenkop moet afgehouwd.
     Met ons valt niet te sollen, trollenbloed is als je ’t goed beschouwt
     IJskoud!

En dan, als hun leider Gloer ter sprake komt, blijkt het bij die trollen ook heel gezellig te kunnen zijn. De grimmigheid maakt plaats voor heuse schouder-aan-schoudermuziek met een blij mandolineloopje:

     Want Gloer is onze oppertrol.
     Gloer, hij weet alles beter.
     Gloer, die heeft een trollenhol
     En dat ruik je vanaf honderd meter!

Het mag duidelijk zijn: geen enkele invloed wordt geschuwd. Ook die van de Hollandse meedeinhits niet. Vader Abraham mag met Pink Floyd en Boudewijn de Groot mee in de cocktail die het verhaal van deze plaat moet ondersteunen. En hij zorgt voor de nodige vrolijkheid in dit verder zo serieuze verhaal. Want laten we eerlijk zijn: uit die afstotelijke trollen valt veel meer inspiratie te halen dan uit de perfecte elfen.

Zilverdael is origineel, goed doorwrocht en enig in zijn soort. Je kunt ervan houden of het helemaal niets vinden, maar het album verdient een plaats in de Nederlandse muziekhistorie. En toch is het behoorlijk onbekend. Ik verkeer al vijftien jaar tussen de muziekmensen, maar ik moet de eerste vakman of -vrouw die deze plaat kent nog tegenkomen. Hoe is dat in vredesnaam mogelijk?
  Waarschijnlijk bediende de plaat geen markt. Het grote poppubliek, dat de platen van de progrockbands kocht, knapte waarschijnlijk meteen af op de Nederlandse taal. De groeiende nichemarkt voor Nederlandstalige rock verkeerde in extreemlinkse hoek en zat niet op escapistische teksten te wachten. En Curly’s eigen publiek – ach, wat moesten de liefhebbers van “Guus kom naar huus” nou met een conceptalbum aan? Zijn andere albums kun je in bijna elke kringloopwinkel vinden, maar Zilverdael bleek zelfs onbekend bij de uitbater van tweedehandswinkel Reset Records – en geloof mij, die man kent wel wat muziek.
  Alexander Curly, maker van commerciële liedjes voor een Telegraafpubliek, volgde in 1977 voor één keer zijn hart en maakte deze plaat. Hij werd er niet voor beloond.

En toch: door Nederland loopt een onzichtbaar netwerk van mensen die deze plaat wél kennen. De vader van een schoolvriendje had deze plaat; zo kwam ik er zelf al op dertienjarige leeftijd mee in aanraking. De plaat is in de jaren negentig op cd heruitgebracht. Minstens twee mensen hebben de moeite genomen om haar op YouTube te uploaden, en onder de liedjes vind je diverse reacties. Ik hoop van harte dat die mensen hun voorkeur wat luider uitspreken. Dit magistrale werk verdient een plekje in de popgeschiedenissen en in ons collectieve geheugen!

Honderd keer pop in je moerstaal (18)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 18.

De afgelopen weken hebben we kunnen constateren dat pop en rock in het Nederlands langzaamaan gewoner wordt. Niet minder dan vier liedjes leverde popjaar 1976 op. Hoe zou het intussen in Vlaanderen zijn? Wel, Vlaanderen is nog steeds zijn traditionele, katholieke zelf. De regio wordt zo langzamerhand een conservatief eiland binnen Nederland (het land van de vrije moraal), Duitsland (het land met een zwaar schuldcomplex), Wallonië (het land van de rode fabrieksarbeiders) en Frankrijk (het land van de kwaaie intellectuelen).
  Dat wil niet zeggen dat Vlaanderen niets van zijn buren overneemt. Ook hier heeft iedereen een radio en een tv, en in het kleine België zijn buitenlandse zenders gemakkelijk te ontvangen. Het is daarom niet verwonderlijk dat ook in Vlaanderen, net als in Nederland, de popmuziek tot de volwassen mainstream doordringt en de eerste keus van meer artiesten wordt.

Zoiets blijkt uit het werk van Bert De Coninck, een Mechelse artiest over wie ik niet al te veel heb kunnen vinden. Hij speelde in de jaren zestig in een beatbandje, raakte toen uit zicht en dook in 1976/77 ineens op met een Nederlandstalige kleinkunstplaat. De plaat heet Evelyne, naar de gelijknamige hit die erop staat. Laten we gaan luisteren:

Het is duidelijk een luisterliedje. In drieënhalve minuut wordt een heel verhaal uit de doeken gedaan over een overspelige vrouw, Evelyntje, haar minnaar en haar man bij wie ze duidelijk iets tekort komt. De muziek dient om de tekst te dragen, niet andersom zoals bij de meeste popmuziek.
  Toch kunnen we dit liedje veilig tot de popmuziek rekenen. Het muzikale idioom wijst met zijn syncopen in die richting. Het gebruik van popgericht, maar rustig pianospel doet denken aan Elton John, en meer in het algemeen aan de softrock uit de jaren zeventig.
  Op 2:01 breekt het liedje uit zijn softe begeleiding. De maatsoort verspringt van 4/4 naar 3/4 en de elektrische gitaar komt erin. Een kippenvelmoment, dat doet denken aan de late Beatles en aan diverse progressieve rockbands uit de jaren zeventig. Misschien is het ook een verwijzing naar de bluesrock – Medicine Head wordt in de tekst genoemd.

“Evelyne” heeft dus duidelijk meer pretenties dan alleen tekstuele: het wil echt een muzikaal kunststukje zijn. Is De Coninck daarin geslaagd? Ik vind van wel. Eén ding valt me echter wel op. Evelyntje en haar minnaar beleven hun hoogtepunt al in het tweede couplet. De muzikale climax met de gitaar komt pas tijdens het postcoïtale bad, en later nog eens als haar man thuiskomt. De muziek ondersteunt of illustreert de tekst niet, zo lijkt het.
  Daar valt wel een reden voor te bedenken. Een compositie is er niet bij gebaat dat de climax al voor de helft van het stuk valt. Muziekpsychologen zijn er nog niet uit of dat aangeboren dan wel cultuurbepaald is, maar over één ding zijn we het eens: als er na de climax nog ruim een half liedje komt, gaan we de muziek saai vinden.
  Zou Bert De Coninck zich druk hebben gemaakt over deze discrepantie? Was hij zich er misschien totaal niet van bewust? Of weet hij wel dat hij eigenlijk twee liedjes (een tekst en een begeleiding) maakt, en offert hij de narratieve logica op aan een mooiere muziekbeleving?