Amsterdam Sinfonietta – Glass en filmmuziek

Zo kom je nooit op een concert en zo bezoek je twee per week, zolang het geld strekt. Met alle ellende in de wereld kun je maar beter niet avond aan avond thuis zitten, dat zal het zijn. In ieder geval had ik motivatie genoeg om vanavond in TivoliVredenburg te gaan luisteren naar Amsterdam Sinfonietta, met een programma dat het strijkorkest eerder al op November Music speelde. Het programma omvatte diverse filmpartituren alsmede het tweede vioolconcert van Philip Glass.
  Het verbaasde mij enigszins dat het programma met redelijk eigentijdse muziek de Grote Zaal toch goeddeels vol kreeg. Ongetwijfeld speelde de naam van soliste Isabelle van Keulen mee, alsook de sterk gegroeide populariteit van Glass onder mensen van alle leeftijden. De aankomend jubilaris (de Amerikaan wordt in januari 80) heeft deze maanden over aandacht sowieso niet te klagen.
  Strijkmuziek in de Grote Zaal heeft trouwens zo haar nadelen. Het geluid is relatief zacht en hoewel de akoestiek van de zaal haar werk doet en de muziek heus naar alle uithoeken verspreidt, is ook elk kuchje hinderlijk goed te horen. Die hordes constant verkouden bejaarden bij klassieke concerten – ik kan er maar niet aan wennen, het blijft op mijn middelvingers werken.

De avond begon met de filmpartituur van Hitchkocks Psycho, vooral bekend van doodenge scène in de douche, gecomponeerd door Bernard Herrmann. Omdat filmpartituren niet bedoeld zijn voor de concertzaal, is het altijd maar afwachten wat zulke muziek buiten haar natuurlijke habitat doet. Ze kan saai worden zonder de beelden erbij, maar de effecten kunnen, als het publiek alleen voor de muziek komt, ook over de top en een beetje ordinair aandoen. In deze filmsuite gelukkig van beide niets. De ijzingwekkend hoge violen vormen natuurlijk het hoogtepunt, maar ze worden ingebed in een contrastrijke omgeving van langzame en snelle, ontspannende en verontrustende, oorstrelende en haast atonale passages.
  Ook een pluim, vanzelfsprekend zou ik haast zeggen, voor het Amsterdamse orkest, waarbij zacht ook echt zacht is (een pianissimo-melodie komt nog kraakhelder uit boven een pianississimo-begeleiding), snelle loopjes er loepzuiver en over het algemeen gelijk uitkomen, en stijlverschil geen barrière vormt om het ene werk minder goed te spelen dan het andere. Slechts wat kleine puntjes, zoals celli die in hun solopassages soms niet goed boven de hoge strijkers uit kwamen, had ik erop aan te merken.
  Als tweede stond een stuk van Toru Takemitsu gepland: ‘Dood en wederopstanding’ uit de ‘Zwarte regen’-cyclus. Oorspronkelijk was dit ook filmmuziek; de versie die we tegenwoordig vaak horen is speciaal voor de concertzaal bewerkt. Voor kenners van moderne muziek en/of strijkmuziek geen onbekende stof. Takemitsu kan wat mij betreft niet gauw te vaak klinken. Zijn ondogmatische stijl, waarin hij de verworvenheden van de avant-garde gerust met de stijl der romantische meesters mengde, wist de grootste Nieuwe Muziekpuristen te breken, en hij kon zich in de vriendschap van onder meer Stockhausen verheugen. De cyclus beschrijft de ontreddering bij de atoombom op Hiroshima; met Dood en wederopstanding heeft het orkest voor een van de meest romantische en zalvendste delen gekozen.
  Het volgende werk was de muziek voor There will be blood, geschreven door Jonny Greenwood. Dat is de gitarist van Radiohead; misschien had ik dat zonder programmaboekje moeten weten. Helaas, Radiohead bestaat in mijn hoofd voornamelijk uit Thom Yorke. Ik zal verder niet de enige zijn die achter een rockgitarist, al speelt hij dan in een artrockband, een componist voor strijkorkest had gezocht. Hij kan het echter zo goed, dat je je afvraagt waarom hij nog op de achtergrond in een rockband speelt. Niet alleen zit het medium strijkorkest hem als gegoten, hij weet ook uitstekend een filmsfeer te scheppen. We horen typische horrormuziek: agitato-passages met atonale melodieën in de violen en rusteloze ostinati in de bassen. Op andere momenten denk je het begin van de Lohengrin-ouverture te horen. Al met al is deze compositie wel de minst goede van de avond. Ten eerste is ze niet helemaal vrij van clichés, zoals uit de vorige zinnen al blijkt. Ten tweede doen de op zich prachtige delen uit de partituur het minder goed wanneer ze achter elkaar klinken: er is wat weinig contrast. Maar het minst goede stuk van de avond is nog steeds prachtig.

Na de pauze kwam Glass met zijn tweede vioolconcert uit 2009. Ik heb meerdere keren in de cd-zaak (voor de jongeren onder jullie: vroeger had je winkels waar je klassieke cd’s kon kopen) overwogen om dit werk aan te schaffen; steeds viel de keuze op iets anders en zodoende had ik dit concert nog niet eerder gehoord. Het eerste vioolconcert uit 1987 kende ik al wel goed; ik kon dus aan het vergelijken slaan.
  Glass’ tweede concert is net als zijn eerste een welluidend werk, waarin het harde minimalisme van de eerdere jaren verruild is voor een neoromantische stijl. Voor het tweede concert geldt dat nog meer dan voor het eerste. Verder is het persoonlijker: virtuozer, met meer ruimte voor de solist (Robert McDuffie, die het werk bij Glass bestelde) en onconventioneel van vorm: vier orkestdelen met een proloog en interludes (een soort cadensen, ‘songs’ genaamd) voor onbegeleide soloviool. De vier delen corresponderen met de vier jaargetijden, die het werk in navolging van Vivaldi moet uitbeelden.
  Ik moet in deze recensie weerstaan aan de verleiding om het werk tot in detail te beschrijven. Opvallen deed onder meer de synthesizerpartij (McDuffie wilde een synthesizer, want dat deed hem aan de vroege Glass denken), gespeeld op een model dat er in mijn ogen analoog en erg ouderwets uitzag (ik heb daar weinig verstand van). De vintage-elektronica imiteerde niet alleen het barokke klavecimbel (uiteraard met een zeer synthetische klankkleur), maar bracht ook andere klanken voort, waaronder de “harp” en diverse “space”-geluiden.
  Het werk was onmiskenbaar Philip Glass, en de Glass-clichés waren niet van de lucht. Overheersen deden ze nauwelijks. In ieder deel leunde de man onbeschaamd, maar meesterlijk aan tegen andere stijlen. Hier geen collages of confrontaties tussen twee stijlen, maar nagenoeg perfecte integratie. Barok zou je misschien verwachten gezien de inspiratie, maar vaker hebben we de romantiek gehoord (bijvoorbeeld in het tweede deel). Het derde deel was zeer opzienbarend door zijn duidelijke inspiratie uit de dance (de beat in de contrabas). Dat het redelijk grijze publiek het toch zo mooi vond, zegt eigenlijk alles.
  Ook in dit werk verdient het orkest weer een dikke pluim. De moeilijkheid zit hier vooral in het gelijk spelen van de diverse metrische figuren die Glass door elkaar heen schrijft; de partijen op zich zijn niet virtuoos. Dat is alleen de solopartij, waar Isabelle van Keulen zich niet strikt foutloos maar glansrijk doorheen werkt. Tegen het relatief mechanische orkest steekt de solopartij als een romantisch baken met veel vibrato af. In de proloog en de drie “songs” heeft de soloviool alle vrijheid om zelfs rubato te spelen, iets wat bij Glass nogal stijlvreemd is. Een hele verademing als je het mij vraagt; Van Keulen had deze invloed zelfs nog wel wat vetter mogen aanzetten.

Alle vier de werken hadden één gemene deler: ze waren modern, maar toch mooi, ontroerend en direct. De gelukkige programmering van dit concert maakt de avond meer dan memorabel. Bovendien werd er met het meesterwerk van Glass’ een punt gemaakt: ook al is hij voorbij de 70 en hebben anderen de aandacht overgenomen, schrijf een topcomponist nooit af!

Een hart-en-ziellijst voor musicologen

Twitter is geen optimaal medium voor discussies en meningsverschillen. Alleen primitieve geesten wier gedachten in 140 tekens passen kunnen er echt goed mee overweg. Ik gebruik het medium desondanks vrij veel; als ik elke tweet met inhoud op mijn site moest gaan uitleggen, had ik daar een heuse dagtaak aan.
  Vandaag vind ik dat echter wel nodig. Ik had met mijn eveneens fanatiek twitterende vakgenoten Hanna den Hollander (aan de touwtjes bij Podium Witteman) en Merlijn Kerkhof (van de NRC en van dat boek dus) een discussie over vrouwenmuziek. Hanna en ik verschilden van inzicht. Op Twitter leidt zo’n meningsverschil er al snel toe dat je voor een seksistische zak wordt aangezien. Dat is het laatste waar ik op zit te wachten, zeker met collega’s met wie ik de rest van mijn leven door één deur moet kunnen lopen. In dit stukje kan ik gelukkig mijn punt maken zonder tegen enge kwantitatieve grenzen aan te lopen. En passant valt er nóg een belangrijk punt te maken: moderne muziek en de gemiddelde luisteraar.

Even bij het begin beginnen: er kan sinds kort weer gestemd worden voor de Hart en Ziel-lijst van Radio 4. Op die lijst vind je van alles, van middeleeuwse muziek over renaissance, barok, klassiek en romantiek tot aan de muziek van onze tijd, maar weinig vrouwenmuziek. Hanna was er duidelijk over: “Ik stem altijd op de eerste vrouw in de lijst, Hildegard von Bingen in dit geval.” Vervolgens vroeg ze zich af waar al die vrouwen dan zijn.
  Dat was het punt waarop ik me in het gesprek mengde. (Had ik vast niet moeten doen, maar zo zit ik in elkaar, nietwaar…) Mijn punt: vrouwen deden vroeger maar beperkt aan de muziekgeschiedenis mee; weinig vrouwen onder de componisten betekent ook weinig vrouwen onder de grote componisten. Pas de laatste decennia melden ze zich echt nadrukkelijk in de concertzaal, maar ja: dat werk dringt niet tot de massa door. De Hart-en-ziellijst is geen lijst van muziekkenners maar van muziekliefhebbers, geen lijst van specialisten maar van het grote publiek. Dat publiek komt nu eenmaal niet op modern klassiek af, of het nu door mannen of door vrouwen is geschreven. Trouwens: zelfs de avant-garde van de jaren vijftig en zestig was overweldigend mannelijk, al kan ik iedereen het werk van de Française Betsy Jolas aanraden.
  Twee levende vrouwen sieren trouwens de lijst: Sofija Goebajdoelina (de koningin van alle levende toondichteressen) en Kate Moore (wier muziek me destijds zo in extase bracht). Het is zeker geen toeval dat twee van de drie vrouwen uit de lijst uit de postmoderne stijlperiode komen (ik bedoel dus het tijdvak waarin wij nu leven), ook al is die periode als geheel ondervertegenwoordigd.

Hanna’s reactie kwam neer op: er zijn toch al eeuwen vrouwelijke componisten: Fanny Hensel-Mendelssohn, Clara Schumann-Wieck, Alma Mahler-Schindler. Ja, was mijn antwoord, maar die dames halen het niveau van hun tijdgenoten niet. Het zegt niet alles, maar wel iets, dat het hier om vrouwen en zussen “van” gaat. Zonder de associatie met de beroemde componist naast ze waren ze nu vast niet beroemd. Niet dat hun werk niet gehoord mag worden. Sterker nog: van Fanny Mendelssohn werd zelfs gezegd dat ze even getalenteerd was als haar broer. Dat kan waar zijn, maar zij heeft nooit een Italiaanse Symfonie of een Paulus gecomponeerd. Dat zoiets komt doordat haar omgeving wantrouwig stond tegenover componerende vrouwen, doet daar niet zoveel aan af: het resultaat, haar oeuvre, kan niet tegen dat van Felix op.
  Sowieso had ik, eerlijk gezegd, moeite met stemmen op een vrouw omdat het een vrouw is. Het is alsof je op de eerste Nederlander in de lijst stemt. De enige legitieme reden hoort toch de kwaliteit van de muziek te zijn? Ook daarmee was Hanna het niet eens. “Het gaat mooie muziek bij #hartenziel, niet ‘hoog niveau’. Einaudi staat ook op de shortlist. Kan Clara dus best bij.” Dat was een visie die nog niet in me opgekomen was: niet de beste muziek, wat dat ook moge inhouden, maar mooie muziek die jij wilt horen. Als je de lijst zo’n horizontaal perspectief geeft (geen top-zoveel, maar een “luister-hiernaar”), dan is vrouwenmuziek inderdaad heel wenselijk, zoals Nederlandse barok, Portugese romantiek en sonates voor trombone dat ook zijn: er is nog meer mooie muziek dan de stukken die de canon hebben bepaald en/of de radio domineren. En jazeker, de muziek van Clara Schumann is mooi en een stuk intelligenter dan Einaudi.

Wie zich mocht afvragen waar Merlijn Kerkhof in dit verhaal blijft: ook hij brak in deze conversatie in. In zijn boek wijdt hij een hoofdstuk aan vrouwenmuziek (die in de rest van het werk vrijwel ontbreekt). De speellijst die hij eraan toevoegde bevat – weinig verrassend – bijna alleen muziek van levende componistes. Eén werk dat hij daar aanraadt, Lichtbogen van Kaija Saariaho, schoof hij nu naar voren als suggestie. Sterker nog: het hart-en-zielpubliek zou deze niet heel conventionele, atonale compositie best kunnen waarderen. Een gedurfde uitspraak, maar wel een waar ik achter sta: laat die luisteraars hun koudwatervrees maar overwinnen.

Kort samengevat: ik vind nog steeds niet dat de vrouwelijke componisten uit het verleden, die een redelijk marginale rol in de muziekgeschiedenis hebben gespeeld, nou zoveel te zoeken hebben in de Hart-en-Ziellijst. Ik ben echter wel overtuigd dat vrouwen even goed kunnen componeren als mannen. Helaas is dat potentieel pas in onze tijd goed aan het licht gekomen. Als we meer vrouwen in de Hart-en-Ziellijst willen, moeten we hedendaagse muziek populairder maken.
  De huidige luisteraar valt alleen voor Ten Holt, Pärt en Einaudi (met mijn excuses aan Simeon ten Holt dat hij in dit rijtje genoemd wordt). Maar datzelfde publiek kan wel Beethoven, Debussy en Mahler aan. Vermoedelijk heeft dat weinig te maken met de moeilijkheidsgraad en alles met bekendheid en canonvorming. Mensen zijn meer geneigd om het onbekende te verkennen als anderen erover praten, als ze de zekerheid hebben dat die muziek goed is. Vast en zeker schrikt het imago van aartslelijke piep-tuut-knarsmuziek een deel van de mensen af, maar dat imagoprobleem heeft Simeon ten Holt (die als veertiger in naam van de Vooruitgang zelf de lelijkste muziek schreef) ten langen leste ook niet van zijn succes afgehouden.
  De vrouwelijke genieën in de muziek lopen vandaag rond; wij muziekmensen kunnen ze net zo groot maken als de meesters uit het verleden. Laten we onze eigen lijst met onze hart-en-zielmuziek samenstellen. Nieuwe, mooie muziek van de vrouwen en mannen die wij bewonderen. Muziek van Kaija Saariaho, Unsuk Chin en Missy Mazzoli, maar ook van Nico Muhly, Michel van der Aa en Wolfgang Rihm. Van alles na 1950 (of 1980, of 2000) wat onze harten sneller doet kloppen. Vijf stukken die het grote concertpubliek moet kennen. Dus muziekmensen, kom maar op. Lekker het volk verheffen! 😉

Rotterdams Philharmonisch Orkest – Sinfônico Brasil

De afgelopen week was ik meer dan gemiddeld bezig met Brazilië. Waarschijnlijk is mijn interesse gewekt door het WK voetbal twee jaar geleden en nu aangewakkerd door de aankomende Olympische Spelen. De beslissing om nu net dit concert bij te wonen – nog wel in De Doelen, waar ik al dertien jaar niet meer was geweest – was daarom redelijk impulsief.

Het programma van gisteravond was tweeledig, zeg maar gerust hybridisch. Voor de pauze werd er werk van Braziliaanse componisten uitgevoerd, met weliswaar veel invloed uit de folklore maar toch: klassiek. Na de pauze kwam een in Brazilië wereldberoemde samba-artiest, Paulinho da Viola, een uur lang aan bod. Volgens de aankondiging van het concert treedt hij nooit buiten Brazilië op, maar nu wel – niet Lissabon, niet New York, niet Londen maar Rotterdam krijgt de eer om bij uitzondering deze grootheid te ontvangen.

De noviteit miste haar uitwerking in elk geval niet. Het gebruikelijke concertpubliek was sterk in de minderheid vrijdagavond. Ik wist nauwelijks dat Nederland een Braziliaanse gemeenschap had, maar de vele mooie meisjes en het overal hoorbare Portugees maakten toch wel duidelijk dat je hier met een Braziliaans publiek van doen had. Ook niet heel gebruikelijk: bij de deur werd je verwelkomd door een groepje trommelaars en berimbau-spelers, binnen speelde een ensemble samba en bossa nova (compleet met ingehuurde dansers) en aan de bar werden caipirinha’s verkocht. Kortom: de sfeer zat erin.

Het eerste werk was de Sinfônia da Alvorada van Antônio Carlos Jobim, althans de eerste twee delen daaruit. Deze muziek werd geschreven voor de oplevering van Brasília in 1960. Het werk deed populistisch aan: sfeerbeelden met strijkerstremoli en parallelle kwinten die doen denken aan Respighi en Ravel. Daar is niets mis mee – avant-gardistisch werk zou in één programma met populaire muziek misschien een beetje misstaan – maar het was geen memorabele compositie. Ook jammer is dat het stuk niet helemaal werd uitgevoerd. De delen gaan direct in elkaar over en na het tweede deel werd het werk nogal abrupt afgebroken.

Hierna verliet het orkest, dat deze avond trouwens door de Venezolaan Manuel López-Gómez werd gedirigeerd, het podium, op acht cellisten na. Zij kregen de taak om de Noors-Nederlandse zangeres Kari Postma te begeleiden in de Cantilena van Heitor Villa-Lobos. In dit stuk wilde de componist het contrapunt van Bach aan de Braziliaanse folklore paren. De voordracht van Postma was helaas een beetje orthodox, met veel vibrato. Het folkloristische element gaat zo wel erg naar de achtergrond; bovendien raakte de tekst net zo onverstaanbaar als bij opera. Voor het volume is het ook niet nodig: een sopraan kan best zonder vibrato boven een paar celli uit klinken.

Het volgende werk was een gitaarconcert van Yamandu Costa, die in het stuk, zoals de reizende virtuozen van weleer, zelf de solopartij speelde. Ik moest denken aan een stuk dat ik anderhalf jaar geleden op November Music heb gehoord: een gitaarconcert van Stian Westerhus. Niet alleen was in beide stukken de invloed van de populaire muziek overal aanwezig, de solist werd ook hier zelf een soort popster doordat hij behalve spelen ook moest zingen.
  Het stuk had zijn goede en zijn minder goede kanten. In het eerste deel botsten toegankelijke en minder toegankelijke stukken al te abrupt op elkaar, het tweede deel – omdat we vanavond niet met een standaardpubliek te maken hadden, werd er tussen de delen door geklapt – was wat al te zoet. Alleen in het derde deel verliep echt evenwichtig en geïntegreerd. Veel beter waren de twee pauzetoegiften (!) die Costa daarna gaf. Een solostuk dat stilistisch verwant was aan zijn concert (een mengelmoes van klassieke gitaar, flamenco en zo’n beetje alles wat de folklore aan gitaarmuziek te bieden heeft) werd gevolgd door een improvisatie op Carinhoso, een liedje dat het Braziliaanse deel van de zaal moeiteloos meezong.

Doordat de gitarist zijn publiek in het Portugees vroeg om mee te zingen met een liedje dat wij niet kennen, kreeg je af en toe het gevoel op andermans feestje te zijn. Dat gevoel overheerste ook het tweede deel met Paulinho da Viola, voor wie de meeste mensen ongetwijfeld waren gekomen. Ondanks de zeldzaamheid van een optreden buiten Brazilië had de oude sambista een beminnelijke uitstraling: geen “wat boffen jullie toch maar weer dat ik hier optreed” maar een paar vriendelijke woorden voor het orkest en een kort praatje over zijn muziek. Wat Brazilianen zich bij samba voorstellen gaat verder dan ultraritmische muziek om met drie veren aan je toges op te dansen. De scheidslijn tussen samba en bossa nova blijkt niet scherp, en de zanger-schrijver blijkt ook – zoals hij zelf al zegt – met de veel rustiger choro overweg te kunnen.
  Het tweede concertdeel verliep rustig. Paulinho is te oud om gekke dingen op het podium te doen. Hij zit gewoon te zingen (zijn stem klinkt verre van sleets) met zijn gitaar of cavaquinho (een soort ukulele), terwijl het orkest zijn werk doet. De liedjes die hij tijdens het concert bracht, stonden netjes in het programma aangegeven – handig voor leken zoals ik, die de muziek later kunnen nazoeken. Natuurlijk kwamen er toegiften – drie zelfs, want het publiek was merkbaar verrukt om deze man in Rotterdam te horen.

Hoewel niet alle composities even goed waren, en hoewel ik, ondanks mijn recente flirt met de Braziliaanse mei cultuur, nog steeds weinig heb met sambamuziek, heb ik toch waar voor mijn geld gekregen. Een divers programma met veel onbekende muziek, twee concerten voor de prijs van één en een gratis voor- tussen- en naprogramma in de foyer. Helaas liep het tegen elven en moest ik nog terug naar Utrecht – het was nog steeds te gezellig om weg te lopen. Was het bij Mozart en Beethoven ook maar zo’n feest in De Doelen. Toch?

Asko|Schönberg – Swingende kruisbestuivingen

De echte liefhebber ging natuurlijk gewoon naar de première, gisteren in het Muziekgebouw aan ’t IJ. Maar het Asko|Schönbergensemble gaf vanavond hetzelfde concert nog een keer in Utrecht, en omdat me dat reiskosten scheelt viel de keuze op deze uitvoering. Vier werken van evenveel levende componisten, allemaal op hun eigen manier door popmuziek beïnvloed.

Het concert opende met Restless Feeling van David Horne, een verwijzing naar The Velvet Underground. Voor wie het allerergste snobisme terzijde zet, is deze New Yorkse band natuurlijk een verantwoorde keuze: afkomstig uit de tegencultuur rond Andy Warhol en werkend met allerlei vervreemdende, onorthodoxe klanken die de redelijk simpele liedjes scherp, tijdloos en eeuwig fris doen klinken.
  De componist gebruikte niet alleen de sound van deze band maar ook specifieke songs van de banaan-elpee; voor wie wist waar hij op moest letten was dat ook duidelijk te horen. De altviool kreeg een vrij grote rol; een verwijzing naar de prominent aanwezige elektrische alt van John Cale. Soundbites (geen letterlijke citaten) van Venus in furs en Sunday morning kwamen aan de oppervlakte, en de slagwerker (die erg veel te doen had in dit werk) imiteerde duidelijk een drumstel door de combinatie van pauk (“basedrum”) en aangeslagen tamboerijn (“hihat”). Al met al lukte het redelijk om de balans te bewaren tussen al te duidelijk ontlenen en alleen in theorie inspiratie halen; het werk was bovendien redelijk coherent en afwisselend.

Hierna volgde Joey Roukens’ vioolconcert Roads to everywhere, dat gisteren in wereldpremière ging. Dit werk kunnen we als het hoofdwerk van het concert beschouwen; in elk geval werd voor dit stuk de meeste reclame gemaakt. Dat Roukens heel behoorlijk violistisch kan componeren, weten we al sinds hij in 2001 de aandacht trok met een vioolcapriccio; dat hij graag toegankelijk schrijft en zijn inspiratie uit de popmuziek haalt, zijn we ook van hem gewend. Dat wil niet zeggen dat Roukens niet naar de avant-garde kijkt: Roads opende met een tamtam die door een staafje (een stemvork) werd aangestreken, een speeltruc die zo uit Stockhausens Mikrophonie I afkomstig lijkt.
  Het vioolconcert stelt niet teleur. Bij de opening van het eerste deel hou je nog wel je hart vast: de gesyncopeerde ritmes van het ensemble zijn nogal tam. Maar dan komt de vaart erin: het ritme wordt opgestuwd en de violist krijgt Paganini-achtige virtuositeiten voor zijn kiezen. Het ritme komt bij Roukens, in tegenstelling tot Horne, van een echt popslagwerk. Daarnaast gebruikt het werk ook een keyboard, dat helaas meestal niet of niet goed te horen was. Eigenlijk hebben we, verspreid over diverse werken, een hele rockband voorbij zien komen: Reich schreef een basgitaar voor en Bermel vraagt om een elektrische gitaar en een zangeres.
  Het tweede deel was traag van tempo; een echte popballad, met voor die soort muziek typerende Sus-akkoorden (welluidende, Debussy-achtige dissonanten). Roukens verstaat de kunst om zulk idioom op een romantische manier – veel chromatiek, tempowisselingen en lange melodielijnen – te ontwikkelen tot een mengvorm. Deze mengvorm klinkt vooral naar filmmuziek, maar de kunstige manier waarop dat gedaan is maakt het resultaat zeer genietbaar.

De bekendste componist op het programma was Steve Reich; zijn Radio rewrite moest een “remix” worden van twee Radiohead-liedjes: Everything in its right place en Jigsaw falling into place. Het resultaat – vijf delen, afwisselend snel en langzaam, waarin beide liedjes om de beurt worden bewerkt – klinkt vooral erg naar Steve Reich. De verwijzingen naar indie-akkoorden en -melodiek zijn erg vaag en voor de gemiddelde luisteraar vermoedelijk niet te ontdekken.Dat wil niet zeggen dat het werk niet goed was. Eigenlijk schreef een eerdere, in het programma aangehaalde recensie het al: door zichzelf met remixers te vergelijken, doet Reich zich behoorlijk tekort.

Het laatste stuk, Canzonas Americanas van Derek Bermel, was helaas het minste van de avond. In dit vierdelige stuk moest de componist diverse Noord- en Zuid-Amerikaanse tradities met elkaar verbinden, of beter de bestaande dwarsverbanden (ze hebben tenslotte gemeenschappelijke wortels) blootleggen. In het eerste deel mislukte dat al behoorlijk, toen een countryachtig (en niet zeer geïnspireerd) wijsje frontaal botste met het ingebracht latin-materiaal. Het tweede deel, een simpel air varié met als thema een klezmermelodie, was beter geslaagd maar niet zeer ambitieus. Het derde deel was nog het beste: uit een rumba met bluesgitaar – deze mengeling lukte wel – kwam een steeds ingewikkelder chromatische passage voort, die wegstierf om ineens plaats te maken voor een strijkkwartet. Het afsluitende deel was helaas niet veel meer dan een simpel Braziliaans liedje, opgeleukt met de inheemse berimbau en wat vervreemdende orkestklanken.

Over de uitvoering van het Asko|Schönbergensemble hoef ik het eigenlijk niet te hebben. Lastige ritmes en moeilijke passages vormen nauwelijks een hobbel voor deze hardliners van de nieuwe muziek, en met alle vier de componisten nog in leven hoeven we ons ook geen zorgen te maken dat de dirigent rare dingen wil gaan doen. Zeker, soms waren bepaalde instrumenten niet te horen, maar dat lag meer aan de compositie dan aan de uitvoering. De muziek was ook zeer onderhoudend: gemakkelijk in het gehoor, maar interessant genoeg om de twee uur die het concert duurde goed door te komen. Eén bedenking blijft: is dit allemaal geen wegwerpmuziek? Gaat dit zich staande houden? Over een jaar of vijftien nog maar eens goed luisteren.

Pierre-Laurent Aimard – Beethoven en Stockhausen

Alleen de ongebruikelijke combinatie van deze twee componisten, die de Franse pianist donderdag 8 januari in het Muziekgebouw aan ’t IJ ten gehore bracht, was al genoeg om veel mensen nieuwsgierig te maken. Bovendien had Aimard vorige maand nog samen met Tamara Stefanovic geschitterd in Mantra, dus met zijn gevoel voor Stockhausen zat het in elk geval wel goed.

Stockhausen en Beethoven laten zich tot op zekere hoogte goed met elkaar vergelijken. Beiden kwamen ze uit het Rijnland, beiden stonden ze bekend als compromisloze vernieuwers met een sterke persoonlijkheid, beiden kampten ze met een slecht gehoor. Stockhausen was zelf ook onbescheiden genoeg om die vergelijking aan te gaan; zo gaf hij ooit een uitvoering van Kurzwellen met stukjes Beethoven. Hun muziek is natuurlijk zeer verschillend, en het leek er wel op dat veel bezoekers vanavond een abonnement op de serie Piano hadden en vooral voor Beethoven kwamen.

Het programma begon met het elfde Klavierstück van Stockhausen, een aleatorisch stuk waarin de pianist negentien losse fragmentjes van een enorm vel opleest en zonder nadenken in willekeurige volgorde speelt. Daar heeft Aimard behoorlijk vals gespeeld: op zijn lessenaar stond conventionele bladmuziek, die de bladomslaanster gewoon van voren naar achteren doorbladerde. Een van te voren vastgelegde volgorde dus. Dat wil niet zeggen dat de pianist slecht speelde. Integendeel: hij wist van Stockhausens abstracte seriële notenbouwsel een overtuigend muziekbetoog te maken en de samenhang binnen de diverse groepjes getrouw te benadrukken.

Hierna volgden Beethovens Eroica-variaties. Geen heel bekend stuk; het is een typisch pianistisch bravourewerk (bijna lisztiaans) waarin thematisch materiaal uit de Eroica-symfonie eindeloos wordt gevarieerd en de nadruk vaak sterk op briljante, virtuoze loopjes ligt. Hoewel zo’n stuk veel kan hebben aan volume (het is bijvoorbeeld geen Mondscheinsonate) was het pianospel vaak nog te luid. Ook was het rubato aan de magere kant; naar mijn smaak te zakelijk voor Beethoven. Niet dat de uitvoering mechanisch was, of te snel; het tempo klopte. De polyfone passages waren ook naar mijn zin.

Na de pauze kwam de Appassionata-sonate aan bod. Natuurlijk begon Aimard dit werk wel zacht, zoals het hoort. Het andere euvel bleef echter: wat weinig rubato, soms uitgesproken steriel. Vooral de vele zestiendenloopjes wilden maar niet tot leven komen – alsof de musicus ons alleen maar wilde tonen hoe goed hij die moeilijke passages in de vingers had. Dat wil overigens niet zeggen dat de pianist niet met de expressie van het stuk bezig was: hij maakte grootse lichamelijke gebaren en kon zich vaak niet inhouden om hardop mee te neuriën.

Maar de grootste verrassing moest nog komen. Direct nadat hij het slotakkoord van de Appassionata losliet, klonk de beroemde vierklank van Stockhausens negende Klavierstück. En de overgang voelde niet eens verkeerd aan! Nog meer dan in nummer elf liet Aimard hier horen hoeveel gevoel hij voor deze lastige muziek heeft. De eindeloze herhalingen van het openingsakkoord laat hij vloeiend in dynamiek toe- en afnemen, in de zachte passages houdt hij het publiek in spanning en de stukken met voorslagnoten weeft hij elegant aan elkaar.

Het eerder die avond nog erg onwennige publiek leek Stockhausen aan het eind van de avond compleet aanvaard te hebben. In elk geval voelde de zaal zich niet te beroerd om de pianist met een langdurig applaus te belonen. Voor één keer gaf de Fransman ook een toegift: een kort stukje van de deze week overleden Boulez.

Pierre-Laurant Aimard is in de eerste plaats iemand voor de avant-garde. Daarin schittert hij en toont hij zijn gaven. Beethoven beheerst hij zeker wel, maar de concurrentie is daar veel groter waardoor het hem niet lukt zich van de rest te onderscheiden. En toch – hij heeft de juiste beslissing genomen. Klassieke en hedendaagse muziek mogen veel vaker worden gecombineerd. De avant-garde moet niet op zijn eigen eilandje zitten en het conventionele concertpubliek mag wel eens wat meer worden uitgedaagd. Ik ben hoopvol dat dat vanavond in deze volle zaal gelukt is.

Asko|Schönbergensemble – Natuurkrachten

Het Muziekgebouw aan ’t IJ, het Asko|Schönbergensemble, drie generaties naoorlogse componisten, een gesproken inleiding door Thea Derks – de Nederlandse Nieuwemuziekwereld was vanavond weer eens bezig. Op het programma stonden Thallein van Iannis Xenakis, Scream sing whisper van Anders Hillborg en het celloconcert van Kate Moore, trouwe lezers van mijn blog al bekend. Het ensemble werd niet geleid door Reinbert de Leeuw, die op het moment als Satie-pianist op tournee is, maar door de pas dertigjarige Christian Karlsen, net als Hillborg een Zweed en net als Hillborg en Moore als Nieuwe-Muziekexpat in Nederland werkzaam. Alle drie werden ze van te voren geïnterviewd.

Wat de programmeur heeft bezield om het concert Natuurkrachten te noemen werd mij niet meteen duidelijk. Het tekstboekje meldt: “Van (…) Iannis Xenekis klinkt Thallein, een werk waarin ongebreidelde natuurkrachten sluimeren, die in Kare Moores celloconcert een mechanische tegenhanger krijgen.” Verder blijkt θαλλειν ‘ontspruiten’ te betekenen. Zelf vind ik de vergelijking die Karlsen maakte, met de lelijke maar sublieme brutalistische gebouwen van Xenakis’ tijd, treffender (zij het totaal niet nieuw: Xenakis was ook architect en zijn muziek is uitentreuren met zijn bouwsel vergeleken).

Het onversneden modernisme van Xenakis, dat de luisteraars al vanaf maat 1 met een harde cluster voor de kiezen krijgen, is het ASKO|Schönbergensemble wel toevertrouwd. Loepzuiver en spatgelijk voeren ze de veeleisende klankblokken uit, en door elkaar lopende wriemelpassages worden zonder noemenswaardige weerstand en met veel gevoel voor de muzikale logica geproduceerd. Karlsen lijkt het allemaal moeiteloos te beheersen en dirigeert alsof hij de grote romantische meesters onder handen heeft. Thallein mag dan een relatief onbekend en vrij laat stuk zijn, het is duidelijk dat Xenakis in 1983, toen hij het werk schreef, zijn gave voor timing en effectieve verdeling van het muzikaal materiaal nog lang niet was kwijtgeraakt.
  Hillborg, de componist van het volgende werk, liet zich hoorbaar (en naar eigen zeggen) inspireren door de Franse Griek, maar bezit duidelijk diens gave voor het spannend houden van een werk niet. De keiharde klappen voelen gratuit aan en missen al gauw hun uitwerking, de atonale maar swingende unisonomelodietjes zijn niet bepaald geïnspireerd en de paar microtonale effecten bieden niet meer dan een flauwe kleuring. Wat Karlsen in het werk van zijn landgenoot ziet, is me niet geheel duidelijk, al werd het weer niet slecht uitgevoerd.

Na de pauze ging het verder met Kate Moores celloconcert. Dit werk beleefde, met enige aanpassingen, vanavond zijn tweede uitvoering. Bij de première, op de Gaudemeamus Muziekweek 2014, had ik de eer voor het festival te mogen recenseren. Bij die gelegenheid heb ik het stuk de hemel in geschreven. Het heeft dan ook weinig zin om mijn mening over deze compositie te herhalen. Ook nu was ik weer compleet in extase van dit werk, deze uitgebouwde versie van Days and Nature, waarin de luisteraar langzaam en subtiel, bijna plagerig, naar een climax wordt geleid die zijn gelijke in de muziek amper kent. De geluksbeleving werd alleen maar volkomener door de uitvoering, met name door de solist die nu, anders dan bij de première, volkomen synchroon liep met het ensemble.

Helaas wordt dit meesterwerk voorlopig nog niet op cd uitgebracht, en op de partituur is het ook nog even wachten. Gelukkig heb ik dit stuk twee keer kunnen horen. Ook gelukkig is dat het ASKO|Schönbergensemble maar weer eens toont alle hedendaagse muziek, van hardcoremodernisme tot tonale minimal, moeiteloos te beheersen en geen taboes in de programmering te kennen. Grote namen uit het verleden koppelen aan meesters van nu, dat mag vaker gebeuren. En Anders Hillborg, die een gevoel voor timing ontbeert, heeft van zijn Australische collega kunnen horen hoe het wel moet!

Calliope Tsoupaki – Mariken

Tsoupaki’s nieuwe opera Mariken, een zetting van het middeleeuwse toneelstuk over Mariken van Nieumeghen, was de afgelopen tijd al uitgebreid besproken; doorgaans positief. Om de een of andere reden draait de voorstelling van Opera2day niet in Utrecht. Ik moest er daarom voor naar Amersfoort, bijna twintig kilometer op de fiets in – ik lijk wel gek – de regen.

Voor wie het verhaal niet kent: Mariken woont bij haar oom, die haar om boodschappen naar Nijmegen stuurt. Op de terugweg wil ze bij haar tante logeren, die zwaar uit haar humeur Mariken met grove scheldwoorden de deur wijst. Mariken roept dat God of de duivel haar mag helpen. Het laatste gebeurt; ze leeft zeven jaar lang in zonde met de duivel. Dan komt ze tot inkeer, gaat met haar oom naar de paus en doet boete.
  Hoewel de normen van de middeleeuwen niet de onze zijn, zit er genoeg in dit verhaal waar ook de moderne mens iets mee kan. De oom voelt zich van meet af aan niet goed omdat hij zijn nichtje alleen op weg stuurt, en buiten loert het gevaar: de zonde, de verleiding, waar Mariken weliswaar voor kiest, maar die natuurlijk het werk van de duivel is. En hoewel een middeleeuwer er waarschijnlijk niet aan twijfelde dat de duivel letterlijk een menselijke vorm kon aannemen en je persoonlijk kon verleiden, staat Moenen (zoals deze incarnatie zich noemt) duidelijk symbool voor de misdadiger van vlees en bloed die rechtschapenen het verderf in stuurt. Een loverboy maakte de regisseur ervan; zo’n grote verandering is dat niet.

Het ensemble is modern en gestroomlijnd, maar tegelijk heel karakteristiek; in de orkestbak bevonden zich enkelvoudig bezette strijkers, een hobo, een fagot, een hoorn, een trombone en slagwerk, maar ook middeleeuwse instrumenten: portatief, harp, draailier, vedel en verschillende blokfluiten. Het valt te prijzen dat de componiste die verleiding nu eens niet weerstaan heeft en juist deze voor de hand liggende verbinding met Marikens tijdvak heeft gelegd. De uitstekend bespeelde historische instrumenten mengen zich bovendien moeiteloos met de hedendaagse rest van het instrumentarium.
  Ook de muziek zelf vertoont duidelijke raakvlakken met de middeleeuwen. Zoals zoveel Nederlandse componisten klinkt Tsoupaki als een discipel van Louis Andriessen, met statische, modale muziek; muziek dus in de middeleeuwse kerktoonsoorten. Vanuit zo’n muzikaal idioom is de weg naar middeleeuwse sfeerbeelden niet lang meer; de componiste maakt daar goed gebruik van.
  Het wat statische idioom past goed bij de stijve figuren van de oom en de paus (hier een countertenor; hetzij om met zijn autoriteit te spotten, hetzij als schildering van zijn afstand tot de hoofdpersonen), maar minder goed bij de in furie ontstoken tante: zij klinkt met haar wervelende frygische gezangen eerder als een grootvizier die een ontdekkingsreiziger in audiëntie ontvangt. Gelijkaardige muziek als die voor de tante blijkt voor Moenen wel te werken: zijn koele en tegelijk krachtige baslijnen doen de luisteraar sidderen.
  Even statisch als de muziek is een groot deel van het toneelspel. Terwijl de verteller zijn verhaal doet, loopt Mariken (een spreekrol, jammer, al is het wel Hannah Hoekstra zelve die de rol vervult) rondjes op de bühne of zingt een nonnenkoor een gregoriaans gezang. Soms lijkt het daardoor of je, in plaats van een opera, met een oratorium te maken hebt. Heel iets anders kregen we in het tweede bedrijf, toen de verteller als marskramer het podium opkwam, de muziek stopte en de vierde wand doorbrak door vanuit de orkestbak met het publiek te gaan praten. Ik weet nog altijd niet wat ik daarvan moet vinden. Melig enerzijds, maar aan de andere kant van groot belang voor het verhaal, omdat de reizende koopman ons op zijn middeleeuws laat nadenken over zonde en vergeving.

Nederlanders zijn over het algemeen niet zeer begaan met hun eigen literaire klassiekers. Een Griekse wijst ons hierin de weg, met een ontzagwekkend gevoel voor de geest van de tekst en de denkwereld van zijn schrijver. Ook over de uitvoerenden hebben we weinig te klagen. Het idioom legt beperkingen op aan de muzikale originaliteit. Mariken is daarom geen meesterwerk, maar wel zeer de moeite waard.

LUDWIG – Hakkebord en psalmenpomp in TivoliVredenburg

Ik weet niet wat me bezielde om uitgerekend vanavond naar de grote zaal van Vredenburg te gaan. Ensemble LUDWIG (lud-wie?) gaf er een niet goedkoop concert met een bonte verzameling werken. Het was waarschijnlijk de vreemde bezetting: het hakkebord en het harmonium stonden centraal, en ik wilde wel eens horen wat de heren (ja, alleen heren deze keer) met hun opdrachten voor deze bijzondere instrumenten gedaan hadden.

LUDWIG is een soort kamerorkest met enkelvoudig bezette strijkers, genoeg blazers, slagwerk en een piano. De gedachten gaan dan al snel uit naar Schönberg (twee kamersymfonieën en Pierrot Lunaire), en laat die nou in 1921 betrokken zijn geweest bij een arrangement van Debussy’s Prélude à l’après-midi d’un faune waar een harmonium in voorkomt. Het was een arrangement dat gehoord mag worden kundig uitgevoerd en goed gebalanceerd. De bij Debussy prominent aanwezige houtblazers blijven zo al behouden, en het harmonium vangt veel op van de afwezige zee aan strijkers. Iets toevoegen doet deze versie echter niet: het origineel blinkt al uit in klaarheid en een piano is toch maar behelpen als hij een harppartij moet vervangen.

Van Stravinksi volgden daarna twee neoklassieke dansjes, typisch voor de vroege neoklassieke periode: een polka en een wals (het programma vermeldde ook nog een mars, die we niet gehoord hebben). Oorspronkelijk voor piano vierhandig en later ook georkestreerd, werden ze hier op hakkebord en harmonium gespeeld. Geen gekke keuze. Zulk ‘lullig’, ironisch repertoire is natuurlijk allesbehalve heilig, en de lichte beweeglijkheid van het hakkebord komt er goed in uit – net zo goed als de wals-akkoorden die het harmonium als een accordeon doen klinken.

Peter Eötvös, die we vooral als dirigent uit de nieuwemuziekwereld kennen, componeert ook in een stijl die je zowaar ook neoklassiek kunt noemen. Wel ironisch, maar niet bijtend zoals Stravinski, en zeker niet antiromantisch. In Da capo ging hij aan de haal met schetsen van Mozart, die na een expositie met verschillende graden van herkenbaarheid worden verwerkt. De welluidende drieklanken komen niet terug, maar de tonaliteit en het speelplezier raken niet uit zicht. Wat het stuk in dit concert deed? Het was in feite een hakkebordconcert, waarbij de hoge, beweeglijke tonen van het solo-instrument al even virtuoos werden afgezet tegen een lage orkestbezetting met veel basinstrumenten. Hij zal geen geschiedenis schrijven met dit stuk, maar zeker vele geschoolde oren plezieren!

Na de pauze was het hoofdwerk van het programma aan de beurt: een harmoniumconcert van Martijn Padding. Hij noemt het werk zelfs First Harmonium Concerto en het kan inderdaad zomaar het allereerste concert voor dit instrument zijn. Wat moeten we verder van Martijn Padding zeggen? Hij is een leerling van Andriessen, die zoals bekend de gewoonte had in Den Haag kloontjes af te leveren. We weten dus wat we kunnen verwachten: veel ritme en energie, weinig gevoel en persoonlijkheid. Wel is dit concert een stuk lichtvoetiger en minder agressief dan het werk van zijn leermeester en daar kan ik alleen maar blij om zijn: het danst swingend maar onvoorspelbaar naar het einde toe en verveelt ondanks zijn duur en drie delen niet. En laten we eerlijk zijn: het zit de harmonium als gegoten. De springerige arpeggi en vlotte lijnen vermijden alle neuzel-koraal-clichés waarmee dit instrument zo geassocieerd wordt, en roepen een heuse Widor of Vierne in herinnering. Hoezeer ik ook af wil van het Haagse schrikbewind dat Nederland al zo lang in zijn greep houdt, ik kán dit werk niet haten. Een waardig begin van de orkestrale harmoniumliteratuur.

Misschien kan de Nederlandse Beier Florian Maier iets aan de Andriessen-dominantie doen. De afgelopen tien jaar heb ik sporadisch werk van hem gehoord, waarin zo’n beetje alles mocht: keiharde filmmuziek, serieuze avant-garde en heavy metal. Vandaag kwam er Cimbalom Concerto, niet echt een concert maar wel een kamermuziekwerk met hakkebord, akoestische en elektrische gitaar, viool, keyboard en geplukte bas. Ondanks dit oorvriendelijke ensemble waren de metalinvloeden niet mis te verstaan: vooral progmetalbands als Tool, Opeth en Dream Theater leken, met hun ongewone maatsoorten, lange gitaarachtige soli en polyfone texturen, nooit ver weg. Onderhoudend was het zeker, en wat meer is: Maier weet de ruimtes tussen metal-, Balkan- en romantisch idioom prachtig te mengen en op te vullen. De grote vraag blijft echter: beklijft zoiets, of wordt het binnen een paar jaar te licht bevonden? Een vraag waar ik geen antwoord op heb.

Nog in mijn metalvibe bereidde ik me voor op een kouwe douche: het concert zou eindigen met een arrangement van Faurés Pavane. We kunnen voorzichtig stellen dat Fauré niet mijn favoriete componist is, en dat de zoetvloeiende nachtkaars al helemaal niet hetgene is waarmee een spetterend concert als dit moet afsluiten. Maar hoor: daar begonnen contrabas en akoestische gitaar met de begeleiding en daar kwam ineens een fluit – onzichtbaar – nee, toch niet, ze loopt uit de coulissen het podium op. Dan vallen de andere blazers in – op de balkons. Tot slot alle andere instrumenten van vanavond, ook het harmonium, ook het hakkebord, zelfs de elektrische gitaar, die Fauré zowaar doet swingen. Een simpele truc, waar je niet te lang over na moet denken: hij werkte geweldig.

Hoewel de gimmick van de twee ongewone instrumenten me naar de concertzaal heeft getrokken, had LUDWIG veel meer te bieden. Aan zulke impulsen mag ik vaker toegeven.

Gaudeamus Muziekweek 2015 – Slotconcert en prijsuitreiking

Om zes uur vanavond zou de winnaar bekend worden gemaakt. Op een festival als dit kan zoiets niet gebeuren zonder dat er eerst nog een concert wordt gegeven. Daarvoor mochten twee leden van Slagwerk Den Haag – zie het vorige concert – samenwerken met Niels Broos, toetsenist van Kyteman, en met het Groningse balletgezelschap Club Guy & Roni.

De drie heren gaven een langdurige, veelzijdige improvisatie weg, waar veel van het meer experimentele Kyteman-werk te herkennen was. De onderlinge interactie was briljant en niets wees erop dat de muziek ter plekke in de hoofden ontstond. Nog mooier was het moment waarop de dans begon. De drie dansers stonden met gewone kleren in het publiek en begonnen volstrekt onverwacht aan hun pasjes. Waren hun bewegingen niet zo vloeiend en intens geweest, dan had ik gedacht dat een toeschouwer er spontaan mee begon. Wie in deze zaal zou er nog meer gaan dansen?
  Een paar minuten voor zes vonden de musici het echter nodig nog een improvisatie te beginnen. Dat had nu weer niet gehoeven. We wilden gewoon naar de prijsuitreiking, en drie kwartier improvisatie was wel genoeg. Bovendien was het nieuwe stuk je reinste oordopjeswerk, reden voor sommige mensen om buiten aan de deur maar verder te luisteren.

Rond kwart over zes mochten we dan toch naar beneden, waar Hans Heuvelmans ons al opwachtte. Niet hij, maar de jury (Calliope Tsoupraki, Stefan Prins en Raphaël Cendo – hun werken hebben we deze week gehoord en de recensies zijn op mijn site te vinden) had natuurlijk de beslissing genomen, maar als directeur had hij de eer de winnaar aan te mogen kondigen. Deze winnaar werd Aleksander Choebejev.

Wat moeten we daarvan vinden? Om het maar eerlijk te zeggen: ik ben het er niet mee eens. Weliswaar is de Rus geen slechte componist, en zeker beter dan Jason Buchanan en Stylianos Dimou. Maar zijn werk is zo… radicaal. Te excentriek, te cryptisch, te compromisloos om over te komen bij de luisteraar. Special effects worden gewoon, confronterend materiaal confronteert niet meer. Hoe kun je ooit nog choqueren als je een dirigent met touwen vastbindt en over plexiglas laat schrapen?
  Waarschijnlijk is het de jury daar nu net om te doen. Vernieuwen, je publiek verrassen, niet blijven stilstaan bij de conventie, daar gaat het bij dit festival toch om? Creativiteit betekent tenslotte niet: andermans stijl navolgen. Het verschil in vooruitstrevendheid werd vanmiddag maar al te duidelijk. Er moest iets ongewoons worden gedaan met slagwerk – Choebejev leeft zich uit met emmers en ijzerdraad, Asuroğlu neemt genoegen met een conventioneel ensemble.
  Maar wat is vernieuwen? Laten we eerlijk zijn: alles is al eens gedaan, ook het type muziek dat de winnaar maakt. Denk alleen maar aan de Fluxus-beweging in de jaren zestig, waarbij componisten bij de koffie met scharen langsrenden om de stropdassen van concertgangers af te knippen. En dat was vijftig jaar geleden!
  Buiten de muren van TivoliVredenburg geldt John Adams als de grootste levende componist, viert Michel van der Aa triomfen met een vioolconcert en wordt de tachtigste verjaardag van Arvo Pärt wereldwijd gevierd. En hier wordt een componist tot winnaar uitgeroepen die niet eens in toonhoogte geïnteresseerd is! Een beetje wereldvreemd is het wel. Als we niet oppassen, gaat de Muziekweek lijken op de school van Milton Babbitt, die decennialang in een kleine enclave het ware seriële geloof verdedigde terwijl Amerika om hem heen achtereenvolgens door John Cage en de minimalisten werd overdonderd.

Eerlijk is eerlijk: de intentie van de programmeur is dit niet geweest. Op het programma stonden crossovers naar de rock- en dancemuziek (popmuziek dus, de muziek waar de echte wereld naar luistert). Ook conventioneel modern klassiek kreeg de ruimte: tegelijk met het “Out of the percussion box”-concert klonken er in Rood|Noot preludes en fuga’s van Arthur Wagenaar. En dit jaar hadden we natuurlijk een genomineerde die zich zulke muziek veroorlooft: Mátyás Wettl. Had hij dan niet beter kunnen winnen?

Vragen te over dus. Maar uiteindelijk is het belangrijkste niet of de winnaar wel een beetje behoorlijk in de huidige trends past. Het belangrijkste is dat we vijf heel behoorlijke aankomende componisten hebben gehoord, in doorgaans fantastische uitvoeringen, in een heerlijke setting, in een prachtig muziekpaleis. De Nederlandse nieuwemuziekwereld leeft en bloeit nog altijd. Wil de Gaudeamus Muziekweek niet verwelken, dan mag ze nooit ophouden om door de grote ramen van TivoliVredenburg de wereld in te kijken.

Gaudeamus Muziekweek 2015 – Out of the percussion box

Voor de eerste en enige keer hadden we vanmiddag alle vijf de kandidaten in één concert, zodat we hun werk mooi konden vergelijken. De heren (ten overvloede: alle vijf de genomineerden zijn mannen) hadden de opdracht gekregen zich te laten inspireren door de mogelijkheden die het ensemble Slagwerk Den Haag bood: niet alleen conventionele klappen op gongs en xylofoons, maar alles wat geluid geeft als je erop slaat.
  De vijf componisten hadden zulke uiteenlopende bezettingen voorgeschreven dat het concert niet in één ruimte gehouden kon worden. Of misschien kon het wel, maar de gekozen oplossing was beslist leuker: de eerste twee werken klonken in Pandora, het derde op Plein 6, het vierde in Cloud Nine en het laatste in Hertz. Zo kom je nog eens ergens…

Aleksander Choebejev stond als eerste op het programma, met Rebirth Island: Song of the death. (Misschien bedoelt hij song of the dead of anders song of death – zie mijn opmerking over Russen en lidwoorden gisteren.) De relatie tussen de titel en de muziek is onduidelijk, maar misschien niet van belang. De opdracht was in elk geval goed aan deze excentrieke componist besteed: Choebejev kijkt niet op een raar geluid of ongewone speeltechniek meer of minder. Drie slagwerkers stonden her en der door de zaal, de componist als dirigent op een eiland (!) tussen het publiek. De musici moesten met strijkstokken en stalen vingers over strak gespannen draden, waaraan resonerende objecten als emmers, plastic potten en stukken piepschuim waren bevestigd. En wij stonden er met onze neus bovenop! Chapeau Aleksander, dit is nou eens een formule waarin je herriemuziek echt werkt! Om het allemaal nog mooier te maken: de componist had de hele handel zelf ontworpen en gebouwd.

Maar Mátyás Wettl dan? Die was tot nu toe alles wat Choebejev niet is: toegankelijke, tonale stukken, op het sentimentele af, met alleen wat lichte vervreemding in de begeleiding. Wie schetst onze verbazing als zijn Nocturne begint: voor vier spelers die zestien schemerlampen bedienen. Wat? Maakt uitgerekend hij een stuk dat niet eens voor muziek kan doorgaan? Een ordinaire lichtshow? Ho. De schakelaars maken harde klakgeluiden, en daar blijkt het om te gaan. Hoe langer hoe meer herkennen we er ritmes in, eenvoudige, aansprekende ritmes, die soms aan het kleuteronderwijs, soms aan het ijzeren repertoire doen denken. De musici klikklakken liedjes na. Hoe absurd ook, dit werk is dus eigenlijk net zo toegankelijk als de andere twee composities die we van Wettl gehoord hebben. Niet dat het licht verder niet van belang is. Er gaan prachtige patronen door de in een rij opgestelde lampen, en bij een triller flakkert het mooi aan en uit.
  Het blijft bevreemdend om Wettl van zijn vertrouwde ballads ineens zoiets op radicaals over te zien stappen. Wil hij laten zien dat hij dit ook kan? Of is het een persiflage op de nieuwemuziekwereld om hem heen, waar je alleen wordt bewonderd als je iets raars doet? Ik houd het op het laatste.

Stylianos Dimou, die ik eerder deze week nog een kanshebber voor de eindzege noemde, kwam met het interessanterig getitelde my grounding | surrounding [it]_self / h_l. Hier hadden we meer met een conventionele slagwerkcompositie van doen, waarin onder meer twee gamelan-instrumenten alsmede vier ijzeren kettingen (Schönberg, Gurrelieder?) werden vermengd met ingeblikte geluiden en live-elektronica. Het programma vertelde niet waar de titel vandaan kwam, wel iets over de compositorische filosofie: elektronica op zich is niet interessant, het wordt pas iets in combinatie met akoestisch geluid.
  Het technoakoestische spel kwam goed tot zijn recht. De opbouw van het stuk liet daarentegen te wensen over, al hoorde je wel iets terug van imitatie en een verdeling in episodes.

Jason Thorpe Buchanan had de compositieopdracht aangegrepen om een nieuwe scène aan zijn in wording verkerende opera Hunger toe te voegen. Deze opera is gebaseerd op een boek van de Noor Knut Hamsun, maar in deze bewerking verkoopt de verarmde schrijver niet zijn kleren maar zijn lichaamssappen (gadverdamme…). In walkside, lost frunniken drie musici gericht met diverse spullen aan kistjes, die van microfoons voorzien zijn. Het hele gebeuren wordt op een scherm getoond. Tegelijk fluisteren, spreken, schreeuwen ze woorden; veelal onverstaanbare, maar ergens voorbij het midden meende ik toch het woord “poppycock” (diarree!) op te vangen…

Utku Asuroğlu had het meest conventionele werk van de middag. Zijn Coup de bec (“klap voor je muil”) schreef wel gekke voorwerpen als eiersnijders en toeters voor, en gebruikte technieken als aangestreken slagwerk, maar was toch een zeer goed te volgen compositie. De gewelddadige titel was maar schijn: ook deze keer zette de Turk ons een levenslustig, druk werk voor waarvan het componeerplezier afspatte. Hard ja, maar eigenlijk niet confronterend.

Dit concert bracht een hoop positieve dingen. Aleksander Choebejev wist de sceptische luisteraar met zijn excentriciteiten te overtuigen als nooit tevoren. Matyás Wettl liet zich van zijn andere kant zien. En meer in het algemeen lieten de vijf componisten zijn dat een duidelijk omlijnde componeeropdracht voor hen niet beperkend werkt.