Honderd keer pop in je moerstaal (52)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 52.

“Pop in je moerstaal” heet deze rubriek, met méér dan een knipoog naar de gelijknamige cd-reeks die in de jaren negentig liep. Hiermee ga ik ervan uit dat mijn lezers Nederlands als moedertaal hebben, wat op een enkele uitzondering na wel lijkt te kloppen.
  Althans… wat is Nederlands, en wanneer is het je moedertaal? We hebben in Nederland natuurlijk de Friezen en diverse groepen allochtonen. Bovendien spreken nog altijd veel Nederlanders en Vlamingen een dialect. Als een dialect genoeg afwijkt, wordt het Standaardnederlands toch echt wel een tweede taal die je erbij moet leren.
  Ik heb bij het opstellen van deze lijst besloten dat dialecten en streektalen welkom zijn, omdat ze in mijn verhaal passen. Net als het Nederlands is de streektaal een alternatieve keus: de zanger(es) of band zingt niet in het Engels. Zodoende hebben we hier al eens Oost-Vlaams gehoord (aflevering 12), en al twee keer Limburgs (afleveringen 32 en 40). Vandaag komt het Nedersaksisch aan bod, om precies te zijn het West-Achterhoeks, want vandaag behandelen we eindelijk Normaal.

Het had voor de hand gelegen om Normaal al veel eerder in deze rubriek onder het voetlicht te brengen. Hun “Oerend hard” uit 1977 was niet alleen een monsterhit en een evergreen, maar had ook grote invloed op de zichtbaarheid van Nederlandstalige muziek. Popmuziek in de moedertaal was er nauwelijks, de eerste grote band zong meteen in het Achterhoeks!
  Aan de andere kant heeft Normaal veertig jaar bestaan en scoorde het hit na hit. Ook begin jaren tachtig, toen het in de media allemaal Doe Maar was wat de klok sloeg. Ook later in dat decennium, toen Nederpop uit raakte. Ook in de jaren negentig. Meestal waren het kleine hitjes, die de Top 40 vooral dankzij een trouw kopende aanhang haalden. Maar soms waren ze van landelijke relevantie.

De lezer kent Normaal natuurlijk, maar het kan geen kwaad het verhaal achter die band nog eens te vertellen. Bennie Jolink komt uit het landelijke Hummelo (tussen Doesburg en Doetinchem). Hij is slim en wordt uiteindelijk kunstenaar in Amsterdam. Tenminste, uiteindelijk… hij kan er niet aarden. In dat milieu vindt hij totaal niet zijn soort mensen. Zijn schilderijen vinden ze niks; “je moest een gat in de grond graven en er dan in schijten, dat was kunst.” Bovendien vinden ze hem dom vanwege zijn accent, hoe links ze ook zijn. Dus gaat hij terug naar de Achterhoek en richt hij een band op.
  Nou, nee. Dat is het verhaal dat hij zelf graag vertelt. De waarheid is gecompliceerder. Nadat hij in Amsterdam te licht werd bevonden ging Jolink eerst nog naar Enschede. In die stad is nog geen moderne kunstscene, dat gat kan hij mooi opvullen. Dus loopt hij als excentriekeling rond in de textielmetropool. Helaas blijkt Enschede te kleinburgerlijk voor woorden: bijna niemand staat open voor zijn kunstprojecten. Pas dan heeft hij echt genoeg van de grote én de middelgrote stad, van artistiek volk en van de burgerij, van iedereen die hem niet begrijpt. Pas dan gaat hij terug naar Hummelo.

Eenmaal daar is de band gauw opgericht. Met zijn oude vrienden deelt hij de afkeer van de muziek die op dat moment in de mode is. Nee, de bluesrock van het vorige decennium, dat is pas muziek! En de afkeer van kapsones, die delen ze ook. Doe maar Normaal.
  In 1975 geven ze hun eerste optreden. Meteen vet choquerend: een elektrische blues in het Achterhoeks, met een tekst over poep. De mensen weten niet wat ze horen! Maar opgepikt wordt het, ook door Peter Koelewijn, die er meteen landelijke potentie in hoort. Hij laat in 1976 een singeltje persen: “Hels as ’n jachthond”. Dat plaatje doet niets, maar Normaal krijgt een tweede kans. Het jaar daarop komt “Oerend hard” uit. De rest is geschiedenis.

Ik ken mensen uit Oost-Nederland die helemaal niet zo blij zijn met de langdurige populariteit van Normaal. Daniël Lohues bijvoorbeeld. Je zou zeggen: talent waardeert talent, en als trotse Nedersaksen weten ze elkaar vast te vinden. Helaas. De kritiek van Lohues op Normaal komt in het kort hierop neer: ze bevestigen vooroordelen over het platteland door zichzelf in clichés als bier en motorcross te wentelen en zich “boerenlullen” te noemen.
  Over smaak valt niet te twisten, maar op de kwestie van de vooroordelen valt wel iets af te dingen. Vóór Normaal werden boeren in stedelijk Nederland gezien als een achterlijk, maar ongevaarlijk volkje. Die mensen dansten en zongen de Driekusman, met klompen aan en het liefst in klederdracht. Zeker als de boeren dialect zongen – typisch iets van vroeger – kon dat alleen op folkloristische muziek.
  Normaal toonde iets anders, iets heel anders. Ze gebruikten hun eigen taal voor een modern en volstrekt uitheems genre: de rock. Met hun focus op ruige feesten, met bier en brommers en zo, gaven ze het platteland een ruig randje, dat behoorlijk afstak bij het clichébeeld van de agrariër op klompen uit het Openluchtmuseum. Normaal bevestigde geen vooroordelen, ze gooiden ze juist omver!

Maar het nieuwe clichébeeld, dat van de plattelander die alleen maar in zuipen en brommers kieken geïnteresseerd is, is dat niet erger? Mag je vinden. En het is waar: Normaal maakte nummers als “Mama woar is mien pils”, waar het carnaval nooit ver weg is. Maar ze maakten ook serieuze nummers. Bijvoorbeeld de protestsong “Doe effen normaal”, die midden 1994 een hit werd.

“Doe effen Normaal” haalde nummer 12 in de Top 40. Daarmee werd hun grootste hit uit de jaren negentig. Maar niet alleen dat: ik herinner me nog goed dat het voortdurend op de radio kwam. De landelijke stations pikten het dus uitgebreid op, wat met de meeste Normaal-singles niet gebeurde.
  Ongetwijfeld ligt dat aan de tekst. Na het stevige rockintro (geeft al aan: dit wordt een serieuze song, geen feestnummer) blijkt deze tekst te gaan over discriminatie.

     Of ow vel now wit is, zwart geel of bruun,
     of ow ogen blauw bunt, bruun of zelfs gruun
     (…)
     Of i-j blond bunt of donker, of i-j bunt helemoal kaal,
     wi-j bunt allemoal ’t zelfde doe effe normaal!

Kijk, daar scoorde je mee in de jaren negentig. Rassendiscriminatie was een veelbesproken onderwerp, en met een song tegen racisme kon je al bijna niets meer fout doen. We hebben dat vorige week (aflevering 50) gezien met de Jazzpolitie, maar ook Frank Boeijen (“Zwart wit”) en The Scene (“Iedereen is van de wereld”) scoorden er hits mee.
  Maar luister je goed, dan merk je dat het liedje niet alleen over rassendiscriminatie gaat. Het gaat, in Jolinks woorden, ook over “wat hoger opgeleiden, die zelf het hardste over discriminatie schreeuwen, eigenlijk van mensen met een lage opleiding vinden”:

     Of i-j bunt putjesschepper, of een boerenlul,
     of i-j bunt burgemeester, of i-j hebt een doktersbul –
     i-j gapt een dure auto of i-j berooft een bank,
     dan heur i-j in de bajes of i-j zwart bunt of blank.

En gelijk hebben ze. Kijk maar om je heen. Je mag laagopgeleiden eindeloos belachelijk maken: je mag hun accent imiteren, je mag hun kledingstijl na-apen, je mag, nee móét hun muziek de grond in boren, en naar hun angsten wordt niet geluisterd. Onderwijl wordt een karikatuur van allochtonen direct als racisme gediskwalificeerd, en mag je alleen met ze spotten als je zelf allochtoon bent. Terwijl de rijkste en geleerdste mensen alles over “Sjonnie en Anita” mogen zeggen.
  En het zal nog wel even zo blijven, want hoger opgeleiden beheersen het debat. Ze zijn getraind om met afgewogen argumenten en kennis van zaken hun gelijk te halen. Dat is een verloren strijd. En iemand met een volkse achtergrond die heeft doorgeleerd, die kiest meestal de kant van zijn nieuwe milieu.
  Meestal…. maar niet altijd. Jolink herinnerde zich zijn Amsterdamse trauma: mensen uit dat linkse wereldje vonden hem al dom omdat hij een accent had. Hij werd gediscrimineerd, en Normaal werd opgericht om het platteland een stem te geven. Een stem voor empathie en tegen discriminatie:

     Wi-j vertelt al joaren ’t zelfde verhaal:
     denk ok es an ’n ander, doe effen normaal.

Normaal bracht zijn boodschap raak en kernachtig, en trok het discriminatieprobleem breder dan alleen racisme. Daarmee waren ze hun tijd jaren vooruit. In deze tijd, waarin hoogopgeleiden, laagopgeleiden en allochtonen van alle kanten met elkaar overhoop liggen, zouden we een liedje als dit goed kunnen gebruiken.

Honderd keer pop in je moerstaal (33)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 33.

In de Nederpophausse van begin jaren tachtig werden een paar bands heel groot. Veel andere bleven klein of stopten ermee. Er waren echter ook bands die overduidelijk een graantje meepikten, maar beslist niet in Doe Maar-achtige situaties terechtkwamen.
  Zo’n band is Klein Orkest, een geëngageerde, cabareteske groep rond een stel Hagenaars (of Hagenezen, zo u wilt) in Utrecht. Harrie Jekkers, Koos Meinderts en nog een paar. Die namen kent u natuurlijk, ook als ‘Klein Orkest’ u niets zegt.
  Ook Klein Orkest was weer uit de undergroundscene omhooggekomen. Zo brachten ze in 1979 het “Tivoli-lied”, over wat dan nog een gekraakt houten gebouw op het Lepelenburg is (herlees aflevering 25). Jekkers en Meinderts hebben ons in hun show Het verhaal achter de liedjes uitgebreid over die tijd voorgelicht. Begin jaren tachtig scoren ze hits als “Koos werkeloos” en “Over de muur”. Ondanks dat succes is het stempel van band uit de tegencultuur altijd blijven plakken. Natuurlijk alleen maar tof als je de waardering van de poppers wilde krijgen die Doe Maar niet gegund werd.

Dat de bandleden tussen het linkse, deels extreemlinkse publiek verkeerden, en dat ze een sterk gevoel voor het cabareteske hadden, wordt duidelijk in het nummer “Over honderd jaar”.

Het nummer opent met een elektronisch orgel. Als de rest van de begeleiding invalt horen we een reggaeritme. Vooruit, voordat de fans van het genre beginnen te klagen: een verbasterd reggaeritme. De luisteraar weet: hier komt een relaxt nummer. Nog voordat de tekst begint, zetten er drie stemmen in. Dan blijkt er één van de bandleden – vraag me niet wie – nog behoorlijk hoog te kunnen zingen: hij zet in op een hoge b. Later, na de modulatie, blijkt hij zelfs de cis nog te kunnen halen.
  Dan valt de tekst in. Ze noemen allerhande soorten pech, zoals een prachtige vriendin die lesbisch wordt (ja, wordt! Links als ze zijn, suggereren ze toch echt dat je lesbisch kunt worden) en diverse al dan niet dodelijke ongevallen. De boodschap: zit er niet te veel over in, want zo is het leven en je gaat toch een keer dood.
  De voorbeelden die ze noemen zijn tekenend voor de tijd en het milieu waar de band in speelde. De bom komt erin voor (net als vorige week in aflevering 31), maar ook revolutionair sentiment:

    Je loopt mee in demonstraties, altijd paraat –
    uitgerekend valt de bom bij jou in de straat.
    Hoera, de revolutie! ’t Is eindelijk zover.
    Maar de nieuwe leiders blijken net zo autoritair.

Hier spreekt een band die spot met een deel van zijn publiek. Zeg CPN’ers, dat Oostblok waar jullie mee te koop lopen, is dat zoveel beter? Je kunt zeggen dat Klein Orkest zich daarmee aan de rechterkant nestelt, of tenminste in het midden. Anderzijds: zulke teksten zing je alleen maar als je daadwerkelijk voor een links publiek optreedt. Wie moet anders de boodschap opvatten?

Des te vreemder eigenlijk dat dit nummer wel anklang vond bij Stampvast. Stamp-wie? Een minder bekende band uit Volendam, die de palingsound aan de Nederlandse taal koppelde. Volendam is een aartstraditioneel dorp, waar de bevolking vanouds CDA stemt (tegenwoordig vaak PVV). Daar zat de jeugd vast niet op de revolutie te wachten. Toch krijgen ze het best overtuigend uit hun bek:

Het voornaamste verschil met het origineel is de begeleiding. We horen een batterij gedempt koper. De associaties zijn duidelijk: carnaval, feest, Hollands.

Er is nog een derde versie. Die komt van de Lawineboys, een feestband die zich heeft gespecialiseerd in verkra parodieën op alles wat los en vast zit:

Aan de muziek te horen zijn de Lawineboys vooral uitgegaan van de Stampvast-versie en minder van het origineel. In ieder geval staat het koper nu echt op de voorgrond en is het reggaeritme vervangen door een polkaritme (voor mensen zonder diplomatie: hoempa).
  Stampvast behield de oorspronkelijke tekst. Een pure feestband als de Lawineboys kan echter niets met het cabareteske engagement van Jekkers en co. Het tweede couplet gaat dan ook niet meer over de bom en de revolutie. Nee, de Lawineboys voorzien andere problemen voor hun fans:

    Je wilt wat plantjes telen tapt de stroom stiekem af,
    lijken het geraniums toch krijg je de straf.
    Dan zit je in de bajes, zo hetero als wat –
    laat jij je zeepje vallen en je ster wordt een gat.

Het morele oordeel omtrent deze regels laat ik aan de lezer over…

Honderd keer pop in je moerstaal (32)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 32.

Oplettende lezers hebben een paar weken geleden misschien Normaal gemist. De ene na de andere obscure Randstedelijke band kwam voorbij, maar Bennie en zijn mannen, die met “Oerend Hard” gewoon een landelijke hit hadden, tellen die niet mee?
  Zeker wel. Normaal heeft zijn plaats in deze rubriek. Ik heb alleen niet voor “Oerend Hard” gekozen. De band is veertig jaar lang actief geweest en heeft jarenlang hit na hit gehaald. Ze komen later dit jaar nog langs, met een zeer relevant liedje. Vandaag gaan we echter naar een andere hoek van het land. We behandelen de Janse Bagge Bend uit Susteren in Limburg en hun hit “Sollicitere”.
  De oorsprong van deze Limburgstalige bluesrockgroep is zo Limburgs al het maar zijn kan: ze komt voor uit de plaatselijke zate hermenie (ongeveer: dweilband) Aspro Broesj. In 1979 ging deze band, bij een optreden in het jongerencentrum, voor het eerst gitaren gebruiken. Er werd een blues gespeeld en een tekst geïmproviseerd over poep: De “Sjtróntj-Blues”. Bijna exact het verhaal van Normaal, dat zijn allereerste publiek choqueerde met de “Drieteriejeblues”. Maar ook een verhaal dat erg aan de Randstedelijke underground doet denken: eind jaren zeventig komt er in een buurthuis een geëngageerde undergroundgroep met een ruige act de boel opschudden. (Herlees zo’n beetje alle recente afleveringen.)

In 1982 kwam de band zowaar op de radio. Dat gebeurde op Hilversum 3, waar underground destijds een beetje in was (zo kon de Nederlandstalige rage ook ontstaan), bij de KRO. Dat laatste is niet zo vreemd: de Katholieke Radio Omroep had altijd pal gestaan voor de Brabantse en Limburgse cultuur en zond al sinds jaar en dag veel blaasmuziek uit. Op de popmuziekzender braken ze nu een lans voor bands uit het zuiden. De band speelde “Sollicitere”, een cover van “Gimme some lovin'” van de Spencer Davis Group.



Het is niet moeilijk te bedenken waarom de band voor dit nummer koos. Waar vind je de combinatie van koperblazers en elektrische gitaren nog meer? Precies, bij de rhythm & blues en klassieke soul.
  De cover onderscheidt zich duidelijk van het origineel. Allereerst muzikaal: de Janse Bagge Bend speelt het nummer een stuk sneller, waardoor het misschien wat minder soulvol maar wel veel energieker klinkt. Belangrijker is de tekstuele verandering. Van een liefdestekst gaan we – zoals het een buurthuisband betaamt – naar een geëngageerde tekst over de werkeloosheid die de wereld begin jaren tachtig plaagde:

     De perspectieve veur de toekóms die zeen nul komma nul,
     al höbse nao väöl zjweite ’n universitair bul.
     Al bösse óngerwiezer, bankwèrker of psycholoog,
     de kómmende jaore bösse waorsjienlik werkeloos.

De band kiest voor het Limburgs om dezelfde reden waarom Doe Maar, Het Goede Doel en vergelijkbare bands in het Nederlands zongen. Ze wilden zich rechtstreeks uiten in de taal die ze in het dagelijks leven gebruikten. Als er één Nederlandse provincie is waar het dialect leeft, is het Limburg. Het Limburgs is bijna overal meteen te horen, en conversaties beginnen als vanzelf in de streektaal. Rond 1980 was dat nog veel meer het geval: in dat jongerencentrum in het landelijke Susteren werd waarschijnlijk nauwelijks Nederlands gesproken.
  Toch is het de kunst, als je songteksten in het dialect maakt, om een meerwaarde toe te voegen. Muzikanten en publiek verwachten van een dialecttekst dat hij iets biedt wat de standaardtaal niet heeft. Bijvoorbeeld dat hij alleen in het dialect goed rijmt:

     Höbse al gesjreve?
     (Viefenzevetig breve!)

De muziek was goed, de tekst brult lekker mee en sloot goed aan op de belevingswereld van vooral twintigers. Zodoende kwam “Sollicitere” op de plaat te staan en werd het begin 1983 een hit.

Echt onsterfelijk werden band en nummer pas met Pinksteren van datzelfde jaar. Wat zou het mooi zijn, dachten de heren, als we op Pinkpop stonden. De grootste pophappening van Nederland en omstreken, in de eigen regio! Maar ja, hoe krijg je Pinkpopbaas Jan Smeets zover? Die doet ieder jaar zijn best om steeds grotere bands binnen te halen. Het publiek komt niet met treinladingen naar Landgraaf voor de Janse Bagge Bend.
  Volgens de band zelf ging het als volgt. De twee frontmannen haalden een bulldozer, reden dat ding naar het huis van Smeets en riepen: “Jan, doe mos ós laote sjpaele anges duuje w’r dich diene ganse gaevel hie direk oet de koeai weg!”
  Iets zegt me dat deze publiciteitsstunt in scène werd gezet, maar het gebeurde: de Janse Bagge Bend opende Pinkpop en liet een stevige indruk achter bij de bezoekers en het tv-publiek. (Interessant feitje: op hetzelfde festival speelde dat jaar ook Doe Maar. Ook hun optreden werd legendarisch, maar dan vooral door de boze popfijnproevers die de tienerhelden uitfloten en bekogelden.)
  De indruk die ze maakten kun je rustig onuitwisbaar noemen. Tussen 2007 en 2014 organiseerde Smeets ook Pinkpop Classic, een nostalgisch satellietfestival voor oudere liefhebbers die niet meer drie dagen tussen de jongeren in de modder wilden staan. De Janse Bagge Bend was (bijna) ieder jaar van de partij en werd zelfs tot huisorkest uitgeroepen. De kleine Janse Bagge Bend uit Susteren wist zichzelf te promoveren tot vaste associatie bij het veel grotere Pinkpop. En dat allemaal met maar één hit. Dan heb je wel iets goed gedaan…

Honderd keer pop in je moerstaal (27)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 27.

Eind 2015 overleed er een zanger die iedereen kende maar die door weinigen op waarde werd geschat. Niet dat deze artiest een baanbrekend oeuvre bijeen had geschreven, maar Herman van Loenhout, alias Armand, was bij het grote publiek nooit met iets anders bekend geworden dan “Ben ik te min”, een prozaïsche aanklacht tegen het klassenverschil. Mensen die de jaren zestig hebben meegemaakt, kennen zonder twijfel “Blommenkinders” nog wel, en begin jaren tachtig kwamen we hem nog tegen in het protest tegen de kruisraketten: “Liever een Rus in mijn keuken dan een raket in mijn achtertuin”.
  In werkelijkheid heeft Armand de hele jaren zeventig door als een dolle platen gemaakt, die niet veel deden en geen hitsingles opleverden. Over zijn werk uit de jaren tachtig, negentig en nul hebben we het dan nog niet eens. En hoewel Armand geen Boudewijn de Groot is, doet de rest van zijn werk beslist niet onder voor “Ben ik te min”.
  Dit omvangrijke oeuvre zou misschien wel altijd binnen de kring van Armandkenners gebleven zijn, als Dave von Raven, zanger van The Kik en amateurmusicoloog om jaloers op te worden, zich er niet op gestort had. Zo kwam het in 2015, nog net op tijd, tot een gezamenlijke plaat en tour. En een gratis singletje bij Record Store Day. Op de b-kant treffen we “Fuck de blues” aan, een nummer uit begin jaren negentig. De a-kant bevat “Snelle jongens”, een gewone albumtrack uit 1981, afkomstig van de elpee Nachtbraken. Met een hippe, hoog geprezen retroband achter zich kwam Armand de laatste maanden van zijn leven weer volop voor het voetlicht.

TopNotch, het label van The Kik, zet het liedje helemaal op zijn hipsters online: een plaatje van gekleurd vinyl, afgespeeld op een platenspeler die er erg retro uitziet:

Na een paar regels wordt het onderwerp van de tekst duidelijk: het gaat over cocaïne. Van die drug ga je inderdaad hard: één snuifje en je kunt weer uren vooruit, met de energie van een Olympisch atleet en een ego waar Donald Trump een diepe buiging voor maakt.
  Bij “snelle jongens” denken wij al snel aan yuppies, hét type van de jaren tachtig. “Yuppie” was anno 1981 nog geen woord, maar het fenomeen was in opkomst. Materialistisch ingestelde jongeren, die zich afzetten tegen de hippie-idealen uit het voorbije tijdperk, werden vanaf eind jaren zeventig langzaam de norm. Die jongeren werden twintigers en dertigers en maakten in de jaren tachtig carrière. Yuppen zijn rijk, en kunnen daarom de coke, een zeer dure drug, betalen.
  De tekst bevestigt dat beeld. Armand spreekt hem (want hij zingt niet) met een bekakt accent uit. De woorden spreken voor zich:

     De snelle jongens met hun kleine lepels, dat zijn wij.
     Maken een rolletje van een briefje van een geeltje / 100 euro en we zijn blij.
     Een pakketje met sneeuw, van die harde witte brokjes
     zijn voor ons toch heel wat fijner dan zo’n drink on the rockjes (?)

Het lijkt duidelijk: Armand zette zich in deze tekst, als oude wietrokende hippie, af tegen deze nieuwe subcultuur, die in alles het tegendeel van de zijne was. Maar de waarheid ligt gecompliceerder. Armand heeft in zijn leven meer drugs gebruikt. Wat hij hier vertelt over de gevolgen van coke, ondervond hij rond 1980 zelf. In een interview met OOR (2015, nummer 7) geeft hij toe: “Op de verjaardag van mijn tweede vrouw in 1979 ben ik er toch weer mee begonnen, van snuiven kwam dealen en het duurde tot 1998 eerdat ik er vanaf was.”
  Ai. Armand de cokesnuiver. Daar gaat het beeld van ouwe hippie die zijn gewoontes en opvattingen vijftig jaar lang trouw bleef. Ineens is het niet meer zo zeker of hij wel door de mond van een ander zingt. Gebruikers gaan met gebruikers om. De drug moet voorzichtig worden gekocht en gebruikt, anders ben je eraan. Bovendien heeft een highe snuiver weinig aan een nuchter persoon of aan een stoner. Je klit al gauw aan elkaar. Armand moet een groot deel van zijn tijd tussen die yuppen hebben doorgebracht. Overdag hard werken in je saaie kantoorbaan, ’s avonds lekker los en als je genoeg snuift, kun je de hele nacht doorhalen en de volgende dag vrolijk verder werken. Was Armand dan zelf ook een yuppie? Was de tijdgeest zo sterk dat zelfs hij ervoor bezweek? We kunnen het hem niet meer vragen…

Honderd keer pop in je moerstaal (25)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 25.

Na dit stukje zitten we op een kwart van de reeks, en nu al zijn we in de jaren tachtig beland. De meeste Nederlandstalige popmuziek is de afgelopen 35 jaar gemaakt, dat is wel duidelijk.
  De overgang van de jaren zeventig naar de jaren tachtig verloopt hier vrij geruisloos. Net als de afgelopen twee weken bespreken we vandaag weer een band uit het linkse undergroundcircuit. Hoewel… van alle bandjes uit die hoek was Braak, want daar gaat het om, wel een van de bekendere. Misschien gingen ze al de kant van alternatief op.

Ik maakte kennis met Braak tijdens het schrijven van mijn bachelorscriptie. In de scriptie zelf komt de band niet voor: Braak heeft nooit een hit gehaald en het werkstuk ging om hitmuziek. Niettemin werden ze in boeken en artikelen over Nederlandstalige muziek vaak genoeg genoemd.

Braak werd in 1978 opgericht, maakte al gauw naam (in elk geval in Utrecht) en kwam in 1980 met zijn belangrijkste plaat, Suite voor een hypochonder. Muzikaal voorbeeld was Little Feat. Hiermee viel de band buiten de boot. De andere groepen uit de vroege Nederlandstalige golf opteerden in de geest van de punk vooral voor gemakkelijke stijlen; Braak koos meteen voor ongemakkelijke jazzrock met veel chromatiek en bevreemdende elementen.
  De teksten zijn net zo links en maatschappijkritisch als het werk uit de afgelopen episodes, maar spelen zich op een heel ander niveau af. Laagje op laagje ironie in een conceptplaat waarin de bandleden in de huid van verschillende types kruipen, dat is nogal een verschil met het onbewerkte geschreeuw van Tedje en de Flikkers.

We bespreken vandaag het nummer “Ik ben oké”. Dat staat niet los op YouTube. De volledige plaat en de liveperformance uit 2006 zijn wel geüpload. We luisteren naar de laatste. Ons liedje begint rond 3’43”.

Het liedje begint meteen al kunstzinnig. Terwijl de falsetuithaal van Hans Kosterman nog doorklinkt, horen we een voorspel met een akkoordprogressie die Drukwerk en Tedje en de Flikkers nog nooit van hun leven gehoord hadden. Het tempo lijkt wat te laag te liggen voor de harde muziek, wat een ongemakkelijk gevoel geeft. Doommetal zouden we deze stijl later noemen, maar dat bestond nog niet.
  De tekst is weer uiterst links. We horen een op zich legitiem, maar erg belerend verhaal over de verschillen tussen arm en rijk, en dat ook linkse mensen daar schuldig aan zijn:

     Het klinkt allemaal heel logisch:
     gelijk loon voor iedereen.
     Maar als ik dan naar jou kijk,
     dan zie ik al meteen:
     dat jouw tabak niet duur is
     wordt uiteindelijk ook bepaald
     door die verneukte boeren op Java
     want die worden zwaar onderbetaald!

Tja, geen speld tussen te krijgen. Toch zorgt Braak ervoor dat we het personage dat hier spreekt geen moment sympathiek vinden. Kritiek op een geestverwant en zelf met een button rondlopen om iedereen maar te tonen hoe links hij wel is:

     Ik draag een button.
     Ik ben oké!

Waar Braak nu eigenlijk heen wil met dit nummer wordt niet duidelijk. Misschien willen ze wel nergens heen. Wat is wijsheid: tot het gaatje gaan om de wereld beter te maken of met kleine stapjes veranderen? In het intellectuele wereldje waar Braak uit kwam kende iedereen wel zo’n vervelende betweter. Moest je luisteren naar zijn eeuwige dogmatische gedram?

De rest van de plaat maakt de zaak niet duidelijker. Zoals de titel al aangeeft, zijn angst en ongewisheid de centrale thema’s op de plaat. De maatschappij van 1980 maakt bang en eenzaam. Engagement ontaardt in cynisme, en uiteindelijk worden de mensen gewoon schaamteloos materialistisch (“Ik ben klaar voor de champagne”). Een serie hartenkreten, taai maar memorabel verklankt op een unieke plaat van een unieke band.

Braak kon in de verste verte niet meeliften op de aanstaande Nederpopgolf rond Doe Maar. Daarvoor waren ze veel te artistiekerig. Maar anders dan bij die andere unieke conceptplaat, Zilverdael (zie aflevering 19), bleef Suite voor een hypochonder niet onopgemerkt. Het album gooide hoge ogen bij de critici en kwam bij zijn 25e verjaardag in 2005 op cd uit. De cd-uitgave werd gevolgd door een optreden in Vredenburg, waar de band na al die jaren nog steeds in geweldige vorm bleek te steken. Deze versie zien we hierboven.

Ikzelf was in 2006 nog niet met mijn bachelorscriptie bezig. Zodoende kende ik Braak nog niet en gingen heruitgave en theateruitvoering aan me voorbij. Rond 2009 kocht ik de cd alsnog.
  Veel later maakte ik ook kennis met een van de bandleden: Hans Kosterman, gitarist en zanger die in de nummers vaak met een eigenaardige falsetstem zingt. Ik heb met hem echter niet over de band kunnen praten. Toen ik hem leerde kennen, lag hij compleet verlamd in een verzorgingstehuis waar ik vrijwilligerswerk deed. Een jaar of twee daarna was hij dood.

Honderd keer pop in je moerstaal (24)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 24.

1979 was echt een magisch jaar voor de Nederpop. Dat leerden we vorige week al aan de hand van de verzamelplaat Uitholling overdwars. Maar er gebeurde nog veel meer. In 1979 kwam Drukwerk boven water, verscheen de eerste single van Toontje Lager en kwam het debuutalbum van Doe Maar uit. Nederlandstalige rock werd meer en meer het gesprek van de dag.
   Toch was er één band waarover men vooral buiten de popwereld niet uitgesproken raakte. De Nijmeegse punkband Tedje en de Flikkers kreeg voor elkaar wat in de jaren zeventig steeds moeilijker was geworden: de gevestigde orde bang maken met een politieke, maar vooral choquerende act. De bandleden liepen in leren pakjes, soms met dildo’s erop gebonden, en zongen over hun belevingswereld. Expliciete liedjes over herenseks, scheldkanonnades op politici en minachtende teksten over het COC. Zij waren geen verwijfde mietjes die acceptatie zochten, zij zouden de wereld wel eens laten zien hoe mannelijk een homo kon zijn! De geuzennaam ‘flikker’ werd bij hen het Nederlandse equivalent van ‘queer’.

Logisch dat zo’n band zich aangetrokken voelde door de punk. Over deze rockstijl zijn hele boeken volgeschreven: waar kwam het vandaan, wat waren de voorbeelden, wanneer kun je van het eerste punkalbum spreken. Wat de lezer moet weten is dat de punk in 1976/77 bovengronds kwam dankzij de Sex Pistols, een band die in werkelijkheid door een manager bestierd werd maar die zich succesvol profileerde als de stem van een opstandige jeugd en vaandeldrager van de doe-het-zelfmentaliteit.
  Punk sloeg in – mensen spraken er schande van – maar het sloeg ook aan: binnen de kortste keren werd het mainstream en was de gevestigde rockelite verbannen naar een 25-pluspubliek. Althans: in het Verenigd Koninkrijk. Hier in Nederland bleef de punk een subcultuur, vooral tot het krakersmilieu beperkt. Volgens een onderzoek dat in 1983 onder tieners werd gehouden, was punk bij hen een van de minst geliefde genres, vergelijkbaar met country en smartlappen.
  Maar besproken werden ze wel. Popbladen schreven over “de mafste punkband van Nederland”. Burgemeesters verboden optredens. Mensen die normaal niet vielen over een seksliedje, noemden de teksten “vulgair”. Kortom: ze wisten hoe de media werken. Maar konden ze ook een beetje leuk muziek maken? Oordeel zelf:

“Subtiel” en “gepolijst” zijn niet de juiste woorden. Zo hoort het ook bij punk. Maar eerlijk is eerlijk: muzikaal scheert het geen hoge toppen. Het is geen popklassieker onder een dun laagje herrie (zoals “God save the Queen”), het is ook geen loeiharde confrontatie met de ruige werkelijkheid (zoals “London Calling”). Eigenlijk gaat het er bij het andere oor weer uit.
  Maar één ding moeten we ze nageven: ze hebben het keyboard er al bij en dat gebruiken ze goed. Feitelijk spelen ze al new wave, de stijl die in alle opzichten na de punk komt. In 1979 was dat het nieuwste van het nieuwste. Joy Division bracht zijn eerste album bijvoorbeeld toen pas uit. Dus als je als Nederlandse band dan al new wave maakt – pluimpje.
  Misschien komt dat door het gebrek aan taboes in de Nederlandse punkscene. Toen de Sex Pistols doorbraken, waren elektronische instrumenten absoluut niet welkom. Synthesizers waren voor de progrock, en dat was nu net een van de meest gehate stijlen. Pas toen de progrock met zijn pootjes omhoog lag, werden toetsinstrumenten langzaamaan weer acceptabel.
  Nederlandse bands voelden die muzikale polarisatie niet zo. Keyboards werden steeds populairder en steeds goedkoper, dus waarom zouden we er niet een gebruiken? We hoorden er afgelopen maandag al een bij Drukwerk, en nu dus bij Tedje en de Flikkers. En in de bridge krijgen ze er nog een heel aardig geluid uit.

Tot slot nog over de tekst. Ja, die is zo punk als hij maar zijn kan. Geen rijm, geen metrum, geen beeldspraak, gewoon letterlijk, met een lijzig Nijmeegs accent, zeggen wat je op je hart hebt. Vooral een hoop woede en frustratie, zo te horen:

     Vrouwen en flikkers moeten hun bek houden
     Gezinnetjes die blijven natuurlijk heilig
     De juten en het leger die worden alsmaar sterker
     Want je bent een stomme rechtse lul!

     Flikker Van Agt het raam uit! (4×)

Honderd keer pop in je moerstaal (23)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 23.

1979 was het jaar van de Nederlandstalige rock, zo betoogde ik vorige week. We zijn dan ook nog niet klaar met de kersverse Nederlandstalige scene; vandaag gaan we gewoon verder waar we donderdag gebleven waren. Wel met een veel bekendere band: Drukwerk. Jazeker, Drukwerk, die band die begin 1982 een nummereenhit had met “Je loog tegen mij”. Wat heeft de groep achter die smartlap nou te maken met de buurthuizenscene die we vorige week leerden kennen?
  Alles. Als er één band is die aan dat profiel voldoet, is het wel Drukwerk. Van meet af aan in de eigen taal (het Amsterdams!), nooit gericht op commercieel succes, bandleden rooier dan hun eigen bloed en politieke teksten over alledaagse problemen die de jongeren in Amsterdam-Noord ondervinden. Oorspronkelijk heette de groep ook JAN: ‘Jongeren in Amsterdam-Noord’.

Heel karakteristiek is “Ik verveel me zo (in Amsterdam-Noord)”. De titel zegt bijna al genoeg. Het is een cover van Bob Dylans lied “A hard rain’s a-gonna fall”. Ik denk dat de meeste lezers het origineel wel kennen. Laten we het niettemin nog eens luisteren, allen al omdat het zo’n mooi nummer is.

Nu “Ik verveel me zo” van Drukwerk:

Het eerste dat opvalt is de muziek. Als ik het er niet bij had gezegd, zou je misschien niet meteen het origineel erin herkennen. Bob Dylan begeleidt zichzelf, zoals we van hem gewend zijn, op de gitaar, zonder band of orkest erachter. Bij Drukwerk horen we een hele band, inclusief keyboard. Elektronische instrumenten werden rond 1980 in hoog tempo beter en betaalbaarder; we zullen ze nog vaak genoeg horen.
  Een diepergaand verschil is de maatverandering. Het origineel staat in 6/8-maat, hier horen we een gesyncopeerde vierkwartsmaat. De folk wordt buiten de deur gehouden ten gunste van de pop. (Waar hebben we zoiets eerder gehoord? In aflevering 3, bij Ria Valk.)

Bob Dylan is het vleesgeworden linkse engagement. Dat zal vast belangrijk zijn geweest voor de communist Harry Slinger en zijn band. Toch tonen ze niet hetzelfde engagement. Dylan zingt in de van hem bekende poëtische stijl over het leed van de wereld: oorlog, ongelijkheid, leugens.
  Slinger zingt niet over het kapitaal of de neutronenbom, maar over heel concrete dingen uit zijn eigen omgeving. Amsterdam-Noord, het stadsdeel van de arme autochtonen, kampt met woningnood, werkeloosheid en een gebrek aan leuke dingen. Zonder omhaal van woorden noemt hij de problemen én de oplossingen:

     Waar we nu voor willen pleiten:
     Een eigen buurthuis met activiteiten,
     Zelfstandig wonen en arbeidsplaatsen,
     Een bioscoop, en dat niet als laatst,
     Want ik verveel, ik verveel, ik verveel, ik verveel,
     Ik verveel me zo in Amsterdam-Noord.

Je kunt je stem wel laten horen tegen het onrecht in de wereld, maar wat doe je eraan, als eenvoudig bandje? Drukwerk wil niet protesteren, Drukwerk wil de gemeente zover krijgen om tot actie te komen. Dat is geëngageerde muziek in de letterlijke zin: je inzetten om met een liedje iets gedaan te krijgen.

Honderd keer pop in je moerstaal (14)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 14.

Bij het samenstellen van deze rubriek probeer ik vaak niet voor de allerbekendste liedjes van een zanger of band te gaan. Die nummers zijn meestal al twintig keer in compilaties opgenomen en zo’n act heeft meestal nog wel ander werk gemaakt dat de moeite waard is.
  Bij Bots had ik echter weinig keus. Deze band hoort in mijn rubriek vanwege zijn grote invloed op latere groepen, maar lieve mensen wat is hun werk taai. De compilatie-cd die Universal in 2000 van ze uitbracht staat vol met niet al te geïnspireerde vingeroefeningen in diverse popstijlen. En die teksten! Het lijkt wel een communistische zondagsschool…
  Ik had dus geen andere keuze dan te gaan voor hun enige echte klapper, “Zeven dagen lang” uit 1976. Een lied dat al een lange historie had voordat Bots het opnam, en dat na Bots nog door diverse andere groepen is opgenomen. Toch speelt juist deze versie een sleutelrol in de geschiedenis van het nummer, zoals zal blijken. Bereid je voor op een lang stuk.

De melodie is afkomstig van een Bretons volksliedje. In tegenstelling tot wat bij volksliedjes gebruikelijk is, zijn de auteurs bekend: het waren Jean Bernard en Jean-Marie Prima, twee muzikale boerenjongens. Toen in de zomer van 1928 de dorstijd ten einde liep, reikte Jean zijn vriend een kroes aan met de woorden “Yao jistr ‘ta Laou”. Of Jean-Marie, bijgenaamd Laou, misschien ook cider wilde. Hé, dachten beide jongens, dat klinkt eigenlijk best lekker. De zin bleef door hun hoofd spoken en het jaar daarop werd het een heel lied: “Son ar chistr”, het ciderlied.
  Zoals we in deel 11 hebben gezien, is de volksmuziek in Nederland vooral historisch. In Vlaanderen is er meer bewaard gebleven: nog diep in de twintigste eeuw konden er modale volksliedjes worden opgetekend. Maar zelfs in Vlaanderen was die traditie stervende. In Bretagne en diverse andere delen van Frankrijk was de volksmuziek nog springlevend; zo levend dat er anno 1929 nog nieuwe liedjes in de eolische modus (mineur zonder leidtoon) werden gemaakt. Met teksten in de streektaal bovendien, die in Frankrijk zeer actief werd ontmoedigd.
  Franse volkskundigen die in Bretagne op veldwerk gingen, konden het lied diverse keren optekenen. Echt bekend werd het pas toen de folkrocker Alan Stivell ermee aan de haal ging. Deze zanger was geboren in het Centraal Massief, maar zijn ouders waren Bretons en hij sprak de taal. Zodoende was de Bretonse muziek ‘eigener’ dan de volksmuziek uit de Auvergne. Dit werd zijn versie:

Elektronische geluidseffecten (‘poef!’), basgitaar, mondharmonica. Deze bewerking staat met minstens één been in de pop. Het is dan ook niet zo vreemd dat dit nummer de overstap naar de mainstream popwereld kon maken.

Hans Sanders, Brabander en voormalig lid van Peter Koelewijns Rockets, bekeerde zich in de jaren zeventig tot het communisme en richtte een eigen groep op. Toen hij het ciderlied hoorde, maakte hij een Nederlandse bewerking waaraan hij uiteraard het socialistische ideaal toevoegde, maar het drankthema behield:

Zou Sanders destijds hebben geweten dat niet Stivell maar twee vooroorlogse volksmuzikanten het liedje schreven? In ieder geval vinden we hier geen spoor van het poparrangement dat Stivell ons voorschotelde. De begeleiding is geheel vrij van syncopen en volgt bijna slaafs de ritmische accenten (die in dit lied trouwens voortdurend wisselen). Eigenlijk zijn alleen de instrumenten nog pop.
  De associatie tussen volksmuziek en linkse idealen is niet nieuw. Die begon al bij Woodie Guthrie in de jaren veertig, en werd door Bob Dylan gemeengoed in de westerse wereld. Het lijkt vanzelfsprekend: muziek van het volk wordt geclaimd door de mensen die voor het volk opkomen. Maar folklore betekent ook: nationalisme. Al sinds jaar en dag is het onderzoek naar oude volksliedjes gedaan om de “volksziel” bloot te leggen. Dat is helemaal niet links; naar onze begrippen is het zelfs extreemrechts. Folk, je kunt er politiek gezien alle kanten mee op.
  In ieder geval lijkt folk een reden om te drinken. Het straalt gemeenschapszin en dus gezelligheid uit. In één refrein combineert Sanders de socialistische idee van eerlijk delen en samen leven met het hedonisme van samen dronken worden:

     Er is genoeg voor iedereen,
     Dus drinken we samen, sla het vat maar aan
     Ja, drinken we samen, niet alleen.

Geen politiek zonder bier, het lijkt typisch Brabants. Geen stugge Groningse boeren of humorloze linkse intellectuelen, maar stoere bierdrinkende fabrieksarbeiders. Muziek voor de SP, die in de jaren zeventig zeker zo links was als de CPN maar wel een stuk gezelliger. Al moet ik daaraan toevoegen dat linkse intellectuelen Bots ook wel zagen zitten. De eerste liedbundel van mijn oude studentenvereniging, die destijds ook zeer links was, bevat een paar liederen van Bots.

Hoe dan ook, het lied sloeg aan. Het plaatje bereikte de Top 40 (hoogste plaats: 23). Op de een of andere manier haalde het zelfs Duitsland. Geestverwant Oktoberklub coverde het lied:

Als je jezelf “Oktoberklub” noemt, naar de bolsjewistische Oktoberrevolutie, ben je waarschijnlijk wel erg dogmatisch en trouw aan Moskou. Deze cover klinkt al even rigide. De versie van Bots wordt bijna getrouw nagespeeld, maar met veel minder schwung en muzikaliteit.
  Bots kon dit natuurlijk niet over zijn kant laten gaan. Prompt brachten ze het lied zelf in het Duits op de markt. Het leverde hun een doorbraak in Duitsland op, en bij de oosterburen zou Bots veel bekender worden dan in eigen land.

Sindsdien heeft het versies geregend. Sommige behouden de tekst, andere maken er iets compleet anders van. Internationaal het bekendst is “How much is the fish” van Scooter. Ik ga dat nummer hier niet bespreken; het is (op eigen risico) hier te beluisteren.

Interessanter voor ons verhaal zijn de covers die de tekst wel behouden. De Engels-Amerikaanse folkband Blackmore’s Night, in Duitsland redelijk populair, maakte er een vrije vertaling van, “All for one”.

“Eén voor allen, allen voor één”. Dit motto drukt de geest van de tekst op zich goed uit, maar omdat het ontleend is aan “De drie musketiers” denk je er niet zo gauw een socialistisch strijdlied bij. Bovendien bestaat het lied voor minstens de helft uit instrumentale voor- en tussenspelen. Het lijkt hier niet meer om de tekstuele boodschap te gaan, zoals bij Bots en de Oktoberklub zeer zeker wel het geval was.

Ook bij Rapalje lijkt de oorspronkelijke boodschap van Bots niet meer van belang, al gebruikt deze band wel de tekst:

Zoals gezegd: de tekst van Bots blijft gehandhaafd. Niettemin voegt Rapalje er nieuwe verzen aan toe. Naast drinken, werken en vechten willen de jongens ook eten, zingen en vrijen. Dit gaat allang niet meer over een betere wereld, maar over het najagen van genot:

     Voor het genot van iedereen.
     Dus eten we samen, snij het zwijn maar aan,
     Dus eten we samen, niet alleen.

Er is nog wel meer dat in die richting wijst. De bandleden verkleden zich als woeste Keltische barbaren. Als je opkomst als een ander, niet als jezelf, kun je geen authentieke boodschap overbrengen. De act van Rapalje dient om een sfeer neer te zetten.
  Maar wat geeft dat? Ze kunnen het geweldig. Achter de verkleedpartij gaat een heerlijk akoestisch folkgeluid schuil, ondersteund door een breed scala aan instrumenten. Accordeon, viool, blokfluit, citer – aan variatie geen gebrek. En dat is nog maar een deel van hun totale instrumentarium.
  En bovendien: het origineel was ook niet politiek. Hoewel Rapalje van de tekst van Bots uitgaat, maken zij de cirkel feitelijk weer rond: Keltische muziek, die vooral draait om drinken, zingen en gezamenlijk plezier maken.