Wil ik nog wel muziek?

Vandaag gebeurde er iets uitzonderlijks. Mijn broertje belde me en ik kapte het gesprek binnen twee minuten af. Ik was er niet voor in de stemming.
  Voor wie ons niet door en door kent: dit is net zoiets als Kees van der Staaij die een kerkbezoek overslaat, of Wout van Aert die een wielerklassieker laat schieten. Wij bellen gewoon altijd om de andere dag, om – vaak twee uur lang – allerlei pretentieloze ongein te delen. In onze eigen, voor anderen nogal schokkende code, waarbij goede smaak, politieke correctheid en de wetten van de logica de eerste slachtoffers zijn. Niets heeft ons de afgelopen negen jaar daarvan afgehouden: geen persoonlijke depressies, geen enge verkiezingsuitslagen, geen moorddadige kalifaten, zeker geen COVID-ellende (want wat moet je anders als alles dicht is), zelfs de dood van onze oma’s niet.

Maar Poetins krankzinnige oorlog tegen de weerloze Oekraïne dus wel. Helemaal sinds hij zondag zijn nucleaire dreigement op tafel legde. Elke vorm van humor en vermaak ligt ineens zwaar op de maag – nee, erger nog: maakt me misselijk. Het lukt me niet meer mijn zinnen te verzetten met verdovende kicks als seks, snoepen en pretentieloze grappen.
  Dat is allemaal nog tot daaraan toe. Snelle kicks hebben een funeste werking: je raakt eraan verslaafd en onderwijl worden ze steeds minder bevredigend. Prima dus als je daar (desnoods tijdelijk) vanaf raakt. Maar ik heb het ook met verheven dingen. Concreet: ik heb vandaag bijna geen muziek geluisterd.

Waarom zou je geen muziek willen luisteren als de wereld in brand staat? Er is altijd zoveel ellende aan de gang, je wilt toch niet als een überwokiaan afzien van Bach en Mozart alleen maar omdat er elders mensen creperen? Daar schiet niemand iets mee op, toch? Nee, en ik wil het ook niemand aanbevelen. Maar zo werkt het momenteel voor mij. Adorno’s dwaze uitspraak dat het barbaars is om na Auschwitz nog een gedicht te schrijven, lijkt bij mij ineens Anklang te vinden.
  Het lijkt bijna onbehoorlijk om überhaupt nog iets te doen. Ik kom ’s ochtends mijn bed nauwelijks meer uit. Maar ja, daarin heb ik het natuurlijk gemakkelijk. Mensen met een gewone baan moeten eruit, anders heb ik mijn eten en mijn spulletjes niet. Dan maar gewoon mee opstaan…
  Maar zonder muziek dus. De eerste dagen van de oorlog was het nog niet zo hoor. Eerst lachte ik zelfs nog om een überfout aprèsskiliedje van de Zware Jongens. Dat was snel voorbij, maar ik luisterde nog wel de gebruikelijke wavemuziek. Duistere muziek uit, of in de geest van, begin jaren tachtig, de tijd van het grote doemdenken – het leek de ultieme soundtrack voor deze nare tijd.
  Maar nu dus niet meer. Muziek kan mijn zinnen niet meer verzetten, ik kan er niet meer in opgaan. Ik kan de ellende er niet door vergeten, zoals dat voorheen wel lukte. En mocht het toch nog een keer lukken, dan slaat de ellende wel weer in mijn gezicht als het liedje afloopt. Je kunt wel even schuilen, maar je moet doorlopen en intussen is het alleen maar harder gaan regenen.

Niet dat ik niet meer met muziek bezig ben hoor. Zo werkt mijn hoofd niet. Verschillende muziekstukken schieten door mijn geest, inclusief complete improvisaties. Weet je wat er nu de hele tijd in mijn hoofd zit? Het Andante uit de tweede symfonie van Alexander Borodin. Inderdaad, een Rus!
  Het deel waar ik het over heb is al jaren een favoriet van me. Die machtig ontroerende hoornsolo in het begin, met zijn zwaarmoedig troostende tonen die zich aan elke ritmische vastigheid onttrekken, en daarna het blazersensemble dat die melodie, als een soort gesmolten koraal, met dezelfde onvastheid voortzet – het heeft me altijd diep geraakt. Maar nu voelt het vies. De warmte die ik erbij voel is als de warmte van het Russische gas: fysiek weldadig, maar au fond niet in orde.
  Waarom dan toch? Die man leefde van 1833 tot 1887, wat heeft die nou met Poetin en zijn oorlog te maken? En al leefde hij nu en stond hij aan de verkeerde kant, daar wordt de muziek toch niet lelijk van? Heb ik niet altijd geroepen dat je de kunst van de mens moet scheiden? Ja, en dat vind ik nog steeds. Ik vind het ook helemaal niet moreel verwerpelijk om naar Borodin te luisteren. Ik lust het alleen niet. Net zoals al die sporters nu domweg niet in de stemming zijn om tegen Rusland te spelen – ook al hebben die Russische atleten niets gedaan.

Ik ken mezelf niet meer terug. Dat ik erg van streek kan raken van de actualiteit is niet nieuw. Depressiviteit ook niet. Maar muziek was tot nu toe altijd wat me op de been hield. Geen enkele soort muziek kan me nu nog uit het dal trekken.
  Nu kan ik wel optimistisch zijn en zeggen dat het wel weer terugkomt, zoals dat altijd is gebeurd. Maar ik vind dat alleen maar cynisch. Poetin annexeert de Oekraïne en moordt misschien wel de halve bevolking uit als ze zich verzet, maar ik zal op termijn Mozart wel weer waarderen. En trouwens: wat is ‘op termijn’? Wie zegt mij dat ik, mijn woonplaats of de wereld er nog is volgende week?

Laat mij maar stikken

Het kan verkeren. Twee dagen later sta ik hier al niet meer achter. Eén gesprek met een geweldig iemand was genoeg. Ik laat het stuk niettemin staan, als waarschuwing aan mezelf en anderen om niet opnieuw in de stront te zakken. En als tijdsbeeld, als getuigenis voor later van hoe erg deze lethargische tijd erop inhakte.

We zitten nu twee jaar vast aan een ziekte die niet de dodelijkste maar wel de vervelendste ooit is. Een ziekte die niet wil doorpakken, maar overal hinderlijk aanwezig is en blijft. Een ziekte die voorlopig ook niet uit beeld verdwijnt, dankzij weer een nieuwe mutatie die intussen al niet zo nieuw meer is.

Deel van de ellende is dat de wereld er al behoorlijk naar aan toe was. In letterlijke zin sowieso: de planeet kreunt onder het – ons – broeikaseffect. Maar ook figuurlijk. Polarisatie heerst, ideologie is belangrijker dan ratio en overal ter wereld dreigt de democratie in te storten. En elkaar kunnen we al helemaal niet meer uitstaan.
  Was deze pandemie in een ander tijdsgewricht gevallen, dan waren er geen wappies geweest, geen Bekende Nederlanders (of Amerikanen, of Serviërs, want wij hebben echt geen monopolie op domheid) die hun eigen verlichte mening over vaccins verspreiden, geen bankfilosofen die op de Universiteit van YouTube hadden gezien dat COVID helemaal niet bestaat. Sowieso vanwege het gebrek aan internet en “sociale” media, maar niet alleen om die reden.
  Bij de Aziatische griep van eind jaren vijftig twijfelde geen mens eraan dat die griep bestond, en dacht ook niemand dat het virus ergens in een academisch ziekenhuis in Japan door een paar oude keizerlijke legerartsen in elkaar was gezet. En áls een eenling al zoiets dacht, bereikte hij alleen zijn eigen wijk of dorp. Zulke onzin kwam niet in de krant, in het filmjournaal of op de radio. Media, politici en deskundigen werden dan ook niet voor zulke onmogelijke keuzes geplaatst als negeren of weerleggen, repressieve maatregelen of serieus nemen van kletskoek.
  Natuurlijk waren er wel “antivaxxers”. De SGP en haar aanhang kwamen vaak negatief in het nieuws bij een polio-uitbraak. Maar zelfs zij geloofden niet dat vaccins je ziek maken in plaats van gezond houden. Zij wilden gewoon principieel ziek worden.

Maar dat is nog maar één probleem van de huidige shit. Ik heb de jaren vijftig niet meegemaakt, maar ik geloof toch wel dat mensen niet zó weinig van elkaar konden hebben als ze maar een beetje verschilden. En de verzuiling dan? Ja, die was er. Maar juist in de jaren vijftig – de jaren dertig zijn een ander verhaal – leefden de zuilen in relatieve harmonie. Er waren rooms-rode kabinetten, en veel protestanten luisterden op de radio gerust naar de KRO. En als er een crisis als een pandemie op je afkwam, dan vormde je eensgezind een front in plaats van onderling ruzie te maken en elkaar als schuldige aan te wijzen. De enigen die dat wel deden waren de communisten, maar die stonden eind jaren vijftig behoorlijk buiten de maatschappij.
  Anno 2022 merk ik dat mijn eigen lontje korter is dan ooit. En niet alleen het mijne. Er is niemand in mijn omgeving die niet ten kwade veranderd is. Verjaardagen – waar je maar met een paar man mag zitten – worden onverdraaglijk van de onderlinge wrevel. Gesprekken op straat of in het ov probeer ik niet te horen, want stel dat de mensen eens domme dingen zeggen. Thuis en op het werk merk ik dat ik niets meer gedaan krijg; dat ik althans hoe langer hoe meer moeite voor hoe langer hoe minder resultaat moet doen. Elke poging om mezelf bij de lurven te pakken en aan het werk te zetten mislukt.
  Er zijn natuurlijk genoeg mensen die wél gewoon werken en productief zijn. Ja, die móéten wel. Maar ik durf er donder op te zeggen dat ook zij de lol in hun werk behoorlijk kwijt zijn. En het zou nog tot daaraan toe zijn als het alleen maar om werk ging. Mijn hobby’s zijn ook niets meer waard. Paardrijden? Nou ja, in godsnaam dan maar… Pianospelen? Zal ik maar weer een dagje overslaan… Lezen? Voelt als opdracht. Kunst? Ik geloof er niet meer in.
  Ik zal de eerste zijn om toe te geven dat deze persoonlijke problemen al jaren spelen. Maar de hele shit rondom de pandemie maakt het wel erger. Net zoals in de maatschappij de filterluchtbellen, de polarisatie en de korte lontjes er al waren, maar de algemene ergernis deze euvelen nog verder versterkt.

Een logische uitweg uit deze ellende lijkt: meer opengooien. Ik snap ook wel dat mensen dat roepen. Ik snap ze in elk geval beter dan mensen die tegen de wetenschap in allemaal enge dingen zoeken achter vaccins – en tot mijn grote verdriet heb ook ik zulke kennissen. Maar meer opengooien is natuurlijk mega-egoïstisch. Dan overstromen de ic’s binnen de kortste keren en krijgen de reeds overwerkte en overvraagde zorgmedewerkers het oneindig veel drukker.
  “Dan moet de regering maar voor een beter beleid zorgen!” Makkelijk lullen vriend. De regering heeft inderdaad een hoop fout gedaan, maar dat geeft jou niet het recht om er ook een potje van te maken. Als je zelf niet in de zorg werkt, doe dan op zijn minst je uiterste best om de zorg te ontlasten. Met andere woorden: zorg dat je geen enge ziektes verspreidt.

De huidige omikronvariant biedt een minibeetje perspectief. Ze lijkt zowaar wat minder schadelijk dan de eerdere soorten COVID. Maar, zo weten we intussen ook, dat weegt niet op tegen de veel grotere besmettelijkheid. Uiteindelijk stromen de ic’s toch wel vol.
  En is het niet met deze variant, dan wel met een volgende. Je wilt het misschien niet weten, maar de dodelijkheid van een virus is niet omgekeerd evenredig aan de besmettelijkheid. Uit deze omikronvariant zullen weer nieuwe varianten evolueren, en die kunnen in theorie net zo dodelijk zijn als AIDS. Iedereen hoopt dat het virus uiteindelijk een soort verkoudheid wordt, maar niemand weet dat zeker.

Op mijn leeftijd hoef ik me nog niet al te veel zorgen te maken over COVID-19. Misschien heb ik het al drie keer gehad en niets gemerkt. Maar ook ik kan er doodziek van worden. Zelfs als er géén nieuwe variant komt die net zo dodelijk is als AIDS.
  In dat geval wil ik niet naar het ziekenhuis. Ik heb schoon genoeg van dit leven, met zijn onvermijdelijke teleurstellingen, zijn onleefbare ergernissen, zijn onoplosbare problemen. Ik gun mijn plaats liever aan een ander, die meer aan de wereld bij te dragen heeft en meer van het leven houdt. LAAT MIJ MAAR STIKKEN!

Voorlopig geen Twitter

Even een korte dienstmededeling, die (helaas) niets met muziek te maken heeft. Ik heb hier veel meer over te zeggen, dus misschien breid ik dit stuk nog uit. Nu even het hoognodige.

Ik stop voorlopig met Twitter en ik hoop dat “voorlopig” langer duurt dan de paar uur die ik er van nature van kan afblijven.

Verdient zoiets überhaupt een melding? En zo ja, waarom dan een hele blogpost en niet gewoon een tweet? Wel, omdat Twitter het enige sociale medium is waarop ik actief ben. Zeker in deze tijd van quarantaines is het mijn voornaamste interactie met de wereld. Als ik ermee stop, mis ik een hoop informatie over mijn vakgebied (en over taalkunde, mijn voornaamste lekeninteresse), en verlies ik nóg meer sociaal contact. Dus ja, zo’n besluit slaat wel in. Bij mij dan.

Bovendien is Twitter nooit gemaakt voor het uitwerken van standpunten. In 280 tekens gaat dat gewoon niet. Zelfs als je draadjes maakt, voel je de drang van de formule om het bondig te houden (om niet te zeggen: schreeuwerig). En mensen die niet inzien dat Twitter er niet is voor jouw mening, die zijn nu net mijn grootste ergernis.

Om het geval maar bij de naam te noemen: ik heb mijn buik vol van politiek Twitter. Natuurlijk van de rechts-populisten met hun domme en gevaarlijke ideeën, die op Twitter sterk oververtegenwoordigd zijn. Maar die zijn eigenlijk nog het minste probleem. Ik heb ze niet in mijn tijdlijn; hun non-ideeën vervuilen alleen de “trending”-balk.
  Nee, links-intellectuele Twitteraars zijn een groter probleem. Tenminste: zij die hun mening in één tweet kunnen krijgen. In de letteren- en cultuurwereld waarin ik rondhang, is bijna iedereen links – sommigen net zo links als ik, anderen veel linkser. Tja, meningen verschillen nu eenmaal en in het echt is dat prima. Op Twitter echter laten mensen vaak de boudste uitspraken vallen, veelal doorspekt met -ismen en -fobieën. Dit is racistisch, dat is seksistisch, zus is homofoob, zo is transfoob…
  Als je ertegen ingaat, krijg je een hele ideologische bende op je nek. Want mensen met radicale ideeën zijn altijd actiebereider dan mensen die zich afvragen of het ook nog zo-en-zo zou kunnen zijn. Bovendien – dat had ik al gezegd – past een nuance niet in het formaat van een tweet. Discussiëren met radicale ideeën is daarom een verloren strijd.
  Bovendien is dat de afgelopen tien jaar erger geworden. De formule van sociale media leidt tot filter-luchtbellen: echokamers waarin mensen elkaars ideeën eindeloos napraten en vaak nog versterken. Daarbij raakte ook de echte wereld gepolariseerd, zeker na de verkiezing van Trump (vergeef mij het gebruik van dit vieze woord). De opkomst van dom-rechts zorgde ervoor dat men zich in mijn omgeving steeds meer in linkse orthodoxieën ging ingraven. Eerst in de VS, later ook in Europa – want wat in Amerika gebeurt, is ondanks alles voor veel mensen nog steeds stof tot blinde navolging.

Vandaag werd het me echt, echt te gortig. Iemand op Twitter beweerde ijskoud dat Rutte en De Jonge “narcisten”, ja zelfs “psychopaten” waren. Toen ik hem aansprak met de vraag of hij überhaupt wel wist wat dat inhield, kreeg ik te horen dat ik niet goed had opgelet als ik dat niet zag. Want hè, mensenlevens konden hun niks schelen. Toen ik hem vervolgens uitdaagde om één wetenschappelijke bron te vinden waarin dat beweerd wordt, kreeg ik te horen dat het “zo natuurlijk niet werkte”. Met andere woorden: ik mag roepen wat ik wil en als jij het niet met me eens bent, zie je het verkeerd.
  Ik ben geen fan van premier Rutte (wel een beetje van het jenevermerk) of van De Jonge. Dat is trouwens het laatste wat ik over mijn eigen voorkeur ga zeggen – dit is geen politiek weblog. Maar je moet toch echt wel straal verblind zijn door je eigen gelijk als je zoiets beweert. De afgelopen jaren hebben we uitentreuren kunnen zien hoe échte narcisten in de politiek zich gedragen: in eigen land bij een bepaalde oppositiepartij, in het buitenland bij… nou ja, vul zelf maar in. Ons kabinet heeft in elk geval vrij snel impopulaire maar noodzakelijke quarantainemaatregelen afgeroepen – en deze in stand gehouden. Vergelijk dat voor de gein eens met het ‘beleid’ van Bolsonaro. Dat het met die vaccinatie niet loopt, komt voort uit oenigheid, niet uit de psychopate neiging met levens te spelen. En hoewel Rutte niet in zijn eerste leugentje gestikt is, haalt hij geen tiende van de manipulatie, machtswellust en totale waarheidsverachting die Trump heeft laten zien.
  Als je zulke dingen beweert mis je, kortom, ieder gevoel voor verhouding. Zou het je lukken de goegemeente hiervan te overtuigen (gelukkig een vrij hypothetisch geval), dan zullen ze op den duur massaal op die stink-partijen gaan stemmen – de meerderheid der Nederlanders is nu eenmaal rechts en blijkbaar maakt het tóch niet uit of je nu CDA of FVD kiest…

Oké, het is alweer veel langer, veel gedetailleerder en veel politieker geworden dan ik gewild had. Hoe dan ook: hopelijk zijn er mensen die mijn ergernis begrijpen. Twitter zit helaas vol met zulke extremo’s, radicalo’s en eigengelijko’s. Mijn eigen regel is: zo min mogelijk over politiek tweeten. Maar als ik andermans berichten lees, kan ik me vaak niet inhouden. Dit gaat zwaar ten koste van mijn geestelijke gezondheid. Ik ben depressief (klinisch vastgesteld) en dat wordt er zo niet beter op. Dus wat mij betreft: veel plezier allemaal met je heilige gelijk. Stik erin!

Asterix in streektalen

Oké jongens. Ik had jullie nieuwe stukjes over muziek beloofd, die hebben jullie nog steeds tegoed. Maar ik ga mijn website vanaf nu ook gebruiken voor andere dingen. Mijn interesse is niet beperkt tot de muziek, en ook op andere gebieden gaan er soms zaken in me om die ik het delen waard vind. Wees gerust: ik zal er geen online dagboek of politiek column-weblog van maken. Daar heeft de wereld naar mijn mening geen behoefte aan en ik ook niet.

Babel in de boekenkast
Eén van mijn hobby’s buiten muziek is taal, streektaal in het bijzonder. Dat weet iedereen die in 2017 trouw mijn weblog heeft gevolgd: in mijn rubriek met honderd ‘Nederlandstalige’ liedjes kwamen er geregeld liedjes in streektalen voorbij. Een andere hobby van mij zijn strips. Tenminste, de klassieke reeksen Suske & Wiske, Kuifje en Asterix.
  Van Kuifje en Asterix bestaan talloze vertalingen, die ik verwoed verzamel. Mijn portemonnee vindt dat niet altijd even leuk, maar mijn boekenkast is er wel blij mee. Momenteel heb ik (ja, ik moest even tellen) Kuifje in 34 talen/dialecten en Asterix in 23.

Van Asterix bestaan volgens deze geweldige fansite intussen 115 taalversies. Dat is wel een beetje overdreven: de site telt namelijk aparte edities voor bijvoorbeeld Brits en Amerikaans Engels of Europees en Braziliaans Portugees als twee talen. Ook een reeds lang afgebroken Vlaamse versie wordt apart geteld.
  In zulke versies ben ik niet zo geïnteresseerd. Des te meer boeien mij de uitgaven in streektalen. Een streektaal is, althans in de definitie die ik hanteer, de min of meer coherente taal van een streek die goed in het bewustzijn van de mensen verankerd zit. Het kan een aparte taal zijn, of een dialect, of een twijfelgeval. Soms is de streektaal springlevend, soms loopt ze acuut gevaar uit te sterven. De streektaal leeft vaak het meest op het platteland; sommige daarentegen hebben in de stad net zo goed hun plaats. Maar altijd is het een taal die sterk met de regionale identiteit verbonden is en door veel mensen – sprekers en niet-sprekers – op het hart gedragen wordt.
  Streektalen moeten het op schrift meestal afleggen tegen landstalen. Ook een taal met officiële status en een plekje op het lesrooster, zoals het Fries, wordt lang zo vaak niet gelezen en geschreven als het Nederlands. Veel mensen missen dan ook routine in het lezen van de streektaal. Daarom zijn stripvertalingen ook zo aantrekkelijk voor deze groep talen: het plaatje doet al een groot deel van de uitleg en de lezer kan zo spelenderwijs zijn taal leren lezen, zonder zich al te zwaar in te spannen.

De “Nederlandse” streektalen: een feestje uit de vorige eeuw
Tot nu toe zijn er in Nederland en Vlaanderen van vijf verschillende streektalen of plaats-dialecten Asterix-albums verschenen: Antwerps, Fries (4), Gents, Limburgs (2) en Twents. Zelf heb ik één Fries album, het Gentse album en de twee Limburgse vertalingen.
  Vijf streektaalversies in een relatief klein hoekje van de wereld. Dat kon minder, zou je zeggen. Maar weet je wat nu zo jammer is? De boeken zijn alweer jaren geleden uitgegeven en geen van alle nieuw verkrijgbaar. De twee Limburgse albums verschenen in 1996 en 1998. De serie leek een succes te worden maar brak af. Het Twentse album kwam ongeveer tezelfdertijd uit, in 1997. Ook geen vervolg. De Antwerpse en Gentse vertalingen (overigens van hetzelfde album) verschenen in 1999; geen vervolg, niet met Antwerps en Gents, niet met andere dialecten in Vlaanderen. En de Friese Asterixen… och, die kwamen tussen 1978 en 1981 uit. Duizenden kinderen moeten de tweede landstaal van Nederland op school leren lezen, maar Asterix staat al sinds de jeugd van hun ouders niet meer tot hun beschikking.

Waarom is er sinds 2000 in heel Nederland en Vlaanderen niets meer op dit gebied verschenen? Je zou misschien zeggen: er is geen vraag naar. Je kunt die dingen overal in het (Standaard-)Nederlands krijgen, waarom zou je ze dan in een andere taal lezen?
  Die redenering gaat misschien op voor de Friese versies. Deze vertalingen zijn gemaakt in een tijd dat de meeste mensen nog zo redeneerden. Stripalbums in de streektaal hebben een ideële functie, maar zijn zeker ook hebbedingen. Die status hing er anno 1980 misschien nog niet zo aan: veel minder Friezen voelden zich geroepen om nu juist die Friese Asterix te kopen. Bovendien is dat project misschien te snel gegaan. Binnen drie jaar verschenen de eerste drie albums, plus het toen nieuwe album De grutte kleau. Klaarblijkelijk was het de bedoeling om alle albums in het Fries te vertalen. Dat was wat hoog gegrepen; gevolg was dat Daugard het project stopte.
  Een andere logische verklaring is de achteruitgang van de streektaal. Zoals bekend hebben streektalen het moeilijk. Strips zijn in de eerste plaats voor kinderen bedoeld, zij groeien steeds minder op met het dialect. Maar nee, zo werkt het niet. Mede door de moeilijkheden waarin de streektalen verkeren, zijn steeds meer mensen ze als waardevol gaan beschouwen. Uitgaven als deze trekken meestal volop de aandacht en lopen vaak goed. Nog even los van het feit dat kinderen nog vaak tweetalig opgroeien – en dat Asterix een flinke volwassen fanschare heeft…
  In andere landen lopen of liepen soortgelijke projecten. Zo verschenen in Finland – het dunbevolkte Finland met zijn vijf miljoen inwoners – versies in het Stadi, Rauma, Savonisch en Karelisch. In Griekenland sprak Asterix Kretenzisch, Cypriotisch, Pontisch (een bijna verdwenen dialect dat gesproken wordt door de oudere generatie Griekse vluchtelingen uit Noord-Turkije!) en natuurlijk Oudgrieks. Op de Britse eilanden is Dalen momenteel bezig Asterix en Kuifje in Keltische talen uit te brengen. Die series lopen verdomd goed. Het Welsh trekt de kar, maar ook in het Iers, Schots en Schots Gaelic verschijnen jaarlijks nieuwe vertalingen. Allemaal zijn die talen kleiner en/of bedreigder dan het Fries.
  Maar de grootste onderneming van deze aard komt toch uit Duitsland. Uitgeverij Egmont-Ehapa begon in 1995 met haar Mundart-serie en het project loopt nog steeds. Anno 2019 zijn er 76 banden in alle mogelijke Duitse dialecten, van Oostfries tot Zuid-Tirools, van Keuls tot (Boven-)Saksisch. Zelfs in het Ruhrdeutsch, het regionaal gekleurde Duits van het Roergebied, zijn succesvolle uitgaven verschenen. De serie loopt nog steeds, en veel oudere banden worden opnieuw uitgegeven. Het kan dus wel!

Het ware probleem zit waarschijnlijk bij de uitgever. In veel andere landen worden de albums in licentie uitgebracht, maar in de Benelux is dat niet het geval: daar liggen de rechten op Asterix bij dezelfde uitgeverij als in Frankrijk. Vóór 1998 was dat Dargaud; in dat jaar nam Hachette de rechten over.
  Het lijkt er helaas op dat met die overname de animo voor streektaal-Asterixen is verdwenen. Tenminste: bij degenen die erover gaan. Ik heb er nooit een expliciete bevestiging van gekregen, maar niets wijst op het tegendeel. Jos Swanenberg, streektaalfunctionaris van Noord-Brabant, vertelde mij dat hij “nul op het rekest” kreeg toen hij de uitgeverij daarover contacteerde. Geplande vervolg-uitgaven in het Limburgs en Twents gingen niet door. Voeg daarbij dat Hachette geen uitgaven in licentie meer toestaat (Dargaud vond het nog wel goed dat “De oare útjouwerij” uit Enschede de Twentse versie verzorgde) en het ziet er sinds 1998 niet meer rooskleurig uit voor dit project.
  Een extra aanwijzing voor de onwillige houding van de rechthebbenden komt uit Frankrijk. Daar verscheen in de jaren nul nog wel een aantal streektaaluitgaven, maar het ging zonder uitzondering om albums van Les Éditions Albert René, de eigen uitgeverij van Asterix, die vanaf nummer 25 (toevallig het eerste album na de dood van Goscinny) de uitgaven van nieuwe albums heeft verzorgd. Uderzo en de erven Goscinny zijn blijkbaar niet zo star als Hachette.

En toch… er moet nieuw leven in!
Maar laten we de zaak optimistisch inzien. Dat er deze eeuw geen Asterix-albums in de streektaal meer verschenen, betekent niet dat dit altijd zo moet blijven. Een uitgeverij wordt bevolkt door mensen, en die mensen kunnen worden overtuigd van de zin van zo’n onderneming.
  Als de mensen van Hachette meelezen, wijs ik ze graag op het grote succes van de Duitse Mundart-editie, maar ook op het Nijntje-project in Nederland. Weten jullie nog hoe Nijntje de afgelopen jaren in tientallen dialecten op de markt kwam? Er verschenen zelfs boekjes in dorpsspraken als het Groesbeeks en het Spakenburgs! Zeker, Asterix is duurder dan Nijntje, en een Groesbeekse Asterix lijkt me wat te veel gevraagd. Maar het toont wel dat de animo voor vertaalde jeugdboeken enorm kan zijn.
  Volgens mij komt het aan op publiciteit. Uitgaven van dit soort moeten de media halen, dan kopen mensen ze wel. En: ze moeten gebundeld worden uitgebracht. Daarmee bedoel ik: de vertalingen moeten ongeveer gelijktijdig verschijnen en als één project worden gepresenteerd. Als iemand tegelijk of kort na elkaar leest over Asterixen in het Fries, Twents en Limburgs, zal h/zij zich meteen afvragen: is er ook een in mijn streektaal? Als dat balletje eenmaal rolt, melden nieuwe vertalers zich vanzelf.

Hoe kan dat eruit zien?
Om te beginnen moeten de albums die al verschenen zijn opnieuw worden uitgebracht. Even samenvatten: er zijn al vertalingen in het

  1. Fries
  2. Limburgs
  3. Twents
  4. Antwerps
  5. Gents

De bestaande albums zullen moeten worden nagekeken. Herspellen is gewenst, vaak nodig. Zo is het eerste Friese album “un ferhaal fon Asterix de Goljer”. Dat moet in een nieuwe uitgave netjes “in ferhaal fan Asterix de Galjer” worden.
  Deze talen zijn behoorlijk populair. Er is wat mij betreft genoeg ruimte voor nieuwe uitgaven, in elk geval in het Limburgs en het Twents. Geloof mij maar, die worden echt wel verkocht.

Maar er worden in Nederland en Vlaanderen meer talen gesproken. Sommige van die streektalen zijn nog net zo levendig of geliefd als de bovenstaande. In elk geval is er plaats voor Asterixvertalingen in het

  1. Gronings
  2. Noord-Brabants
  3. West-Vlaams

Het Gronings is, net als het Twents, een Nedersaksisch dialect dat het weliswaar moeilijk heeft maar nog behoorlijk leeft onder de bevolking. Bovendien wijkt het nogal af van de andere Saksische dialecten. Het West-Vlaams is zoiets als het Limburgs in Nederland: de taal van een provincie die door de rest van het land bespot wordt, maar nog volop door mensen van alle leeftijden gesproken wordt. Het Noord-Brabants is de streektaal van een provincie met een sterke regionale identiteit. De dialecten verschillen niet zo gek veel van het Standaardnederlands; juist daarom spreken veel Brabanders ze moeiteloos als tweede taal.

Mocht het met deze streektalen een succes worden, dan kunnen we het project uitbreiden. Diverse variëteiten komen in aanmerking. We kunnen denken aan de volgende (de volgorde is bij benadering, maar niet strikt, prioritair):

  1. Drents
  2. Zeeuws
  3. Sallands/Veluws/Achterhoeks
  4. Brussels
  5. West-Fries
  6. Kempens
  7. Stadsfries
  8. Utrechts
  9. Haags
  10. [Belgisch-Limburgs]

Allemaal lijkt me wat te veel van het goede, maar we kunnen kiezen. Over Sallands, Veluws en Achterhoeks twijfel ik wat. Sallands, Oost-Veluws en West-Achterhoeks lijken sprekend op elkaar, terwijl Oost-Achterhoeks heel veel met Twents gemeen heeft. Daar zou je dus rekening mee moeten houden.
  Belgisch Limburg biedt een ander probleem. In de bestaande Limburgse albums worden meerdere dialecten naast elkaar gesproken, maar het gaat bijna alleen om dialecten uit Nederlands Limburg. We kunnen dat in nieuwe vertalingen rechtzetten, maar er kan ook een aparte editie voor Belgisch-Limburgse dialecten komen. Enfin, dat is allemaal van later zorg.

Wat moeten we doen? Of wat kunnen we doen?
Een rondje mailen naar Hachette met de vraag of we Asterix mogen vertalen, dat helpt niet. Daar zijn we intussen wel achter. Initiatieven als dit hebben alleen kans als je ze bundelt. De vraag naar Asterix in de streektaal, om te beginnen heruitgaven van de al bestaande albums, moet echt “een ding” worden. Ik hoop met dit stukje de Nederlandse en Vlaamse Asterixofielen en streektalofielen te mobiliseren. Als de uitgever meer hoort over dit initiatief, gaan ze het misschien overwegen.

Meld je vooral hieronder als je nog tips of suggesties hebt. Ook als je graag wilt dat Asterix in jouw streektaal verschijnt, is je reactie meer dan welkom!

Postscriptum
Ik had nog één editie over het hoofd gezien: een bootleg in het Kampers. Deze is in 2003 in zeer kleine oplage verschenen. Dat is allemaal niet zo legaal – vast niet voor niets heeft de vertaler zich van het pseudoniem ‘Grasien’ bediend – maar wel relevant voor wie ambitieuze plannen heeft op dit gebied.