Honderd keer pop in je moerstaal (100)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 100 en slot.

Deze rubriek gaat, zoals ik al eerder liet doorschemeren, terug op een lijst die ik in 2015 al heb samengesteld. Die lijst is in de loop van dit jaar op diverse plaatsen gewijzigd, vooral om liedjes en artiesten die ik over het hoofd gezien had alsnog op te kunnen nemen. Eén heilige koe heb ik echter behouden: ik ging niet verder dan 2015. Op die manier zouden er nóg meer mooie liedjes en goede acts buiten de boot vallen. Daarom breekt mijn geschiedenis-in-honderd-liedjes af bij 2015.

De eer om deze rubriek af te sluiten gaat naar Kenny B. Niet-Surinaamse Nederlanders hadden tot 2015 amper nog van deze zanger gehoord. In de zomer van dat jaar werd hij ineens onontkoombaar door zijn hit “Parijs”. Ik dacht bij deze zomerhit aan een jonge zanger, uit Amsterdam of Rotterdam, die met luchtige, modieuze r&b-liedjes de jeugd kwam veroveren.

Niets blijkt minder waar.

Wie is Kenny B dan wel? Kenneth Bron, zoals hij in zijn paspoort heet, is een voor cultuurwetenschappers interessante artiest. Steeds als je denkt dat je zijn hokje gevonden hebt, blijkt hij weer ergens anders thuis te horen. Om te beginnen zijn leeftijd. Je ziet het niet aan hem af, maar Bron is al 56. Hij werd in 1961 in Paramaribo geboren, maar zijn ouders waren marrons en kwamen uit het oerwoud. In Paramaribo kun je als marron flink gediscrimineerd worden, en als je mee wilt komen is het aanpassen geblazen.
  In de jaren tachtig werd hij officier in het leger van Bouterse, maar gelukkig (een zanger die je bewondert kan maar beter een held zijn) liep hij over naar de rebellen. Toen de oorlog op zijn einde liep, nam hij als diplomaat deel aan de vredesonderhandelingen. Voordat hij bekend werd om zijn muziek, had Kenny B zijn stempel op de wereldgeschiedenis al gedrukt. Dat kunnen toch niet veel artiesten zeggen!
  In 1991, juist toen die onderhandelingen op hun einde liepen, emigreerde Bron naar Nederland. Waarom? Je zou denken dat hem in het democratische Suriname een gouden toekomst wachtte. Maar hij jaagde zijn hart na: hij wilde de muzen dienen in plaats van de politiek.
  Een marron die naar Nederland verhuist, dat is iets anders dan een stadse Surinamer die dat doet. Hij was gewend aan discriminatie, aan opmerkingen over zijn accent en zijn huidskleur, in Nederland zou dat zeker niet slechter worden. Dat kan heel goed een reden voor zijn verhuizing zijn geweest. Maar in Nederland had hij natuurlijk ook een grotere markt, en een professionele muziekindustrie die hem kon bijstaan.
  In Nederland was het nog wel even zoeken. Moest hij in het Engels zingen, de internationale poptaal, in het Sranantongo, voor zijn Surinaamse markt, of in het Nederlands, de taal van zijn nieuwe vaderland? Ook de muziekstijl bleef even puzzelen. Kenny’s ‘huisstijl’ is de reggae en de dancehall, maar hij houdt ook van r&b, jazz en soms zelfs van rock. Zo bewondert hij Bløf en zijn zanger Paskal Jakobsen. Wij vinden dat gek: een Surinamer die van dat spierwitte Bløf houdt. Maar eens te meer blijkt maar dat muzikanten niet in hokjes denken, en al helemaal niet in muurtjes. Muzikanten herkennen talent in elke stijl. Hokjesdenken, dat doet alleen het publiek.
  In 2015 stapte Kenny over naar het Nederlands. De rest is geschiedenis. Nadat “Als je gaat” een radiohitje werd, kwam “Parijs” met groot machtsvertoon de hitparade binnen. Alarmschijf, zeven weken op 1, zeven keer platina.

Het is niet het meest diepgravende liedje van Kenny B. De r&b-muziek is goed (niet te jengelig, niet te gelikt, niet te vlak), maar niet heel opzienbarend. De reggaeliedjes die de man meestal maakt, zijn wat mij betreft interessanter.
  Ook de tekst is niet zo bijzonder. Een clichématig liefdesliedje: de ikpersoon spreekt in Parijs (de stad van de liefde) een meisje aan, dat Nederlandse blijkt te zijn. Natuurlijk loopt het allemaal goed af en hebben ze een o zo romantisch weekend voor een o zo romantisch decor. Maar het gaat hier om wat hij tegen het meisje zegt:

     Praat Nederlands met me,
     even Nederlands met me.
     Mijn gevoel zegt mij
     dat wij vanavond samen kijken
     naar de Champs-Élysées
     en naar de Notre-Dame en naar de Seine
     en daarna samen op la tour Eiffel.

“Praat Nederlands met me”, dat is een behoorlijk goed getroffen regel. Tussen het ook al zo goed gekozen Frans (eenvoudige zinnetjes en namen van topattracties die elke Nederlander verstaat), valt die regel op. Het is een motto dat blijft hangen, het idee van het liedje eenvoudig vangt en voor de beslissende wending zorgt. De officiële titel van het liedje is “Parijs”, maar waarschijnlijk is deze ene regel bekender.
  “Praat Nederlands met me” doet het ook zo goed omdat het voor herkenning zorgt. Je bent alleen in het buitenland, ontheemd door de vreemde omgeving en de vreemde taal, en ineens ontmoet je iemand die jouw taal spreekt. Een vrij kleine taal, die ter plekke niemand verstaat: dat maakt de band alleen maar sterker.
  Taal als element om te verbinden, maar ook om je speciale eigen identiteit te creëren. Dat kan met het Nederlands, maar dat kan nog veel beter met echt kleine talen of dialecten. Het is dan ook niet voor niets dat het in de zomer van 2015 parodieën regende in diverse dialecten, streektalen en migrantentalen die Nederland rijk is.

Het begon waarschijnlijk met deze:

Erg romantisch is het allemaal niet, maar grappig wel. En: goed gezongen, goed gespeeld, goed geproduceerd. Niet de eerste de beste YouTube-malloot.
  De Havenstad kon deze provocatie natuurlijk niet onbeantwoord laten:

Als Amsterdam én Rotterdam de aandacht opeisen, hoor je Den Haag al schreeuwen dat zij er ook nog zijn. De Haagse Kenny is niet erg subtiel: “ik voelde dat ze nat was.” De conversatie verloopt ook niet optimaal: zijn verovering komt uit Frankrijk.

Amsterdams, Rotterdams en Haags zijn weinig afwijkende dialecten. Mensen die daarin zingen, doen dat vooral voor de gein. Heel anders ligt dat bij streektalen buiten de Randstad. Die dragen mensen vaak heel dicht op het hart. Vaste volgers van mijn blog heb ik het vaak genoeg onder de neus gewreven: mensen drukken in streektaalmuziek hun regionale trots en hun diepste gevoelens uit.
  Ene Michael oet Grunnen houdt het kort. Hij versiert een meisje van Vindicat. Veel zegt hij niet, maar zijn “proat toch Grunnens met mie” lijkt uit het hart gegrepen.

Nathan Green uit Assen zorgde voor een al even korte Drentse versie. Maar let op in het refrein. Horen we daar niet de mondharmonica van “Op fietse”?

Uit een heel andere hoek van het land kwam een versie uit vrouwelijk perspectief. Joëlle Panis uit Maastricht ziet allemaal snelle zakenmannen in pak lopen. Vast Hollanders. Ze spreekt de man van haar keuze dan ook in het Nederlands aan. Maar dan zegt hij terug: “Iech bin ‘nen echte Sjeng”. Ze kunnen samen Mestreechs praote, en Joëlle krijgt “sjevraoje” (rillingen) van geluk.

Een zeer beknopte versie in het Tilburgs, de taal van Kenny’s woonplaats, wilde de meester wel even zelf doen:

Maar het kan nog ingewikkelder. Fo is Nederlandse Marokkaan. Hij wordt in beide vaderlanden raar aangekeken. In Nederland wil zijn vader per se Nederlands met hem praten, wat die ouwe eigenlijk niet kan. In Marokko treft hij een Marokkaans-Nederlandse vrouw, met wie hij lekker Marokkaans Arabisch kan praten en daarna samen terug naar Nederland.

Wel Arabisch, geen Sranantongo? Dat kon natuurlijk niet bij een artiest die al jaren zo populair onder Surinamers is. Safa Liron vulde dat gat op.

Dan rijst toch nog de vraag: waarom doet Kenny B zelf geen Surinaamse versie? Hij is toch Surinamer, en had toch al jaren muziek in het Sranantongo gemaakt? Ja. Maar daar komt het weer: Kenneth Bron is marron, en het Sranantongo is niet zijn moedertaal. Dat is het Aucaans, een kleine taal uit het oerwoud waar de meeste Surinamers niets van verstaan. Het Sranantongo en het Nederlands moeten ongeveer even vreemd voor hem zijn.

Kenny heeft voor het Nederlands gekozen. En niet alleen uit commerciële overwegingen. In zijn “praat Nederlands met me” klinkt, behalve de romantiek en de herkenning, ook een loyaliteitsverklaring aan de Nederlandse taal door. Op een moment dat het totaal niet liep tussen allochtonen en autochtonen, stak hij zijn hand uit naar zijn tweede vaderland. Met de Nederlandse taal bereikte hij mensen uit alle hoeken van het land en met alle kleuren van de regenboog.
  Een pleidooi om Nederlands met elkaar te praten, dat weerklinkt in alle talen die dit land rijk is. Er is geen mooiere manier om deze rubriek over Nederlandstalige popmuziek af te sluiten.

Epiloog
Hier eindigt na vijftig weken mijn overzicht van zeventig jaar popmuziek in het Nederlands. De Nederlandse taal kwam de rock ’n roll schoorvoetend binnen met een parodie, de Trappelzakboogie. Peter Koelewijn probeerde haar over de streep te trekken, maar onze taal bleef aarzelend bij de deur staan, zelfs toen Boudewijn de Groot ermee begon te toveren. We hebben gezien hoe een paar dappere eenlingen de kar in de jaren zeventig gingen trekken. De eenlingen werden underground, de underground werd alternatief en begin jaren tachtig werd Nederlandstalige pop een weergaloze rage. Nadat de rage instortte, was de beurt weer aan avontuurlijke muziek. We hebben gehoord hoe Nederlandstalige (pop)rock in de jaren negentig weer opbloeide, en hoe ook Vlaanderen zich steeds meer ging melden. De rock werd daarna minder belangrijk, maar de Nederhop werd een meer dan waardige opvolger. Rappers uit alle bevolkingsgroepen maakten het met al even diverse muziek. In Vlaanderen viert de dialectmuziek hoogtij. De laatste jaren is er ook eindelijk proportionele aandacht voor muziek van vrouwen, die zich steeds meer als singer-songwriter melden.

Ik dank alle lezers van mijn blog. Jullie waren met weinig, maar vaak wel erg trouw. Ik dank ook alle artiesten die aardig hebben gereageerd op mijn stukjes, die soms met retweets hebben gezorgd voor een nieuwe lezersschare. En natuurlijk bedank ik alle popartiesten die sinds de jaren vijftig in het Nederlands hebben gezongen of gerapt. Jullie hebben het fabeltje dat onze taal zo ongeschikt is voor de popmuziek keer op keer gelogenstraft. Ga vooral door met muziek maken!

Wie nog eens alle afleveringen overzichtelijk bij elkaar wil hebben, verwijs ik graag naar deze lijst. Daar staan alle honderd nummers bij elkaar, met handige links naar de stukjes.
  Maar blijf nog even hangen. Honderd – ik heb het vaker gezegd – bleek dit jaar een verdomd klein getal. Er zijn nog zoveel goede en succesvolle artiesten die mijn rubriek niet gehaald hebben. Die verdienen het niet om helemaal onbelicht te blijven. Tussen nu en het einde van het jaar zorg ik nog voor een toegift. Acts die nog niet behandeld zijn, zullen in diverse themastukjes nog kort de revue passeren.

Honderd keer pop in je moerstaal (99)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 99.

Het liedje van vandaag had er bijna niet gestaan. Het is namelijk een persoonlijke favoriet van me, en in de loop van dit jaar heb ik meer dan eens een minder bekende favoriet moeten afvoeren omdat een ander liedje bij nader inzien toch voor ging. De reden was vaak dat er te weinig vrouwen in mijn rubriek voorkwamen, of dat bepaalde bevolkingsgroepen en/of muzieksoorten wel wat meer aandacht verdienden.
  Onze act van vandaag is Swinder, een blanke poprockband en daarmee deel van een muziektraditie die al uitgebreid aan de orde is gekomen. In plaats van hen had best een liedje van Aafke Romeijn kunnen staan, die de geslachtsverhouding wat meer de goede kant op had kunnen trekken en die – eerlijk is eerlijk – ook hogere ogen gooit bij publiek en critici.
  Uiteindelijk gaf één argument de doorslag. Er zitten nog wel meer scheve verhoudingen in onze popmedia. Niet alleen komen er meer mannen dan vrouwen in voor, we leunen ook vrij zwaar op de Randstad. Swinder is een Groningse band; ik geloof niet dat er dit jaar al een act uit Groningen in mijn rubriek is behandeld (of je moest de Jazzpolitie meerekenen). Terwijl een kwart van het land op Groningen-stad gericht is en er, mede dankzij de universiteit, zoveel te beleven valt. Swinder kan ik jullie dus met een meer dan gerust hart aanbevelen.

Swinder – Gronings voor ‘zwerver’ – is een band uit de stal van indielabel Excelsior. Ik geloof dat ik ze via de Luisterpaal van 3voor12 heb leren kennen. De band is opgericht door Bas Schröder, een hipster met baard uit Bedum. In zijn jeugd had hij totaal niets met de dorpsspraak; pas rond zijn dertigste, na jarenlang rondhangen in de (dialectarme) grote stad, zag hij de waarde ervan in. Zo werd hij de spil van een nieuwe band, waarin hij zelf de zanger van zijn eigen, zeer persoonlijke, Groningstalige teksten zou zijn.
  In 2015 kwam het debuutalbum uit. Daarvan nemen we nu één liedje dat mij bijzonder aanstaat: “Smokken binnen vergees” (“kussen zijn gratis”). In dit lied wordt Swinder versterkt door Bert Hadders.

Over het verhaal kunnen we vrij kort zijn. De ikpersoon is student of leeft als student en heeft geen cent te makken. Hij leeft op macaroni en oud brood

     En zulfs bie voedselbaanke
     krieg ik nog gain krediet
     en al veur mien stamkroug opengaait
     is ’t veur mie al hoogste tied.

Maar dat kan hem niets schelen, want “smokken binnen vergees”, en ligt hij warm in haar armen dan is het allemaal goed. De liefde voor een meisje, een nieuw meisje en bovendien ook nog stuk jonger, domineert het album. De bandwebsite zwijgt erover, maar gezien de details ga je denken dat het autobiografisch is.
  Als je dat als dertiger doet, begeef je je wel op glad ijs. Gemakkelijk in het gehoor liggende muziek met naïeve liefdesteksten, dat kun je na je vijfentwintigste eigenlijk niet meer maken. Tenzij je heel overtuigend brengt – tja, dat je je eigenlijk nog twintig voelt. En dat geloven we wel. Een band die pas debuteert als de leadzanger rond de dertig is – dat zal wel een band van laatbloeiers zijn.
  Het gaat bij Swinder ook niet alleen om de tekst en muziek op zich. Het gaat er vooral om hoe ze hun Gronings als zangtaal gebruiken. Daar scoren ze een dikke tien voor. Ze buiten de bijzondere klanken van het Gronings ten volle uit om ze in de muziek tot hun recht te laten komen. Soms is het net Engels, soms weer net Nederlands, soms weer totaal uitheems. De knauwerige, maar ook lange klanken passen goed bij de rockmuziek.
  De manier waarop Swinder de streektaal gebruikt doet denken aan Skik. Ook de muziek op zich verraadt dat deze Groningers veel naar hun zuiderburen hebben geluisterd. Maar heel gemakkelijk was het nu ook weer niet: het Gronings verschilt nog behoorlijk veel van het Zuidoost-Drents waar Skik in zingt. Het staat ook een stuk verder van het Standaardnederlands af, waardoor je niet veel steun hebt aan de Nederpop-traditie.

Er is trouwens nog wel iets dat de aandacht trekt. Schröder had ten tijde van de opnames nog maar net Gronings geleerd. Zijn dictie is overtuigend: die verraadt niet of nauwelijks dat de spreker met alleen het Hollands is opgegroeid. Maar de grammatica, daar wringt hem de schoen. Veel typische dingen van de Groningse taal verwaarloost hij.
  In het citaat hierboven staat de regel “en al veur mien stamkroug opengaait”. Zo staat het ook in het cd-boekje. Maar op de plaat zingt hij: “al veur mien stamkroug opengoat.” Ja, nou en, denkt u nu misschien. Het wijkt allebei af van het Nederlands. Jawel, maar toch is de vorm “opengoat” geen goed Gronings. In het Gronings wordt het werkwoord goan namelijk zo vervoegd: ik goa, doe gaaist, hij gaait. Mensen die niet zo vaak Gronings spreken, kennen die regel niet en zeggen dan ik goa, doe goast, hij goat.
  Het lijkt erop dat Schröder dat net iets te laat heeft onderkend: op tijd om het goed in het cd-boekje te zetten, maar te laat om het nog goed in te zingen. Trouwens: soms rijmt het niet meer in goed Gronings. “Nou heb ik spiet / dat ik die allennig achterliet”, heet het in een ander liedje. Eigenlijk moet het achterluit zijn. De zanger had er waarschijnlijk een flink probleem bij toen hij daarachter kwam…

Poprock, blije liefdesteksten, hoorbare invloed van Skik, geen perfecte beheersing van de taal – Swinder komt ermee weg door het enthousiasme en de grote muzikaliteit van het geheel. Vermoedelijk komt volgend jaar de opvolger uit. Dat wordt een heel lastige tweede. Critici gaan nu volwassen teksten en een origineler geluid eisen. Gelukkig is er jaren serieus aan deze plaat gewerkt. Ik verwacht er veel van.
  In 2018 wordt Bas Schröder 35. Veel bands zijn op dat moment al uit elkaar, Swinder begint eigenlijk pas. Dat geeft hoop. Misschien moet ik volgend jaar ook eens werk gaan maken van mijn muziekcarrière…

Honderd keer pop in je moerstaal (98)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 98.

In aflevering 93, bij Slongs Dievanongs, kon u al lezen voor de Vlaamse hiphop, die dit decennium tot grote bloei is gekomen. Anders dan in Nederland zijn het in Vlaanderen, zo schreef ik toen al, vooral autochtone artiesten die in hun eigen dialect rappen. Vandaag behandelen we nog een exponent van deze “Belhop”, en opnieuw is het iemand uit Antwerpen.
  Tourist LeMC, volgens de burgerlijke stand Johannes Faes, debuteerde in 2010. Niet voor het eerst moest ik deze informatie van Wikipedia halen. Ik kende de man in 2010 namelijk nog niet, en zijn debuutalbum maakte geen grote impact. In 2012 stootte hij door naar de finale van HUMO’s Rock Rally (zie ook afleveringen 20 en 48); datzelfde jaar werd zijn single “Liefde Liefde” door Studio Brussel opgepikt. De Rock Rally en StuBru – vaak is dat genoeg om kamerbreed door te breken. Nu niet.
  Zoals voor meer Vlaamse rappers moest het laatste zetje van het Nederlandse label TopNotch komen. Het begon al beter te lopen toen deze maatschappij zijn album Antwerps testament heruitgaf. Maar de echte doorbraak kwam in 2015. En route werd platina en is op het moment van schrijven (december 2017) nog niet weg uit de Vlaamse Ultratop 200 van albums! Ook in Nederland had hij bescheiden succes – alleen pop- en hiphopliefhebbers kennen hem, maar er zijn hier te lande best veel hiphopliefhebbers.
  Waar zingt een toerist-in-eigen-stad dan precies over? Over zichzelf (“En route”), over de onzekere toekomst (“Horizon”), over het vak (“Troubadours”) maar toch vooral over “Koning Liefde”.

De tijd dat hiphop alleen maar hiphop was als er een funk- of soulbegeleiding onder zat, ligt ver achter ons. Hiphop is bijna hetzelfde als muziek waarin niet alles gezongen wordt. Zo is in dit nummer een hoofdrol voor de akoestische gitaar weggelegd; “Koning Liefde” is in wezen een folkliedje waarin gerapt wordt.
  De clip is al even ingetogen als de muziek. We zien Tourist LeMC in een effen zwart T-shirt zijn rap doen, terwijl op de achtergrond de gitarist in even simpele kleding staat te spelen. Later komen er nog een basgitarist en een slagwerker met een heel ingetogen partij om de hoek kijken.
  De clip met vier ambachtelijke muzikanten is wel een beetje bedrieglijk. We horen ook strijkers, maar die krijgen we niet te zien. Ze zullen ook wel uit een keyboard komen, maar wie bedient dat, als ze hier echt live staan op te treden? En als hij vanaf 1:58 drie keer hetzelfde zegt (“ongderandelde nie”), wie sampelt hem dan? Kortom: de productie is net iets geraffineerder en uitgebreider dan het filmpje suggereert.

Dat neemt niet weg dat tekst, muziek en beeld ingetogen zijn. Daar is een reden voor: TouristMC heeft helemaal geen recht op grootspraak. Hij heeft lelijke dingen in de liefde gedaan: zijn liefje bedrogen of iets in die trant:

     Want iek em gekwetst, beloage, vals bespeeld
     Iek moest nog veel liere over vrouwen en respect.
     Iek kon ’t steiken op maan omgeivieng, allemol piranha’s
     Mor oitaaindelek em iek gedoan wa’k gedoan em… paljas.

Liefde is niet alleen romantisch en erotisch. Het strekt zich verder uit. En ook zijn vrienden heeft hij niet altijd goed uitgezocht of netjes behandeld:

     Vriengde koamen en goan
     En we ontgroeide oek de levenstaal da’s normoal
     Iek gieng zowel oem met de zotste as de beste legionaire,
     Jeugd van de stad.

Dat je vrienden uit het oog verliest, of dat je af en toe breekt met een vrouw, dat is tot daaraan toe. Maar dat je kiest voor iets anders dan de liefde (lust, persoonlijk gewin, …) is onvergefelijk.

     Iek em ziette marchandeire,
     opportuniest…
     Mor me de liefde
     Ongderhandelde nie.

Hier spreekt duidelijk een volwassen dertiger die spijt heeft van zijn daden als twintiger. Zo komt hij verbazend dichtbij Typhoon en zijn nummer “Liefste” (aflevering 95). Allebei hebben ze spijt van hun gedrag en proberen ze één vrouw terug te krijgen.

Ook de overeenkomst met Slongs Dievanongs is treffend: allebei braken ze pas rond hun dertigste door. Er was een tijd dat je met die leeftijd in de popmuziek afgeschreven was. Als je niet de King, Macco of Jagger was, werd je rond de dertig jeugdsentiment in het schnabbelcircuit. Over rappers zullen we het al helemaal niet hebben: dat waren altijd opgewonden pubers met een overdosis ongerichte woede. Eens te meer blijkt maar weer hoezeer rap anno 2017 een mainstreamgenre is geworden…

Honderd keer pop in je moerstaal (97)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 97.

Vorige week hadden we hier Typhoon. Aan de hand van “Liefste”, een nummer van zijn plaat Lobi da basi, konden we constateren dat hij geen gewone rapper was. Zijn werk verlaat bijna alle gebaande hiphop-paden en heeft meer met Ramses Shaffy dan met Run-DMC te maken.
  Fresku, die andere grote Nederlandse rapper van dit moment, is iets meer een gewone rapper. Hij doet features met vrienden, rapt over het leven op straat en legt er een hoop energie en woede in. Tegelijk is hij ook cabaretier. Bekend werden zijn typetjes Gino Pietermaai en Willy Keurig: respectievelijk een stereotiepe Antilliaan en een stereotiepe Brabander. Fresku had gemengde ouders en voelt zich eigenlijk in geen van beide milieus echt thuis. Ondanks zijn Papiamentse pseudoniem is hij geen echte Antilliaan. Die gespletenheid – Brabander en Antilliaan, maar ook bloedernstige rapper en losse cabaretier – tekent Fresku. Hij heeft het allebei in zich, terwijl Typhoon duidelijk op een punt ergens tussen twee uitersten zit.

In 2015 kwam zijn album Nooit meer terug uit. Je hebt doorbraken en doorbraken. Bekend was hij eigenlijk al, maar met dit album brak hij definitief door naar de mainstream, terwijl de critici hem de hemel in prezen. Nooit meer terug was dus voor Fresku wat Lobi da basi voor Typhoon was. (Roy, als je meeleest: sorry voor die constante vergelijking. Musicologen proberen nu eenmaal muziekgeschiedenis te schrijven, en dat gebeurt voor een deel door parallellen in kaart te brengen.)
  Nooit meer terug: de titel suggereert een verwijzing naar de slavernij. Je ziet Fresku’s voorouders ontscheept worden op Curaçao en begrijpen dat ze niet meer naar Afrika zullen terugkeren. (Het is de naam van de eerste track, die – in elk geval aan de oppervlakte – gaat over het leven van vroeger, waar hij niet meer naar terug wil.) Gezien die mogelijke verwijzing had ik een fel album verwacht, dat vol tekeer zou gaan tegen de door blanken gedomineerde maatschappij en ander onrecht.
  Dat viel mee. De belangrijkste uithaal was “Zo doe je dat”, over 3FM en zijn voorliefde voor roomblanke rockbandjes. Het nummer miste zijn uitwerking niet. Vandaag luisteren we naar een ander nummer van deze plaat: “Gooi jezelf weg.”

Bij deze titel verwacht je door de rapper van dienst verrot gescholden te worden. Hij heeft vast wat op je aan te merken: verkapte racist, slaaf van het systeem, kontlikker…
  Maar nee. Het liedje begint met een voicemail van TopNocth-baas Kees de Koning (tekst ongetwijfeld van Fresku zelf) die hem vertelt: “We zijn er een beetje klaar mee eigenlijk. (…) Wat loop je eigenlijk te zeiken over van alles. Je bent artiest je hebt een hartstikke fijn leven. (…) Zo kritisch als je op anderen bent – misschien moet je een keer net zo kritisch zijn op jezelf.”
  Fresku geeft er onmiddellijk gehoor aan. Het volle orgel begint te spelen. Een symbool van tegelijk dood, horror en calvinistische strengheid. Fresku begint te rappen en scheldt zichzelf vier minuten lang verrot:

     Fuck you Fresku.
     Gooi jezelf weg, samen met elke tekst van je vuile handicap.
     Er gaat geen dag voorbij dat je geen ellende hebt.
     En toch kom je preken en lees je iedereen wel de les.
     Ik wil weleens zien hoe jij jezelf redt.

Zo gaat het nog wel even door. Fresku, je bent een binnenvetter en vraagt te laat hulp, je laat je koeioneren door de muziekindustrie, je bent labiel, je vrouw is veel te lief voor je, en je bent ook helemaal niet zo bijzonder.
  In de eerste twee coupletten spaart hij zichzelf nog een beetje. Hij zegt daarin dat hij zichzelf te veel wegcijfert terwijl hij anderen helpt. En als hij de slaaf van de muziekindustrie is, is die laatste natuurlijk minstens zo schuldig. Maar in het derde couplet laat hij niets meer van zichzelf over:

     En waar het op staat, is: Fresku jij bent waardeloos maat.
     Vamonos ja, doe je best en maak nog een plaat.
     Niemand wacht erop, er is niks wat je waardevol maakt.
     Nooit dat de chaos en de zelfhaat je loslaat.
     (…)
     Ik zit te hopen dat Kees de Koning je dadelijk ontslaat.
     En je laat dokken voor elk nummertje waar je op staat.

De verharding in toon in het laatste couplet valt samen met een strakker rijmschema. De rijmklank -aat, overheerst, de meeste andere rijmklanken bevatten ook een aa, en diverse regels kennen nog assonantie met dezelfde klank. De heldere aa-klank, waarbij je hele mond opengaat, klinkt heel welluidend maar ook heel dwingend. Hij geeft je de volle laag van je stembanden: geen boventoon wordt onderdrukt. Tegelijk moet je blijven luisteren, omdat wij met ons allen die reeks klanken zo welluidend vinden.

De scheldpartijen die Fresku aan zichzelf richt zijn niet reëel. Zeker niet de tirade uit het derde couplet. Paradoxaal genoeg noemt hij als één van zijn ondeugden: “nooit dat de zelfhaat je loslaat.” Met andere woorden: hij haat zichzelf vanwege zijn zelfhaat…
  Artiest is het mooiste beroep van de wereld. Je doet wat je leuk vindt, en daar verdien je ook nog geld mee. Maar het is ook een erg onzeker beroep. Alleen de besten en gelukkigsten maken het. Je voelt je schuldig naar collega’s die het niet redden, maar ook naar je publiek. Fabrieksarbeiders en kantooremployés werken vijf dagen per week voor hun loon; als jij als artiest geen inspiratie hebt, mag je rustig een jaar niets doen. Als je daar tegenaanloopt, kun je nog behoorlijk van jezelf schrikken.
  En artiesten zijn vaak al zulke onzekere mensen. Een vicieuze cirkel ligt op de loer. De grens tussen het middelpunt van de belangstelling en de rand van de samenleving is vaak schrikbarend vaag. Deze tekst slaat niet alleen op Fresku. Hij zal worden herkend door heel veel mensen zonder gewone van-9-tot-5-baan…

Riep daar iemand ‘doctoraalstudenten’?

Honderd keer pop in je moerstaal (96)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 96.

Na Flip Kowlier (aflevering 69) en Hannelore Bedert (79) behandelen we vandaag voor de derde en laatste keer een West-Vlaamse act. En alweer komt deze act uit de buurt van Kortrijk. Het Zesde Metaal, sinds een paar jaar de populairste act van de provincie, heeft zijn wortels in Wevelgem. Maar al hadden we zes West-Vlaamse in deze rubriek gestopt, dan waren ze nog allemaal of bijna allemaal hier vandaag gekomen. Misschien is het omdat aartsvader Willem Vermandere daar ook vandaan komt, of omdat er daar iets raars in het drinkwater zit (ik weet het, die grap heb ik bij Hannelore Bedert ook al gemaakt), maar de rest van de provincie komt er nauwelijks aan te pas. In Brugge en Ieper blijft het opvallend stil, uit Oostende ken ik alleen volkszangeres Lucy Loes.

Wannes Capelle, de grote man in Het Zesde Metaal, richt de band in 2005 op. Hij speelt, binnen en buiten zijn band, met talloze gevestigde musici mee en trekt ook op met Roosbeef (aflevering 84). Net als deze band brengt Het Zesde Metaal in 2008 zijn debuutalbum uit, Akattemets. Die laatste informatie moest ik van Wikipedia halen, want ik ken niets van die plaat en ik heb haar destijds ook gemist.
  De drie albums die volgden waren moeilijker te missen. Ploegsteert uit 2012, over de jonggestorven wielrenner Frank Vandenbroucke, raakte de Vlaming in zijn wielerhart. Vorig jaar kwam Calais uit, een geëngageerde plaat rondom de vluchtelingencrisis. Opnieuw een voltreffer, en ook Nederland werd ondanks de taalbarrière bereikt.
  Vandaag behandelen we een liedje van hun derde album, Nie voe kinders uit 2014. Het liedje heet “Dag zonder schoenen”.

Anders dan zijn voorganger en zijn opvolger is Nie voe kinders intern gericht: het album gaat niet over de wereld maar over de eigen zielenroerselen. Het leven is niet voor kinderen, snap je. Problemen met opgroeien, vriendschappen, relaties, werk… met de maatschappij in feite.
  In dit liedje heeft de ikpersoon even helemaal genoeg van de maatschappij. Niet dat hij gedesillusioneerd is, hij heeft gewoon geen zin. Niet om te werken, niet om naar buiten te gaan, niet om met iemand te praten.

     Dagske zonder telefoon, dagske zonder of te beln.
     Ik ben niet echt ongezond, moar ‘k ee ’t fut nie voe mie ziek te meln.
     Zoe dat teln?

De maatschappij eist van je dat je iets met je dag doet. Niet alleen om iets aan de wereld bij te dragen, maar ook, nog fundamenteler, om je tijd niet zomaar te laten wegtikken. De zanger wil ontsnappen aan allebei:

     Loat mie moar doen, ‘k bluve binn.
     Nen dag zonder skoenn, nen dag zonder zin.
     Loat mie moar doen, loat mie moar zin.

Wat doet hij dan wel? Hij kijkt naar buiten. Zijn buren zijn blijkbaar gepensioneerd, die kunnen joggen en in de tuin werken. Zij hoeven niet meer te werken. Hij moet eigenlijk nog beginnen met werken. Daar proeven we toch een beetje schuldgevoel…

     De gebuur es al an ’t lopen, zien vrouwe doet d’n of.
Ziender moeten nie meer goan werken, ziender zien d’r al vanof.
     Moar ik ier, ‘k ben nog nie begunnen.

En zoals dat op zo’n dag gaat: aan het einde ben je niet in bed te branden. De ikpersoon zal wel zitten lezen, tv kijken of internetten:

     ‘k Ben te leeg voe te goan sloapen, ‘k moet er eindlek ne keer in.
     Vint, wat zit ik ier te zitten, ach wat zie dat toch kunn zien me mie?

Zo traag en escapistisch als de tekst is ook de muziek. Drieënhalve minuut lang ben je even helemaal van de wereld door de prachtige bezwerende muziek. Vooral het refrein pakt me steeds weer bij de kladden. De muziek geeft je precies dat behaaglijke gevoel: laat mij maar even niets doen, en stoor me vooral niet in mijn eigen luchtbel.
  Er is één verschil. Na een dag onnodig thuis zitten zullen de meeste mensen zich schuldig voelen. Zonde van je tijd. Muziek luisteren, en zeker mooie muziek, dat vindt haast niemand zonde van zijn tijd. Muziek is geoorloofd escapisme, een middel om je van de harde of banale werkelijkheid af te sluiten met de verrijking van de geest als excuus. In één woord: kunst.

Honderd keer pop in je moerstaal (95)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 95.

Afgelopen week was er heel even heisa om een uitspraak van Marco Borsato. Nederlands populairste zanger beweerde dat hij zijn tijd ver vooruit was toen hij in 2004 een duet deed met Ali B (“Wat zou je doen?”).
  Prominente Borsatohaters – nogal wat zelfverklaarde popliefhebbers zijn dat, zie aflevering 73 – lieten van zich horen. Nico Dijkshoorn schreef er een schampere column over (schrijft die man ooit weleens on-schampere columns?) en Menno Pot zei op Twitter: “Ooit organiseren Jay-Z, Kanye, Dre en Kendrick een groot tribute-concert voor ‘de man zonder wie wij hier niet hadden gestaan’, de inspirator, de wegbereider die hiphop groot maakte: Marco Borsato.”
  Wat in ieder geval Menno Pot niet onderkende, was dat Borsato het volgende bedoelde: in 2004 was rap nog een genre met een eigen niche: de muziek van vooral grootstedelijke en vaak gekleurde jongeren. Echt de muziek van een subcultuur. Dat een zanger uit de “adult contemporary”-hoek (radiovriendelijke muziek die een breed publiek wel oké vindt) samenwerkte met een rapper lag niet voor de hand. Anno 2017 ligt niemand daar wakker van: rap is nu algemeen in het popmuzieklandschap. Meer of minder beweert de man niet.

Het gelijk van Borsato blijkt wel als je een commercieel radiostation aanzet. Binnen een halfuur heb je waarschijnlijk al Ed Sheeran voorbij horen komen, in meerdere opzichten de Britse Marco. Zijn muziek is voor iedereen, niet in de laatste plaats blanke huisvrouwen, maar hij gooit achteloos een stukje rap door een folkachtig nummer, om daar vervolgens in diverse landen de Top 10 mee te halen.
  Een ander teken aan de wand is de dominantie van rappers in de Nederlandstalige muziek aan beide kanten van de landsgrens. De laatste twintig plaatsen van mijn rubriek barsten van de rappers, en bijna allemaal halen ze de hitparade. De niet-hiphop die ertussen staat is al veel vaker alternatieve muziek, die geen grote verkoopsuccessen boekt.
  Ook de kritiek is met de hiphop. Werken van Kanye West en Kendrick Lamar worden als meesterwerken geprezen, en de popkenners roepen om het hardst dat het genre zijn mooiste fase doormaakt sinds de jaren tachtig. Terwijl rockplaten zelden nog met gejuich worden binnengehaald, en indie en dance ook steeds vaker lauw ontvangen worden.

Typhoon (echte naam Glenn de Randamie) bereikt zowel commercieel als kritisch succes. Eigenlijk is dat maar goed ook, want erg productief is de man niet. Als puber deed hij in 2001 al mee aan het debuut van Opgezwolle (aflevering 76). Vervolgens duurde het nog tot 2007 voor hij zijn debuutplaat Tussen licht en lucht uitbracht. Dat leverde hem al een hele schare fans op, maar die moesten intussen zeven jaar wachten tot de tweede plaat, Lobi da basi. Toen die er uiteindelijk toch kwam, waren de kritieken juichend: algemeen was de teneur dat Lobi de zeven jaar wachten meer dan waard geweest was. Jaarlijstjesmateriaal van de eerste orde.
  Van dit album beluisteren we vandaag de laatste track, “Liefste”:

In vergelijking met veel andere rappers lijkt Typhoon meer een gewone Hollandse jongen. Dat is op zich best vreemd. Hij geeft zijn album een naam in het Sranantongo (“liefde is de baas”), de plaat begint met een impressie van gevluchte slaven in het oerwoud van Suriname en hij mengt zich in de zwartepietendiscussie. Kortom: zijn Surinaamse achtergrond blijkt uit heel wat meer dan alleen zijn kleurtje.
  Het gewone, het ‘mainstream’-element, zit in de onderwerpen die hij bespreekt. Gangsterrap was al nooit iets voor Nederlandse rappers (herlees aflevering 49 nog eens voor de brute parodie die Osdorp Posse hierop maakte), maar eerdere generaties Nederhoppers stelden zich nog wel met een assertieve branie op, en gebruikten vaak straattaal. Typhoons werk heeft weinig meer met de straat te maken. Hij bezingt de dingen van het leven, de grote thema’s waar iedereen zich in herkent. Dat is wel van groot belang als je mainstream wilt zijn.
  Hét thema in de popmuziek is natuurlijk de liefde, en dé uitdaging, zeker in het Nederlands, is om daarbij niet afgezaagd te klinken. Typhoon blijkt dat uitstekend te kunnen, met woorden die ik – bevooroordeeld als ik ongetwijfeld ben – niet met een Surinamer associeer. Hij schrijft net zulk accentloos Nederlands als hij spreekt.

     Een schreeuw om bestaansrecht, stug en standvastig.
     Het stapelt zich op, totdat die kilte over ons heen komt.

Ook om een subtiele oneliner zit hij niet verlegen:

     Mijn schat, ‘t is op z’n tijd een strijd,
     maar ik zou met niemand anders willen vechten.

Van zwarte mannen werd vanouds helemaal niet verwacht dat ze gevoelige liedjes over één vrouw schreven. Ook van Surinaamse mannen niet. Een stoere player moest je zijn, die met schuine grapjes en een knipoog alle vrouwen wel kon krijgen. Herlees nog maar aflevering 38 (over Trafassi). Seks komt bij Typhoon zeker nog voor, maar dan op de huiselijkste manier die er is:

     Je legt de wekker weg, je laat ‘m snoozen en zegt:
     “Werk wacht wel, ik wil je nog even in mij voelen.”

De zelfverzekerde rappende macho is hij al helemaal niet. Er lijkt iets in hun relatie aan de hand te zijn. Ze hebben ruzie; misschien is zij boos weggegaan en staat ze na een telefoontje weer voor de deur? Typhoon wil absoluut geen ander. Hij doet speciaal de dingen waarvan hij weet dat zijn vriendin ze leuk vindt.

     Ik doe m’n best. Ik heb de trui aan
     die je mij zo goed vindt staan.

Maar niet alleen de tekst is ver weg geëvolueerd van de klassieke hiphop. Ook muzikaal is het niet meer te herkennen. Het genre heeft zich de laatste jaren verbreed van “funk of soul met een ritmisch gesproken tekst erboven” tot alle muziek waarin hoofdzakelijk gerapt wordt. En zelfs die parameter komt op de helling: een groot deel van het nummer horen we Typhoon ‘gewoon’ zingen. Met toonhoogte, je weet toch.
  De begeleiding komt niet uit een sampler, maar van een batterij gitaristen, die langzaam aanzwellen tot een heel showorkest en een achtergrondkoortje. Alle troeven uit de ‘witte’ amusementsmuziek, geïncorporeerd in een ‘zwart’ muziekgenre. Door een artiest die toevallig ook zwart is. Zo gemengd als zijn muzikanten: we zien een zwarte drummer met blote bast, en meteen daarna een roomblank achtergrondkoortje in pak en zwarte jurk. Zo gemengd als zijn publiek: Hollanders en Surinamers staan er door elkaar alsof er helemaal geen zwartepietendiscussie, etnische profilering en werkvloerdiscriminatie zijn. Typhoon dicht voor één avond niet alleen een cultuurkloof, maar ook een maatschappelijke kloof.

Aan het einde van het nummer voegt hij een stijlcitaat van Ramses Shaffy (en Liesbeth List) in. Het Nederlandse chanson was één van zijn belangrijkste inspiratiebronnen. Afkomst, muziekstijl en leeftijd waren geen beletsel. Typhoon nodigt Liesbeth List zelfs uit voor een feature. In de herfst van haar carrière bereikt deze zangeres een nieuwe generatie. Dat jonge publiek mag nu met eigen ogen ontdekken wat de twee muzikanten zelf al zeggen: “We verschillen niet”.

Honderd keer pop in je moerstaal (94)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 94.

Afgelopen maandag hadden we met Slongs Dievanongs een Griekse die in het Antwerps rapt. Vandaag wordt het nog gekker: een Spaanse zingt een liedje in het (Belgisch) Limburgs.
  Waarom is dat zo gek? Wel, in de eerste plaats omdat het Limburgs een stuk minder gesproken wordt. Een onderzoek uit 2001, uitgevoerd in Bilzen, liegt er niet om: slechts 42% van de respondenten sprak Bilzers. Bij jongeren van 16 t/m 24 jaar was dat maar 11%, bij de vrouwen onder die jongeren zelfs niemand. Onze zangeres van vandaag is een vrouw, die in 2001 net 25 was. Bovendien heeft ze niet de Belgische nationaliteit, wat alle respondenten wel hadden.
  Overal in Vlaanderen gaat het dialect achteruit, en hoewel de provincie West-Vlaanderen het beter doet kun je voor grote delen van de deelstaat op gelijksoortige cijfers rekenen. Maar het Limburgs is, veel meer dan het Antwerps, een streektaal met haar eigen grammatica, een toonaccent en onverwachte klanken. Je pikt het lang niet zo gemakkelijk als tweede taal op, je moet het echt leren. Dat blijkt ook wel uit de muziekproductie: de hausse aan Vlaamse dialectpop lijkt aan Limburg grotendeels voorbij te gaan.

De Spaanse vrouw over wie ik het heb is Belle Pérez. Voor Vlaamse lezers behoeft ze geen introductie, en ook Nederlanders zullen haar naam wel kennen. We associëren haar met opzwepende, maar niet zeer diepgravende salsamuziek. Zomerhits, eigenlijk. Heel bekend werd “Que viva la vida” uit de film Madagaskar. Ook “El mundo bailando” deed het goed. Door haar achtergrond, uiterlijk en moedertaal werd Pérez vrij gemakkelijk als exotische attractie in de markt gezet.
  Zo eenzijdig wil je natuurlijk niet bekend staan, ook al word je er rijk en beroemd mee. Haar muzikale belangstelling reikt verder, en bovendien is ze niet in Spanje maar in Neerpelt geboren. Maar hoe druk je je verbondenheid met de Limburgs-Kempische grond uit als iedereen je kent als latinzangeres?
  Pérez besloot een liedje van Noordkaap te coveren, en dat te (laten) vertalen naar de dorpsspraak. Noordkaap? Een Nederlandstalige band rond mede-Neerpelter Stijn Meuris, de grote concurrent van Gorki (aflevering 48). Noordkaap greep net naast een eigen plekje, maar hun “Ik hou van u” komt nu dankzij Belle Pérez alsnog in mijn rubriek terecht:

Dit liedje toont de chansonkant van Stijn Meuris. Een 6/8-maat, een accordeon, het staat allemaal vrij ver van de popwereld. Laat u niet bedriegen: Noordkaap was wel degelijk een popgroep. Vergelijk dit nummer maar met de chanson-uitstapjes van De Dijk (aflevering 80).
  Nu Belle Pérez, met “Ich haaw van och”:

Misschien is het omdat zij het zingt, maar het valt mij nu op dat “Ik hou van u” eigenlijk een zomerhit is. Het is niet zomaar een liefdesliedje, de ikpersoon bezingt specifiek zomerse gevoelens. Als het weer meezit, houdt hij van u – en u, en u. Of dat voor Belle Pérez, bekend om haar zomerhits, een rol heeft gespeeld, is nog maar de vraag. Dit is een van de bekendere Noordkaap-nummers, iedere Vlaming zingt het probleemloos mee. Een logische eerste keus dus voor iemand die Noordkaap covert.
  Het chansonritme uit het origineel is losgelaten. Dat is beslist wel een persoonlijke keus van Belle Pérez (en anders wel voor haar). Ze is latinzangeres (al komen haar ouders niet uit Zuid-Amerika maar uit Spanje), en het Franse chanson staat haar minder goed. Ze bouwt het nummer nog niet om naar haar gebruikelijke salsa, maar naar de bossa nova.
  Deze Braziliaanse stijl met jazzinvloed op een sambaritme veroverde in het midden van de vorige eeuw de VS en West-Europa. Wij kennen haar vooral als een suggestieve maar rustige stijl, geschikt als achtergrondmuziek voor nachtclubs en casino’s. Belle eist hier veel meer van onze aandacht op, maar de tedere boodschap gaat goed samen met deze rustige muziek. Veel beter dan met opzwepende koperblazers.
  Dat Belle Pérez goed, ja zelf accentloos Nederlands spreekt, is te begrijpen omdat ze altijd in Vlaanderen gewoond heeft. Maar zelfs haar Limburgs lijkt accentloos, al ben ik geen Peltenaar en zou ik niet kunnen zeggen of het écht niet van echt te onderscheiden is. Dat roept interessante vragen op. Zou Pérez, ondanks haar leeftijd, geslacht en achtergrond, het dialect zelf weleens spreken? En hoe vaak?

Aan alles kun je merken dat dit een eenmalige breuk met haar gewone werk is. Niet alleen taal en muziekstijl verschillen, ook de presentatie is heel anders. Geen dansante clip op een zonnige locatie, maar een studio-opname in zwart-wit, waarin Belle vrij onflatteus haar hand op de koptelefoon houdt. Niet dansen maar luisteren, is het devies voor één keer. En wie luistert, hoort een mooie vrouw “ik hou van je” zingen. Dat willen we allemaal wel, toch? Aan het slot heeft ze zelfs een kusje voor ons over…

Honderd keer pop in je moerstaal (93)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 93.

Hoewel mijn rubriek al zijn einde nadert, biedt het stukje van vandaag toch diverse primeurs. We behandelen voor het eerst een hiphopnummer uit Vlaanderen, we krijgen voor het eerst een vrouwelijke rapper en we krijgen voor het eerst iemand met een Griekse achtergrond. Voor die primeurs zorgt Charissa Parassiadis, alias Slongs Dievanongs.

Het heeft lang geduurd voordat hiphop in Vlaanderen echt groot werd. Weliswaar hadden we eind jaren negentig al het West-Vlaamse Hof van Commerce dat, met Flip Kowlier in de gelederen (aflevering 69), voor artistiek en commercieel succesvolle rap zorgde. Maar het zou tot ongeveer 2010 duren voordat de bom barstte. De impuls kwam deels uit Nederland: de Jeugd van Tegenwoordig (aflevering 81) scheert ook in Vlaanderen hoge toppen en werd gretig nagevolgd. Ook staan veel Vlaamse rappers bij het Nederlandse hiphoplabel TopNotch onder contract.
  Eén belangrijk verschil: waar Nederlandse rappers alle kleuren van de regenboog hebben en straattaal gebruiken, is de Vlaamse hiphop grotendeels autochtoon en wordt er alom gerapt in het dialect. Dat de jongeren dat steeds minder spreken is blijkbaar geen probleem, net zo min als het risico dat hun markt tot de eigen regio beperkt blijft.

Als vrouw is Slongs Dievanongs een vreemde eend in de hiphopbijt, als Griekse misschien nog wel meer. Wie verwacht er nou van een immigrantendochter dat ze in het Antwerps gaat rappen? Anderzijds: haar vader leerde als arbeidsmigrant waarschijnlijk eerder Antwerps dan Standaardnederlands. In het bootwerkersmilieu van de jaren zeventig was dat ongetwijfeld de voertaal.
  Het duurde nog een tijdje voordat Charissa doorbrak. Ze was al voorbij de dertig toen ze in de rapformatie Halve Neuro de aandacht trok. Daarna ging het hard. “Onze slons” maakte een paar hits en werd BV (Bekende Vlaming) door diverse tv-optredens. En door haar linkse engagement, waarmee ze de rechtse burgemeester Bart De Wever het vuur aan de schenen legde.
  Haar eerste echte hit bracht ze in 2013 uit. “Lacht nor mij” haalde de 23e positie in de hitparade.

Zoals je van een militant linkse rapster kunt verwachten, horen we een politiek geëngageerde tekst. (Wie het niet allemaal meteen verstaat, heeft hier waarschijnlijk wel steun aan.) Het zijn nog niet de burgemeester of rijke ondernemers die eraan moeten geloven. De tekst gaat over de ongelijkheid in de wereld, waarin niet alle kindjes even zorgeloos kunnen opgroeien als die in Antwerpen.
  Dat is geen erg radicaal engagement. Met dit goede NOVIB-doel zijn de meeste mensen het wel eens. Toch moet je ermee oppassen. Een geëngageerde tekst wordt al gauw vervelend belerend als je je boodschap niet behoorlijk inkleedt.
  Slongs Dievanongs kleedt haar boodschap hier ook in, maar eigenlijk doet ze meer. Haar nummer gaat voor het grootste deel niet over de arme kindjes elders, maar over haar eigen jeugd. Ze haalt er herinneringen aan op: haar zorgeloze vroege jeugd, en dan met twaalf jaar het besef dat het elders niet zo fijn is. Het stelt haar vertrouwen in de mensheid op de proef.

     Mor oep nen schonen dag valle de pelle van aw oge.
     Gedaon mee schone schaain, de kleur van reigenboge.
     Nen deuk in a vertraawe en ’t goeie van de mensaad.
     Ne fotto van e kiendje zongder mama in ’n bloedbad.

Maar krijgen we iets te zien van oorlog of uitgehongerde kindjes? Nee, we zien hetzelfde als in het eerdere couplet. Slongs Dievanongs die rapt met de Schelde op de achtergrond, voor een viaduct met graffiti, fietsend op straat.
  In groen-linkse hoek hoor je nog weleens beweren dat je eigenlijk niet van het leven mag genieten als er elders zoveel ellende is. Hoe kun je je geld aan cola en chocola uitgeven als men het in de Derde Wereld nodig heeft, hoe kun je nou rustig op een terrasje zitten als ver weg je medemensen creperen? Slongs Dievanongs denkt daar gelukkig anders over. We hebben hier het paradijs op aarde, en dat moeten we beseffen. Daaruit groeit de noodzaak om er iets aan te doen. Maar dat betekent niet dat we ons eigen paradijs moeten vernielen. Charissa is niet boos, ze lacht naar ons.

     Lacht nor maai en iek lach truug nor a,
     paradaais oep aarde besefte na.
     ’t Ies nieveranst
[nergens] nie beiter, zedde ga me maa?
     De wereld gon geneizen, alle kiendjes blaa!
     Lacht nor maai en iek lach truug nor a,
     paradaais oep aarde besefte na.
     Allemol tesaomen oep de eerste ra,
     nen betere wereld begient be A!

Op schrift ziet deze boodschap er zoetsappiger uit dan in de clip. Slongs Dievanongs rapt bepaald niet kinderachtig, en ook de muziek die eronder staat is niet in de suikerpot gedoopt. In het begin doet het denken aan hiphop uit de jaren negentig, later wordt de sound aangekleder en eigentijdser.

Als er zoiets bestaat als vrouwelijk rappen, is het moeilijk te zeggen of Slongs Dievanongs daaraan voldoet. Muziek en raps verschillen niet wezenlijk van haar mannelijke tegenhangers. Wel komt ze beter weg met verschillende hiphopclichés – graffiti, crossfietsen – doordat we die bij een vrouw nog maar zelden gezien hebben.
  Nee, het vrouwelijke karakter zit in de figuranten. Er komen veel mensen in de clip voor, vooral meisjes. Sommigen daarvan zijn modellen die Charissa’s jeugd moeten uitbeelden, maar anderen doen alleen mee in de boodschap. Zouden die meisjes de rapsters van de jaren twintig worden?

Honderd keer pop in je moerstaal (92)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 92.

Trouwe lezers met een goed geheugen herinneren zich aflevering 17 nog wel. Dat stukje ging over “Dokter Bernard” van Bonnie St. Claire. Ik constateerde daarin dat vrouwen in mijn rubriek wel heel dun gezaaid zijn. Ik kon ook nauwelijks namen opnoemen; Bonnies middle-of-the-roadmuziek met een smartlappenrandje leek er zelfs met de haren bij gesleept. Wat was dat? Seksisme van de muziekindustrie, die geen vrouwelijke artiesten steunde, van het publiek, dat geen vrouwelijke artiesten accepteerde, van de maatschappij, die popmuziek niets voor meisjes vond?
  Misschien heb ik er wel een paar over het hoofd gezien. Fay Lovski bijvoorbeeld, die ben ik vergeten op te nemen (misschien omdat haar bekendste werk Engelstalig is). Zo kunnen er wel meer zijn die hier hadden moeten staan maar wier werk ik niet ken.
  Gelukkig kwam daar na 1990 verandering in. In ons decennium gaat het zelfs echt hard. Maandag hadden we met Maaike Ouboter al een vrouw, vandaag en komende week volgen er nog drie. Waar ik ze eerst met een kaarsje moet zoeken, moet ik nu domweg vrouwelijke artiesten weglaten. Roos Blufpand of Yentl & De Boer grijpen zo jammerlijk naast een stukje op mijn blog.
  Eén grote ‘maar’ is er nog wel. De vrouwelijke popartiest is bijna altijd in het singer-songwritergenre actief. In bands kom je ze weinig tegen (en dan nog zeer overwegend als zangeres), en vrouwelijke rappers zijn nog zeldzamer, zeker hier te lande. Is dat toeval? Vast niet? Rock en hiphop zijn vanouds machogenres, de singer-songwriter wordt geacht zijn gevoelens te uiten. Dat vinden wij, de maatschappij, beter bij vrouwen passen. Daarom kon Joni Mitchell het al in de jaren zestig maken en bewonderden we later Björk, Tori Amos en PJ Harvey.

Onze zangeres-schrijfster van vandaag is Eefje de Visser. Ik maakte zelf kennis met haar werk in 2013. Eigenlijk had ik dat al veel eerder willen doen. Ik hoorde in 2004, meen ik, al van haar, en ik was wel benieuwd naar dat jonge meisje dat het even ging maken. Men dient in acht te nemen dat ik in die tijd verliefd was op een andere Eefje. Dat is op zich de verkeerde reden om naar een concert te gaan, maar in dit geval had ik er vast geen spijt van gehad.
  Enfin, ik ging niet, zoals ik wel vaker een leuk concert oversla. Nadat ik haar naam in de krant las, hoorde ik jarenlang niets meer van haar. Pas in 2011 dook ze weer op, met haar langverbeide debuutplaat. (Een optreden in 2009, in De Wereld Draait Door, had ik gemist.) Ook die liet ik liggen, waarschijnlijk om financiële redenen. Pas in 2013, toen ik pophipster was geworden, kocht ik haar nieuwe plaat Het is. Daarvan luisteren we vandaag het nummer “In het echt”.

Eerst maar eens de muziek en de formele zaken. Bij een singer-songwriter denken we al gauw aan een man of vrouw met een akoestische gitaar, die simpele folkachtige liedjes met veel expressie brengt. Eefje de Visser is bijna het omgekeerde. Ze maakt elektropop en haar fluisterende dictie verraadt de betekenis van haar woorden niet. Zoals in haar meeste liedjes – er is wel zoiets als een duidelijke Eefje-stijl – zingt ze zachtjes, ingehouden en een beetje melancholisch: alsof ze wel bij de wereld wil horen maar zich er niet helemaal in thuis voelt. Alleen het ritme komt overeen met wat wij ons bij singer-songwritermuziek voorstellen: het is geen electropop om op te dansen.
  Eefje gebruikt de Nederlandse taal, met een Poldernederlandse tongval. Dat accent is lang niet zo sterk als bij Roosbeef (aflevering 84). In tegenstelling tot Roos Rebergen, die uit Duiven komt, is Eefje de Visser opgegroeid in Moordrecht, in een gebied waar veel van die klanken vanouds al thuishoren. Bij Eefje lijkt het accent ook geen deel van haar act, zoals dat bij Roosbeef wel het geval is.

Waar zingt De Visser over? Ze richt zich in dit lied tot een niet nader genoemde ‘jij’. Het lied lijkt te gaan over een toekomstdroom die niet gerealiseerd werd. De eerste regels geven in ieder geval het idee van een visioen:

     Ik zoek een woord
     en ik herinner me de tuin
     en daar iets aan vast
     waarin we konden wonen
     en rustig aan doen.
     Om ons heen
     is alles rustig aan verzameld.

Vrij vers, geen metrum of rijm. Het lezen van de teksten geeft het idee dat je met moderne poëzie te maken hebt (uit een gedichtenbundel, je weet toch.) En net als in de moderne poëzie valt de betekenis niet zomaar te achterhalen. In elk geval is er een tuin geweest waar alles goed was – niet eens een hof van Eden, maar gewoon een relaxte tuin waarin je kon doen wat je wenste.
  Althans, dat denk je na de eerste regels. Even verderop lijkt de ikpersoon toch te denken dat die tuin maar een gedachtespinsel is.

     Ik wil wel horen wat je me zegt,
     ik wil wel weten wat je bedoelt
     maar ik geloof daar niet in.
     Soms laat hier alles los
     of het bestaat niet in het echt.

Wie is die ‘jij’ naar wie de ikpersoon vol scepsis luistert? Haar vriend, die visioenen van een gouden leven samen had? Haar vader, die haar een grootse toekomst voorspelt? Een vriendin die gelovig of een beetje zweverig is en haar allemaal metafysische dingen zegt?
  Wie het ook is, de ikpersoon lijkt niet te kunnen omgaan met wat de ander zegt. “Het bestaat niet in het echt”, dat klinkt als een duidelijke, definitieve afwijzing. Maar het is niet de laatste regel van het liedje. Na het refrein herhaalt ze niet minder dan vier keer de regel “(Ik wil wel) weten wat je bedoelt”. Eefje snapt haar gesprekspartner niet en lijkt daar bijzonder mee in haar maag te zitten. Waar deze regel eerder als toenadering klonk (“ik wil best weten wat je bedoelt, maar denk eraan: ik geloof het toch niet”), klinkt het nu als een verzuchting. “Wat bedoel je toch? Ik kan niet met je communiceren.”

Honderd keer pop in je moerstaal (91)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 91.

Het was dé popmuziekhype van de jaren nul: de talentenjacht. Een groep mensen uit de muziekindustrie ging via de televisie op zoek naar een nieuwe popster. Dat formaat heeft twee voordelen. Ten eerste melden mensen zich bij bosjes aan met het vooruitzicht dat je, ook als je niet wint, op tv kunt komen. Ten tweede kent het publiek de sterren al, zodat de singles en albums niet meer in de markt moeten worden gezet.
  Het idee was niet nieuw – in de jaren zestig ontstonden zo The Monkees al en ook Marco Borsato (zie aflevering 73) dankt er uiteindelijk zijn carrière aan. Maar met teruglopende, later zelfs instortende verkoopcijfers (eind jaren negentig werd het mogelijk cd’s te kopiëren en liedjes te downloaden) werd deze korte weg naar commercieel succes erg aantrekkelijk. Starmaker, Idols, Holland’s Got Talent, Popstars, The Voice of Holland… het aantal programma’s is amper te tellen.
  Aan negatieve kritiek heeft het deze programma’s niet ontbroken. Zowat alle gevestigde artiesten, van mainstream tot underground, spraken hun afschuw uit en iedereen die een beetje muzieksmaak claimde ging ervan over zijn nek. Natuurlijk, wegwerp-artiesten en bubblegummuziek zijn al zo oud als de popmuziek zelf, maar nu werden ze wel heel erg de norm. Hoe moet je het ooit gaan maken als serieuze muzikant of band, die onderaan de ladder begint, als de muziekindustrie alleen nog maar voor kortstondige succesjes gaat?

Met die gedachte in het achterhoofd begon Giel Beelen in 2012 met iets nieuws. Het icoon van 3FM, de zender die zich graag als serieus en licht alternatief radiostation profileert, begon met een paar muzikanten die hij bewonderde aan een talentenjacht voor singer-songwriters. De kandidaten zouden hun eigen werk brengen en op hun artistieke merites worden beoordeeld. Televoting zou er niet aan te pas komen.
  De beste singer-songwriter van Nederland liep uiteindelijk vier seizoenen. Ook dit programma kwam onder vuur, bijvoorbeeld van popbladen OOR en Lust for Life. Allemaal zeikerige millennials die geen fatsoenlijke protestsong kunnen schrijven, vonden hun vergrijzende redacties. Toch moet je Beelen en co. nageven dat hun programma succesvolle artiesten opleverde, wier werk ook een paar jaar later nog redelijk overeind staat. We denken aan Douwe Bob, Nielson en Lucas Hamming. En aan Maaike Ouboter, die in 2013 voor het memorabelste moment uit de geschiedenis van het programma zorgde.

Het liedje is zo bekend dat het nauwelijks introductie behoeft. Het fragment is al bijna net zo bekend. Maaike, een mooi jong meisje, komt binnen met een heftig verhaal: mijn beide ouders zijn al tijdens mijn puberteit overleden. Een weeskind dus. Hoe vaak maak je dat in het Nederland van de eenentwintigste eeuw nog mee?
  De vraag “Wat ga je spelen?” kan ze niet zo kordaat beantwoorden. Ze komt niet verder dan “een liedje over iemand missen”, begeleid met het nodige “nou eh”, “gewoon” en “weet je”.
  Logisch dat ze maar gauw begint te zingen. Ruim vier minuten lang brengt ze een eenvoudig, verstild liedje. Af en toe wordt er ingezoomd op de jury. Die houdt natuurlijk altijd zijn mond tijdens een optreden, maar toch lijken ze stiller te zijn dan anders. Je ziet ze geen vin meer verroeren, en het lijkt wel of ze hun ogen wijd opensperren om alles goed te kunnen horen. (Ja, ik bedoel wat ik schrijf!)
  Na het slot barst Sanne Hans (“Miss Montreal”) in tranen uit. Giel Beelen troost haar, maar houdt het evenmin droog: “Sanne, jij ook al?” Eric Corton, de stoere rockman met tatoeages, houdt natuurlijk zijn zelfbeheersing. Hij is ook de eerste die iets kan zeggen: “Je hebt iets heel moois gemaakt!” Eric legt Maaike uit dat haar taalvirtuoze tekst de luisteraar tot in het diepste weet te raken – iedereen althans die weleens met verlies te maken heeft gehad.
  Cortons compliment is tweeledig: het liedje vertoont een grote taalvirtuositeit, en de tekst weet de luisteraar universeel te raken. Taalvirtuositeit, spelen met woorden, is een vaardigheid die je aan kunt leren. Het is niet gemakkelijk en aangeboren affiniteit met taal helpt wel. Misschien is Maaike fan van drs. P of diverse cabaretiers. In ieder geval beheerst ze op haar negentiende al moeiteloos het metrum van haar moedertaal, en rijgt ze zinvolle klankassociaties aan elkaar alsof het pindasnoeren zijn:

     Ik mis je, ik mis je.
     Ik grijp je, ik gris je.
     Ik wil je, bespeel je,
     ik roer en beveel je (…)

Maar met een taalspel heb je nog geen mensen tot tranen ontroerd. Daar moet je echt gevoel voor hebben, en dat is niet zo gemakkelijk aan te leren. “Orator fit, poeta nascitur” luidt het spreekwoord: De redenaar wordt gemaakt, de dichter wordt geboren.
  En of Maaike Ouboter daar gevoel voor heeft! Vertrouwd als ze is met haar moedertaal, durft ze ook de grammatica in haar expressieve voordeel om te buigen. Maaike doet in het liedje dingen in haar eentje, maar die draaien allemaal om degene die er niet meer is. Om dat uit te drukken maakt ze onovergankelijke werkwoorden overgankelijk:

     Je ademt en leeft me,
     siddert en beeft me.

En niet te vergeten: “In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister”. Een echte taalvirtuoos weet wanneer hij moet stoppen. In het refrein gaat het gewoon weer rechttoe rechtaan:

     Maar al denk ik soms dat het zo beter is,
     kan ik het niet helpen dat ik je soms mis…

Het liedje zit muzikaal uiterst eenvoudig in elkaar. De begeleiding bestaat uit 6/8-figuren op de gitaar waarvan alleen de bastoon wisselt. De vulstemmen blijven steeds dezelfde, waardoor ze nauwelijks een harmonische of een melodische functie hebben maar vooral ‘kleuring’ zijn. Het slepende tempo en de manier van zingen maken het liedje wat plechtstatig, maar welbeschouwd is de tekst verre van pathetisch. Maaike bezingt wel haar verdriet, maar beklaagt zichzelf nauwelijks, terwijl ze daar (gezien de biografische achtergrond van het nummer) best reden toe heeft.

Nadat Eric Corton zijn analyse heeft beëindigd, is het de beurt aan Giel Beelen. Dat hij zo stil was, komt doordat hij aan zijn vader dacht. En dat had hij al jaren niet meer zo intens gedaan. Toch komt ook hij met een nuchter en beslist oordeel: “Ik zou niet heel veel plannen maken deze zomer.” Met andere woorden: jij gaat het hoogstwaarschijnlijk maken en het druk krijgen met de muziek.
  Giels voorspelling is uitgekomen. “Dat ik je mis” werd een hit, en niet Maaikes enige. Twee jaar later kwam er een album uit. Kom daar bij Jim en Jamai van Idols eens om: twee jaar wachten met een album en de mensen willen je muziek nog steeds kopen.