Blast off!

Vandaag gebeurde er iets op YouTube. Niet dat de hele wereld meteen op haar grondvesten daverde en dat alleen jij dat niet merkte, maar er werd een mijlpaal behaald. “Blast off”, een volkomen obscuur nummer van Class Action, een zo mogelijk nog obscuurdere band, heeft ondanks dat niemand er ooit van gehoord heeft vandaag de honderdduizend bekijks behaald.

“Blast off” is een newwavenummer, of desgewenst een synthipopnummer, uit 1984. De new wave was, net als een jaar of vijftien eerder de psychedelica, een buitengewoon vruchtbare stroming. Een paar grote jongens – Kraftwerk, D.A.F., New Order, Depeche Mode – werkten zo inspirerend dat ze tot in de kleinste hoeken navolging kregen. Fanatieke graaiers in platenbakken vinden steeds weer onbekende plaatjes van onbekende groepjes, en opvallend vaak met prijzenswaardige resultaten. Dat is de kracht van vernieuwende stijlen: muzikanten die niet tot de top behoren inspireren tot iets moois.

Ik besteed mijn tijd niet aan het wroeten in tweedehandsplatenbakken en het afstruinen van platenbeurzen. Mijn liefde voor al wat wave is heeft zich trouwens grotendeels in COVID-tijd ontwikkeld, dus er viel ook weinig te wroeten. Wel heb ik flink zitten klikken op YouTube. Mijn speellijst “Duister en dansbaar“, u allen vast welbekend, is er de vrucht van. Zo kwam ik op een zeker moment ook op “Blast off”. Dit nummer werd in 2008 geüpload door YouTuber Malario80, een kenner die elektronische popmuziek uit alle hoeken en gaten op YouTube een groter publiek geeft.

Als je iets met het genre hebt – en dat hoop ik wel – hoor je wel waarom dit nummer sinds 2008 zoveel mensen heeft aangesproken. Al in het begin klinkt er een veelbelovend voorspel op een lekkere dansbeat. Het sterkste wapen van het nummer zijn de koortjes die steeds volgen als de leadzanger het motto inzet: “Blast off! – Blast ooooooooooff…”
  Natuurlijk heeft het ook zijn zwakheden – Class Action is geen Depeche Mode of New Order – maar als je op de dansvloer staat hoef je je echt niet te storen aan even een ongeïnspireerd stukje opvulling tussendoor. Ik hou van dit nummer. En het is met nummers als met mensen: als je ze leuk vindt wil je er meer van weten. Wie zitten er achter Class Action? Waar kwamen ze vandaan? Hebben ze nog meer gemaakt?

Verscheidene bronnen, waaronder Wikipedia, kennen een band die Class Action heet. Die band komt uit New York en had in 1983 een clubhit met “Weekend“. Een disconummer, stilistisch totaal anders dan “Blast off”, en met een vrouwelijke vocalist. Een beetje een vervelend disconummer trouwens, als je het mij vraagt. Dat kan toch niet dezelfde band zijn? Zeker niet omdat het artikel dat hele “Blast off” niet noemt.
  Een beetje googelen – bandnaam en titel samen – levert wel een paar sites op waar “Blast off” te vinden is. Het blijkt te komen van een ep (ook Class Action genaamd) waar nog vier andere nummers op staan, onder meer een cover van het Stones-nummer “Out of time”. Er is dus een ep, die het Wikipedia-artikel ook al niet noemde. Nu weten we wel zeker dat het om een andere band gaat dan de zangeressen van “Weekend”, al denken sommige onzorgvuldige websites daar anders over. (Discogs doet het wel goed en noemt onze newwavers “Class Action (2)”, ter onderscheiding van het discogroepje.) Of we de hele ep wel willen horen, is nog maar de vraag: op dit stokoude forumtopic, waarin “Blast off” een “classic” wordt genoemd (!!), zegt iemand dat de rest van het plaatje gewoon mainstream synthipop bevat, waar je niet echt warm van wordt.

Het nummer duikt ook op in de serie A tribute to Flexipop, een serie bootlegs op cd-r uit de jaren nul. Hierin werden de plaatjes van het Britse tijdschrift Flexipop – uiteraard waren dat flexidiscs – onofficieel gedigitaliseerd voor wie het mocht interesseren. Als Class Action bij dat tijdschrift hoort, verklaart dat een hoop. Onder meer de matige geluidskwaliteit: in deze staat zou het plaatje in de disco weinig doen en de tekst is ook niet van a tot z verstaanbaar. Er is echter één probleempje: Flexipop ging in 1983 ter ziele, en dit plaatje komt volgens alle beschikbare bronnen uit 1984. Deze cd-reeks moet dus ook muziek omvatten die niets met dat tijdschrift te maken heeft.
  De vragen blijven dus. Zelfs al heeft (alweer) Discogs wel een armetierig bandprofiel met een persfotootje en de naam van één van de bandleden: “Brad Evens”. Amazon voegt ook nog ene David Allen Resnik toe. Met de voornaam Brad of de achternaam Resnik ben je waarschijnlijk een Amerikaan, hoe Brits de muziek ook klinkt. Maar wie die mensen verder zijn? Weer geen idee. Ook het platenlabel helpt ons geen moer vooruit. KN Records. Niets anders van bekend dan dat ze dit plaatje hebben uitgebracht, onder catalogusnummer NT1011…

Wie kan mij meer over deze band vertellen? Ik zal je heel erg dankbaar zijn als je me kunt zeggen of Brad Evens, David Allen Resnik en die derde gozer op de foto nog leven. Waar ze vandaan komen. Hoe ze “Blast off” schreven, en of het een succes werd, al was het maar in een lokale disco in Providence, Pasadena of waar ze ook vandaan kwamen.
  Maar nog dankbaarder zou ik degene zijn die hier een opgepoetste versie van uitbrengt. Op modern, slijtvast vinyl, met een downloadbare mp3-versie, kundig geremasterd uit de oorspronkelijke banden of plaatjes van 1984. Zodat het ook uit de luidsprekers van een disco nog gaaf klinkt. Want zeg eens eerlijk, dit hoort toch op elke dansvloer thuis?

Een verlaat In Memoriam

De sufheid. Vandaag kwam ik erachter dat de Amerikaanse musicoloog Jerome Kohl, die ik persoonlijk kende en wiens publicaties ik hard nodig heb voor mijn (voor de zoveelste keer stilliggende) onderzoek, vorig jaar augustus is overleden. Ik kwam daarachter door de lijst van overleden Wikipedianen op de Engelstalige Wikipedia te raadplegen – iets wat ik, zelf langjarig Wikipediaan, eens in de zoveel tijd doe. Het kwam wel aan.

Wie was deze man? Jerome Kohl, roepnaam Jerry, was een musicoloog uit de staat Washington die zich had toegelegd op Stockhausen. Zijn necrologie bij de University of Washington noemt hem zelfs “the world’s foremost expert on German composer Karlheinz Stockhausen.” Dat is wat veel gezegd – ik ken er nog wel een paar die een hoop over die man weten – maar dat hij een expert was, kun je gerust stellen.
  Kohl, die erop stond dat ik hem “Jerry” noemde ook al was hij even oud als mijn vader, was opgegroeid als kundig klarinettist en blokfluitist, en had (in Amerika is/was dat mogelijk) zijn masterdiploma in compositie behaald. Uiteindelijk besloot hij de compositie en het professionele klarinetspelen te laten voor wat het was en zich te richten op de systematische muziekwetenschap. In 1981 promoveerde hij op Stockhausens werk uit de jaren zestig. Een paar jaar lang had hij zich als een kaballist verdiept in extreem ondoordringbare partituren. Zijn proefschrift is volstrekt onleesbaar maar vooral volstrekt onnavolgbaar: dat gaat me nooit lukken.

In 2017 trof ik hem in levenden lijve, op de Stockhausen-dagen in Kürten. Hij gaf daar twee lezingen over Zeitmaße, het vroege stuk waar hij al jaren over gebogen zat. Hij wist van elke noot wat ze daar deed en hoe ze daar kwam. Volgens veel mensen hield hij zich al vijfentwintig jaar met Zeitmaße bezig en zou hij er nog wel vijfentwintig jaar voor nodig hebben. Dat laatste bleek wat voorbarig: nog datzelfde jaar publiceerde hij er een boek over, dat ik overigens niet in huis heb.
  Ik kende hem al van de Engelstalige Wikipedia. Hij had daar een groot aantal artikelen over Nieuwe Muziek aangemaakt, waaronder een artikel over elk afzonderlijk werk van Stockhausen. Reden genoeg om hem aan te spreken. Hij was nogal introvert en alleen spraakzaam als het gesprek over Stockhausen ging. Geleerdheid en sociale vaardigheden gaan vaak moeilijk samen.
  Een excentriekeling was hij niet. Niet zoals Leopoldo Siano, een kale Italiaanse dertiger met een baard als een kerkvader. Of Thomas Ulrich, een (Oost-)Duitse theoloog die met zijn sokken in sandalen en zijn zwaar geaccentueerde Engels een archetype van de Duitse professor opvoerde. Kohl deed gewoon zijn werk, ijverig en consciëntieus, om eens in de zoveel tijd het indrukwekkende resultaat te geven.

Ik stond op goede voet met hem, maar na de tweede lezing werd het wel wat ongemakkelijk. Ik vroeg hem of het extreem strenge Zeitmaße tot zijn lievelingswerken behoorde; of hij er wel echt van kon houden. Persoonlijk vind ik dat bij sommige stukken moeilijker dan bij andere. Hij vond het een irrelevante en misschien ook domme vraag. De rest van de week hebben we geen echte gesprekken meer gevoerd.
  Vorig jaar had ik toch weer contact met hem. Toen de lockdowns zich wereldwijd aandienden, besloot ik me weer aan mijn studie te wijden. Nu ik toch nergens heen kon, zou ik me wel kunnen concentreren, toch? Hoeveel anders het zou lopen, wist ik toen nog niet… In elk geval had ik hem iets te vragen in verband met zijn proefschrift. Verder vroeg ik ook of hij leessuggesties had.
  Het duurde even tot er reactie kwam. Ik was al bang dat hij me negeerde vanwege mijn opmerking in 2017, maar dat viel mee. Hij moest even goed in zijn geheugen graven – zelfs zijn kennis kon roestig worden en met Licht, mijn werkterrein, had hij zich recentelijk niet beziggehouden – maar toen kwam hij met een werkelijk enorme lijst aanzetten. De moed zonk me behoorlijk in de schoenen, want het was zo nog anderhalf jaar leeswerk, maar hij had me bepaald niet teleurgesteld.

In die mailwisseling vertelde Kohl me nog iets. Hij was bezig aan een artikel over Spiral en Expo, twee niet heel bekende werken waar hij zich recentelijk op gericht had. Het is de vraag of dat artikel er ooit gekomen is; het Wikipedia-artikel over de man (na zijn dood piëteitsvol aangemaakt door andere musicologisch onderlegde Wikipedianen) noemt het niet.
  En vier maanden later was hij dus overleden – plotseling, onverwacht, aan een hartaanval. Ergens ben ik dankbaar dat ik die mailwisseling nog heb kunnen houden, al is dat natuurlijk ook een nare gedachte: “hij heeft nog net kunnen doen waar ik hem voor nodig had.” Ik vind het wel vervelend dat ik hem nooit meer kan laten zien hoe ik, ten langen leste, toch mijn dissertatie heb voltooid.
  Ik kan hem niet als voorbeeld nemen. Mijn professionele belangstelling is breder dan alleen de avant-garde en ik kan het niet opbrengen om de rest van mijn leven als een wiskundige monnik over partituren gebogen te zitten. Wel ben ik heel erg blij dat zulke mensen er zijn – dat hij er was. De kleine club van Stockhausen-onderzoekers heeft hem voorgoed in ere te houden. Dit stukje is mijn mini-bijdrage aan zijn nagedachtenis.