Klaas, Nick en Simon: de smaak van de recensent en het beleid van een popblad

In zijn vaste column in OOR nam Klaas Knooihuizen, recensent voor het blad in kwestie, de vrijheid om de naam Nick & Simon te laten vallen. Zoals we van een muziekjournalist mogen verwachten moet hij niets van hun muziek hebben, maar persoonlijk kon hij heel goed met ze overweg. Niettemin kwam lopende het gesprek toch de ongemakkelijke vraag ter tafel waarom de albums van het Volendamse duo nauwelijks in de pers besproken worden.

In de beperkte ruimte die een halve papieren pagina hem biedt, is de eerste deelvraag die hij zich stelt: waarom behandelen we slechte muziek niet? De analogieën die hij vervolgens aanhaalt, liegen er niet om. “Een geschiedkundige gespecialiseerd in de twintigste eeuw zal het niet in zijn hoofd halen de Tweede Weredoorlog te negeren. Geen bioloog zal betwisten dat de stadsduif tot het dierenrijk behoort.” Nick en Simon worden, kortom, vergeleken met de handel en wandel van Adolf Hitler en met stront op je hoofd.
  Vervolgens: “Niet in elke discipline is men zo ruimhartig. Een Koetjesreep mag geen chocola heten omdat er te weinig cacao in zit. Literatuur die te licht wordt bevonden, noemen ze in de letteren denigrerend ‘lectuur’ en daar ga je je tijd niet aan verspillen.”

Hoewel Knooihuizen grif toegeeft dat de waarde van een kunstuiting niet zo positief te bepalen valt als het cacaogehalte van een reep, lijkt het voor hem als een paal boven water te staan dat de muziek van Nick & Simon ten enen male niet voor opname in aanmerking komt. Te weinig kwaliteit. De vraag is wel hoe je kwaliteit meet, maar niet welke muziek er goed en slecht is. Het lijkt mij cruciaal om die vraag wél te stellen.
  Esthetiek is altijd relatief. Guido Adler, de vader van de musicologie, deed al geen poging een algemene esthetiek op te stellen, maar stelde vast dat elke stijl zijn eigen regels had. Die regels kun je uit een boekje leren; zo kun je door louter studie een behoorlijk scheppend musicus worden of, anno 2019, met behulp van een computer heel aardige stukken genereren.
  Muziek die de esthetiek van een stijl schendt, is in de oren van liefhebbers altijd slecht. Naar klassieke normen is alle popmuziek slecht, omdat er parallelle kwinten en octaven in voorkomen die de stemvoering naar de kloten helpen, en omdat instrument- en stemgebruik niet deugen. Bovendien komen er wel erg weinig akkoorden in voor en is de maatsoort steevast dezelfde. Ja, dat geldt net zo goed voor jouw gekoesterde indieband als voor de stupide hitparadepop waar jij zo op afgeeft. Ander voorbeeld: naar dance-normen is bijna alle rockmuziek slecht, omdat je… er niet op kunt dansen. En vraag de modale babyboomer maar eens wat hij van hiphop vindt. Grote kans dat je te horen krijgt: “Dat is geen muziek, dat is lullen met een beat eronder!” Dat schiet dus niet op.
  Of muziek in welk genre dan ook echt goed is, hangt van de maker af. Die moet kunnen spelen met conventies, de esthetische normen uitdagen, een beetje – niet te veel – over de grenzen van het genre heen gaan. Zulke muziek maken als niet zomaar uit een computer kan komen. De tijd doet de rest: als een muziekstijl uit de mode raakt, blijven alleen de echt goede werken overeind.

Maar goed, wat is nu goede en niet goede popmuziek? Of: waarom is er een culturele elite die daar een behoorlijke consensus over bereikt heeft? In het begin was het allemaal niet zo. Rock ’n roll was een volstrekt pretentieloze stijl. Je kunt er gewichtig over doen – emancipatie van een onderdrukte zwarte bevolking door originele muziek – maar destijds waren het vooral ondeugende liedjes over seks. de burgerij, blank en zwart, moest er totaal niets van hebben. Ook muzikaal gezien werd het afgekeurd. Net nu de moderne jazz een ongehoord niveau bereikte, kregen we dit weer! Daar hadden we toch die hele weg vanuit de sloppenwijken van New Orleans niet voor afgelegd?
  Ook midden jaren zestig was er nog niet veel aan de hand. Een enkele recensent noemde de vroege platen van de Beatles al ‘kunst’, maar de grote horde kon het weinig schelen of hun idolen kunst maakten of niet. Meisjes raakten in opperste extase van hun idolen, jongens braken soms letterlijk de tent af. Niets wees erop dat de tienermuziek ooit het onderwerp van een uitgebreide kunstkritiek zou worden.
  Het tij keerde wat dat betreft bij de oprichting van popbladen als Rolling Stone en, inderdaad, Muziekkrant OOR. De babyboomers werden ouder en begonnen elkaar nu te vertellen naar welke muziek ze wel en niet mochten luisteren. Dat was volstrekt logisch, omdat er steeds meer bubblegummuziek in de hitparade kwam. Maar natuurlijk was dit ook het begin van de ellende: waar je onderscheidingsvermogen vindt, vind je ook kapsones.
  Bovendien kunnen we achteraf stellen dat de consensus onder popliefhebbers, zoals die door recensenten werd uitgedrukt, niet altijd evenveel hout sneed. Disco kreeg geen kans, en progrock was bijna van de ene op de andere dag verboden nadat de heren (want bijna altijd waren het heren) poppausen hadden besloten dat het voortaan maar punk moest zijn wat de klok sloeg. Terug bij af, muziek voor randdebielen met drie akkoorden en teksten van niks – maar dat moest je voortaan goed vinden.
  Het zou veel te ver voeren om alle modes die sindsdien zijn langsgekomen op te sommen, en te zeggen wat de muziekkritiek daarbij allemaal goed en fout heeft gedaan. Voor nu volstaat het om te zeggen: sinds een jaar of vijftig is er een redelijk vaste groep van popliefhebbers die de goede smaak in consensus bepaalt.

Maar nu terug naar Nick & Simon. Zijn die echt niet goed genoeg? Ik vind ze op zich redelijk goed, Knooihuizen duidelijk niet. Dat is op zich niet verwonderlijk. Ik vind Marco Borsato namelijk ook geweldig (nou ja… een paar liedjes van hem dan) en ik ben gewend in dat oordeel alleen te staan. En Bløf, daar houdt Knooihuizen ook niet van. Al is dat nog wel een geval apart. Ooit, begin deze eeuw, moest je Bløf wel goed vinden. Maar toen riepen een paar mensen dat ze de teksten te pretentieus en de muziek te saai vonden en ineens was het afgelopen. Kuddegedrag, helaas.
  Hoewel ik vrij zelden naar Nick & Simon luister, kan ik er best een paar aardige dingen over zeggen. Ze maken fraaie, tweestemmige liedjes die duidelijk door Simon en Garfunkel zijn beïnvloed. Ze hebben, samen met Jan(tje) Smit en de 3JS, de Palingpop een tweede jeugd gegeven. Waar de culturele trots van Volendam compleet was verzand in Engelstalige schlagers voor ouderen en geestelijk gehandicapten, hebben zij de vissersvloot weer vlotgetrokken. Je mag ervan vinden wat je wilt, maar Nick & Simon zijn relevant – wat de BZN in zijn nadagen totaal niet was.
  Uiteraard hoor ik ook wel dat de muziek niet erg diep gaat, dat de liedjes gewoon een minuut of drie duren, de teksten geen hoge toppen scheren en het aantal precedenten in eerdere muziek legio is. Maar de vraag is of die criteria niet heel selectief worden toegepast. Zie het voorbeeld van de punk boven: de artistieke waarde van die muziek was eigenlijk nul. Het is dat de kunstpausen het de juiste muziek op het juiste moment vonden.
  Het zal ook zeker een hoop te maken hebben met de laag van de bevolking waarin de muziek aanslaat. Helaas is niets menselijks recensenten vreemd – ook snobisme niet. Marco, Bløf en Nick & Simon opereren nu eenmaal op de markt van de niet-popliefhebbers – de luisteraars van Sky Radio, de mensen die popmuziek vooral als ontspanning consumeren en niet actief op zoek gaan naar minder bekende acts. Een burgerlijk publiek ook, waarbij de OOR-recensent – die natuurlijk GroenLinks stemt, sojamelk drinkt en zijn kinderen in een bakfiets naar de Vrije School brengt – zich niet thuis voelt.
  Bovendien is de OOR een commerciële uitgave. Een blad wordt in de eerste plaats gemaakt voor zijn abonnees. De modale OOR-abonnee zit niet op een recensie van Nick & Simon te wachten. Een groot deel van de vergrijzende lezersschare is bijvoorbeeld geïnteresseerd in de Superdeluxe-editie van zijn favoriete klassieke album, waarmee de band uit zijn jeugd, of wat daar nog van overschiet, hem ter gelegenheid van het 53,7-jarig jubileum van die plaat zijn (royale) pensioencenten komt afpakken. Elke OOR weer passeren zulke uitgaven de revue – ruimte die wat mij betreft best naar Nick & Simon mag, maar zo werkt de markt nu eenmaal niet.

Maar ho. Er is nog iets aan de hand. Je kunt muziek, om wat voor reden dan ook, niet goed vinden. Je kunt muziek negeren omdat je publiek er niet op zit te wachten. Maar het punt is: OOR is daar niet consequent in. Voor internationale acts is het opnamebeleid veel minder streng.
  De albums van Ed Sheeran krijgen in OOR steevast recensies, ook al haalt de popkenner zijn neus ervoor op. De recensies zijn ook helemaal niet vriendelijk van toon. En trouwens: waarom zou de lezer een recensie van Divide nodig hebben? De liedjes waren de maanden na publicatie onontkoombaar op de radio; iedereen weet hoe die plaat is! Maar blijkbaar wordt er ter redactie niet aan getwijfeld dat nieuw werk van de roodharige Knuffelbrit besproken moet worden. Stomweg te belangrijk om te negeren.
  Ook bands die het bij een toegewijder publiek nog goed doen, krijgen bij OOR niet bepaald een warme ontvangst. Bastille (“Het debiele broertje van Coldplay”) en Volbeat (“Kutplaat met gejatte riffs”) worden steevast in de zeik genomen. Maar wel zonder meer besproken. “Niet goed genoeg” is dus op zich nog geen reden om een plaat niet te recenseren.

Hoe zou het komen, dat de redactie van OOR er geen been in ziet om populaire buitenlands bands genadeloos de maat te nemen, maar ze toch de relevantie toekent die populaire Nederlandse bands wordt ontzegd? Misschien is het de druk van de Engelstalige media. Je wilt als OOR beslist de albums die The Guardian en Rolling Stone bespreken niet onbehandeld laten.
  Maar er lijkt ook een element van desinteresse of ontbrekende deskundigheid in te zitten. Volbeat, hoe gehaat ook, kan voor rekening komen van de metalheads van dienst, Bastille kan beoordeeld worden door een van de vele indieliefhebbers en Ed Sheeran – daar weet iedereen wel raad mee. Tegelijkertijd is popman Jan van der Plas – die ook de ondankbare taak heeft alle heruitgaven van albums uit grootmoeders tijd te behandelen – de enige die zich over Bløf uitlaat. Om een album van Nick & Simon te beoordelen, moet je niet alleen een beetje affiniteit met het genre hebben (“dit is kut want het is palingpop” is duidelijk geen optie), maar ook over een fatsoenlijke kennis van de Nederpop in het algemeen en de palingpop in het bijzonder beschikken. Zo iemand moet op de redactie van een muziekblad maar net rondlopen.

Het ijzeren repertoire – 5

Dit jaar schrijf ik een serie stukjes rondom overbekende popliedjes. Dat doe ik omdat de muziekwetenschap de analyse van popmuziek nog vaak links laat liggen. Op die manier hoop ik lezers met heel andere oren te laten luisteren.

Opnieuw hadden we afgelopen week een muziekdode te betreuren. Deze week was het geen natuurlijke dood: Keith Flint, zanger en danser van The Prodigy, had op 49-jarige leeftijd zelfmoord gepleegd. Een zelfmoord komt altijd harder aan dan een ongeluk of een ziekte. We zijn dubbel treurig: ons idool had nog kunnen leven als h/zij zelf niet anders verkozen had, en de artiest die wij bewonderden had blijkbaar een leven waarvan de balans langdurig negatief was. Vaak zonder dat we het wisten.

Flint is het poppubliek vooral bijgebleven als de enge clown die in de clip voor “Firestarter” uit zijn dak ging. Het had dan ook voor de hand gelegen dat nummer vandaag te behandelen. “Firestarter” heeft op mij persoonlijk niet zo’n indruk gemaakt. Twee andere nummers, “Smack my bitch up” en “Out of space”, zeggen me een stuk meer. Daarom wil ik het vandaag over het laatste liedje hebben, ook al zingt de betreurde Flint daarin niet mee.

Het liedje begint als een gewoon ravenummer. Rave, moet je weten, is een subgenre van house/techno dat in 1992, het jaar van deze plaat, sterk in opkomst was. De jaren daarvoor waren drugs als xtc sterk in de mode gekomen onder de avant-garde van discobezoekers. Xtc wekt een euforisch gevoel op, maar zorgt ook voor een energiekick. Voor buitenstaanders was het laatste aspect het belangrijkste: zij hoorden dance vooral als opdringerige boenke-boenkemuziek. Voor de dancewereld zelf was het transcendente aan hun muziek echter veel belangrijker. Zij noemden de zomer van 1988 (of 1989) zelfs de “tweede Summer of Love”.
  Op ravemuziek kun je beide impulsen kwijt: het aantal beats per minuut ligt hoog (voor die tijd althans; van gabber hadden ze destijds in Engeland vast nog niet gehoord) en de muziek biedt weidse uitzichten op een andere wereld. “I take a break to another dimension”, horen we een vervormd stemmetje niet zomaar zingen. Eigenlijk stuurt het begin ons meteen al in de gewenste richting: er klinken synthetische strijkersakkoorden in tertsverwantschap. Die vreemde overgang stelt de oren van de luisteraar, gewend aan de bluesy akkoorden van de rock, meteen op scherp. In de jaren die volgden zou het een cliché worden.

Maar dan, op 0:41, breekt de muziek af. En wat gebeurt er dan? Er komt een reggaesample langs! Is dit een grap? De meest relaxte muzieksoort die er bestaat, de lijfmuziek van de stoners? Hallo, ik kom hier om te dansen! Reggae luister ik wel op de bank, bij mijn onhippe oudere broer op zijn verjaardag!
  De sample, die trouwens afkomstig is uit “Chase the devil” van Max Romeo, wordt hier wel volledig uit zijn context gehaald – in het origineel gaat de tekst over de duivel die van de planeet verbannen moet worden, hier gaat het over ravers die, vermoedelijk op een combinatie van drugs en muziek, in hoger sferen terecht komen – maar dat neemt niet weg dat de flow volledig verbroken is.
  Het afbreken van de beat in een dancenummer was anno 1992 niets nieuws. Het was al jaren usance dat je ergens tussendoor een rustig stukje had, en dat de dj na een paar maten de beat weer dropte. In 1989 verraste Lil Louis de housewereld met “French Kiss”, waarin de muziek met een ritenuto tot stilstand komt. Dat was behoorlijk ongezien in een muziekstijl waarin robotbeats ongenadig urenlang de vaart erin hielden. Maar een stijlbreuk van dit kaliber, net op het moment dat je lekker op gang komt? Dat was nog niet vaak vertoond. (Ik zeg “niet vaak” omdat dance niet mijn grootste expertise is. Als je een precedent kent, hoor ik dat graag.)

Vanaf 0:56 wordt de sample van Max Romeo meer en meer ingekleed in oorspronkelijk materiaal. De slimste ravers begint het dan al te dagen dat dit stukje reggae er niet zo plompverloren in is gezet als het op het eerste gehoor leek. Je hoort duidelijk dat er een beat wordt voorbereid. Op 1:09 wordt die beat gedropt. Hoewel: gedropt is eigenlijk niet het goede woord. Het is geen harde bonk op alle vier de tellen, maar een breakbeat, die geleidelijk wordt opgebouwd.
  Hoe dan ook: vanaf dat moment kun je weer dansen zoals je in het begin deed. Voor wie nog twijfelde: op 1:22 is de “break to another dimension” weer terug. Vergeet niet om twee keer zo snel te tellen. Zowel het eigenlijke nummer als de reggaesample staan in 4/4-maat, maar het tempo van “Out of space” ligt twee keer zo hoog als “Chase the devil”. Dat, lieve mensen, is het verschil tussen rave en reggae.

De rest van het nummer herhalen de elementen zich vooral. Er wordt nog wel een nieuw geluidje ingevoerd, maar een schokeffect of zelfs een verrassende wending vinden we niet meer. Natuurlijk valt de ingeblikte Max Romeo nog een keer in, maar na die eerste keer hadden we niet anders verwacht.
  Ook over de videoclip valt niet heel veel te zeggen. We zien in het begin een conventionele raveclip: dansende mensen en felle kleurtjes. De beelden met “out of space” worden door videomateriaal van de NASA ondersteund, om de gesamplede tekst extra duidelijk in zijn nieuwe context te zetten. Opmerkelijk zijn de beelden van de boerderij, alsook van de kudde struisvogels. Dat laatste doet me denken aan de clip van “It’s my life” van Talk Talk – ook al een band waar recent een lid van overleed.

Het eindoordeel over dit nummer moet ik jullie schuldig blijven. Ik kom er niet uit. Is het een vernieuwende dance-track? Is het vooral een grap, al dan niet met een kunstzinnig randje, die de dansende massa voor de gek moet houden? Volgens de apollinische idealen die in veel klassieke muziek én in de dance heersen, moet een muziekstuk een degelijke opbouw hebben. Elk nieuw element moet geïntegreerd zijn in een brede structuur. Dit liedje maakt daar doelbewust een potje van, met een sample die plompverloren de spanning onderbreekt. Maar hadden we “Out of space” anno 2019 nog steeds geluisterd als de sample degelijk in de spanningsboog was verwerkt? Vast niet.

Rust zacht, Keith. De jaren negentig komen niet terug. We zullen nooit meer dansen als toen we kinderen waren.

Het ijzeren repertoire – 4

Dit jaar schrijf ik een serie stukjes rondom overbekende popliedjes. Dat doe ik omdat de muziekwetenschap de analyse van popmuziek nog vaak links laat liggen. Op die manier hoop ik lezers met heel andere oren te laten luisteren.

Een lekker gevoel voor timing heb ik niet. Wil ik eens inhaken op de muzikale activiteit, dan is er ofwel iets dat me ervan afhoudt, of ik denk er stomweg te laat aan. Voorbeeld? Dit jaar wordt Stockhausens Aus Licht groots uitgevoerd in Amsterdam. Ik zag al helemaal voor me hoe ik, gepromoveerd op ’s mans werk en deze cyclus in het bijzonder, als expert in de media zou verschijnen. Maar nee, dat liep even anders: ik onderbrak mijn werk en als ik straks mijn proefschrift verdedig, is iedereen Stockhausen alweer vergeten.
  Iets dergelijks overkwam me een paar dagen geleden. Ik bedacht me ineens dat ik een stukje over “Weekend” van Earth & Fire zou kunnen schrijven. Dat zou prachtig in mijn serie van overbekende popnummers passen. Klein detail: de aanleiding, het overlijden van toetsenist Gerard Koerts, vond al op 20 februari plaats. Lekker actueel…

Maar goed, dat neemt niet weg dat een liedje als “Weekend”, een hit in Nederland en ver daarbuiten, alles in mijn rubriek te zoeken heeft. Dat kan net zo goed begin maart als pakweg eind juni.
  Wel zal het voor de modale lezer even nodig zijn om op te halen wat Earth & Fire ook alweer voor een band was. Voor de goede orde: ook ik moest het allemaal weer even op een rijtje zetten. Het gaat tenslotte om een tijd die ik niet heb meegemaakt en Earth & Fire is geen band van het formaat Queen, waarvan je geacht wordt de hele catalogus te kunnen meebrullen.
  Earth & Fire, niet te verwarren met de Amerikaanse band Earth, Wind & Fire, stamt uit Den Haag en is daarmee een loot aan de Haagse beatstam. De eerste liedjes worden zelfs door George Kooymans van Golden Earring geschreven. Boegbeeld is de afwisselend onschuldig en verleidelijk ogende Jerney Kaagman, creatief hart zijn de tweelingbroers Gerard (toetsen) en Chris (gitaar) Koerts.
  Voordat we haar tekort doen: Jerney Kaagman was wel degelijk meer dan zingend behang. Ze was al zelfstandig bezig toen de heren Koerts haar voor de band vroegen, en toonde zich later een uitstekende zakenvrouw die het tot voorzitster van de stichting Conamus schopte. In die functie belandde ze in de jury van Idols, waar ze duidelijk naartoe gehaald was om wanprestaties af te kraken. Door de oude en nieuwe media werd ze vervolgens meedogenloos teruggepakt, vooral op haar wanhopige pogingen nog steeds vijfentwintig te lijken. Enfin, dat is allemaal voorbij. Tijd om gewoon weer naar de liedjes te luisteren.
  Een Haagse rockband met een oogverblindend mooie vrouw ervoor, dat doet denken aan Shocking Blue. Maar Earth & Fire was anders. Ze gingen mee op een modeverschijnsel dat begin jaren zeventig flink om zich heen greep: de progressieve rock. Toch verloren ze de pop daarbij nooit uit het oog. “Even progressieve als commerciële band”, zegt de Popencyclopedie van OOR over het gezelschap. OOR-deel zelf:

In 1979, het jaar waarin “Weekend” uitkwam, waren videoclips nog geen algemeen verschijnsel. (Pophistorici laten die traditie vaak beginnen bij “Bohemian rhapsody” uit 1975; pas in 1981 waren er genoeg clips om MTV op te richten.) Muziekvideo’s uit die tijd tonen vaak nog gewoon een band die aan het spelen is, meestal op een in scène gezet concert. Natuurlijk stel je met Jerney Kaagman in een strak pakje al een hoop fans tevreden (bedenk even dat ze hier al 32 was, en dus wel degelijk haar sexappeal een tijdje heeft vastgehouden), maar jammer is het wel. De ikpersoon uit het lied gaat uit, komt een leuke man tegen maar wil hem niet alleen voor één nacht. Daar valt een prachtige clip van te maken. Een gemiste kans, zouden we vijf jaar later zeggen. Niet nodig, vond men in 1979.
  Door het gekozen band-die-staat-te-spelenformaat kunnen we precies zien wat mensen doen. Het liedje opent meteen met de betreurde Gerard, die de xylofoon bespeelt. Zo zie je meteen dat de band ook anno 1979 nog met een been in de progrock staat. Een xylofoon in een rockband: een beatmuzikant of een punker doet dat niet.
  Het liedje staat ook zeker met één been in de hitparadepop. Bij progrock denk je aan songs van minstens een kwartier (een hele plaatkant mag ook), gezongen door baardapen en met teksten over fantasy. Hier horen we een gewoon popliedje van drieënhalve minuut, met coupletten en refrein. Een knaller van een refrein, dat dit liedje tot de hit maakt die het werd. En dat ervoor zorgt dat iedereen het nummer wel kent, ook al heb je misschien moeite om de band en de titel te noemen. Zo “gewoon” is het dus ook weer niet: de broertjes Koerts hadden een heuse oorwurm in de pen.
  Hoeveel benen kan een liedje hebben? Ook de invloed van de disco is voelbaar. Die zit vooral in het visuele aspect (discolichten en Jerneys pakje), maar de invloed van de discomuziek – hét genre van de late jaren zeventig – ontgaat ons echt niet.
  Belangrijker is echter de invloed van de reggae. Daarmee laten de leden van Earth & Fire, babyboomers die al begin dertig zijn, pas echt horen dat ze nog steeds de tijdgeest aanvoelen. Let maar op de baslijn. Net Henny Vrienten. Voor de goede orde: Doe Maar was toen net opgericht, had Vrienten nog niet aan boord en had nog geen eigen stijl gevonden. Destijds was Bob Marley, die nog leefde, voor veel Europeanen in zijn eentje de reggae. De gemiddelde liedjesschrijver had het waarschijnlijk als voorbijgaand verschijnsel beschouwd. Of in elk geval als een genre dat in de hand van niet-Caribische uitvoerders belachelijk zou klinken.

Je kunt zeggen: ja, maar “Weekend” is helemaal geen reggaeliedje, al zit die invloed er wel in. En ik geef je gelijk. Het is pop. Maar wel pop met een cocktail aan invloeden. Als je een cocktail mixt, moet het resultaat te pruimen zijn én alle ingrediënten moeten iets bijdragen aan de smaak. En dat is nu precies wat Earth & Fire hier voor elkaar krijgt.

Het ijzeren repertoire – 3

Dit jaar schrijf ik een serie stukjes rondom overbekende popliedjes. Dat doe ik omdat de muziekwetenschap de analyse van popmuziek nog vaak links laat liggen. Op die manier hoop ik lezers met heel andere oren te laten luisteren.

Het nummer van deze zondag is niet zo bekend (gebleven) als de eerste twee nummers uit deze rubriek. Toch zal het een hoop mensen die de jaren negentig hebben doorleefd nog iets zeggen. Het zal ook, net als “The Rose” (deel 1), bij veel mensen weerzin wekken.

We behandelen vandaag “Return to innocence”, de grote hit van Enigma. Laten we om te te beginnen gewoon even luisteren.

Enigma is een Duitse newagegroep. New age is, op zijn zachtst gezegd, niet het meest geliefde muziekgenre uit het poprepertoire. Wat het begrip precies behelst, is niet helemaal duidelijk. Het heeft in elk geval te maken met de gelijknamige religieuze stroming, een syncretische leer met elementen uit de Indiase godsdiensten, het christendom en de astrologie. Een leer, door tegenstanders “aan de moderne tijd aangepaste onzin” genoemd, die onder hippies veel aanhangers vond. “The age of Aquarius”, de titelsong van de musical Hair, gaat er zelfs helemaal over.
  Toch is Hair of de meeste andere hippiemuziek geen newagemuziek. Tenminste, het is niet wat we ons daarbij voorstellen. Als vader van het genre wordt vaak Mike Oldfield genoemd, die in 1973 een monsterhit had met Tubular bells. Een combinatie van progressieve rock en minimal music. Je zou het “progressieve sfeermuziek” kunnen noemen: rustige, goed luisterbare muziek, geen al te rouwe uithalen of plotselinge overgangen, maar wel nieuwe geluidswerelden. James Last voor hippies, als het ware.
  In de loop der jaren schoof Mike Oldfield steeds meer op naar een meditatief geluid. Liedjes als dit kenmerken zijn repertoire. De synthesizer wordt steeds meer ingezet voor zoete, sferische geluiden. We mogen trouwens nooit vergeten dat de synthesizer destijds nog nieuw was. Al die oorstrelende geluiden klonken 45 jaar geleden niet zo “hap-slik-weg” als nu: ze prikkelden de geest nog.
  In de jaren die volgden, werd new age een apart genre. Na de punkrevolutie was er in het middenveld van de popmuziek geen plaats meer voor synthetische navelstaarderij. Zodoende belandde het genre vanzelf in zijn eigen niche. Artiesten kregen over het algemeen weinig aandacht in de pers, maar iedere platenzaak had een apart vakje new age.

In 1994 lukte het Enigma dus toch om de aandacht van de mainstream op te eisen. Met “Return to innocence” brachten ze een cross-over tot stand. Hoe is ze dat gelukt?
  Voor zover het hun eigen inbreng betreft, is dit een vrij standaard newageliedje. Een rustige beat met synthesizers erover, en daarboven weer een zangpartij. Een clichématige zangpartij. Met nietszeggende woorden als “love”, “emotion”, “feeling” en frasen als “Don’t be afraid to be weak” of “Listen to your heart” wordt de muziek bepaald niet verrijkt. Alleen op 3:02, in het tussenspel, brengen ze echt even een interessant, raspend geluidje in.
  Nee, dit nummer moet het muzikaal van iets anders hebben. Al meteen als de muziek begint, hoor je een sample van een uitheemse zanger. Op grond van de muziekstijl of de taal die hij gebruikt (áls hij al echte woorden zingt) kun je hem niet thuisbrengen.
  Op 1:34 blijkt deze sample te dienen als refrein. Dat is het moment waarop het nummer boven de middelmaat uitspringt. In de muziek kunnen we duidelijk muzikale zinnen ontdekken, met zelfs een duidelijk hoogtepunt op de hoge bes. Toch voelt het vreemd, uitheems aan. De maatverdeling klopt niet helemaal met onze oren, de manier van zingen hoor je ook niet elke dag.
  Wat we horen is een traditioneel gezang van de Amis, een van de oorspronkelijke volkeren van Taiwan. Het geflirt van newagemusici met wereldmuziek was anno 1994 niets nieuws. Het cd-vakje “new age” stond vol met Tibetaanse klankschalen en panfluiten uit de Andes. Dat een groep kiest voor een cultuur als de Amis, die hoegenaamd geen media-aandacht krijgt en bovendien in hoog tempo in de dominante (Chinese) cultuur geassimileerd raakt, is wel bijzonder.
  De dames en heren van Enigma hadden deze muziek van een cd met traditionele Taiwanese gezangen. Voor wie de track in zijn oorspronkelijke versie wil horen: klik maar raak. De zangers zijn bekend: het waren Difang en Igay Duana. Toen die twee erachter kwamen dat een Europese groep met hun muziek een wereldhit had gecreëerd, was de boot wel even aan. Ze sleepten zowel Enigma als de platenmaatschappij voor de rechter en werden in het gelijk gesteld. Sindsdien staat Difang, onder zijn Chinese naam Kuo Hsiu-chu, als mede-auteur in het cd-boekje.
  Overigens verdient Enigma wel degelijk een muzikale pluim. Ze hebben niet alleen een bruikbare sample gevonden, maar die ook goed weten in te zetten. Hoe vlak de beat van het nummer ook is, hij ondersteunt hier wel de sample, zodat de vage contouren van de zang handen en voeten krijgen.

Misschien nog wel meer dan om de muziek en het gerechtelijke geschil dat erom gevoerd werd zal dit nummer bekend blijven om zijn clip. In de video, geregisseerd door een zekere Julien Temple (bedankt Wikipedia), zien we een oude Franse boer die in vrede in zijn boomgaard sterft. Daarna trekt zijn leven – en dat van zijn vrouw – achterstevoren aan ons voorbij.
  Het achterstevoren afspelen van filmbeelden is al sinds de eerste dagen van het medium technisch mogelijk. Voor regisseurs opende dat schier eindeloze mogelijkheden. Je kunt er allerlei dingen mee uitbeelden die fysiek onmogelijk zijn. Die momenten zijn ook nu nog de boeiendste om uit te beelden: een kip die ontplukt wordt, het dichtploegen van de grond, een meisje dat haar lippen ontstift en heel veel schendingen van de zwaartekracht. Allemaal dingen die nooit zullen gebeuren. Maar die we, sinds een jaar of 120, wel voor onze ogen kunnen zien!
  En toch: de fascinerendste filmbeelden zijn niet meer dan een goedkope truc wanneer ze alleen als doel en niet als middel worden gebruikt. De beelden ondersteunen de boodschap van het liedje: de dood is geen einde, maar een terugkeer naar onschuld. Als spreuk klinkt dat zweverig en goedkoop – geloof ervan wat je wilt geloven – maar met de beelden erbij klinkt het lang zo goedkoop niet meer. Het wordt ingevuld. Tegen het einde van de clip, vlak voordat de hoofdpersoon als baby gedoopt wordt, zien we hem als kleine jongen in dezelfde boomgaard zitten. Hij houdt een peer in zijn hand, zoals de stervende man ook peren aan het plukken is. Ik weet niet hoe het met jullie is, maar op dat moment voel ik de ontroering wel.
  Dat de maker van de video op onze emoties inspeelt, is sowieso wel duidelijk. Er loopt een als eenhoorn verklede schimmel door het beeld, en op 3:16 zien we ineens, volledig los van het verhaal, twee zoenende chicks. (Niet dat je mij hoort klagen, maar waarom?)
  Maar het verhaal brengt mijn gedachten verder. Net zoals veel West-Europeanen (het liedje is van een groep Duitsers, het filmpje van een Engelsman) ben ik vaak op vakantie geweest op het Franse platteland. Aan vakantiehuizen is daar geen gebrek. Dat komt door de ongelofelijke bevolkingskrimp van het gebied. Jongeren vluchten al jaren naar de stad, waar meer te beleven valt, en het platteland komt in een vicieuze cirkel: steeds minder voorzieningen, wat weer meer mensen wegjaagt. Huizen die leeg komen te staan, worden soms ingericht als vakantiehuis of gekocht door een Parijzenaar, maar vaak blijven ze gewoon leeg staan. We zien de man uit het filmpje sterven; zijn vrouw zal het ook niet lang meer maken, als ze nog leeft. Wat zal er met hun huis gebeuren? Er zal vast geen jong echtpaar uit het dorp in trekken, zoals zij destijds. Ik zie behalve een stervende man ook een stervende wereld.

Enigma bracht met “Return to innocence” de newagemuziek even terug op de radio. Langdurig succesvol zouden ze echter niet blijven. New age, een genre dat vooral bedoeld was om zijn luisteraars te plezieren, miste de vernieuwingsdrang om relevant en interessant te blijven.

Het ijzeren repertoire – 2

Dit jaar schrijf ik een serie stukjes rondom overbekende popliedjes. Dat doe ik omdat de muziekwetenschap de analyse van popmuziek nog vaak links laat liggen. Op die manier hoop ik lezers met heel andere oren te laten luisteren.

Met mijn hernieuwde excuses dat ik wéér te laat ben. Nadat ik vorige week eindelijk aan deze serie was begonnen, is het met nu niet gelukt om stukje twee een week later te schrijven. Enfin, beter laat dan nooit.

Vandaag wil ik het hebben over “MMMBop” van Hanson. Waarom? Omdat ik dertien was toen dat een hit werd, en omdat ik er nog steeds heel blij van word. Einde discussie. Laten we maar meteen beginnen met luisteren.

Voordat we het liedje gaan opensnijden met de vraag wat we precies horen, moeten we eerst even kijken naar wie we horen. Hanson is een echte band (dus geen bij elkaar gebracht zanggroepje), bestaande uit drie broers Isaac, Taylor en Zac Hanson. Dat ze jong zijn kunnen we zien. Op het moment dat “MMMBop” uitkwam waren de jongens respectievelijk 16, 14 en 11; ze zien er in deze video eerder nog wat jonger uit.
  Ook niet onbelangrijk: ze waren geen eendagsvliegen. Na “MMMBop”, hun debuutsingle, hadden ze nog hits met “Where’s the love” (15e plaats in de Nederlandse Top 40), “I will come to you” (9), “Weird” (tipparade) en “If only” (23). Zegt me allemaal niets, evenmin als de hele trits albums die ze sindsdien uitbrachten. Hun laatste plaat uit 2018 draagt de Muse-achtige naam String theory en staat vol met door een compleet orkest ondersteunde liedjes. Dat jullie dat even weten. Misschien is het de tijd geweest. Taylor kreeg al gauw de baard in de keel, en zonder zijn karakteristieke jongenssopraan was Hanson toch Hanson niet.

Dan nu het liedje zelf. We horen een blij liedje in een hoog tempo, met akkoorden die elkaar het liedje blijven opvolgen: A – E – D – E. Het akkoordschema kan bijna niet gewoner: trap I, IV en V, met een subdominant die keurig via de dominant naar de tonica terugkeert.
  Zulke simplistische akkoordschema’s doen ons aan punk denken. Inderdaad was punkpop midden jaren negentig “een ding”, met talloze vooral Californische bandjes die de harten van tieners maar stiekem ook twintigers veroverden. Waarschijnlijk moeten we de inspiratie echter ergens anders zoeken. Zac, de jongste van de drie broers, vertelde in een interview uit 2004 al dat thuis vaak de muziek uit de jaren vijftig en zestig op stond. We horen de invloed van “La Bamba” (met ongeveer hetzelfde obstinate akkoordschema: A – D – E). Bij de regels “And when you get old and start losing your hair / Can you tell me who will still care” moet ik sterk denken aan “When I’m sixty-four” van de Beatles.
  Het belangrijkste is echter het refrein, waarin we voortdurend het nonsenswoord “doo-wop” horen. Rockliedjes met “doo-wop” waren in de jaren 1955-1963 zo algemeen dat er een heel genre naar is vernoemd. Ook de titel is een “doo-wop”-woord. Schampere critici stonden natuurlijk in de rij om bij het uitkomen van de single te vragen wat een mmmbop nou precies is. Afgaande op de tekst, die gaat over vrienden die je in een “mmmbop” weer kwijt bent, is het een beperkte tijdsspanne. De echte betekenis doet er natuurlijk niet toe. Het woord is gewoon verzonnen omdat het lekker en grappig klinkt. Tieners, de mensen voor en door wie dit liedje gemaakt is, begrijpen dat.

Drie tienerjongens met een lekker klinkende superhit. Je eerste gedachte daarbij is niet dat ze het zelf geschreven hebben. Toch staan de namen van de drie broers als songwriters op het hoesje. Natuurlijk is er een arrangeur overheen gegaan. De vraag blijft in zo’n geval: wat hebben de broers zelf aan het liedje bijgedragen en wat is het werk van de arrangeur? Geen onbelangrijke vraag, want dit simpele liedje zit vol met goed gekozen elementen die het boven de middelmaat uittillen en zorgen dat we er anno 2019 nog steeds zo blij van worden.
  De oorspronkelijke versie van het liedje, in 1996 op het debuutalbum van de jongens uitgebracht en niet als single verschenen, kan misschien wat licht op de zaak werpen.

Het liedje is een stuk langzamer. Tenminste: het begint een stuk langzamer maar trekt later op, om aan het einde weer te vertragen. Dat het liedje ruim een minuut langer is dan de singleversie, komt echter vooral doordat er veel tekst wordt herhaald die later weg zou blijven. De oerversie krijgt daardoor een beetje het aanzien van een jamsessie: de elementen staan min of meer vast, maar ze kunnen op elke gewenste plaats in het liedje komen. Wat dat betreft is het jammer, maar begrijpelijk dat de hitversie compleet is strakgetrokken: een standaardduur (tussen de drie en vier minuten), een standaardstructuur (herkenbare coupletten, refrein en bridge) en een volstrekt constant tempo.
  De versie van 1997 heeft echter niet alleen dingen weggelaten. Er duiken ook nieuwe elementen op. Om een hit te worden heeft een popliedje (gewoonlijk) een hook nodig: een los muziekelement dat aan je oren blijft plakken. Vaak gebeurt dat zonder dat je het door hebt (tenminste: zonder dat je erbij stilstaat). Een hook moet dus boven de gang van de muziek uitsteken, maar niet te ver.
  In dit nummer (we hebben het nu weer over de singleversie) horen we de eerste hook op 0:28. Het gewone gitaarloopje wordt nu ingekleed in vervormde power chords. Die akkoorden klinken later in het refrein ook, maar daar klinken ze de hele tijd. Omdat ze hier in een rustige omgeving één keer (één rondgang van het akkoordschema) worden toegepast, springen ze eruit.
  Een andere hook is rond 0:58 voor het eerst te horen. Als je goed luistert, hoor je daar het scratchen van een plaat. Dat is een techniek uit de hiphop, die in een poprockliedje als dit niet de functie heeft die het in zijn oorspronkelijke context had. Maar rond 1997 hadden pubers al zoveel hiphop gehoord dat ze aan het cliché van de teruggeschoven grammofoonplaat waren gewend. Hier is het een nieuw geluidje, dat de begeleiding moet afwisselen.
  Er zijn nog andere gesofisticeerde dingen te horen, die niet per se onder de term hook vallen. Omdat zijn oudere broer Isaac de stembreuk al ruimschoots achter de rug had, klinkt zijn zang een octaaf lager dan Taylors leadzang. Een groot deel van het liedje zingen ze ongeveer dezelfde partij – als we Isaac al horen – maar vanaf 2:47 lopen ze uit elkaar. Wat heet: we horen levensechte polyfonie!

De clip is een ander verhaal. Daar kunnen we kort over zijn: die is erg professioneel en vooral bedoeld om de drie bandleden als frisse jongens neer te zetten. We zien ze spelen in de huiskamer en tussendoor typische jongensdingen doen in de bus, aan het strand en, jawel, op de maan. De clip geeft dus geen gestalte aan de voor tieners best rijpe en levenswijze tekst over vrienden die je zomaar kunt verliezen.

Zoals ik al zei: Hanson bestaat nog steeds en brengt nog steeds nieuw materiaal uit. Van hun “MMMBop”-imago komen ze nooit meer af, maar dat hebben ze blijkbaar geaccepteerd. Niet alleen spelen ze het nog altijd op concerten, voor hun album String theory (zie boven) namen ze een compleet nieuwe versie op. Ik kan niet garanderen dat deze versie je favoriete gaat worden, maar luister er gerust naar:

Het ijzeren repertoire – 1

Vandaag kom ik dan eindelijk, eindelijk toe aan wat ik jullie al eerder had beloofd. Eind vorig jaar stelde ik jullie een nieuwe reeks stukjes in het vooruitzicht. Vorige maand wilde ik daar ook aan beginnen, maar de techniek zat een beetje tegen. Een compleet stukje had ik uitgetikt, en het ging compleet verloren. Zie dan nog maar eens nieuwe motivatie op te brengen om het te herschrijven…
  Enfin, zodoende heb ik dus tot februari gewacht met mijn goede voornemen. Dat overkomt de besten, nietwaar?

Hoe dan ook, dit jaar schrijf ik een serie stukjes zoals jullie ze van me gewend zijn. Stukjes waarin een nummer geanalyseerd wordt aan de hand van de noten, de tekst en/of de sociale context, al naar gelang waar het meest over te zeggen valt.
  Waar het in 2017 ging om honderd Nederlandstalige popliedjes, ligt de nadruk nu op bekende liedjes. Echt het ijzeren poprepertoire, dat je vermoedelijk al tientallen keren gehoord hebt en dat je met je ogen dicht kunt meezingen. Liedjes die je misschien ook helemaal niet leuk vindt, alternatief als jij ongetwijfeld bent.
  Ik heb hier echter een goede reden voor. Popular Music Studies, de tak van de muziekwetenschap die de pop en de commerciële muziek in het algemeen onderzoekt, staat nog steeds in de schaduw van de historische muziekwetenschap (vooral de “klassieke” muziek met haar grote meesters) en de etnomusicologie. Bovendien concentreert PMS zich op de sociologische kant van de zaak; artikelen over popmuziek verschijnen vaak in niet-muziekwetenschappelijke tijdschriften. Die interdisciplinaire benadering is leuk en ook zeker zinvol, maar ook de analyse van muziekstukken op zich (nummers, platen, complete oeuvres, liveconcerten) hoort zijn plaats te hebben. Ik vind het een grote belediging voor alle popmuzikanten om te doen alsof alleen hun act relevant is en hun liedjes niet.
  Kortom: verwacht niet dat je dit jaar veel nieuwe muziek leert kennen. Verwacht wel nieuwe inzichten: ik hoop je veel dingen te vertellen die je nog niet weet of waar je nog nooit bij hebt stilgestaan.

Vandaag komt “The Rose” aan bod, in 1979 bekend gemaakt door Bette Midler in de gelijknamige film en een jaar later een hit in diverse landen.
  Wie 1980 bewust heeft meegemaakt, is vermoedelijk destijds niet aan het liedje ontkomen. Zelf ken ik het van de muziekles op de middelbare school. Dat schijnt voor meer mensen te gelden; ongetwijfeld vanwege zijn eenvoudige structuur komt het liedje vaak in de les voorbij. Anderen kennen het misschien van de AIDS-herdenkingsmarsen uit de jaren tachtig en negentig, of van hun moeder – want muziek voor huisvrouwen is het wel. Adult contemporary noemt de muziekindustrie dat: hitmuziek die niet of niet alleen tieners maar juist ook 25-plussers aanspreekt.
  Diverse lezers zijn ongetwijfeld niet zo tevreden over deze keus. Moet dat nou, zo’n suf en clichématig liefdesliedje? Ja, ik vind dat dat moet. In dit suffe liedje staan namelijk bijna ieder woord en iedere noot op de juiste plaats.

Even het geheugen opfrissen:

Wat onmiddellijk opvalt is de spaarzame begeleiding. Het voorspel bestaat uit acht karige pianoakkoorden. Eigenlijk zijn het niet eens akkoorden: het zijn open kwinten, die bestaan uit twee verschillende tonen – één te weinig voor een echt akkoord. Die minimalistische begeleiding houdt het hele eerste couplet aan.
  De tekst van dat eerste couplet bestaat uit acht regels van beurtelings acht en zes lettergrepen. Je kunt ook zeggen: vier regels van veertien lettergrepen, met steeds een duidelijke cesuur (scheiding waarin een stilte kan vallen) tussen de achtste en de negende.

     Some say: love, it is a river || that drowns the tender reed.
     Some say: love, it is a razor || that leaves your soul to bleed.
     Some say: love, it is a hunger || an endless aching need.
     I say: love, it is a flower || and you its only seed.

  Deze vier of acht regels maken uitgebreid gebruik van parallellisme. Veel woorden blijven steeds hetzelfde, waardoor je gaat letten op die paar woorden die wél veranderen. Het couplet laat zich keurig regelmatig indelen in vier complete zinnen. De woorden die wel veranderen passen keurig in het ritme (nergens in het hele nummer staat één lettergreep te veel of te weinig, nergens vind je een verkeerde klemtoon!), en ook het binnenrijm is keurig bewaard: river, razor, hunger, flower. Alle vier de woorden hebben dezelfde functie: een metafoor voor de liefde.
  Tegelijk verandert er wél iets in de laatste regel (of laatste twee regels). Drie keer is de mening van anderen over de liefde aan bod gekomen; drie keer is het iets negatiefs: verloren onschuld, pijn, een verslaving. De ikpersoon is de enige die er iets onverdeeld positiefs over te zeggen heeft. Het is een cliché van jewelste (“liefde is een bloempje, lalalalala!”), maar het komt hier tot zijn recht. Dwingend als het metrum en het rijm zijn, klinkt flower als het juiste woord op de juiste plaats.

Zodra de ikpersoon haar mening over de liefde geeft, breekt de begeleiding open. De kale, koude akkoorden in de rechterhand worden vervangen door een volwaardige begeleiding met een melodische figuur, plus een bas. Zo klinkt het meteen wat warmer. En breder. Om daarmee gelijke tred te houden, gaat Bette Midler met zichzelf tweestemmig zingen.
  Het is meteen tijd voor het tweede couplet, want een refrein kent het nummer niet. De luisteraar concentreert zich op die manier op de vergelijking tussen de coupletten. Wat blijft er hetzelfde, wat is er nieuw?
  Ook het tweede couplet is weer heel regelmatig verdeeld. De ikpersoon breidt haar visie op de liefde uit met vier nieuwe metaforen. Allemaal gaan ze over de twijfel in de liefde, waarin het zo vaak “net niet” is door de angst om te verliezen die het spel overschaduwt.
  Van dit couplet zou ik niet zo stellig durven zeggen dat élk woord op de juiste plaats staat. It’s the heart afraid of breaking that never learns to dance, klinkt het. Wat er bedoeld wordt is duidelijk: dansen is een metafoor voor flirten, voor het spel van verovering. Maar een hart kan niet dansen. Het klinkt een beetje houterig. Dan nog maakt de dwingende regelmaat (op rijm en metrum valt nog steeds niets aan te merken) een hoop goed. Je hoeft maar één keer iemand in de liefde te zijn misgelopen terwijl dat niet nodig was om de betekenis te voelen. Te voelen, niet alleen te snappen.

Het derde couplet zet de trend van muzikale verbreding voort. Een enkele ijle vioolpartij kwam in het eerste couplet al om de hoek kijken, maar hier krijgen we een compleet orkest, met naast strijkers ook diverse blazers in subtiele, goed gekozen partijen. Een arrangement is het halve werk, zeker als je een hit wilt. De tweestemmige zang loopt uit in een compleet koor (driestemmig met overdub).
  Tekstueel slaat het nummer nu een andere weg in. Het ijzeren parallellisme dat we gewend waren, wordt vervangen. Er klinken nu geen vier metaforen, maar één zin met één verhaal. Als je denkt dat liefde alleen voor de winnaars van deze maatschappij is weggelegd, denk dan aan de roos die in de lente altijd opschiet, al ligt er ’s winters nog zo’n pak sneeuw.
  Weer geen bijster originele metafoor. Wel een waarheid als een koe. Een waarheid die ook vaak herhaald moet worden, want hoeveel mensen krijgen er in hun leven niet te maken met wanhoop in de liefde? Hoeveel mensen moet er geen moed ingesproken worden om vooral maar door te gaan, ondanks alle vertwijfeling en tegenslagen die dit spel oplevert?

Soms gaat het er niet om wat je zegt, maar hoe je het zegt. Amanda McBroom (die het nummer schreef), Paul Rothschild (de producent) en Bette Midler zeggen het hier mooi en subtiel, met een nagenoeg perfect gevoel voor opbouw. Een goede vriend laat je de boodschap van moed aan den lijve voelen, ook als je haar al duizend keer gehoord hebt. Een goed nummer in een goed arrangement brengt de boodschap met dezelfde kracht.
  In de laatste maten, als het arrangement weer afslankt tot zang en piano, voel je de ontroering bij de zwaarst platgetreden metafoor. Alle cynisme bevindt zich even buiten je. Je wilt het geloven: de liefde heeft ook jou wat te bieden.

Daniël Lohues – Vlier

Gelukkig, de wereld vergaat nog niet. Zolang Daniël Lohues jaarlijks een nieuw album met degelijke folkliedjes uitbrengt, kunnen we dat zonder problemen vaststellen. Ook dit jaar was het weer raak, en wel met Vlier. Iets later dan gepland krijgt u hierbij van mij mijn eveneens jaarlijkse Lohues-recensie.
  Aan inspiratie heeft het de zanger-schrijver in elk geval niet ontbroken. Achttien liedjes telt het album maar liefst, goed voor ruim zestig minuten muziek. Vreemd, want hij vertelde in interviews vaak dat hij voorstander was van kort platen, dat veel op zich goede liedjes sneuvelden om maar vooral een overzichtelijk en coherent geheel te krijgen.
  Het gevolg laat zich ook wel voelen. Je kent beslist niet alle liedjes meteen uit je hoofd, en de sfeer aan het begin van de plaat ben je na 18 nummer wel weer vergeten. Het doet meer denken aan een klassieke cd, die niet als discreet “album” bedoeld is maar vooral gebruikt wordt om zoveel mogelijk muziek op te zetten. Dat wil trouwens niet zeggen dat de plaat slecht is. Alle liedjes verdienen hun plekje in Lohues’ oeuvre. Sterker nog: puur afgaand op de losse liedjes is het één van zijn betere albums.

De man uit Erica koos voor alweer zijn elfde soloplaat een poppy country-idioom, met een overwegend akoestisch maar wel vol geluid. Op een paar Allennig-achtige liedjes na (“Ben gieniene neudig”, “De ogen van Maria”) is Vlier daarmee een echte bandplaat geworden. Het geluid is verre van homogeen. “A28”, dat de zalige terugweg naar de oostkant van de IJssel bezingt, is een stevig stuk truck-driving country (zoals we dat in Nederland van Henk Wijngaard kennen), terwijl “Ondergrondse hutte” een hommage lijkt aan de jarenzeventigpop uit zijn jeugd (zou het toeval zijn dat dit nummer een plek uit zijn jeugd beschrijft?).
  Met “A28” is de tekstuele noot al deels gezet. Lohues gaat, net als een vrachtwagenchauffeur die hij onderweg tegenkomt, liever terug naar huis dan naar het “lage” westen toe. Ook “Witte wieben van ’t Saksenland” verheerlijkt de geboortegrond. Maar wacht even voordat je je laat afschrikken. Lohues weet het streekgebonden bijgeloof zo te verpakken dat je er geen aanstoot aan neemt. Hetzelfde geldt voor de pseudowetenschap rond de “Volle maone”, die zogenaamd aan ons trekt omdat wij uit water bestaan. Op papier zou ik me daar dood aan ergeren, in dit liedje niet.
  Lohues komt graag in zijn eigen omgeving, ook al is er van alles mis mee: “Mar ik heur hier”. Het gevoel “Weg van alles” te willen, ook al was het ooit goed en mooi, onderkent hij echter ook. Maar naar “Tokyo” (sic), dat gaat hem te ver. Tenminste, het is niets voor hem. Nee, dan liever “Op de prairie”. In dit liedje komt hij er eindelijk achter waarom het Amerikaanse platteland hem zo trekt: “De grond is hier deurweekt met mien liefdesverdriet.” Nu hij er zo vaak geweest is, krijgen sommige plekken daar ook bijsmaakjes…
  De liefde lijkt onze muzikant trouwens andermaal in de steek te hebben gelaten. Een paar jaar terug vernamen we uit de media dat Lohues een relatie had met Stephanie “Stevie-Ann” Struijk. Lohues en Struijk zijn niet het soort beroemdheden wier privéleven breed in de roddelpers wordt uitgemeten; op basis van de teksten zou je echter aannemen dat het al lang en breed voorbij is. Exen domineren de teksten: zijn ene ex zit met een ander in Tokio (dankzij Facebook word je daar zo leuk van op de hoogte gehouden), een andere duikt midden in de nacht in overpeinzingen op. In “Ben gieniene neudig” blijkt hij zelfs een imaginaire vriendin te hebben genomen! En “Weg van alles”, dat onder meer gaat over een dementerende man met een doodswens, werkt ook niet stemmingsverhogend. Het enige lichtpuntje is “Josephine” (“Wie wet wordt ’t wat misschien”).

Lohues’ inspiratie is oneindig, net als zijn smaak voor goede nummers en zijn lol aan het muziek maken. Eén ding zou ik hem echter willen meegeven. Je maakt nu al zo lang country-achtig singer-songwriterwerk, met teksten over steeds dezelfde thema’s. Misschien moet je komend jaar gewoon een keertje wél naar Tokio, in plaats van steeds weer de VS en Canada. Kom uit je comfortzone en maak je wereld groter. Nee, niet groter, veelzijdiger. De kans dat je het dan gewoon tot je zeventigste volhoudt én publiek en critici aan je kant blijven staan is dan veel groter.

Hiphop in Nederland – de tien rappers van dit moment

Het boek kwam vorig jaar al uit, maar ik kocht het pas vorige maand en kwam pas gisteren aan lezen toe. Vandaar dat deze recensie misschien als mosterd na de maaltijd aanvoelt.
  Hoe dan ook: Rajko Disseldorp, journalist van (onder meer) Het Parool, heeft een boek geschreven over Nederlandstalige hiphop. Dat mocht ook wel, want zoals hij zelf al aangeeft bloeit het genre dit decennium als nooit tevoren. Disseldorp, die sowieso al vaak rappers interviewde, besloot de tien grootste rappers van dit moment gedurende anderhalf jaar nog wat vaker op te zoeken om zo een heel boek bij elkaar te krijgen.
  De stand van de hiphop is op dit moment zodanig dat je zelfs met tien namen nog grote jongens mist. De schrijver zegt dat zelf al. In de inleiding benadrukt hij dat rappers recent iets moeten hebben uitgebracht. In dit boek dus geen Def P en Extince. In het nawoord excuseert Disseldorp zich jegens die andere goede rappers waar hij ook naar luistert maar die zijn boek net niet hebben gehaald: Lil’ Kleine, Kempi, Winne, Akwasi, Diggy Dex en nog anderen.
  Persoonlijk kan ik me – hiphopleek als ik nog steeds ben – redelijk in zijn keuze vinden. De populaire rappers komen aan bod, maar hij geeft Ares, een rapper voor de fijnproevers die maar niet doorbreekt bij een breed tienerpubliek, wel de voorkeur boven Lil’ Kleine. Rico had op zich best iets in dit boek te zoeken, maar met het stuk over Sticks heb je hem al voor de helft gehad. Als ik echt iets of iemand mis, is het de Jeugd van Tegenwoordig of een van zijn solo opererende leden.

Van journalisten wordt een vlotte pen en een doordringend vraagvermogen verwacht. Disseldorp beschikt duidelijk over beide. Het boek is 192 bladzijden lang maar laat zich binnen een paar uur uitlezen. (Zelf heb ik er ruim drie uur over gedaan, met dien verstande dat ik in drukke treinen en restaurants moest lezen.) Witte schutbladen niet meegerekend heeft hij voor iedere rapper zo’n 15 pagina’s over, waarin hij steeds weet door te dringen tot de persoon. De meeste rappers hebben wel een crimineel verleden en bijna allemaal roken ze ‘jonko’ (onder burgers beter bekend als ‘hasj’), maar ook hebben de meeste een gezin en nemen ze verantwoordelijkheid voor hun privéleven en hun werk. Hef blijkt overdag gewoon aan de sinaasappelsap te zitten, en Bokoesam ziet zichzelf als ‘de boomknuffelaar van de rapscene’. Het zal typisch Nederlands zijn: hoe stoer je imago ook is, moeite om te relativeren hebben ze geen van allen. Alleen Boef, die zegt onomwonden dat hij enkel in geld geïnteresseerd is. Daarom is hij ook gestopt met criminaliteit: rappen levert meer op.
  Zoveel als je leest over de persoon van de rapper, zo weinig lees je over hun werk. Het zal mijn beroep als musicoloog wel zijn, maar ik had toch liever iets meer gelezen over de teksten, over de beats en begeleiding, over hun invloeden, over het leerproces, over wat er allemaal nog meer bij het maken van hiphop komt kijken.
  Veel rappers benadrukken met geheven vinger dat je de ballen uit je broek moet werken, en diverse jongens beschrijven hoe ze die-en-die hoorden rappen en dat vervolgens ook gingen doen, maar je leest weinig over het schrijven van teksten en nog minder over de muziek. Zelfs Typhoon, die geen volbloed rapper is en zijn muzikale begeleiding bovengemiddeld veel aandacht geeft, begint er niet over. Blijkbaar vergeet Disseldorp zijn respondenten daarnaar te vragen. Alleen als Sticks begint te klagen over “Mag ik dan bij jou” van Claudia de Breij (“klef, braaf gedoe”, dat “poëzie van zestienjarigen [zou] kunnen zijn”) komt er een beetje analyse los.
  Ook de inleiding is wat mager. Het boek is geschreven om de bloei van de Nederlandse hiphop te vieren. Dan mag je toch een stuk verwachten waarin de schrijver uitlegt hoe dat allemaal zo gekomen is en wie eraan voorafgingen. Blijkbaar wordt dat bekend verondersteld. Ook een wat bredere context – waarom zijn er bijvoorbeeld nog nauwelijks vrouwelijke rappers in Nederland, terwijl ze qua kleur en sociale afkomst wél zo divers zijn? – ontbreekt geheel.

De grootste verdienste van dit boek is dát het geschreven is, op het moment dat het genre nog in bloei staat. Straks, als het wat minder gaat met de Nederhop (die tijd komt natuurlijk), kunnen we op dit boek teruggrijpen in plaats van dat we bij dertigers en veertigers langs moeten om hun herinneringen op de diepen. Een ander pluspunt is dat Disseldorp als journalist dichterbij kwam dan jij en ik waarschijnlijk ooit zullen komen. Compleet is het boek echter niet. De gaten die het overlaat, moeten musicologen de komende jaren gaan opvullen.

De jukebox (5)

Dit jaar schreef ik in honderd stukjes, geconcentreerd rondom evenveel liedjes, een geschiedenis van de popmuziek in het Nederlands en verwante streektalen. Verschillende mooie, leuke en interessante liedjes zijn buiten de boot gevallen. De laatste twee weken van het jaar passeren die liedjes alsnog de revue.

Deel 5: Novelty (zie ook aflevering 1 en 57)

Inderdaad, dit jaar kwamen er maar twee noveltyliedjes voorbij. Niet zo vreemd ook: liedjes die bedoeld zijn als gimmick laten zelden een invloed van betekenis na. Artistiek gezien zou je ze zo kunnen negeren. Twee liedjes heb ik echter toch opgenomen, omdat ze wel degelijk iets over de muziekgeschiedenis zeggen. “De trappelzakboogie” (aflevering 1) geeft aan hoe volwassen mensen in het begin over de rock ’n roll dachten. “Gabbertje” (aflevering 57) geeft aan hoe niet-gabbers naar deze muziek keken. Bovendien viel het samen met het breekpunt van de gabberrage, dat Fosko en consorten volgens sommigen eigenhandig bewerkstelligd hebben.
  Een paar andere novelty-liedjes kwamen al voorbij in aflevering 1 van De Jukebox, over de jaren zestig. Vandaag passeren er nog een paar. De meeste neem ik niet op omdat ze enig muziekhistorisch belang hebben, maar gewoon omdat ik ze grappig vind, of omdat anderen ze grappig kunnen vinden.

We beginnen meteen met een van de bekendste nummers uit deze rubriek. In 2001 kwam het tv-programma Kopspijkers, dat destijds door miljoenen mensen bekeken werd, met een single. “One Day Fly”, een foute vertaling van “eendagsvlieg”, was een satire op talentenjacht Starmaker van Yorin, en de band K-otic die eruit voortkwam. Het was een megahit onder alle lagen van de bevolking; mensen die normaal nooit singles kochten, hadden hier massaal 11 gulden voor veil. Ja, ik ook. Het was mijn eerste singletje en het zou een van de weinige blijven.
  Zestien jaar later – waar blijft de tijd – klinkt het niet meer zo grappig en fris als destijds. De conclusie moet toch luiden dat we het vooral zo leuk vonden dankzij de Kopspijkers-troep die we elke zaterdag op tv zagen. Nu de actualiteit er vanaf is, staan er 60.000 singletjes in Nederlandse platenkasten stof te happen…

Zoals je kunt horen hebben ook George Baker (de echte) en Johan Cruijff (niet de echte, maar de imitatie door Viggo Waas) een cameo in dit nummer. De echte Johan Cruijff maakte nog een keer een singletje: “Oei, oei, oei, dat was me weer een loei”. Aan zijn zangstem mis je niet veel; het nummer is trouwens meer schlager dan pop en heeft in mijn rubriek dus niets te zoeken.
  Rond 1990 kregen we wel pop zingende voetballers, ja hele voetbalselecties. Een gouden greep natuurlijk: grote clubs hebben een brede fanschare en duizenden mensen kopen dat plaatje toch wel. Zo dook in 1992 de Feyenoordselectie, met latere culthelden als John de Wolf, Regi Blinker en Ed de Goey, de studio in voor “Wij houden van die club”.

Ajax kon daarbij niet achterblijven. Nog datzelfde seizoen kwam “Ajax is oké” uit. Met Amsterdamse branie, zoals de supporters het wilden. “Nooit, nee nooit, verliezen doen we niet”. In werkelijkheid werd Feyenoord dat seizoen kampioen en Ajax derde. Maar het Ajax-plaatje kwam wel hoger in de hitparade.

(Wie na het uitzitten van deze twee nummers denkt dat voetballers helemaal niet kunnen zingen, verwijs ik graag door naar de Brabantse folk van Björn van der Doelen of de hiphop van Royston Drenthe.)

Heel iets anders nu. Stel, je bent tatoeëerder. Dat is op zich al cool. Je mag mensen pijn doen en voor het leven verminken met creaties die je zelf uitkiest, en ze zullen blij en dankbaar je zaak uitlopen en je goed betalen. Als je dan ook nog een halfgod in de Belgische metalscene wordt, en heel Graspop kent je, dan heb je echt een topleven. Er is eigenlijk maar één hogere stap mogelijk: zelf popster worden. Tijs Vanneste verpopte zich tot Jef Van Echelpoel, een Kempische lapzwans die droomt van succes bij de meisjes. Deel van die metamorfose: hij vermijdt de metal maar doopt zich in de elektropop, een genre dat hij net zo min serieus neemt als zijn personage. Dat je dan toch een megahit haalt – is dat meegenomen?

Dit is allemaal weinig diepgravend, maar nog redelijk netjes. Er zijn natuurlijk ook liedjes die nooit bovengronds zullen komen omdat de teksten gewoon te smerig zijn. Wie herinnert zich de Dikke Lul Band nog? Twee volwassen mannen die hun beroep hebben gemaakt van popliedjes met seksuele teksten zingen. Het stomste is misschien nog dat er best wel zorg aan is besteed – ze nemen hun missie nog serieus ook.

Uit de gelederen van mijn Utrechtse studentenvereniging kwam het gelegenheidsduo Holland en Holland (een toespeling op de producers Bolland & Bolland), die de wereld verblijdden met “Bolletjes in mijn hol”. Dit mochten ze zelfs bij Edwin Evers komen uitvoeren. Met het kinderkoortje dat ook de plaatopname siert. Hun kinderen blijken erg bijdehand…

Voor echt aanstootgevende teksten moet je bij de extreme metal zijn. George Oosthoek, zanger/grunter van gothicmetalband Orphanage, wilde weleens wat anders dan die eeuwige sprookjesmuziek met vrouwenstemmen en keyboards, en richtte als zijproject Kutschurft op. De band speelt grindcore en death metal, en de Nederlandstalige teksten gaan over de smerigste en ranzigste dingen, vooral op seksueel gebied. Dat is op zich niet zo’n probleem, want je verstaat toch niets anders dan “gchòòòòòòòchgch!” In “Neuk je oma in d’r stoma” komt echter een parlando voor, waarin alle psychopathische praktijken van Dr. Ranzzz (zo noemt Oosthoek zich in deze gedaante) uitgebreid en verstaanbaar uit de doeken worden gedaan. Eén waarschuwing: niet voor tere zieltjes!

Laten we toch maar afsluiten met een liedje dat écht leuk is. Het viel me de laatste jaren steeds meer op dat mijn generatie, net als jongere generaties, verzot is op absurde humor. Grappen die echt als een tang op een varken slaan, volkomen willekeurige combinaties en situaties die zo idioot zijn dat ze wel kunst lijken. Mensen boven de veertig gaan dan naar verbanden zoeken: ze denken dat die absurdisten toch ergens een punt willen maken. Wij weten wel beter. (“Drie tennisrackets zitten in een boom te klaverjassen. Komt er een ei voorbij. Vragen de tennisrackets: ‘Hé ei, doe je mee?’ ‘Nee sorry,’ zegt het ei, ‘ik moet naar de kapper.'”)
  Een eerste aanzet gaf Monthy Python al in de jarne zeventig. Later kregen we Herman Finkers en Brigitte Kaandorp. Maar pas met Dirkjan en Kabouter Wesley bereikte mijn generatie echt wat ze wilde. En… met Yogho Yogho. Dat mierzoete drinkyoghurtmerk dat wij allemaal dronken, en dat veel cooler was dan zijn concurrenten. Dat kwam door zijn twee compleet van de pot gerukte reclames (zie hier en hier). Van die reclames werd ook een compleet lied van drie minuten gemaakt. Helaas kon je dat alleen via de Yoghopakken bestellen, dus een grote hit is het nooit geweest. Op Youtube is het nog wel te vinden. “Duizend mijlen onder zee / zit een man op de wc!” Geniet ervan!

De jukebox (4)

Dit jaar schreef ik in honderd stukjes, geconcentreerd rondom evenveel liedjes, een geschiedenis van de popmuziek in het Nederlands en verwante streektalen. Verschillende mooie, leuke en interessante liedjes zijn buiten de boot gevallen. De laatste twee weken van het jaar passeren die liedjes alsnog de revue.

Deel 4: Vrouwenmuziek (Zie ook aflevering 3, 10, 17, 51, 59, 62, 79, 83, 84, 91, 92, 93, 94)

Op het eerste gezicht lijkt muziek door vrouwen misschien niet onderbelicht. Er staan dertien nummers achter het tussenkopje, veel meer dan bij de vorige drie afleveringen. Maar een klein beetje doordenken legt het probleem al bloot: dertien van de honderd nummers, dat is niet meer dan 13% van alle liedjes uit mijn rubriek. Terwijl vrouwen gewoon ongeveer de helft van de Nederlands sprekende bevolking uitmaken. Als je dan ook nog bedenkt dat in afleveringen 10, 17 en 51 een man meezingt, dan moet je toch concluderen dat het schone geslacht (een archaïsme dat feministische meelezers mij hopelijk toestaan) zwaar ondervertegenwoordigd is.

Hoe komt dat? Wel, ten eerste gaan er domweg meer mannen de popmuziek in. Synthetische tienerpop voor de grote massa wordt nog wel met zangeressen gemaakt, maar van de ‘serieuze’, organische pop zijn vrouwen in Nederland en België lang afgebleven. Grotendeels, tenminste. Rockmuziek was een machowereld waar vrouwen zich niet thuis voelden. Zij die het toch probeerden, merkten vaak dat dat gevoel terecht was. Lutgard Mutsaers, mijn docente popmuziek aan de Universiteit Utrecht, was jarenlang bassiste in vrouwenband The Broads. OOR en Aloha waren niet in hen geïnteresseerd, mannenblad Aktueel wel…
  Het gaat te ver om te zeggen dat je als vrouw totaal geen kans had. Janis Joplin en Joni Mitchell hielden zich in de wereld van de cockrock fier staande. De platen van Fay Lovsky gooiden in Nederland hoge ogen bij de critici. Maar ongebruikelijk was het wel. Het publiek zat niet echt op popmuziek van vrouwen te wachten. Terwijl vrouwen en meisjes al die tijd net zo goed naar muziek luisterden en platen kochten…

Gelukkig komt daar de laatste jaren verandering in. Nummers 91 tot en met 94 van mijn rubriek werden allemaal door vrouwen bezet, en geen van de vier moest ik er echt met de haren bij slepen. Ik moest er zelfs een paar weglaten, omdat ook op andere gebieden (muziekgenres, bevolkingsgroepen, delen van het land) de verhouding scheef was gegroeid. Die vrouwen krijgen hier alsnog een plekje, samen met een paar andere die mijn rubriek niet gehaald hebben.

We beginnen oppervlakkig: met bubblegumpop uit de jaren negentig. Eind 1995 doken drie soapsterren uit Goede Tijden, Slechte Tijden de studio in. GTST stond destijds op zijn hoogtepunt wat betreft kijkcijfers, en heel Nederland kende Babette van Veen, Guusje Nederhorst en Katja Schuurman als Linda, Roos en Jessica. Hun “Ademnood”… ach, ik hoef eigenlijk niets meer te zeggen. Meer dan 20 jaar later kent iedereen dit liedje nog steeds.

“Ademnood” gaat over een geslaagde date die wat de ikpersoon betreft niet bij één keer hoeft te blijven. Het gaat niet altijd zo soepel. Bij WOW!, een meidengroepje dat in 1997 het licht zag, halen de jongens misschien niet eens het bed: “Morgen denk ik: ‘hoe heet-‘ie ook alweer?'”
  WOW! werd, net als K3, opgericht als kloon van de Spice Girls. Ze moesten girl power uitdragen, en daar hoort kieskeurigheid met mannen ook wel bij. Helaas sloeg de act van WOW! niet breed aan, ook niet bij een jonger publiek (zoals K3). Na twee hitjes hadden de Nederlandse tieners ze wel gezien.

(Treurig detail: zowel van Linda, Roos en Jessica als van WOW! kwam één van de leden voortijdig te overlijden. Guusje Nederhorst kreeg kanker, Joëlle zat in het rampvliegtuig dat in 2010 neerstortte bij Tripoli.)
  Tussen deze tienerpopgroepjes met hun door mannen geproduceerde popliedjes en de volgende artiesten is geen groter verschil mogelijk…

Behalve discriminatie en het gebrek aan een traditie is er nog een reden waarom we zo lang moesten wachten op vrouwenmuziek in mijn rubriek. Er braken wel goede vrouwen door, maar lang niet allemaal zongen ze in het Nederlands. Denk alleen maar aan Anouk: die maakte hoog aangeslagen, goed verkopende rock, maar zong wel in het Engels. In de alternatieve hoek had je bijvoorbeeld Solex, maar ook zij schreef Engelstalige teksten. Tezelfdertijd klitten de mannen aaneen tot succesvolle Nederpopgroepen (Bløf, De Kast, Volumia!). Op die manier groeit de verhouding inderdaad wel scheef…
  Nog zo’n goede artieste die mijn rubriek niet haalde was Fay Lovsky. In de jaren tachtig en negentig bouwde ze een bescheiden fanschare op met haar intelligente en in-vrouwelijke popliedjes. Haar werk is lichtvoetig, vaak vrolijk, en vermijdt grote gebaren. Toch schuwt ze het experiment niet: ze leerde voor haar vak zelfs de theremin bespelen. Maar ja, ook zij zong in het Engels…
  Ho. Wacht eens even. Rond 2000 schakelde Fay op haar moedertaal over. Helaas dacht ik daar te laat aan. Hoog tijd om dat nu goed te maken. En hoe kan ik dat beter doen dan met “Alle liedjes op de radio”? Net als Roos Rebergen (aflevering 84) vindt zij dat alle liedjes op de radio heel veel op elkaar lijken. Ze gaan alleen maar over seks. Die manier van muziek maken past haar niet. Zij doet dat op haar eigen manier, en dat ze daarmee de media niet haalt is bijzaak:

Fay Lovsky gebruikt een beproefd recept voor vrouwen die het in de serieuze popmuziek willen maken: een andere niche opzoeken. Het is niet toevallig dat de folkmuziek relatief veel vrouwelijke sterren kende (Joan Baez, Joni Mitchell): folk was niet zo’n mannengenre als rock. In de jaren negentig zag je hetzelfde: PJ Harvey, Tori Amos en Björk zochten hun toevlucht tot een muziek met veel kunstzinnige haken en ogen maar zeer weinig rock-verwijzingen.
  In onze tijd is hiphop het grote mannenbolwerk. Vrouwelijke hiphop bestaat (Lil’ Kim, Azealia Banks), ook in het Nederlands (Slongs Dievanongs, zie aflevering 93), maar het genre is vooral het werkterrein van mannen. Dat komt door het harde, ritmische geluid (een ‘mannelijk’ geluid), maar ook door de enorme macho-erfenis die er jaren na de bloei van de gangsterrap nog steeds aan vastzit. Omdat hiphop hét genre van dit moment is, zal het probleem van de scheve geslachtsverhoudingen niet zomaar verdwijnen.
  Daarom vind je vrouwenmuziek vaak in heel andere genres. De huidige generatie Nederlandse popvrouwen zoekt haar toevlucht tot folkachtige liedjes. Soms zit daar een kunstzinnig laagje overheen (denk aan Eefje de Visser, aflevering 92), maar meestal is het toch wel eenvoud troef: mooie melodieën, gecombineerd met intelligente teksten.

Aafke Romeijn brak de laatste jaren bescheiden door met haar electropop. Ook als opiniemaakster werd ze bekend. Haar linkse, niet altijd genuanceerde standpunten passen goed bij 2017. Dat wil niet zeggen dat ze alleen over politiek zingt. “Licht aan” biedt het intelligente alternatief voor elke zomerhit:

Roos Blufpand lijkt in veel opzichten het kleine zusje van Aafke Romeijn. Rond dezelfde tijd opgekomen, zelfde niche, zelfde soort teksten. Maar ook in veel dingen wat milder. Haar muziek klinkt minder puntig, de toon van haar teksten is minder scherp, haar stem klinkt zachter. En – sorry Roos als dit nu seksistisch overkomt – mijn God, wat is ze mooi en lief!
  Hoewel ze niet, zoals Aafke Romeijn, wil provoceren, is Roos zeker “Niet bang” om haar mening te geven. Ze is overtuigd dat de wereld haar geluid nodig heeft. Dit liedje gaat duidelijk over de kloof in de maatschappij. Maar gaat het niet ook over trollen op sociale media?

     Ik ben niet bang,
     al zijn je tanden nog zo scherp.

Met dit soort muziek is het theater ook nooit ver weg. De geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek heeft altijd al nauw samengehangen met die van het Nederlandse cabaret (denk aan Neerlands Hoop [aflevering 16], maar ook aan Fresku [aflevering 97]). Ook nu nog opereren veel artiesten op de grens van beide, of liever: in beide hokjes tegelijk. Het duo Yentl & De Boer is een uitstekend voorbeeld.

Over cabaret gesproken: ook Claudia de Breij heeft mijn rubriek niet gehaald. Net niet: ik twijfelde tussen haar “Mag ik dan bij jou” en Kenny B’s “Parijs”. Uiteindelijk viel de keus op de laatste (aflevering 100) – dat andere liedje dat een stroom aan dialectcovers teweegbracht. Claudia kenden we al jaren als zangeres, cabaretière, radio- en tv-presentatrice toen ze in 2014 dit liedje lanceerde. Uiteindelijk werd het een moderne klassieker.

Vrouwen gedijen ook buiten het theater. Veel poppyer is het werk van Laura Beekman. Haar pop verschilt niet eens zo gek veel van Eefje of Aafke, maar het is allemaal net iets luchtiger, net iets meer 100%NL, en niet zo politiek beladen. Ook daar hebben we in deze verzuurde tijd weleens behoefte aan.

Ook ons laatste liedje past in deze categorie. Sanne Hans, beter bekend als Miss Montreal, bracht ons in 2008 “Just a flirt”, over een onenightstand waar niet om getreurd zal worden. Waarom probeerde die het niet in het Nederlands? Als je haar op tv hoorde, begreep je waarom: door haar knetterende Nedersaksische accent dorst ze dat gewoon niet aan. Uiteindelijk kreeg Nielson, die ze leerde kennen door haar jurylidmaatschap in De beste singer-songwriter van Nederland (zie aflevering 91), haar zover om het toch te proberen. “Hoe” werd een hit en haar accent bleek uiteindelijk geen enkel probleem meer.