Daniël Lohues – Vlier

Gelukkig, de wereld vergaat nog niet. Zolang Daniël Lohues jaarlijks een nieuw album met degelijke folkliedjes uitbrengt, kunnen we dat zonder problemen vaststellen. Ook dit jaar was het weer raak, en wel met Vlier. Iets later dan gepland krijgt u hierbij van mij mijn eveneens jaarlijkse Lohues-recensie.
  Aan inspiratie heeft het de zanger-schrijver in elk geval niet ontbroken. Achttien liedjes telt het album maar liefst, goed voor ruim zestig minuten muziek. Vreemd, want hij vertelde in interviews vaak dat hij voorstander was van kort platen, dat veel op zich goede liedjes sneuvelden om maar vooral een overzichtelijk en coherent geheel te krijgen.
  Het gevolg laat zich ook wel voelen. Je kent beslist niet alle liedjes meteen uit je hoofd, en de sfeer aan het begin van de plaat ben je na 18 nummer wel weer vergeten. Het doet meer denken aan een klassieke cd, die niet als discreet “album” bedoeld is maar vooral gebruikt wordt om zoveel mogelijk muziek op te zetten. Dat wil trouwens niet zeggen dat de plaat slecht is. Alle liedjes verdienen hun plekje in Lohues’ oeuvre. Sterker nog: puur afgaand op de losse liedjes is het één van zijn betere albums.

De man uit Erica koos voor alweer zijn elfde soloplaat een poppy country-idioom, met een overwegend akoestisch maar wel vol geluid. Op een paar Allennig-achtige liedjes na (“Ben gieniene neudig”, “De ogen van Maria”) is Vlier daarmee een echte bandplaat geworden. Het geluid is verre van homogeen. “A28”, dat de zalige terugweg naar de oostkant van de IJssel bezingt, is een stevig stuk truck-driving country (zoals we dat in Nederland van Henk Wijngaard kennen), terwijl “Ondergrondse hutte” een hommage lijkt aan de jarenzeventigpop uit zijn jeugd (zou het toeval zijn dat dit nummer een plek uit zijn jeugd beschrijft?).
  Met “A28” is de tekstuele noot al deels gezet. Lohues gaat, net als een vrachtwagenchauffeur die hij onderweg tegenkomt, liever terug naar huis dan naar het “lage” westen toe. Ook “Witte wieben van ’t Saksenland” verheerlijkt de geboortegrond. Maar wacht even voordat je je laat afschrikken. Lohues weet het streekgebonden bijgeloof zo te verpakken dat je er geen aanstoot aan neemt. Hetzelfde geldt voor de pseudowetenschap rond de “Volle maone”, die zogenaamd aan ons trekt omdat wij uit water bestaan. Op papier zou ik me daar dood aan ergeren, in dit liedje niet.
  Lohues komt graag in zijn eigen omgeving, ook al is er van alles mis mee: “Mar ik heur hier”. Het gevoel “Weg van alles” te willen, ook al was het ooit goed en mooi, onderkent hij echter ook. Maar naar “Tokyo” (sic), dat gaat hem te ver. Tenminste, het is niets voor hem. Nee, dan liever “Op de prairie”. In dit liedje komt hij er eindelijk achter waarom het Amerikaanse platteland hem zo trekt: “De grond is hier deurweekt met mien liefdesverdriet.” Nu hij er zo vaak geweest is, krijgen sommige plekken daar ook bijsmaakjes…
  De liefde lijkt onze muzikant trouwens andermaal in de steek te hebben gelaten. Een paar jaar terug vernamen we uit de media dat Lohues een relatie had met Stephanie “Stevie-Ann” Struijk. Lohues en Struijk zijn niet het soort beroemdheden wier privéleven breed in de roddelpers wordt uitgemeten; op basis van de teksten zou je echter aannemen dat het al lang en breed voorbij is. Exen domineren de teksten: zijn ene ex zit met een ander in Tokio (dankzij Facebook word je daar zo leuk van op de hoogte gehouden), een andere duikt midden in de nacht in overpeinzingen op. In “Ben gieniene neudig” blijkt hij zelfs een imaginaire vriendin te hebben genomen! En “Weg van alles”, dat onder meer gaat over een dementerende man met een doodswens, werkt ook niet stemmingsverhogend. Het enige lichtpuntje is “Josephine” (“Wie wet wordt ’t wat misschien”).

Lohues’ inspiratie is oneindig, net als zijn smaak voor goede nummers en zijn lol aan het muziek maken. Eén ding zou ik hem echter willen meegeven. Je maakt nu al zo lang country-achtig singer-songwriterwerk, met teksten over steeds dezelfde thema’s. Misschien moet je komend jaar gewoon een keertje wél naar Tokio, in plaats van steeds weer de VS en Canada. Kom uit je comfortzone en maak je wereld groter. Nee, niet groter, veelzijdiger. De kans dat je het dan gewoon tot je zeventigste volhoudt én publiek en critici aan je kant blijven staan is dan veel groter.

Hiphop in Nederland – de tien rappers van dit moment

Het boek kwam vorig jaar al uit, maar ik kocht het pas vorige maand en kwam pas gisteren aan lezen toe. Vandaar dat deze recensie misschien als mosterd na de maaltijd aanvoelt.
  Hoe dan ook: Rajko Disseldorp, journalist van (onder meer) Het Parool, heeft een boek geschreven over Nederlandstalige hiphop. Dat mocht ook wel, want zoals hij zelf al aangeeft bloeit het genre dit decennium als nooit tevoren. Disseldorp, die sowieso al vaak rappers interviewde, besloot de tien grootste rappers van dit moment gedurende anderhalf jaar nog wat vaker op te zoeken om zo een heel boek bij elkaar te krijgen.
  De stand van de hiphop is op dit moment zodanig dat je zelfs met tien namen nog grote jongens mist. De schrijver zegt dat zelf al. In de inleiding benadrukt hij dat rappers recent iets moeten hebben uitgebracht. In dit boek dus geen Def P en Extince. In het nawoord excuseert Disseldorp zich jegens die andere goede rappers waar hij ook naar luistert maar die zijn boek net niet hebben gehaald: Lil’ Kleine, Kempi, Winne, Akwasi, Diggy Dex en nog anderen.
  Persoonlijk kan ik me – hiphopleek als ik nog steeds ben – redelijk in zijn keuze vinden. De populaire rappers komen aan bod, maar hij geeft Ares, een rapper voor de fijnproevers die maar niet doorbreekt bij een breed tienerpubliek, wel de voorkeur boven Lil’ Kleine. Rico had op zich best iets in dit boek te zoeken, maar met het stuk over Sticks heb je hem al voor de helft gehad. Als ik echt iets of iemand mis, is het de Jeugd van Tegenwoordig of een van zijn solo opererende leden.

Van journalisten wordt een vlotte pen en een doordringend vraagvermogen verwacht. Disseldorp beschikt duidelijk over beide. Het boek is 192 bladzijden lang maar laat zich binnen een paar uur uitlezen. (Zelf heb ik er ruim drie uur over gedaan, met dien verstande dat ik in drukke treinen en restaurants moest lezen.) Witte schutbladen niet meegerekend heeft hij voor iedere rapper zo’n 15 pagina’s over, waarin hij steeds weet door te dringen tot de persoon. De meeste rappers hebben wel een crimineel verleden en bijna allemaal roken ze ‘jonko’ (onder burgers beter bekend als ‘hasj’), maar ook hebben de meeste een gezin en nemen ze verantwoordelijkheid voor hun privéleven en hun werk. Hef blijkt overdag gewoon aan de sinaasappelsap te zitten, en Bokoesam ziet zichzelf als ‘de boomknuffelaar van de rapscene’. Het zal typisch Nederlands zijn: hoe stoer je imago ook is, moeite om te relativeren hebben ze geen van allen. Alleen Boef, die zegt onomwonden dat hij enkel in geld geïnteresseerd is. Daarom is hij ook gestopt met criminaliteit: rappen levert meer op.
  Zoveel als je leest over de persoon van de rapper, zo weinig lees je over hun werk. Het zal mijn beroep als musicoloog wel zijn, maar ik had toch liever iets meer gelezen over de teksten, over de beats en begeleiding, over hun invloeden, over het leerproces, over wat er allemaal nog meer bij het maken van hiphop komt kijken.
  Veel rappers benadrukken met geheven vinger dat je de ballen uit je broek moet werken, en diverse jongens beschrijven hoe ze die-en-die hoorden rappen en dat vervolgens ook gingen doen, maar je leest weinig over het schrijven van teksten en nog minder over de muziek. Zelfs Typhoon, die geen volbloed rapper is en zijn muzikale begeleiding bovengemiddeld veel aandacht geeft, begint er niet over. Blijkbaar vergeet Disseldorp zijn respondenten daarnaar te vragen. Alleen als Sticks begint te klagen over “Mag ik dan bij jou” van Claudia de Breij (“klef, braaf gedoe”, dat “poëzie van zestienjarigen [zou] kunnen zijn”) komt er een beetje analyse los.
  Ook de inleiding is wat mager. Het boek is geschreven om de bloei van de Nederlandse hiphop te vieren. Dan mag je toch een stuk verwachten waarin de schrijver uitlegt hoe dat allemaal zo gekomen is en wie eraan voorafgingen. Blijkbaar wordt dat bekend verondersteld. Ook een wat bredere context – waarom zijn er bijvoorbeeld nog nauwelijks vrouwelijke rappers in Nederland, terwijl ze qua kleur en sociale afkomst wél zo divers zijn? – ontbreekt geheel.

De grootste verdienste van dit boek is dát het geschreven is, op het moment dat het genre nog in bloei staat. Straks, als het wat minder gaat met de Nederhop (die tijd komt natuurlijk), kunnen we op dit boek teruggrijpen in plaats van dat we bij dertigers en veertigers langs moeten om hun herinneringen op de diepen. Een ander pluspunt is dat Disseldorp als journalist dichterbij kwam dan jij en ik waarschijnlijk ooit zullen komen. Compleet is het boek echter niet. De gaten die het overlaat, moeten musicologen de komende jaren gaan opvullen.

De jukebox (5)

Dit jaar schreef ik in honderd stukjes, geconcentreerd rondom evenveel liedjes, een geschiedenis van de popmuziek in het Nederlands en verwante streektalen. Verschillende mooie, leuke en interessante liedjes zijn buiten de boot gevallen. De laatste twee weken van het jaar passeren die liedjes alsnog de revue.

Deel 5: Novelty (zie ook aflevering 1 en 57)

Inderdaad, dit jaar kwamen er maar twee noveltyliedjes voorbij. Niet zo vreemd ook: liedjes die bedoeld zijn als gimmick laten zelden een invloed van betekenis na. Artistiek gezien zou je ze zo kunnen negeren. Twee liedjes heb ik echter toch opgenomen, omdat ze wel degelijk iets over de muziekgeschiedenis zeggen. “De trappelzakboogie” (aflevering 1) geeft aan hoe volwassen mensen in het begin over de rock ’n roll dachten. “Gabbertje” (aflevering 57) geeft aan hoe niet-gabbers naar deze muziek keken. Bovendien viel het samen met het breekpunt van de gabberrage, dat Fosko en consorten volgens sommigen eigenhandig bewerkstelligd hebben.
  Een paar andere novelty-liedjes kwamen al voorbij in aflevering 1 van De Jukebox, over de jaren zestig. Vandaag passeren er nog een paar. De meeste neem ik niet op omdat ze enig muziekhistorisch belang hebben, maar gewoon omdat ik ze grappig vind, of omdat anderen ze grappig kunnen vinden.

We beginnen meteen met een van de bekendste nummers uit deze rubriek. In 2001 kwam het tv-programma Kopspijkers, dat destijds door miljoenen mensen bekeken werd, met een single. “One Day Fly”, een foute vertaling van “eendagsvlieg”, was een satire op talentenjacht Starmaker van Yorin, en de band K-otic die eruit voortkwam. Het was een megahit onder alle lagen van de bevolking; mensen die normaal nooit singles kochten, hadden hier massaal 11 gulden voor veil. Ja, ik ook. Het was mijn eerste singletje en het zou een van de weinige blijven.
  Zestien jaar later – waar blijft de tijd – klinkt het niet meer zo grappig en fris als destijds. De conclusie moet toch luiden dat we het vooral zo leuk vonden dankzij de Kopspijkers-troep die we elke zaterdag op tv zagen. Nu de actualiteit er vanaf is, staan er 60.000 singletjes in Nederlandse platenkasten stof te happen…

Zoals je kunt horen hebben ook George Baker (de echte) en Johan Cruijff (niet de echte, maar de imitatie door Viggo Waas) een cameo in dit nummer. De echte Johan Cruijff maakte nog een keer een singletje: “Oei, oei, oei, dat was me weer een loei”. Aan zijn zangstem mis je niet veel; het nummer is trouwens meer schlager dan pop en heeft in mijn rubriek dus niets te zoeken.
  Rond 1990 kregen we wel pop zingende voetballers, ja hele voetbalselecties. Een gouden greep natuurlijk: grote clubs hebben een brede fanschare en duizenden mensen kopen dat plaatje toch wel. Zo dook in 1992 de Feyenoordselectie, met latere culthelden als John de Wolf, Regi Blinker en Ed de Goey, de studio in voor “Wij houden van die club”.

Ajax kon daarbij niet achterblijven. Nog datzelfde seizoen kwam “Ajax is oké” uit. Met Amsterdamse branie, zoals de supporters het wilden. “Nooit, nee nooit, verliezen doen we niet”. In werkelijkheid werd Feyenoord dat seizoen kampioen en Ajax derde. Maar het Ajax-plaatje kwam wel hoger in de hitparade.

(Wie na het uitzitten van deze twee nummers denkt dat voetballers helemaal niet kunnen zingen, verwijs ik graag door naar de Brabantse folk van Björn van der Doelen of de hiphop van Royston Drenthe.)

Heel iets anders nu. Stel, je bent tatoeëerder. Dat is op zich al cool. Je mag mensen pijn doen en voor het leven verminken met creaties die je zelf uitkiest, en ze zullen blij en dankbaar je zaak uitlopen en je goed betalen. Als je dan ook nog een halfgod in de Belgische metalscene wordt, en heel Graspop kent je, dan heb je echt een topleven. Er is eigenlijk maar één hogere stap mogelijk: zelf popster worden. Tijs Vanneste verpopte zich tot Jef Van Echelpoel, een Kempische lapzwans die droomt van succes bij de meisjes. Deel van die metamorfose: hij vermijdt de metal maar doopt zich in de elektropop, een genre dat hij net zo min serieus neemt als zijn personage. Dat je dan toch een megahit haalt – is dat meegenomen?

Dit is allemaal weinig diepgravend, maar nog redelijk netjes. Er zijn natuurlijk ook liedjes die nooit bovengronds zullen komen omdat de teksten gewoon te smerig zijn. Wie herinnert zich de Dikke Lul Band nog? Twee volwassen mannen die hun beroep hebben gemaakt van popliedjes met seksuele teksten zingen. Het stomste is misschien nog dat er best wel zorg aan is besteed – ze nemen hun missie nog serieus ook.

Uit de gelederen van mijn Utrechtse studentenvereniging kwam het gelegenheidsduo Holland en Holland (een toespeling op de producers Bolland & Bolland), die de wereld verblijdden met “Bolletjes in mijn hol”. Dit mochten ze zelfs bij Edwin Evers komen uitvoeren. Met het kinderkoortje dat ook de plaatopname siert. Hun kinderen blijken erg bijdehand…

Voor echt aanstootgevende teksten moet je bij de extreme metal zijn. George Oosthoek, zanger/grunter van gothicmetalband Orphanage, wilde weleens wat anders dan die eeuwige sprookjesmuziek met vrouwenstemmen en keyboards, en richtte als zijproject Kutschurft op. De band speelt grindcore en death metal, en de Nederlandstalige teksten gaan over de smerigste en ranzigste dingen, vooral op seksueel gebied. Dat is op zich niet zo’n probleem, want je verstaat toch niets anders dan “gchòòòòòòòchgch!” In “Neuk je oma in d’r stoma” komt echter een parlando voor, waarin alle psychopathische praktijken van Dr. Ranzzz (zo noemt Oosthoek zich in deze gedaante) uitgebreid en verstaanbaar uit de doeken worden gedaan. Eén waarschuwing: niet voor tere zieltjes!

Laten we toch maar afsluiten met een liedje dat écht leuk is. Het viel me de laatste jaren steeds meer op dat mijn generatie, net als jongere generaties, verzot is op absurde humor. Grappen die echt als een tang op een varken slaan, volkomen willekeurige combinaties en situaties die zo idioot zijn dat ze wel kunst lijken. Mensen boven de veertig gaan dan naar verbanden zoeken: ze denken dat die absurdisten toch ergens een punt willen maken. Wij weten wel beter. (“Drie tennisrackets zitten in een boom te klaverjassen. Komt er een ei voorbij. Vragen de tennisrackets: ‘Hé ei, doe je mee?’ ‘Nee sorry,’ zegt het ei, ‘ik moet naar de kapper.'”)
  Een eerste aanzet gaf Monthy Python al in de jarne zeventig. Later kregen we Herman Finkers en Brigitte Kaandorp. Maar pas met Dirkjan en Kabouter Wesley bereikte mijn generatie echt wat ze wilde. En… met Yogho Yogho. Dat mierzoete drinkyoghurtmerk dat wij allemaal dronken, en dat veel cooler was dan zijn concurrenten. Dat kwam door zijn twee compleet van de pot gerukte reclames (zie hier en hier). Van die reclames werd ook een compleet lied van drie minuten gemaakt. Helaas kon je dat alleen via de Yoghopakken bestellen, dus een grote hit is het nooit geweest. Op Youtube is het nog wel te vinden. “Duizend mijlen onder zee / zit een man op de wc!” Geniet ervan!

De jukebox (4)

Dit jaar schreef ik in honderd stukjes, geconcentreerd rondom evenveel liedjes, een geschiedenis van de popmuziek in het Nederlands en verwante streektalen. Verschillende mooie, leuke en interessante liedjes zijn buiten de boot gevallen. De laatste twee weken van het jaar passeren die liedjes alsnog de revue.

Deel 4: Vrouwenmuziek (Zie ook aflevering 3, 10, 17, 51, 59, 62, 79, 83, 84, 91, 92, 93, 94)

Op het eerste gezicht lijkt muziek door vrouwen misschien niet onderbelicht. Er staan dertien nummers achter het tussenkopje, veel meer dan bij de vorige drie afleveringen. Maar een klein beetje doordenken legt het probleem al bloot: dertien van de honderd nummers, dat is niet meer dan 13% van alle liedjes uit mijn rubriek. Terwijl vrouwen gewoon ongeveer de helft van de Nederlands sprekende bevolking uitmaken. Als je dan ook nog bedenkt dat in afleveringen 10, 17 en 51 een man meezingt, dan moet je toch concluderen dat het schone geslacht (een archaïsme dat feministische meelezers mij hopelijk toestaan) zwaar ondervertegenwoordigd is.

Hoe komt dat? Wel, ten eerste gaan er domweg meer mannen de popmuziek in. Synthetische tienerpop voor de grote massa wordt nog wel met zangeressen gemaakt, maar van de ‘serieuze’, organische pop zijn vrouwen in Nederland en België lang afgebleven. Grotendeels, tenminste. Rockmuziek was een machowereld waar vrouwen zich niet thuis voelden. Zij die het toch probeerden, merkten vaak dat dat gevoel terecht was. Lutgard Mutsaers, mijn docente popmuziek aan de Universiteit Utrecht, was jarenlang bassiste in vrouwenband The Broads. OOR en Aloha waren niet in hen geïnteresseerd, mannenblad Aktueel wel…
  Het gaat te ver om te zeggen dat je als vrouw totaal geen kans had. Janis Joplin en Joni Mitchell hielden zich in de wereld van de cockrock fier staande. De platen van Fay Lovsky gooiden in Nederland hoge ogen bij de critici. Maar ongebruikelijk was het wel. Het publiek zat niet echt op popmuziek van vrouwen te wachten. Terwijl vrouwen en meisjes al die tijd net zo goed naar muziek luisterden en platen kochten…

Gelukkig komt daar de laatste jaren verandering in. Nummers 91 tot en met 94 van mijn rubriek werden allemaal door vrouwen bezet, en geen van de vier moest ik er echt met de haren bij slepen. Ik moest er zelfs een paar weglaten, omdat ook op andere gebieden (muziekgenres, bevolkingsgroepen, delen van het land) de verhouding scheef was gegroeid. Die vrouwen krijgen hier alsnog een plekje, samen met een paar andere die mijn rubriek niet gehaald hebben.

We beginnen oppervlakkig: met bubblegumpop uit de jaren negentig. Eind 1995 doken drie soapsterren uit Goede Tijden, Slechte Tijden de studio in. GTST stond destijds op zijn hoogtepunt wat betreft kijkcijfers, en heel Nederland kende Babette van Veen, Guusje Nederhorst en Katja Schuurman als Linda, Roos en Jessica. Hun “Ademnood”… ach, ik hoef eigenlijk niets meer te zeggen. Meer dan 20 jaar later kent iedereen dit liedje nog steeds.

“Ademnood” gaat over een geslaagde date die wat de ikpersoon betreft niet bij één keer hoeft te blijven. Het gaat niet altijd zo soepel. Bij WOW!, een meidengroepje dat in 1997 het licht zag, halen de jongens misschien niet eens het bed: “Morgen denk ik: ‘hoe heet-‘ie ook alweer?'”
  WOW! werd, net als K3, opgericht als kloon van de Spice Girls. Ze moesten girl power uitdragen, en daar hoort kieskeurigheid met mannen ook wel bij. Helaas sloeg de act van WOW! niet breed aan, ook niet bij een jonger publiek (zoals K3). Na twee hitjes hadden de Nederlandse tieners ze wel gezien.

(Treurig detail: zowel van Linda, Roos en Jessica als van WOW! kwam één van de leden voortijdig te overlijden. Guusje Nederhorst kreeg kanker, Joëlle zat in het rampvliegtuig dat in 2010 neerstortte bij Tripoli.)
  Tussen deze tienerpopgroepjes met hun door mannen geproduceerde popliedjes en de volgende artiesten is geen groter verschil mogelijk…

Behalve discriminatie en het gebrek aan een traditie is er nog een reden waarom we zo lang moesten wachten op vrouwenmuziek in mijn rubriek. Er braken wel goede vrouwen door, maar lang niet allemaal zongen ze in het Nederlands. Denk alleen maar aan Anouk: die maakte hoog aangeslagen, goed verkopende rock, maar zong wel in het Engels. In de alternatieve hoek had je bijvoorbeeld Solex, maar ook zij schreef Engelstalige teksten. Tezelfdertijd klitten de mannen aaneen tot succesvolle Nederpopgroepen (Bløf, De Kast, Volumia!). Op die manier groeit de verhouding inderdaad wel scheef…
  Nog zo’n goede artieste die mijn rubriek niet haalde was Fay Lovsky. In de jaren tachtig en negentig bouwde ze een bescheiden fanschare op met haar intelligente en in-vrouwelijke popliedjes. Haar werk is lichtvoetig, vaak vrolijk, en vermijdt grote gebaren. Toch schuwt ze het experiment niet: ze leerde voor haar vak zelfs de theremin bespelen. Maar ja, ook zij zong in het Engels…
  Ho. Wacht eens even. Rond 2000 schakelde Fay op haar moedertaal over. Helaas dacht ik daar te laat aan. Hoog tijd om dat nu goed te maken. En hoe kan ik dat beter doen dan met “Alle liedjes op de radio”? Net als Roos Rebergen (aflevering 84) vindt zij dat alle liedjes op de radio heel veel op elkaar lijken. Ze gaan alleen maar over seks. Die manier van muziek maken past haar niet. Zij doet dat op haar eigen manier, en dat ze daarmee de media niet haalt is bijzaak:

Fay Lovsky gebruikt een beproefd recept voor vrouwen die het in de serieuze popmuziek willen maken: een andere niche opzoeken. Het is niet toevallig dat de folkmuziek relatief veel vrouwelijke sterren kende (Joan Baez, Joni Mitchell): folk was niet zo’n mannengenre als rock. In de jaren negentig zag je hetzelfde: PJ Harvey, Tori Amos en Björk zochten hun toevlucht tot een muziek met veel kunstzinnige haken en ogen maar zeer weinig rock-verwijzingen.
  In onze tijd is hiphop het grote mannenbolwerk. Vrouwelijke hiphop bestaat (Lil’ Kim, Azealia Banks), ook in het Nederlands (Slongs Dievanongs, zie aflevering 93), maar het genre is vooral het werkterrein van mannen. Dat komt door het harde, ritmische geluid (een ‘mannelijk’ geluid), maar ook door de enorme macho-erfenis die er jaren na de bloei van de gangsterrap nog steeds aan vastzit. Omdat hiphop hét genre van dit moment is, zal het probleem van de scheve geslachtsverhoudingen niet zomaar verdwijnen.
  Daarom vind je vrouwenmuziek vaak in heel andere genres. De huidige generatie Nederlandse popvrouwen zoekt haar toevlucht tot folkachtige liedjes. Soms zit daar een kunstzinnig laagje overheen (denk aan Eefje de Visser, aflevering 92), maar meestal is het toch wel eenvoud troef: mooie melodieën, gecombineerd met intelligente teksten.

Aafke Romeijn brak de laatste jaren bescheiden door met haar electropop. Ook als opiniemaakster werd ze bekend. Haar linkse, niet altijd genuanceerde standpunten passen goed bij 2017. Dat wil niet zeggen dat ze alleen over politiek zingt. “Licht aan” biedt het intelligente alternatief voor elke zomerhit:

Roos Blufpand lijkt in veel opzichten het kleine zusje van Aafke Romeijn. Rond dezelfde tijd opgekomen, zelfde niche, zelfde soort teksten. Maar ook in veel dingen wat milder. Haar muziek klinkt minder puntig, de toon van haar teksten is minder scherp, haar stem klinkt zachter. En – sorry Roos als dit nu seksistisch overkomt – mijn God, wat is ze mooi en lief!
  Hoewel ze niet, zoals Aafke Romeijn, wil provoceren, is Roos zeker “Niet bang” om haar mening te geven. Ze is overtuigd dat de wereld haar geluid nodig heeft. Dit liedje gaat duidelijk over de kloof in de maatschappij. Maar gaat het niet ook over trollen op sociale media?

     Ik ben niet bang,
     al zijn je tanden nog zo scherp.

Met dit soort muziek is het theater ook nooit ver weg. De geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek heeft altijd al nauw samengehangen met die van het Nederlandse cabaret (denk aan Neerlands Hoop [aflevering 16], maar ook aan Fresku [aflevering 97]). Ook nu nog opereren veel artiesten op de grens van beide, of liever: in beide hokjes tegelijk. Het duo Yentl & De Boer is een uitstekend voorbeeld.

Over cabaret gesproken: ook Claudia de Breij heeft mijn rubriek niet gehaald. Net niet: ik twijfelde tussen haar “Mag ik dan bij jou” en Kenny B’s “Parijs”. Uiteindelijk viel de keus op de laatste (aflevering 100) – dat andere liedje dat een stroom aan dialectcovers teweegbracht. Claudia kenden we al jaren als zangeres, cabaretière, radio- en tv-presentatrice toen ze in 2014 dit liedje lanceerde. Uiteindelijk werd het een moderne klassieker.

Vrouwen gedijen ook buiten het theater. Veel poppyer is het werk van Laura Beekman. Haar pop verschilt niet eens zo gek veel van Eefje of Aafke, maar het is allemaal net iets luchtiger, net iets meer 100%NL, en niet zo politiek beladen. Ook daar hebben we in deze verzuurde tijd weleens behoefte aan.

Ook ons laatste liedje past in deze categorie. Sanne Hans, beter bekend als Miss Montreal, bracht ons in 2008 “Just a flirt”, over een onenightstand waar niet om getreurd zal worden. Waarom probeerde die het niet in het Nederlands? Als je haar op tv hoorde, begreep je waarom: door haar knetterende Nedersaksische accent dorst ze dat gewoon niet aan. Uiteindelijk kreeg Nielson, die ze leerde kennen door haar jurylidmaatschap in De beste singer-songwriter van Nederland (zie aflevering 91), haar zover om het toch te proberen. “Hoe” werd een hit en haar accent bleek uiteindelijk geen enkel probleem meer.

De jukebox (2)

Dit jaar schreef ik in honderd stukjes, geconcentreerd rondom evenveel liedjes, een geschiedenis van de popmuziek in het Nederlands en verwante streektalen. Verschillende mooie, leuke en interessante liedjes zijn buiten de boot gevallen. De laatste twee weken van het jaar passeren die liedjes alsnog de revue.

Deel 2: hiphop
(Zie ook afleveringen 2, 26, 49, 54, 71, 74, 76, 81, 90, 93, 95, 97 en 98)

De laatste maanden heeft het in mijn rubriek hiphopliedjes geregend. Na 2000 schoten Nederlandstalige rappers en rapcollectieven als paddenstoelen uit de grond – eerst in Nederland, later ook in België. Om nog een beetje muzikale diversiteit (en geslachtsgelijkheid) te houden, heb ik letterlijk tientallen acts moeten weglaten. Vandaag komen die kort aan bod.

In aflevering 26 konden we lezen hoe het Nederlands al heel vroeg de hiphop was binnengekomen, dankzij kindsterretje Danny Boy en zijn producer-vader Han Grevelt. Daarna was het jaren wachten tot de Nederhop echt van de grond kwam. Dat wil niet zeggen dat er tussen “Repperdeklep” van Danny Boy en “Moordenaar” van Osdorp Posse niets gebeurd is. In 1983 had een Utrechtse artiest, De Neus, al succes met “Tien tegen één dat hij Jansen heet”. De Neus heeft een vraag die 34 jaar later actueler is dan ooit: Willen jullie meer of minder Jansens?

MC Miker G en DJ Sven hadden in 1986 een wereldhit met de “Holiday rap”. Drie decennia nadien klinkt dat nummer duf en oppervlakkig, maar op dat Nederlandse succesje mogen we best een beetje trots zijn. Maar ja, waarom moesten twee Hollandse jongens nou weer doen of ze Amerikaanse toeristen waren? Dat vonden twee andere Nederlanders ook. Haagse Harrie en Hollandscheveldse Hendrik brachten het alternatief: de “Hollandse rep”. Zij zongen allebei in hun eigen dialect over vakantie in hun eigen woonplaats. Ze verstaan elkaars plat wel, maar elkaars vakantiegevoel begrijpen ze wat minder.


Maar wat je er verder ook van kunt zeggen: rap werd steeds meer mainstream in de jaren tachtig. Er waren nog niet veel Nederlandse artiesten die het deden, maar de jeugd, ook de blanke jeugd, had het volop ontdekt. Zodoende kwam de hiphop ook Kinderen voor Kinderen in. Op nummer 7 (uit 1986) waagde Edwin Rutten zich al aan de rap (“Ik ben toch zeker Sinterklaas niet”), maar een echt hiphopnummer moest wachten tot 1989: Het tiende album opent met “Stuntelkampioen”.

Rap, dat deed je in principe op funkmuziek. Maar er is geen reden waarom je niet boven een andere begeleiding kunt rappen. Daar kwamen muzikanten al redelijk vroeg achter: denk alleen maar aan “Walk this way”, waarin gerapt wordt boven een hardrockbegeleiding.
  Kan het dan echt op alle muziek? Ja. André van Duin bewees dat. In zijn Van Duin Show bracht hij een carnavalskraker met rap aan de man. De laatste maanden van 1993 kwam de pizzaman elke week op zijn brommer de show binnenrijden om er de stemming in te brengen met zijn “Pizzalied”. Vervolgens kwam het ding als single uit en met carnaval 1994 had Van Duin een nieuwe hit te pakken. Zijn zoveelste.

In de tussentijd timmerden Osdorp Posse en Extince natuurlijk serieus aan de weg. Zij inspireerden de volgende generatie rappers, die rond 2000 opkwam. Niet allemaal waren ze goed. Zo’n Def Rhymz bijvoorbeeld, zou die het vandaag de dag nog maken?

Maar de grote wegbereiders gaan zelf ook niet helemaal vrijuit. Def P, de frontman van Osdorp Posse, verblijdde ons in 2002 hiermee:

Nee, dan horen we toch liever de Moordgasten. Twee piepjonge pubers (ik geloof 16 en 14!) die hoge ogen gooiden in de scene. In “Je moet je bek houwe” rappen ze over leeftijdgenoten die op het internet, veilig achter glas, alles afzeiken. Ze waren hun tijd jaren vooruit. Helaas, na één album nooit meer iets van gehoord. De jongens moeten nu rond de dertig zijn. Zouden ze nog steeds muziek maken?

In hetzelfde jaar, 2003, stormde er een half Marokkaanse jongen uit Almere de hitparade binnen. In een tijd dat Marokkanen constant onderwerp van maatschappelijk debat waren, confronteerde hij het publiek met het geluid van zijn eigen gemeenschap en andere maatschappelijke problemen. Hij werd op handen gedragen – even. Vanaf 2004 kwam zijn stadsgenoot Ali B op, en voor Ali B was de Raymzter geen partij. Hij werd op alle fronten – teksten, rapvaardigheid, refreinen – afgetroefd. Des te meer reden om hem nu voor de vergetelheid te behoeden:

De Raymzter en Ali B zijn bruggenbouwers. Ze zeggen wel wat ze denken, maar ze zijn niet uit op confrontatie met de maatschappij. Dat kun je beslist niet zeggen van Salah Edin. Orthodox moslim, gekant tegen zowat alles wat Nederland te bieden heeft en zeker niet bang te provoceren. Tot zijn uiterlijk aan toe: hij lijkt op Mohammed B. (de moordenaar van Theo van Gogh) en schroomde niet om dat uit te buiten. “Het land van”, een hit van Lange Frans en Baas B, parafraseert hij in een track met dezelfde titel.

(Een paar jaar geleden stopte Salah Edin met muziek maken. Hij kon het niet meer rijmen met zijn islam…)

In de Nederhop komen alle bevolkingsgroepen samen. Autochtonen, Marokkanen, Surinamers, Antillianen, zelfs Polen. En indo’s. Brace, die een bijrol had in de aflevering over Ali B, verdient het wel om nog een keer als hoofdact te passeren. Geniet van “Hartendief”.

Ook een beetje van dezelfde generatie zijn The Opposites. Kennen we “Slaap” nog? Vast wel hè…

De Nederhop van de jaren nul was goed, maar die van dit decennium is nog beter. Maar ga niet generaliseren: er zit ook redelijk pretentieloos materiaal bij. Het werk van Gers Pardoel is zeker niet slecht, maar wel iets meer op de feesttent gericht:

Meer artistieke pretentie zit er in het werk van MC Fit, bekend van Flinke Namen maar ook solo succesvol. Zijn “Probleem” heeft mijn rubriek net niet gehaald. Luister naar dit juweeltje, en let op de tekst:

Ook Kempi, een Antilliaanse rapper met een crimineel imago, moest net de duimen leggen tegen tijdgenoten als Fresku en Typhoon. Hier halen we hem aan in een heel bijzondere feature. In 2012 bracht Doe Maar een dubbelalbum uit: Versies/Limmen Tapes. Op het tweede album speelden ze hun klassiekers opnieuw in. Op het eerste nodigden ze diverse rappers uit om hun oude liedjes te coveren. Kempi mocht rappen over zijn favoriete onderwerp: Nederwiet.

Wie beweert dat er in Almere niets te beleven valt, is geen hiphopliefhebber. Na de Raymzter en Ali B bracht de jongste stad van Nederland onlangs opnieuw een bekende rapper voort: Sevn Alias. We laten hier zijn “Patsergedrag” horen, waarin hij twee generatiegenoten featuret: Lil’ Kleine en Boef. Eén vraag besluipt je: is het een parodie op de gangsterrap of juist een lofzang?

Zo, dat waren de acts uit Nederland. Maar ook Vlaanderen heeft meer rapgroepen dan we tot nu toe hier gezien hebben. Wie als eerste Vlaming in het Nederlands gerapt heeft, weet ik niet. Die eer gaat misschien uit naar de cabaretgroep De Nieuwe Snaar. In een korte rap, met een niet onverdienstelijke breakdance, sommen ze de geschiedenis van het Belgische koningshuis op.

Het echte begin heeft het Hof van Commerce waarschijnlijk op zijn geweten. Deze groep noemde ik al in het stukje over Flip Kowlier (aflevering 69). Daar zat echter geen muziek bij. U krijgt nu de kans deze pioniers alsnog te horen. Luister en huiver:

Geen kinderachtige shit, maar navolging zou nog jaren op zich laten wachten. Toch hadden ze één belangrijke trend al gezet: Vlaamse hiphop is in je eigen dialect.
  Andy Sieren, alias Vijfenveertig, wilde het Oost-Vlaamse antwoord op het West-Vlaamse hof worden. Helaas ging zijn korte carrière gepaard met een agressieve vorm van kanker. In 2008, kort voor hij op achttienjarige leeftijd stierf, maakte hij “Mijn leven”. Pas twee maanden na zijn dood kwam het plaatje de hitparade binnen, om uiteindelijk nummer één te halen.

De enige twee Belgische rappers die (althans met hiphop) mijn rubriek haalden, rapten in het Antwerps. Dat geeft een vertekend beeld, want Antwerpen is echt niet het enige zwaartepunt. West-Vlaanderen heeft meer te bieden dan alleen het Hof van Commerce. Brihang bijvoorbeeld:

En Kenji Minogue, een groep die zo te horen behoorlijk door de Jeugd van Tegenwoordig is geïnspireerd.

In aflevering 94, over Belle Perez, beschreef ik hoe het Belgisch-Limburgs in de popmuziek schittert door afwezigheid. Maar het cités, de Genkse variant van het Verkavelingsvlaams, lijkt zich prima te lenen voor de hiphop. Een lokale artiest, Don Luca, maakte een rapnummer over zijn moedertaal. Het decor en de clip zijn een beetje clichématig en Luca is ook geen muzikale vernieuwer, maar zijn track klinkt verdomd lekker.

We sluiten toch af met een artiest die we al de revue hebben zien passeren. Tourist LeMC, want die bedoel ik, is gewoon verdomd goed. Wie door aflevering 98 nog niet overtuigd was, gaat waarschijnlijk wel om bij deze feature met Wally uit 2016. “Horizon” heeft alles: politiek commentaar gepaard aan persoonlijke problemen, een prachtig refrein, dito begeleiding en een zeer ontroerende videoclip. Het heeft mijn rubriek niet gehaald, maar dat is alleen maar omdat die ophoudt bij 2015. Ik geef je op een briefje: dit wordt een klassieker.

De jukebox (1)

Dit jaar schreef ik in honderd stukjes, geconcentreerd rondom evenveel liedjes, een geschiedenis van de popmuziek in het Nederlands en verwante streektalen. Verschillende mooie, leuke en interessante liedjes zijn buiten de boot gevallen. De laatste twee weken van het jaar passeren die liedjes alsnog de revue.

Deel 1: De jaren zestig
(Zie ook afleveringen 2-8)

Als je de eerste afleveringen van mijn blog leest, kun je de indruk krijgen dat er in de jaren zestig nog weinig Nederlandstaligs te beleven viel. Peter Koelewijn en Boudewijn de Groot waren eenlingen; verder waren het een paar kortstondige initiatieven die in schoonheid strandden. En Rob de Nijs, die hadden we ook nog.

Dat is echter maar de halve waarheid. In de jaren zestig was de meeste invloedrijke Nederlandse popmuziek inderdaad Engelstalig. Rock ’n roll of beat in het Nederlands speelde zich aan de rand af. Maar er werd genoeg in het Nederlands gezongen.
  Zeker in de eerste helft van het decennium regende het vertalingen van Britse en Amerikaanse pophits. Die covers, vaak in elkaar gezet door keurige vaklui en uitgevoerd door keurige groepjes, zijn voor de loop der dingen in de Nederlandse muziek niet van groot belang, en meestal halen ze het niet bij hun origineel.
  Iets dergelijks geldt voor een trend die later in het decennium voet aan de grond kreeg. In het spoor van Het (aflevering 6) gingen veel mensen cabareteske, zeg maar gerust melige Nederlandstalige beat maken. Het spreekt vanzelf dat pretentieloze nummers zelden een grote indruk achterlaten.
  Maar om deze muziek nu helemaal te vergeten – dat gaat te ver. Het zijn hoe dan ook mooie curiosa en goede getuigen van de toenmalige smaak. En stiekem best leuke muziek. Tot voor kort hoorde je ze alleen op de piratenzenders, maar daar komt verandering in. The Kik (aflevering 89) deed al eens zijn best met de Veelste Grote Nederbiet Sjoo, ik kom vandaag met het volgende lijstje:

We beginnen in 1960. Dit jaar hebben we Ria Valk en Rob de Nijs voorbij zien komen als exponenten van de grote vertaalcultuur. Dat stempel kleeft The Fouyo’s (‘four youngsters’) nog veel meer aan. Dit keurig nette groepje coverde alle moderne, maar niet heel gevaarlijke liedjes uit Amerika, en gooide er af en toe een modieus Engels woordje doorheen. Na de Britse invasie hadden ze hun tijd helemaal gehad. Een duffe programmeur maakte toen nog de fout om ze in het voorprogramma van de Rolling Stones te zetten. De Stonesfans werden agressief en braken de zaal af. Ten tijde van “Zeven leuke meisjes” (een vertaling van “Seven little girls” van Paul veans & The Curls) zag niemand dat in de verste verte aankomen…

Rond 1960 kwam er in Engeland een onwaarschijnlijke stijl op. De jeugd stortte zich na de rock ’n roll massaal op de skiffle, een akoestische stijl die zich baseert op de vooroorlogse country ’n western. Bluegrass, zouden we dat tegenwoordig noemen. Fris, vlot en vrolijk. Contrabas, gitaar en mandoline. Veel beatgroepen begonnen als skifflebandje. In Dordrecht kreeg deze rage navolging met de Mudfield Skiffle Group, die meestal in het Engels zong maar het ook wel in het Nederlands probeerde. Ze zingen over een meisje uit Loenen aan de Vecht dat zich niet helemaal normaal gedraagt…

Het volgende liedje heeft de tand des tijds beter doorstaan. “Sophietje” van Johnny Lion is althans redelijk bekend gebleven, wat je van de bovenste twee niet kunt zeggen. Jan van Leeuwarden, zoals hij echt heet, was een soort reserve-Rob de Nijs. Zijn grote hit is overigens een vertaling vaan een Zweeds nummer: “Fröken Fräken” van Sven Ingvars. Dat heeft dit lied gemeen met “Hou je echt nog van mij, Rockin’ Billy” (aflevering 3).


Na de Britse Invasie haalde Nederlandse popmuziek even de hitparade niet. Maar, zoals boven gezegd, in de tweede helft van het decennium kwam er een tweede golfje met vaak erg melige liedjes. Bijvoorbeeld dit liedje van Davy Jones & The Clungels (sorry…), waarin de ikpersoon achter de meisjes aan gaat…

Het hoefde niet altijd melig te zijn. Els Molenaar vertolkte in een beatliedje de opstandige drop-outmentaliteit van die tijd.

     Gezakt of geslaagd, het kan me niet meer bommen.
     Zonder dat papiertje zal ik ook wel verder kommen.

Maar wat nou als je domweg geen talent hebt om het te maken, met of zonder papiertje? Dat je, zeg maar, twee linkerhanden hebt en niet links bent? Het Lowland Trio wist wel wat er dan gebeurt:

Eén van die melige liedjes bleef bekend. Die eer gaat niet eens naar een gewone zanger, maar naar radiodeejay Rob Out. Die man had ook helemaal geen zangstem, maar vond het in 1968 wel nodig om zichzelf het pseudoniem Egbert Douwe aan te meten en een liedje op te nemen. De keuze viel op de slijmerige verleidingsballad “Come to my bedside, my darling” (oorspronkelijk van Eric Andersen, maar destijds veel bekender in de versie van The Brothers Four). De akoestische gitaar wordt een beatbandje, en de seksueel geladen tekst verandert in “Kom uit de bedstee, mijn liefste”.
  Egbert haalde er nummer één mee. De Top 40 is niet altijd een goede reclame voor onze smaak…


Eerlijk is eerlijk: ik moet er ook om lachen, en de begeleiding is welbeschouwd een verbetering ten opzichte van de Brothers Four.
  Toch wil ik dit stukje niet hiermee afsluiten. Dat doe ik liever met een echt goed liedje. Boudewijn de Groot moest het in mijn rubriek met één nummer doen, een beslissing die vreselijk veel pijn deed. Maar vanwege zijn kwaliteit en invloed verdient hij nog wel een tweede nummer op deze themapagina. Geniet van “Picknick”!

Honderd keer pop in je moerstaal (100)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 100 en slot.

Deze rubriek gaat, zoals ik al eerder liet doorschemeren, terug op een lijst die ik in 2015 al heb samengesteld. Die lijst is in de loop van dit jaar op diverse plaatsen gewijzigd, vooral om liedjes en artiesten die ik over het hoofd gezien had alsnog op te kunnen nemen. Eén heilige koe heb ik echter behouden: ik ging niet verder dan 2015. Op die manier zouden er nóg meer mooie liedjes en goede acts buiten de boot vallen. Daarom breekt mijn geschiedenis-in-honderd-liedjes af bij 2015.

De eer om deze rubriek af te sluiten gaat naar Kenny B. Niet-Surinaamse Nederlanders hadden tot 2015 amper nog van deze zanger gehoord. In de zomer van dat jaar werd hij ineens onontkoombaar door zijn hit “Parijs”. Ik dacht bij deze zomerhit aan een jonge zanger, uit Amsterdam of Rotterdam, die met luchtige, modieuze r&b-liedjes de jeugd kwam veroveren.

Niets blijkt minder waar.

Wie is Kenny B dan wel? Kenneth Bron, zoals hij in zijn paspoort heet, is een voor cultuurwetenschappers interessante artiest. Steeds als je denkt dat je zijn hokje gevonden hebt, blijkt hij weer ergens anders thuis te horen. Om te beginnen zijn leeftijd. Je ziet het niet aan hem af, maar Bron is al 56. Hij werd in 1961 in Paramaribo geboren, maar zijn ouders waren marrons en kwamen uit het oerwoud. In Paramaribo kun je als marron flink gediscrimineerd worden, en als je mee wilt komen is het aanpassen geblazen.
  In de jaren tachtig werd hij officier in het leger van Bouterse, maar gelukkig (een zanger die je bewondert kan maar beter een held zijn) liep hij over naar de rebellen. Toen de oorlog op zijn einde liep, nam hij als diplomaat deel aan de vredesonderhandelingen. Voordat hij bekend werd om zijn muziek, had Kenny B zijn stempel op de wereldgeschiedenis al gedrukt. Dat kunnen toch niet veel artiesten zeggen!
  In 1991, juist toen die onderhandelingen op hun einde liepen, emigreerde Bron naar Nederland. Waarom? Je zou denken dat hem in het democratische Suriname een gouden toekomst wachtte. Maar hij jaagde zijn hart na: hij wilde de muzen dienen in plaats van de politiek.
  Een marron die naar Nederland verhuist, dat is iets anders dan een stadse Surinamer die dat doet. Hij was gewend aan discriminatie, aan opmerkingen over zijn accent en zijn huidskleur, in Nederland zou dat zeker niet slechter worden. Dat kan heel goed een reden voor zijn verhuizing zijn geweest. Maar in Nederland had hij natuurlijk ook een grotere markt, en een professionele muziekindustrie die hem kon bijstaan.
  In Nederland was het nog wel even zoeken. Moest hij in het Engels zingen, de internationale poptaal, in het Sranantongo, voor zijn Surinaamse markt, of in het Nederlands, de taal van zijn nieuwe vaderland? Ook de muziekstijl bleef even puzzelen. Kenny’s ‘huisstijl’ is de reggae en de dancehall, maar hij houdt ook van r&b, jazz en soms zelfs van rock. Zo bewondert hij Bløf en zijn zanger Paskal Jakobsen. Wij vinden dat gek: een Surinamer die van dat spierwitte Bløf houdt. Maar eens te meer blijkt maar dat muzikanten niet in hokjes denken, en al helemaal niet in muurtjes. Muzikanten herkennen talent in elke stijl. Hokjesdenken, dat doet alleen het publiek.
  In 2015 stapte Kenny over naar het Nederlands. De rest is geschiedenis. Nadat “Als je gaat” een radiohitje werd, kwam “Parijs” met groot machtsvertoon de hitparade binnen. Alarmschijf, zeven weken op 1, zeven keer platina.

Het is niet het meest diepgravende liedje van Kenny B. De r&b-muziek is goed (niet te jengelig, niet te gelikt, niet te vlak), maar niet heel opzienbarend. De reggaeliedjes die de man meestal maakt, zijn wat mij betreft interessanter.
  Ook de tekst is niet zo bijzonder. Een clichématig liefdesliedje: de ikpersoon spreekt in Parijs (de stad van de liefde) een meisje aan, dat Nederlandse blijkt te zijn. Natuurlijk loopt het allemaal goed af en hebben ze een o zo romantisch weekend voor een o zo romantisch decor. Maar het gaat hier om wat hij tegen het meisje zegt:

     Praat Nederlands met me,
     even Nederlands met me.
     Mijn gevoel zegt mij
     dat wij vanavond samen kijken
     naar de Champs-Élysées
     en naar de Notre-Dame en naar de Seine
     en daarna samen op la tour Eiffel.

“Praat Nederlands met me”, dat is een behoorlijk goed getroffen regel. Tussen het ook al zo goed gekozen Frans (eenvoudige zinnetjes en namen van topattracties die elke Nederlander verstaat), valt die regel op. Het is een motto dat blijft hangen, het idee van het liedje eenvoudig vangt en voor de beslissende wending zorgt. De officiële titel van het liedje is “Parijs”, maar waarschijnlijk is deze ene regel bekender.
  “Praat Nederlands met me” doet het ook zo goed omdat het voor herkenning zorgt. Je bent alleen in het buitenland, ontheemd door de vreemde omgeving en de vreemde taal, en ineens ontmoet je iemand die jouw taal spreekt. Een vrij kleine taal, die ter plekke niemand verstaat: dat maakt de band alleen maar sterker.
  Taal als element om te verbinden, maar ook om je speciale eigen identiteit te creëren. Dat kan met het Nederlands, maar dat kan nog veel beter met echt kleine talen of dialecten. Het is dan ook niet voor niets dat het in de zomer van 2015 parodieën regende in diverse dialecten, streektalen en migrantentalen die Nederland rijk is.

Het begon waarschijnlijk met deze:

Erg romantisch is het allemaal niet, maar grappig wel. En: goed gezongen, goed gespeeld, goed geproduceerd. Niet de eerste de beste YouTube-malloot.
  De Havenstad kon deze provocatie natuurlijk niet onbeantwoord laten:

Als Amsterdam én Rotterdam de aandacht opeisen, hoor je Den Haag al schreeuwen dat zij er ook nog zijn. De Haagse Kenny is niet erg subtiel: “ik voelde dat ze nat was.” De conversatie verloopt ook niet optimaal: zijn verovering komt uit Frankrijk.

Amsterdams, Rotterdams en Haags zijn weinig afwijkende dialecten. Mensen die daarin zingen, doen dat vooral voor de gein. Heel anders ligt dat bij streektalen buiten de Randstad. Die dragen mensen vaak heel dicht op het hart. Vaste volgers van mijn blog heb ik het vaak genoeg onder de neus gewreven: mensen drukken in streektaalmuziek hun regionale trots en hun diepste gevoelens uit.
  Ene Michael oet Grunnen houdt het kort. Hij versiert een meisje van Vindicat. Veel zegt hij niet, maar zijn “proat toch Grunnens met mie” lijkt uit het hart gegrepen.

Nathan Green uit Assen zorgde voor een al even korte Drentse versie. Maar let op in het refrein. Horen we daar niet de mondharmonica van “Op fietse”?

Uit een heel andere hoek van het land kwam een versie uit vrouwelijk perspectief. Joëlle Panis uit Maastricht ziet allemaal snelle zakenmannen in pak lopen. Vast Hollanders. Ze spreekt de man van haar keuze dan ook in het Nederlands aan. Maar dan zegt hij terug: “Iech bin ‘nen echte Sjeng”. Ze kunnen samen Mestreechs praote, en Joëlle krijgt “sjevraoje” (rillingen) van geluk.

Een zeer beknopte versie in het Tilburgs, de taal van Kenny’s woonplaats, wilde de meester wel even zelf doen:

Maar het kan nog ingewikkelder. Fo is Nederlandse Marokkaan. Hij wordt in beide vaderlanden raar aangekeken. In Nederland wil zijn vader per se Nederlands met hem praten, wat die ouwe eigenlijk niet kan. In Marokko treft hij een Marokkaans-Nederlandse vrouw, met wie hij lekker Marokkaans Arabisch kan praten en daarna samen terug naar Nederland.

Wel Arabisch, geen Sranantongo? Dat kon natuurlijk niet bij een artiest die al jaren zo populair onder Surinamers is. Safa Liron vulde dat gat op.

Dan rijst toch nog de vraag: waarom doet Kenny B zelf geen Surinaamse versie? Hij is toch Surinamer, en had toch al jaren muziek in het Sranantongo gemaakt? Ja. Maar daar komt het weer: Kenneth Bron is marron, en het Sranantongo is niet zijn moedertaal. Dat is het Aucaans, een kleine taal uit het oerwoud waar de meeste Surinamers niets van verstaan. Het Sranantongo en het Nederlands moeten ongeveer even vreemd voor hem zijn.

Kenny heeft voor het Nederlands gekozen. En niet alleen uit commerciële overwegingen. In zijn “praat Nederlands met me” klinkt, behalve de romantiek en de herkenning, ook een loyaliteitsverklaring aan de Nederlandse taal door. Op een moment dat het totaal niet liep tussen allochtonen en autochtonen, stak hij zijn hand uit naar zijn tweede vaderland. Met de Nederlandse taal bereikte hij mensen uit alle hoeken van het land en met alle kleuren van de regenboog.
  Een pleidooi om Nederlands met elkaar te praten, dat weerklinkt in alle talen die dit land rijk is. Er is geen mooiere manier om deze rubriek over Nederlandstalige popmuziek af te sluiten.

Epiloog
Hier eindigt na vijftig weken mijn overzicht van zeventig jaar popmuziek in het Nederlands. De Nederlandse taal kwam de rock ’n roll schoorvoetend binnen met een parodie, de Trappelzakboogie. Peter Koelewijn probeerde haar over de streep te trekken, maar onze taal bleef aarzelend bij de deur staan, zelfs toen Boudewijn de Groot ermee begon te toveren. We hebben gezien hoe een paar dappere eenlingen de kar in de jaren zeventig gingen trekken. De eenlingen werden underground, de underground werd alternatief en begin jaren tachtig werd Nederlandstalige pop een weergaloze rage. Nadat de rage instortte, was de beurt weer aan avontuurlijke muziek. We hebben gehoord hoe Nederlandstalige (pop)rock in de jaren negentig weer opbloeide, en hoe ook Vlaanderen zich steeds meer ging melden. De rock werd daarna minder belangrijk, maar de Nederhop werd een meer dan waardige opvolger. Rappers uit alle bevolkingsgroepen maakten het met al even diverse muziek. In Vlaanderen viert de dialectmuziek hoogtij. De laatste jaren is er ook eindelijk proportionele aandacht voor muziek van vrouwen, die zich steeds meer als singer-songwriter melden.

Ik dank alle lezers van mijn blog. Jullie waren met weinig, maar vaak wel erg trouw. Ik dank ook alle artiesten die aardig hebben gereageerd op mijn stukjes, die soms met retweets hebben gezorgd voor een nieuwe lezersschare. En natuurlijk bedank ik alle popartiesten die sinds de jaren vijftig in het Nederlands hebben gezongen of gerapt. Jullie hebben het fabeltje dat onze taal zo ongeschikt is voor de popmuziek keer op keer gelogenstraft. Ga vooral door met muziek maken!

Wie nog eens alle afleveringen overzichtelijk bij elkaar wil hebben, verwijs ik graag naar deze lijst. Daar staan alle honderd nummers bij elkaar, met handige links naar de stukjes.
  Maar blijf nog even hangen. Honderd – ik heb het vaker gezegd – bleek dit jaar een verdomd klein getal. Er zijn nog zoveel goede en succesvolle artiesten die mijn rubriek niet gehaald hebben. Die verdienen het niet om helemaal onbelicht te blijven. Tussen nu en het einde van het jaar zorg ik nog voor een toegift. Acts die nog niet behandeld zijn, zullen in diverse themastukjes nog kort de revue passeren.

Honderd keer pop in je moerstaal (99)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 99.

Het liedje van vandaag had er bijna niet gestaan. Het is namelijk een persoonlijke favoriet van me, en in de loop van dit jaar heb ik meer dan eens een minder bekende favoriet moeten afvoeren omdat een ander liedje bij nader inzien toch voor ging. De reden was vaak dat er te weinig vrouwen in mijn rubriek voorkwamen, of dat bepaalde bevolkingsgroepen en/of muzieksoorten wel wat meer aandacht verdienden.
  Onze act van vandaag is Swinder, een blanke poprockband en daarmee deel van een muziektraditie die al uitgebreid aan de orde is gekomen. In plaats van hen had best een liedje van Aafke Romeijn kunnen staan, die de geslachtsverhouding wat meer de goede kant op had kunnen trekken en die – eerlijk is eerlijk – ook hogere ogen gooit bij publiek en critici.
  Uiteindelijk gaf één argument de doorslag. Er zitten nog wel meer scheve verhoudingen in onze popmedia. Niet alleen komen er meer mannen dan vrouwen in voor, we leunen ook vrij zwaar op de Randstad. Swinder is een Groningse band; ik geloof niet dat er dit jaar al een act uit Groningen in mijn rubriek is behandeld (of je moest de Jazzpolitie meerekenen). Terwijl een kwart van het land op Groningen-stad gericht is en er, mede dankzij de universiteit, zoveel te beleven valt. Swinder kan ik jullie dus met een meer dan gerust hart aanbevelen.

Swinder – Gronings voor ‘zwerver’ – is een band uit de stal van indielabel Excelsior. Ik geloof dat ik ze via de Luisterpaal van 3voor12 heb leren kennen. De band is opgericht door Bas Schröder, een hipster met baard uit Bedum. In zijn jeugd had hij totaal niets met de dorpsspraak; pas rond zijn dertigste, na jarenlang rondhangen in de (dialectarme) grote stad, zag hij de waarde ervan in. Zo werd hij de spil van een nieuwe band, waarin hij zelf de zanger van zijn eigen, zeer persoonlijke, Groningstalige teksten zou zijn.
  In 2015 kwam het debuutalbum uit. Daarvan nemen we nu één liedje dat mij bijzonder aanstaat: “Smokken binnen vergees” (“kussen zijn gratis”). In dit lied wordt Swinder versterkt door Bert Hadders.

Over het verhaal kunnen we vrij kort zijn. De ikpersoon is student of leeft als student en heeft geen cent te makken. Hij leeft op macaroni en oud brood

     En zulfs bie voedselbaanke
     krieg ik nog gain krediet
     en al veur mien stamkroug opengaait
     is ’t veur mie al hoogste tied.

Maar dat kan hem niets schelen, want “smokken binnen vergees”, en ligt hij warm in haar armen dan is het allemaal goed. De liefde voor een meisje, een nieuw meisje en bovendien ook nog stuk jonger, domineert het album. De bandwebsite zwijgt erover, maar gezien de details ga je denken dat het autobiografisch is.
  Als je dat als dertiger doet, begeef je je wel op glad ijs. Gemakkelijk in het gehoor liggende muziek met naïeve liefdesteksten, dat kun je na je vijfentwintigste eigenlijk niet meer maken. Tenzij je heel overtuigend brengt – tja, dat je je eigenlijk nog twintig voelt. En dat geloven we wel. Een band die pas debuteert als de leadzanger rond de dertig is – dat zal wel een band van laatbloeiers zijn.
  Het gaat bij Swinder ook niet alleen om de tekst en muziek op zich. Het gaat er vooral om hoe ze hun Gronings als zangtaal gebruiken. Daar scoren ze een dikke tien voor. Ze buiten de bijzondere klanken van het Gronings ten volle uit om ze in de muziek tot hun recht te laten komen. Soms is het net Engels, soms weer net Nederlands, soms weer totaal uitheems. De knauwerige, maar ook lange klanken passen goed bij de rockmuziek.
  De manier waarop Swinder de streektaal gebruikt doet denken aan Skik. Ook de muziek op zich verraadt dat deze Groningers veel naar hun zuiderburen hebben geluisterd. Maar heel gemakkelijk was het nu ook weer niet: het Gronings verschilt nog behoorlijk veel van het Zuidoost-Drents waar Skik in zingt. Het staat ook een stuk verder van het Standaardnederlands af, waardoor je niet veel steun hebt aan de Nederpop-traditie.

Er is trouwens nog wel iets dat de aandacht trekt. Schröder had ten tijde van de opnames nog maar net Gronings geleerd. Zijn dictie is overtuigend: die verraadt niet of nauwelijks dat de spreker met alleen het Hollands is opgegroeid. Maar de grammatica, daar wringt hem de schoen. Veel typische dingen van de Groningse taal verwaarloost hij.
  In het citaat hierboven staat de regel “en al veur mien stamkroug opengaait”. Zo staat het ook in het cd-boekje. Maar op de plaat zingt hij: “al veur mien stamkroug opengoat.” Ja, nou en, denkt u nu misschien. Het wijkt allebei af van het Nederlands. Jawel, maar toch is de vorm “opengoat” geen goed Gronings. In het Gronings wordt het werkwoord goan namelijk zo vervoegd: ik goa, doe gaaist, hij gaait. Mensen die niet zo vaak Gronings spreken, kennen die regel niet en zeggen dan ik goa, doe goast, hij goat.
  Het lijkt erop dat Schröder dat net iets te laat heeft onderkend: op tijd om het goed in het cd-boekje te zetten, maar te laat om het nog goed in te zingen. Trouwens: soms rijmt het niet meer in goed Gronings. “Nou heb ik spiet / dat ik die allennig achterliet”, heet het in een ander liedje. Eigenlijk moet het achterluit zijn. De zanger had er waarschijnlijk een flink probleem bij toen hij daarachter kwam…

Poprock, blije liefdesteksten, hoorbare invloed van Skik, geen perfecte beheersing van de taal – Swinder komt ermee weg door het enthousiasme en de grote muzikaliteit van het geheel. Vermoedelijk komt volgend jaar de opvolger uit. Dat wordt een heel lastige tweede. Critici gaan nu volwassen teksten en een origineler geluid eisen. Gelukkig is er jaren serieus aan deze plaat gewerkt. Ik verwacht er veel van.
  In 2018 wordt Bas Schröder 35. Veel bands zijn op dat moment al uit elkaar, Swinder begint eigenlijk pas. Dat geeft hoop. Misschien moet ik volgend jaar ook eens werk gaan maken van mijn muziekcarrière…

Honderd keer pop in je moerstaal (98)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 98.

In aflevering 93, bij Slongs Dievanongs, kon u al lezen voor de Vlaamse hiphop, die dit decennium tot grote bloei is gekomen. Anders dan in Nederland zijn het in Vlaanderen, zo schreef ik toen al, vooral autochtone artiesten die in hun eigen dialect rappen. Vandaag behandelen we nog een exponent van deze “Belhop”, en opnieuw is het iemand uit Antwerpen.
  Tourist LeMC, volgens de burgerlijke stand Johannes Faes, debuteerde in 2010. Niet voor het eerst moest ik deze informatie van Wikipedia halen. Ik kende de man in 2010 namelijk nog niet, en zijn debuutalbum maakte geen grote impact. In 2012 stootte hij door naar de finale van HUMO’s Rock Rally (zie ook afleveringen 20 en 48); datzelfde jaar werd zijn single “Liefde Liefde” door Studio Brussel opgepikt. De Rock Rally en StuBru – vaak is dat genoeg om kamerbreed door te breken. Nu niet.
  Zoals voor meer Vlaamse rappers moest het laatste zetje van het Nederlandse label TopNotch komen. Het begon al beter te lopen toen deze maatschappij zijn album Antwerps testament heruitgaf. Maar de echte doorbraak kwam in 2015. En route werd platina en is op het moment van schrijven (december 2017) nog niet weg uit de Vlaamse Ultratop 200 van albums! Ook in Nederland had hij bescheiden succes – alleen pop- en hiphopliefhebbers kennen hem, maar er zijn hier te lande best veel hiphopliefhebbers.
  Waar zingt een toerist-in-eigen-stad dan precies over? Over zichzelf (“En route”), over de onzekere toekomst (“Horizon”), over het vak (“Troubadours”) maar toch vooral over “Koning Liefde”.

De tijd dat hiphop alleen maar hiphop was als er een funk- of soulbegeleiding onder zat, ligt ver achter ons. Hiphop is bijna hetzelfde als muziek waarin niet alles gezongen wordt. Zo is in dit nummer een hoofdrol voor de akoestische gitaar weggelegd; “Koning Liefde” is in wezen een folkliedje waarin gerapt wordt.
  De clip is al even ingetogen als de muziek. We zien Tourist LeMC in een effen zwart T-shirt zijn rap doen, terwijl op de achtergrond de gitarist in even simpele kleding staat te spelen. Later komen er nog een basgitarist en een slagwerker met een heel ingetogen partij om de hoek kijken.
  De clip met vier ambachtelijke muzikanten is wel een beetje bedrieglijk. We horen ook strijkers, maar die krijgen we niet te zien. Ze zullen ook wel uit een keyboard komen, maar wie bedient dat, als ze hier echt live staan op te treden? En als hij vanaf 1:58 drie keer hetzelfde zegt (“ongderandelde nie”), wie sampelt hem dan? Kortom: de productie is net iets geraffineerder en uitgebreider dan het filmpje suggereert.

Dat neemt niet weg dat tekst, muziek en beeld ingetogen zijn. Daar is een reden voor: TouristMC heeft helemaal geen recht op grootspraak. Hij heeft lelijke dingen in de liefde gedaan: zijn liefje bedrogen of iets in die trant:

     Want iek em gekwetst, beloage, vals bespeeld
     Iek moest nog veel liere over vrouwen en respect.
     Iek kon ’t steiken op maan omgeivieng, allemol piranha’s
     Mor oitaaindelek em iek gedoan wa’k gedoan em… paljas.

Liefde is niet alleen romantisch en erotisch. Het strekt zich verder uit. En ook zijn vrienden heeft hij niet altijd goed uitgezocht of netjes behandeld:

     Vriengde koamen en goan
     En we ontgroeide oek de levenstaal da’s normoal
     Iek gieng zowel oem met de zotste as de beste legionaire,
     Jeugd van de stad.

Dat je vrienden uit het oog verliest, of dat je af en toe breekt met een vrouw, dat is tot daaraan toe. Maar dat je kiest voor iets anders dan de liefde (lust, persoonlijk gewin, …) is onvergefelijk.

     Iek em ziette marchandeire,
     opportuniest…
     Mor me de liefde
     Ongderhandelde nie.

Hier spreekt duidelijk een volwassen dertiger die spijt heeft van zijn daden als twintiger. Zo komt hij verbazend dichtbij Typhoon en zijn nummer “Liefste” (aflevering 95). Allebei hebben ze spijt van hun gedrag en proberen ze één vrouw terug te krijgen.

Ook de overeenkomst met Slongs Dievanongs is treffend: allebei braken ze pas rond hun dertigste door. Er was een tijd dat je met die leeftijd in de popmuziek afgeschreven was. Als je niet de King, Macco of Jagger was, werd je rond de dertig jeugdsentiment in het schnabbelcircuit. Over rappers zullen we het al helemaal niet hebben: dat waren altijd opgewonden pubers met een overdosis ongerichte woede. Eens te meer blijkt maar weer hoezeer rap anno 2017 een mainstreamgenre is geworden…

Honderd keer pop in je moerstaal (97)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 97.

Vorige week hadden we hier Typhoon. Aan de hand van “Liefste”, een nummer van zijn plaat Lobi da basi, konden we constateren dat hij geen gewone rapper was. Zijn werk verlaat bijna alle gebaande hiphop-paden en heeft meer met Ramses Shaffy dan met Run-DMC te maken.
  Fresku, die andere grote Nederlandse rapper van dit moment, is iets meer een gewone rapper. Hij doet features met vrienden, rapt over het leven op straat en legt er een hoop energie en woede in. Tegelijk is hij ook cabaretier. Bekend werden zijn typetjes Gino Pietermaai en Willy Keurig: respectievelijk een stereotiepe Antilliaan en een stereotiepe Brabander. Fresku had gemengde ouders en voelt zich eigenlijk in geen van beide milieus echt thuis. Ondanks zijn Papiamentse pseudoniem is hij geen echte Antilliaan. Die gespletenheid – Brabander en Antilliaan, maar ook bloedernstige rapper en losse cabaretier – tekent Fresku. Hij heeft het allebei in zich, terwijl Typhoon duidelijk op een punt ergens tussen twee uitersten zit.

In 2015 kwam zijn album Nooit meer terug uit. Je hebt doorbraken en doorbraken. Bekend was hij eigenlijk al, maar met dit album brak hij definitief door naar de mainstream, terwijl de critici hem de hemel in prezen. Nooit meer terug was dus voor Fresku wat Lobi da basi voor Typhoon was. (Roy, als je meeleest: sorry voor die constante vergelijking. Musicologen proberen nu eenmaal muziekgeschiedenis te schrijven, en dat gebeurt voor een deel door parallellen in kaart te brengen.)
  Nooit meer terug: de titel suggereert een verwijzing naar de slavernij. Je ziet Fresku’s voorouders ontscheept worden op Curaçao en begrijpen dat ze niet meer naar Afrika zullen terugkeren. (Het is de naam van de eerste track, die – in elk geval aan de oppervlakte – gaat over het leven van vroeger, waar hij niet meer naar terug wil.) Gezien die mogelijke verwijzing had ik een fel album verwacht, dat vol tekeer zou gaan tegen de door blanken gedomineerde maatschappij en ander onrecht.
  Dat viel mee. De belangrijkste uithaal was “Zo doe je dat”, over 3FM en zijn voorliefde voor roomblanke rockbandjes. Het nummer miste zijn uitwerking niet. Vandaag luisteren we naar een ander nummer van deze plaat: “Gooi jezelf weg.”

Bij deze titel verwacht je door de rapper van dienst verrot gescholden te worden. Hij heeft vast wat op je aan te merken: verkapte racist, slaaf van het systeem, kontlikker…
  Maar nee. Het liedje begint met een voicemail van TopNocth-baas Kees de Koning (tekst ongetwijfeld van Fresku zelf) die hem vertelt: “We zijn er een beetje klaar mee eigenlijk. (…) Wat loop je eigenlijk te zeiken over van alles. Je bent artiest je hebt een hartstikke fijn leven. (…) Zo kritisch als je op anderen bent – misschien moet je een keer net zo kritisch zijn op jezelf.”
  Fresku geeft er onmiddellijk gehoor aan. Het volle orgel begint te spelen. Een symbool van tegelijk dood, horror en calvinistische strengheid. Fresku begint te rappen en scheldt zichzelf vier minuten lang verrot:

     Fuck you Fresku.
     Gooi jezelf weg, samen met elke tekst van je vuile handicap.
     Er gaat geen dag voorbij dat je geen ellende hebt.
     En toch kom je preken en lees je iedereen wel de les.
     Ik wil weleens zien hoe jij jezelf redt.

Zo gaat het nog wel even door. Fresku, je bent een binnenvetter en vraagt te laat hulp, je laat je koeioneren door de muziekindustrie, je bent labiel, je vrouw is veel te lief voor je, en je bent ook helemaal niet zo bijzonder.
  In de eerste twee coupletten spaart hij zichzelf nog een beetje. Hij zegt daarin dat hij zichzelf te veel wegcijfert terwijl hij anderen helpt. En als hij de slaaf van de muziekindustrie is, is die laatste natuurlijk minstens zo schuldig. Maar in het derde couplet laat hij niets meer van zichzelf over:

     En waar het op staat, is: Fresku jij bent waardeloos maat.
     Vamonos ja, doe je best en maak nog een plaat.
     Niemand wacht erop, er is niks wat je waardevol maakt.
     Nooit dat de chaos en de zelfhaat je loslaat.
     (…)
     Ik zit te hopen dat Kees de Koning je dadelijk ontslaat.
     En je laat dokken voor elk nummertje waar je op staat.

De verharding in toon in het laatste couplet valt samen met een strakker rijmschema. De rijmklank -aat, overheerst, de meeste andere rijmklanken bevatten ook een aa, en diverse regels kennen nog assonantie met dezelfde klank. De heldere aa-klank, waarbij je hele mond opengaat, klinkt heel welluidend maar ook heel dwingend. Hij geeft je de volle laag van je stembanden: geen boventoon wordt onderdrukt. Tegelijk moet je blijven luisteren, omdat wij met ons allen die reeks klanken zo welluidend vinden.

De scheldpartijen die Fresku aan zichzelf richt zijn niet reëel. Zeker niet de tirade uit het derde couplet. Paradoxaal genoeg noemt hij als één van zijn ondeugden: “nooit dat de zelfhaat je loslaat.” Met andere woorden: hij haat zichzelf vanwege zijn zelfhaat…
  Artiest is het mooiste beroep van de wereld. Je doet wat je leuk vindt, en daar verdien je ook nog geld mee. Maar het is ook een erg onzeker beroep. Alleen de besten en gelukkigsten maken het. Je voelt je schuldig naar collega’s die het niet redden, maar ook naar je publiek. Fabrieksarbeiders en kantooremployés werken vijf dagen per week voor hun loon; als jij als artiest geen inspiratie hebt, mag je rustig een jaar niets doen. Loop je daar tegenaan, dan kun je nog behoorlijk van jezelf schrikken.
  En artiesten zijn vaak al zulke onzekere mensen. Een vicieuze cirkel ligt op de loer. De grens tussen het middelpunt van de belangstelling en de rand van de samenleving is vaak schrikbarend vaag. Deze tekst slaat niet alleen op Fresku. Hij zal worden herkend door heel veel mensen zonder gewone van-9-tot-5-baan…

Riep daar iemand ‘doctoraalstudenten’?