Het ijzeren repertoire – 2

Dit jaar schrijf ik een serie stukjes rondom overbekende popliedjes. Dat doe ik omdat de muziekwetenschap de analyse van popmuziek nog vaak links laat liggen. Op die manier hoop ik lezers met heel andere oren te laten luisteren.

Met mijn hernieuwde excuses dat ik wéér te laat ben. Nadat ik vorige week eindelijk aan deze serie was begonnen, is het met nu niet gelukt om stukje twee een week later te schrijven. Enfin, beter laat dan nooit.

Vandaag wil ik het hebben over “MMMBop” van Hanson. Waarom? Omdat ik dertien was toen dat een hit werd, en omdat ik er nog steeds heel blij van word. Einde discussie. Laten we maar meteen beginnen met luisteren.

Voordat we het liedje gaan opensnijden met de vraag wat we precies horen, moeten we eerst even kijken naar wie we horen. Hanson is een echte band (dus geen bij elkaar gebracht zanggroepje), bestaande uit drie broers Isaac, Taylor en Zac Hanson. Dat ze jong zijn kunnen we zien. Op het moment dat “MMMBop” uitkwam waren de jongens respectievelijk 16, 14 en 11; ze zien er in deze video eerder nog wat jonger uit.
  Ook niet onbelangrijk: ze waren geen eendagsvliegen. Na “MMMBop”, hun debuutsingle, hadden ze nog hits met “Where’s the love” (15e plaats in de Nederlandse Top 40), “I will come to you” (9), “Weird” (tipparade) en “If only” (23). Zegt me allemaal niets, evenmin als de hele trits albums die ze sindsdien uitbrachten. Hun laatste plaat uit 2018 draagt de Muse-achtige naam String theory en staat vol met door een compleet orkest ondersteunde liedjes. Dat jullie dat even weten. Misschien is het de tijd geweest. Taylor kreeg al gauw de baard in de keel, en zonder zijn karakteristieke jongenssopraan was Hanson toch Hanson niet.

Dan nu het liedje zelf. We horen een blij liedje in een hoog tempo, met akkoorden die elkaar het liedje blijven opvolgen: A – E – D – E. Het akkoordschema kan bijna niet gewoner: trap I, IV en V, met een subdominant die keurig via de dominant naar de tonica terugkeert.
  Zulke simplistische akkoordschema’s doen ons aan punk denken. Inderdaad was punkpop midden jaren negentig “een ding”, met talloze vooral Californische bandjes die de harten van tieners maar stiekem ook twintigers veroverden. Waarschijnlijk moeten we de inspiratie echter ergens anders zoeken. Zac, de jongste van de drie broers, vertelde in een interview uit 2004 al dat thuis vaak de muziek uit de jaren vijftig en zestig op stond. We horen de invloed van “La Bamba” (met ongeveer hetzelfde obstinate akkoordschema: A – D – E). Bij de regels “And when you get old and start losing your hair / Can you tell me who will still care” moet ik sterk denken aan “When I’m sixty-four” van de Beatles.
  Het belangrijkste is echter het refrein, waarin we voortdurend het nonsenswoord “doo-wop” horen. Rockliedjes met “doo-wop” waren in de jaren 1955-1963 zo algemeen dat er een heel genre naar is vernoemd. Ook de titel is een “doo-wop”-woord. Schampere critici stonden natuurlijk in de rij om bij het uitkomen van de single te vragen wat een mmmbop nou precies is. Afgaande op de tekst, die gaat over vrienden die je in een “mmmbop” weer kwijt bent, is het een beperkte tijdsspanne. De echte betekenis doet er natuurlijk niet toe. Het woord is gewoon verzonnen omdat het lekker en grappig klinkt. Tieners, de mensen voor en door wie dit liedje gemaakt is, begrijpen dat.

Drie tienerjongens met een lekker klinkende superhit. Je eerste gedachte daarbij is niet dat ze het zelf geschreven hebben. Toch staan de namen van de drie broers als songwriters op het hoesje. Natuurlijk is er een arrangeur overheen gegaan. De vraag blijft in zo’n geval: wat hebben de broers zelf aan het liedje bijgedragen en wat is het werk van de arrangeur? Geen onbelangrijke vraag, want dit simpele liedje zit vol met goed gekozen elementen die het boven de middelmaat uittillen en zorgen dat we er anno 2019 nog steeds zo blij van worden.
  De oorspronkelijke versie van het liedje, in 1996 op het debuutalbum van de jongens uitgebracht en niet als single verschenen, kan misschien wat licht op de zaak werpen.

Het liedje is een stuk langzamer. Tenminste: het begint een stuk langzamer maar trekt later op, om aan het einde weer te vertragen. Dat het liedje ruim een minuut langer is dan de singleversie, komt echter vooral doordat er veel tekst wordt herhaald die later weg zou blijven. De oerversie krijgt daardoor een beetje het aanzien van een jamsessie: de elementen staan min of meer vast, maar ze kunnen op elke gewenste plaats in het liedje komen. Wat dat betreft is het jammer, maar begrijpelijk dat de hitversie compleet is strakgetrokken: een standaardduur (tussen de drie en vier minuten), een standaardstructuur (herkenbare coupletten, refrein en bridge) en een volstrekt constant tempo.
  De versie van 1997 heeft echter niet alleen dingen weggelaten. Er duiken ook nieuwe elementen op. Om een hit te worden heeft een popliedje (gewoonlijk) een hook nodig: een los muziekelement dat aan je oren blijft plakken. Vaak gebeurt dat zonder dat je het door hebt (tenminste: zonder dat je erbij stilstaat). Een hook moet dus boven de gang van de muziek uitsteken, maar niet te ver.
  In dit nummer (we hebben het nu weer over de oorspronkelijke versie) horen we de eerste hook op 0:28. Het gewone gitaarloopje wordt nu ingekleed in vervormde power chords. Die akkoorden klinken later in het refrein ook, maar daar klinken ze de hele tijd. Omdat ze hier in een rustige omgeving één keer (één rondgang van het akkoordschema) worden toegepast, springen ze eruit.
  Een andere hook is rond 0:58 voor het eerst te horen. Als je goed luistert, hoor je daar het scratchen van een plaat. Dat is een techniek uit de hiphop, die in een poprockliedje als dit niet de functie heeft die het in zijn oorspronkelijke context had. Maar rond 1997 hadden pubers al zoveel hiphop gehoord dat ze aan het cliché van de teruggeschoven grammofoonplaat waren gewend. Hier is het een nieuw geluidje, dat de begeleiding moet afwisselen.
  Er zijn nog andere gesofisticeerde dingen te horen, die niet per se onder de term hook vallen. Omdat zijn oudere broer Isaac de stembreuk al ruimschoots achter de rug had, klinkt zijn zang een octaaf lager dan Taylors leadzang. Een groot deel van het liedje zingen ze ongeveer dezelfde partij – als we Isaac al horen – maar vanaf 2:47 lopen ze uit elkaar. Wat heet: we horen levensechte polyfonie!

De clip is een ander verhaal. Daar kunnen we kort over zijn: die is erg professioneel en vooral bedoeld om de drie bandleden als frisse jongens neer te zetten. We zien ze spelen in de huiskamer en tussendoor typische jongensdingen doen in de bus, aan het strand en, jawel, op de maan. De clip geeft dus geen gestalte aan de voor tieners best rijpe en levenswijze tekst over vrienden die je zomaar kunt verliezen.

Zoals ik al zei: Hanson bestaat nog steeds en brengt nog steeds nieuw materiaal uit. Van hun “MMMBop”-imago komen ze nooit meer af, maar dat hebben ze blijkbaar geaccepteerd. Niet alleen spelen ze het nog altijd op concerten, voor hun album String theory (zie boven) namen ze een compleet nieuwe versie op. Ik kan niet garanderen dat deze versie je favoriete gaat worden, maar luister er gerust naar:

Het ijzeren repertoire – 1

Vandaag kom ik dan eindelijk, eindelijk toe aan wat ik jullie al eerder had beloofd. Eind vorig jaar stelde ik jullie een nieuwe reeks stukjes in het vooruitzicht. Vorige maand wilde ik daar ook aan beginnen, maar de techniek zat een beetje tegen. Een compleet stukje had ik uitgetikt, en het ging compleet verloren. Zie dan nog maar eens nieuwe motivatie op te brengen om het te herschrijven…
  Enfin, zodoende heb ik dus tot februari gewacht met mijn goede voornemen. Dat overkomt de besten, nietwaar?

Hoe dan ook, dit jaar schrijf ik een serie stukjes zoals jullie ze van me gewend zijn. Stukjes waarin een nummer geanalyseerd wordt aan de hand van de noten, de tekst en/of de sociale context, al naar gelang waar het meest over te zeggen valt.
  Waar het in 2017 ging om honderd Nederlandstalige popliedjes, ligt de nadruk nu op bekende liedjes. Echt het ijzeren poprepertoire, dat je vermoedelijk al tientallen keren gehoord hebt en dat je met je ogen dicht kunt meezingen. Liedjes die je misschien ook helemaal niet leuk vindt, alternatief als jij ongetwijfeld bent.
  Ik heb hier echter een goede reden voor. Popular Music Studies, de tak van de muziekwetenschap die de pop en de commerciële muziek in het algemeen onderzoekt, staat nog steeds in de schaduw van de historische muziekwetenschap (vooral de “klassieke” muziek met haar grote meesters) en de etnomusicologie. Bovendien concentreert PMS zich op de sociologische kant van de zaak; artikelen over popmuziek verschijnen vaak in niet-muziekwetenschappelijke tijdschriften. Die interdisciplinaire benadering is leuk en ook zeker zinvol, maar ook de analyse van muziekstukken op zich (nummers, platen, complete oeuvres, liveconcerten) hoort zijn plaats te hebben. Ik vind het een grote belediging voor alle popmuzikanten om te doen alsof alleen hun act relevant is en hun liedjes niet.
  Kortom: verwacht niet dat je dit jaar veel nieuwe muziek leert kennen. Verwacht wel nieuwe inzichten: ik hoop je veel dingen te vertellen die je nog niet weet of waar je nog nooit bij hebt stilgestaan.

Vandaag komt “The Rose” aan bod, in 1979 bekend gemaakt door Bette Midler in de gelijknamige film en een jaar later een hit in diverse landen.
  Wie 1980 bewust heeft meegemaakt, is vermoedelijk destijds niet aan het liedje ontkomen. Zelf ken ik het van de muziekles op de middelbare school. Dat schijnt voor meer mensen te gelden; ongetwijfeld vanwege zijn eenvoudige structuur komt het liedje vaak in de les voorbij. Anderen kennen het misschien van de AIDS-herdenkingsmarsen uit de jaren tachtig en negentig, of van hun moeder – want muziek voor huisvrouwen is het wel. Adult contemporary noemt de muziekindustrie dat: hitmuziek die niet of niet alleen tieners maar juist ook 25-plussers aanspreekt.
  Diverse lezers zijn ongetwijfeld niet zo tevreden over deze keus. Moet dat nou, zo’n suf en clichématig liefdesliedje? Ja, ik vind dat dat moet. In dit suffe liedje staan namelijk bijna ieder woord en iedere noot op de juiste plaats.

Even het geheugen opfrissen:

Wat onmiddellijk opvalt is de spaarzame begeleiding. Het voorspel bestaat uit acht karige pianoakkoorden. Eigenlijk zijn het niet eens akkoorden: het zijn open kwinten, die bestaan uit twee verschillende tonen – één te weinig voor een echt akkoord. Die minimalistische begeleiding houdt het hele eerste couplet aan.
  De tekst van dat eerste couplet bestaat uit acht regels van beurtelings acht en zes lettergrepen. Je kunt ook zeggen: vier regels van veertien lettergrepen, met steeds een duidelijke cesuur (scheiding waarin een stilte kan vallen) tussen de achtste en de negende.

     Some say: love, it is a river || that drowns the tender reed.
     Some say: love, it is a razor || that leaves your soul to bleed.
     Some say: love, it is a hunger || an endless aching need.
     I say: love, it is a flower || and you its only seed.

  Deze vier of acht regels maken uitgebreid gebruik van parallellisme. Veel woorden blijven steeds hetzelfde, waardoor je gaat letten op die paar woorden die wél veranderen. Het couplet laat zich keurig regelmatig indelen in vier complete zinnen. De woorden die wel veranderen passen keurig in het ritme (nergens in het hele nummer staat één lettergreep te veel of te weinig, nergens vind je een verkeerde klemtoon!), en ook het binnenrijm is keurig bewaard: river, razor, hunger, flower. Alle vier de woorden hebben dezelfde functie: een metafoor voor de liefde.
  Tegelijk verandert er wél iets in de laatste regel (of laatste twee regels). Drie keer is de mening van anderen over de liefde aan bod gekomen; drie keer is het iets negatiefs: verloren onschuld, pijn, een verslaving. De ikpersoon is de enige die er iets onverdeeld positiefs over te zeggen heeft. Het is een cliché van jewelste (“liefde is een bloempje, lalalalala!”), maar het komt hier tot zijn recht. Dwingend als het metrum en het rijm zijn, klinkt flower als het juiste woord op de juiste plaats.

Zodra de ikpersoon haar mening over de liefde geeft, breekt de begeleiding open. De kale, koude akkoorden in de rechterhand worden vervangen door een volwaardige begeleiding met een melodische figuur, plus een bas. Zo klinkt het meteen wat warmer. En breder. Om daarmee gelijke tred te houden, gaat Bette Midler met zichzelf tweestemmig zingen.
  Het is meteen tijd voor het tweede couplet, want een refrein kent het nummer niet. De luisteraar concentreert zich op die manier op de vergelijking tussen de coupletten. Wat blijft er hetzelfde, wat is er nieuw?
  Ook het tweede couplet is weer heel regelmatig verdeeld. De ikpersoon breidt haar visie op de liefde uit met vier nieuwe metaforen. Allemaal gaan ze over de twijfel in de liefde, waarin het zo vaak “net niet” is door de angst om te verliezen die het spel overschaduwt.
  Van dit couplet zou ik niet zo stellig durven zeggen dat élk woord op de juiste plaats staat. It’s the heart afraid of breaking that never learns to dance, klinkt het. Wat er bedoeld wordt is duidelijk: dansen is een metafoor voor flirten, voor het spel van verovering. Maar een hart kan niet dansen. Het klinkt een beetje houterig. Dan nog maakt de dwingende regelmaat (op rijm en metrum valt nog steeds niets aan te merken) een hoop goed. Je hoeft maar één keer iemand in de liefde te zijn misgelopen terwijl dat niet nodig was om de betekenis te voelen. Te voelen, niet alleen te snappen.

Het derde couplet zet de trend van muzikale verbreding voor. Een enkele ijle vioolpartij kwam in het eerste couplet al om de hoek kijken, maar hier krijgen we een compleet orkest, met naast strijkers ook diverse blazers in subtiele, goed gekozen partijen. Een arrangement is het halve werk, zeker als je een hit wilt. De tweestemmige zang loopt uit in een compleet koor (driestemmig met overdub).
  Tekstueel slaat het nummer nu een andere weg in. Het ijzeren parallellisme dat we gewend waren, wordt vervangen. Er klinken nu geen vier metaforen, maar één zin met één verhaal. Als je denkt dat liefde alleen voor de winnaars van deze maatschappij is weggelegd, denk dan aan de roos die in de lente altijd opschiet, al ligt er ’s winters nog zo’n pak sneeuw.
  Weer geen bijster originele metafoor. Wel een waarheid als een koe. Een waarheid die ook vaak herhaald moet worden, want hoeveel mensen krijgen er in hun leven niet te maken met wanhoop in de liefde? Hoeveel mensen moet er geen moed ingesproken worden om vooral maar door te gaan, ondanks alle vertwijfeling en tegenslagen die dit spel oplevert?

Soms gaat het er niet om wat je zegt, maar hoe je het zegt. Amanda McBroom (die het nummer schreef), Paul Rothschild (de producent) en Bette Midler zeggen het hier mooi en subtiel, met een nagenoeg perfect gevoel voor opbouw. Een goede vriend laat je de boodschap van moed aan den lijve voelen, ook als je haar al duizend keer gehoord hebt. Een goed nummer in een goed arrangement brengt de boodschap met dezelfde kracht.
  In de laatste maten, als het arrangement weer afslankt tot zang en piano, voel je de ontroering bij de zwaarst platgetreden metafoor. Alle cynisme bevindt zich even buiten je. Je wilt het geloven: de liefde heeft ook jou wat te bieden.

Asterix in streektalen

Oké jongens. Ik had jullie nieuwe stukjes over muziek beloofd, die hebben jullie nog steeds tegoed. Maar ik ga mijn website vanaf nu ook gebruiken voor andere dingen. Mijn interesse is niet beperkt tot de muziek, en ook op andere gebieden gaan er soms zaken in me om die ik het delen waard vind. Wees gerust: ik zal er geen online dagboek of politiek column-weblog van maken. Daar heeft de wereld naar mijn mening geen behoefte aan en ik ook niet.

Babel in de boekenkast
Eén van mijn hobby’s buiten muziek is taal, streektaal in het bijzonder. Dat weet iedereen die in 2017 trouw mijn weblog heeft gevolgd: in mijn rubriek met honderd ‘Nederlandstalige’ liedjes kwamen er geregeld liedjes in streektalen voorbij. Een andere hobby van mij zijn strips. Tenminste, de klassieke reeksen Suske & Wiske, Kuifje en Asterix.
  Van Kuifje en Asterix bestaan talloze vertalingen, die ik verwoed verzamel. Mijn portemonnee vindt dat niet altijd even leuk, maar mijn boekenkast is er wel blij mee. Momenteel heb ik (ja, ik moest even tellen) Kuifje in 34 talen/dialecten en Asterix in 23.

Van Asterix bestaan volgens deze geweldige fansite intussen 115 taalversies. Dat is wel een beetje overdreven: de site telt namelijk aparte edities voor bijvoorbeeld Brits en Amerikaans Engels of Europees en Braziliaans Portugees als twee talen. Ook een reeds lang afgebroken Vlaamse versie wordt apart geteld.
  In zulke versies ben ik niet zo geïnteresseerd. Des te meer boeien mij de uitgaven in streektalen. Een streektaal is, althans in de definitie die ik hanteer, de min of meer coherente taal van een streek die goed in het bewustzijn van de mensen verankerd zit. Het kan een aparte taal zijn, of een dialect, of een twijfelgeval. Soms is de streektaal springlevend, soms loopt ze acuut gevaar uit te sterven. De streektaal leeft vaak het meest op het platteland; sommige daarentegen hebben in de stad net zo goed hun plaats. Maar altijd is het een taal die sterk met de regionale identiteit verbonden is en door veel mensen – sprekers en niet-sprekers – op het hart gedragen wordt.
  Streektalen moeten het op schrift meestal afleggen tegen landstalen. Ook een taal met officiële status en een plekje op het lesrooster, zoals het Fries, wordt lang zo vaak niet gelezen en geschreven als het Nederlands. Veel mensen missen dan ook routine in het lezen van de streektaal. Daarom zijn stripvertalingen ook zo aantrekkelijk voor deze groep talen: het plaatje doet al een groot deel van de uitleg en de lezer kan zo spelenderwijs zijn taal leren lezen, zonder zich al te zwaar in te spannen.

De “Nederlandse” streektalen: een feestje uit de vorige eeuw
Tot nu toe zijn er in Nederland en Vlaanderen van vijf verschillende streektalen of plaats-dialecten Asterix-albums verschenen: Antwerps, Fries (4), Gents, Limburgs (2) en Twents. Zelf heb ik één Fries album, het Gentse album en de twee Limburgse vertalingen.
  Vijf streektaalversies in een relatief klein hoekje van de wereld. Dat kon minder, zou je zeggen. Maar weet je wat nu zo jammer is? De boeken zijn alweer jaren geleden uitgegeven en geen van alle nieuw verkrijgbaar. De twee Limburgse albums verschenen in 1996 en 1998. De serie leek een succes te worden maar brak af. Het Twentse album kwam ongeveer tezelfdertijd uit, in 1997. Ook geen vervolg. De Antwerpse en Gentse vertalingen (overigens van hetzelfde album) verschenen in 1999; geen vervolg, niet met Antwerps en Gents, niet met andere dialecten in Vlaanderen. En de Friese Asterixen… och, die kwamen tussen 1978 en 1981 uit. Duizenden kinderen moeten de tweede landstaal van Nederland op school leren lezen, maar Asterix staat al sinds de jeugd van hun ouders niet meer tot hun beschikking.

Waarom is er sinds 2000 in heel Nederland en Vlaanderen niets meer op dit gebied verschenen? Je zou misschien zeggen: er is geen vraag naar. Je kunt die dingen overal in het (Standaard-)Nederlands krijgen, waarom zou je ze dan in een andere taal lezen?
  Die redenering gaat misschien op voor de Friese versies. Deze vertalingen zijn gemaakt in een tijd dat de meeste mensen nog zo redeneerden. Stripalbums in de streektaal hebben een ideële functie, maar zijn zeker ook hebbedingen. Die status hing er anno 1980 misschien nog niet zo aan: veel minder Friezen voelden zich geroepen om nu juist die Friese Asterix te kopen. Bovendien is dat project misschien te snel gegaan. Binnen drie jaar verschenen de eerste drie albums, plus het toen nieuwe album De grutte kleau. Klaarblijkelijk was het de bedoeling om alle albums in het Fries te vertalen. Dat was wat hoog gegrepen; gevolg was dat Daugard het project stopte.
  Een andere logische verklaring is de achteruitgang van de streektaal. Zoals bekend hebben streektalen het moeilijk. Strips zijn in de eerste plaats voor kinderen bedoeld, zij groeien steeds minder op met het dialect. Maar nee, zo werkt het niet. Mede door de moeilijkheden waarin de streektalen verkeren, zijn steeds meer mensen ze als waardevol gaan beschouwen. Uitgaven als deze trekken meestal volop de aandacht en lopen vaak goed. Nog even los van het feit dat kinderen nog vaak tweetalig opgroeien – en dat Asterix een flinke volwassen fanschare heeft…
  In andere landen lopen of liepen soortgelijke projecten. Zo verschenen in Finland – het dunbevolkte Finland met zijn vijf miljoen inwoners – versies in het Stadi, Rauma, Savonisch en Karelisch. In Griekenland sprak Asterix Kretenzisch, Cypriotisch, Pontisch (een bijna verdwenen dialect dat gesproken wordt door de oudere generatie Griekse vluchtelingen uit Noord-Turkije!) en natuurlijk Oudgrieks. Op de Britse eilanden is Dalen momenteel bezig Asterix en Kuifje in Keltische talen uit te brengen. Die series lopen verdomd goed. Het Welsh trekt de kar, maar ook in het Iers, Schots en Schots Gaelic verschijnen jaarlijks nieuwe vertalingen. Allemaal zijn die talen kleiner en/of bedreigder dan het Fries.
  Maar de grootste onderneming van deze aard komt toch uit Duitsland. Uitgeverij Egmont-Ehapa begon in 1995 met haar Mundart-serie en het project loopt nog steeds. Anno 2019 zijn er 76 banden in alle mogelijke Duitse dialecten, van Oostfries tot Zuid-Tirools, van Keuls tot (Boven-)Saksisch. Zelfs in het Ruhrdeutsch, het regionaal gekleurde Duits van het Roergebied, zijn succesvolle uitgaven verschenen. De serie loopt nog steeds, en veel oudere banden worden opnieuw uitgegeven. Het kan dus wel!

Het ware probleem zit waarschijnlijk bij de uitgever. In veel andere landen worden de albums in licentie uitgebracht, maar in de Benelux is dat niet het geval: daar liggen de rechten op Asterix bij dezelfde uitgeverij als in Frankrijk. Vóór 1998 was dat Dargaud; in dat jaar nam Hachette de rechten over.
  Het lijkt er helaas op dat met die overname de animo voor streektaal-Asterixen is verdwenen. Tenminste: bij degenen die erover gaan. Ik heb er nooit een expliciete bevestiging van gekregen, maar niets wijst op het tegendeel. Jos Swanenberg, streektaalfunctionaris van Noord-Brabant, vertelde mij dat hij “nul op het rekest” kreeg toen hij de uitgeverij daarover contacteerde. Geplande vervolg-uitgaven in het Limburgs en Twents gingen niet door. Voeg daarbij dat Hachette geen uitgaven in licentie meer toestaat (Dargaud vond het nog wel goed dat “De oare útjouwerij” uit Enschede de Twentse versie verzorgde) en het ziet er sinds 1998 niet meer rooskleurig uit voor dit project.
  Een extra aanwijzing voor de onwillige houding van de rechthebbenden komt uit Frankrijk. Daar verscheen in de jaren nul nog wel een aantal streektaaluitgaven, maar het ging zonder uitzondering om albums van Les Éditions Albert René, de eigen uitgeverij van Asterix, die vanaf nummer 25 (toevallig het eerste album na de dood van Goscinny) de uitgaven van nieuwe albums heeft verzorgd. Uderzo en de erven Goscinny zijn blijkbaar niet zo star als Hachette.

En toch… er moet nieuw leven in!
Maar laten we de zaak optimistisch inzien. Dat er deze eeuw geen Asterix-albums in de streektaal meer verschenen, betekent niet dat dit altijd zo moet blijven. Een uitgeverij wordt bevolkt door mensen, en die mensen kunnen worden overtuigd van de zin van zo’n onderneming.
  Als de mensen van Hachette meelezen, wijs ik ze graag op het grote succes van de Duitse Mundart-editie, maar ook op het Nijntje-project in Nederland. Weten jullie nog hoe Nijntje de afgelopen jaren in tientallen dialecten op de markt kwam? Er verschenen zelfs boekjes in dorpsspraken als het Groesbeeks en het Spakenburgs! Zeker, Asterix is duurder dan Nijntje, en een Groesbeekse Asterix lijkt me wat te veel gevraagd. Maar het toont wel dat de animo voor vertaalde jeugdboeken enorm kan zijn.
  Volgens mij komt het aan op publiciteit. Uitgaven van dit soort moeten de media halen, dan kopen mensen ze wel. En: ze moeten gebundeld worden uitgebracht. Daarmee bedoel ik: de vertalingen moeten ongeveer gelijktijdig verschijnen en als één project worden gepresenteerd. Als iemand tegelijk of kort na elkaar leest over Asterixen in het Fries, Twents en Limburgs, zal h/zij zich meteen afvragen: is er ook een in mijn streektaal? Als dat balletje eenmaal rolt, melden nieuwe vertalers zich vanzelf.

Hoe kan dat eruit zien?
Om te beginnen moeten de albums die al verschenen zijn opnieuw worden uitgebracht. Even samenvatten: er zijn al vertalingen in het

  1. Fries
  2. Limburgs
  3. Twents
  4. Antwerps
  5. Gents

De bestaande albums zullen moeten worden nagekeken. Herspellen is gewenst, vaak nodig. Zo is het eerste Friese album “un ferhaal fon Asterix de Goljer”. Dat moet in een nieuwe uitgave netjes “in ferhaal fan Asterix de Galjer” worden.
  Deze talen zijn behoorlijk populair. Er is wat mij betreft genoeg ruimte voor nieuwe uitgaven, in elk geval in het Limburgs en het Twents. Geloof mij maar, die worden echt wel verkocht.

Maar er worden in Nederland en Vlaanderen meer talen gesproken. Sommige van die streektalen zijn nog net zo levendig of geliefd als de bovenstaande. In elk geval is er plaats voor Asterixvertalingen in het

  1. Gronings
  2. Noord-Brabants
  3. West-Vlaams

Het Gronings is, net als het Twents, een Nedersaksisch dialect dat het weliswaar moeilijk heeft maar nog behoorlijk leeft onder de bevolking. Bovendien wijkt het nogal af van de andere Saksische dialecten. Het West-Vlaams is zoiets als het Limburgs in Nederland: de taal van een provincie die door de rest van het land bespot wordt, maar nog volop door mensen van alle leeftijden gesproken wordt. Het Noord-Brabants is de streektaal van een provincie met een sterke regionale identiteit. De dialecten verschillen niet zo gek veel van het Standaardnederlands; juist daarom spreken veel Brabanders ze moeiteloos als tweede taal.

Mocht het met deze streektalen een succes worden, dan kunnen we het project uitbreiden. Diverse variëteiten komen in aanmerking. We kunnen denken aan de volgende (de volgorde is bij benadering, maar niet strikt, prioritair):

  1. Drents
  2. Zeeuws
  3. Sallands/Veluws/Achterhoeks
  4. Brussels
  5. West-Fries
  6. Kempens
  7. Stadsfries
  8. Utrechts
  9. Haags
  10. [Belgisch-Limburgs]

Allemaal lijkt me wat te veel van het goede, maar we kunnen kiezen. Over Sallands, Veluws en Achterhoeks twijfel ik wat. Sallands, Oost-Veluws en West-Achterhoeks lijken sprekend op elkaar, terwijl Oost-Achterhoeks heel veel met Twents gemeen heeft. Daar zou je dus rekening mee moeten houden.
  Belgisch Limburg biedt een ander probleem. In de bestaande Limburgse albums worden meerdere dialecten naast elkaar gesproken, maar het gaat bijna alleen om dialecten uit Nederlands Limburg. We kunnen dat in nieuwe vertalingen rechtzetten, maar er kan ook een aparte editie voor Belgisch-Limburgse dialecten komen. Enfin, dat is allemaal van later zorg.

Wat moeten we doen? Of wat kunnen we doen?
Een rondje mailen naar Hachette met de vraag of we Asterix mogen vertalen, dat helpt niet. Daar zijn we intussen wel achter. Initiatieven als dit hebben alleen kans als je ze bundelt. De vraag naar Asterix in de streektaal, om te beginnen heruitgaven van de al bestaande albums, moet echt “een ding” worden. Ik hoop met dit stukje de Nederlandse en Vlaamse Asterixofielen en streektalofielen te mobiliseren. Als de uitgever meer hoort over dit initiatief, gaan ze het misschien overwegen.

Meld je vooral hieronder als je nog tips of suggesties hebt. Ook als je graag wilt dat Asterix in jouw streektaal verschijnt, is je reactie meer dan welkom!

Nederlandse hofopera’s uit de achttiende eeuw

Heel vaak ga ik niet naar Den Haag, en beroepshalve hoef ik er ook niet vaak te zijn. Vandaag vond er in Diligentia, het voorname achttiende-eeuwse theater aan het Lange Voorhout, echter een historisch concert plaats. In meer dan één opzicht.
  Het programma bestond uit delen van opera’s die aan het Nederlandse hof werden uitgevoerd. Hoe weinig bekend ook, de stadhouders Willem IV en V haalden in de tweede helft van de achttiende eeuw buitenlandse componisten naar Den Haag om opera’s voor hen te schrijven. Ook onder de adel en de gegoede burgerij leefde deze kunstvorm. Wel werd er in Nederland verwacht dat opera Franstalig was. Dat leverde hier de ongewone situatie op dat Italiaanse, Duitse en Boheemse componisten libretti in het Frans gingen toonzetten.
  René Seghers, die zich liever muziekfilosoof dan musicoloog noemt, had de eer dit alles en nog meer te vertellen. De man, die met zijn spierwitte colbertje en felrode das aangenaam excentriek afstak tegen het saaie smart casual van het Haagsche concertpubliek, heeft zich de afgelopen jaren in de Nederlandse opera verdiept en schrijft er momenteel een boek over. De achttiende eeuw was al helemaal een zwart gat, omdat iedereen maar aannam dat die Hollandse stadhouders toch geen geld overhadden voor zoiets buitenissigs als hofopera.

Nochtans konden we beter weten – ten dele in elk geval. We kunnen bijvoorbeeld weten dat de negenjarige Mozart in 1765 in contact kwam met hofcomponist Graaf, en ook voor de prins en prinses speelde. Hij schreef hier ook een aria, “Conservati fedele”, naar een tekst van Metastasio. Die aria kregen we, samen met een paar andere, al direct in het voorprogramma te horen. Seghers had namelijk het niet onaardige idee om tijdens de inloop al muziek te laten spelen. Door de informele setting – mensen praatten er natuurlijk doorheen – en het arrangement voor (moderne) fluit, klarinet, bassethoorn en cello kreeg je meer het idee dat je op een upper class tuinparty was dan op een concertpodium. De pauze werd zelfs opgevrolijkt met een rococo-aria voor tenor, elektrische gitaar en accordeon… In een wereld waarin oude muziek altijd pijnlijk “authentiek” moet zijn werkt dat eerlijk gezegd wel bevrijdend.

In het concert zelf geen Mozart, wel opera’s van volkomen onbekende meesters als Giovanni Battista Zingoni, Johann Kauchlitz Colizzi en Philipp Meissner. Inheemse composities waren er van Jacob Jan van Wassenaer (zoon van Unico, die we kennen van de Concerti armonici) en Godfried van Swieten, die naast zijn mecenaat ook zelf componeerde.
  Het niveau van de opera’s (althans van de aria’s en ensembles die we te horen kregen) was wisselend. Natuurlijk snappen we allemaal dat Colizzi en Meissner geen Mozart en Gluck zijn. Bovendien is het rococomuziek, en deze stijl is nu eenmaal beperkt in zijn artistieke en expressieve mogelijkheden. De vaak clichématige muziek kon dan ook niet van a tot z boeien.
  Niettemin zaten er zeker aardige werken tussen. L’heureux révolution, een soort serenata uit 1787 die de teruggekeerde prins Willem V ophemelt, maakte ondanks zijn platte propagandafunctie beslist indruk. Ook Le droit d’ainesse van Kauchlitz Colizzi (het hele tweede deel werd ingenomen door zijn muziek) was de moeite meer dan waard, evenals het Nederlandstalige, Singspiel-achtige De koopman van Smyrna.
  Het verhaal van deze opera, leerden we van Seghers, doet denken aan Die Entführung aus dem Serail. De grote man achter dit concert trok meer van zulke parallellen. Les talens à la mode (van Godfried van Swieten) werd met Die Zauberflöte vergeleken, en in Zingoni zag hij een voorname inspiratiebron voor de jonge Mozart. Dat laatste waag ik te betwijfelen – Den Haag zal toch niet de eerste plaats zijn waar het jonge wonderkind een opera hoorde….

De uitvoering was over het algemeen goed, maar wel voor verbetering vatbaar. De werken waren gearrangeerd voor hobo dan wel blokfluit, één enkele viool en een continuostem bestaande uit cello en klavecimbel. Ze waren wel luid genoeg, maar het ontbrak dit kamerensemble aan dynamische schwung. Veel harder of zachter werd het niet. De orkestpartijen kwamen daardoor vaak niet tot leven. Ook de frequente keuze voor te trage tempi speelde daarin mee. Violist Rémy Baudet (toch niet de minste!) had zelfs grote moeite met zijn instrument, dat in het eerste deel vaak onzuiver klonk.
  De zangers waren minder onzeker. Vooral sopraan Elise Caluwaerts (die De koopman van Smyrna verrijkte met haar charmante Vlaamse accent) maakte grote indruk. Bariton Hans de Vries daarentegen lijkt eerder voor de studio dan voor het podium geboren: zijn zangkwaliteiten niet te na gesproken toonde hij de hele namiddag het acteervermogen en de flexibiliteit van een lantarenpaal.

Een concert als dit verdient hoe dan ook een pluim. Nederlandse muziek is net zo goed het bestuderen waard als muziek uit onze buurlanden. Seghers heeft de muziek aan de vergetelheid onttrokken en meteen maar tot leven gebracht, daar kan ik als musicoloog alleen maar diep respect voor hebben. Hij is niet bang voor de vooroordelen rond de Nederlandse muziek en weet met zijn presentatie iedereen te overtuigen. Het concert van vandaag heeft mij erg benieuwd gemaakt naar ’s mans boek!

Dutch Harp Festival 2018 (zaterdag)

Liever had ik hier “Nederlands Harpfestival” boven gezet. Helaas slaat de verengelsing in alle domeinen door, ook in de cultuursector. In zijn ijver om vooral maar internationaal relevant te zijn biedt het festival zijn website zelfs niet in het Nederlands aan. Maar goed, dit is de laatste keer dit stukje dat ik hierover klaag.

Het festival rondom dit markante snaarinstrument wordt sinds enkele jaren in Utrecht georganiseerd. De publiciteit eromheen bereikte dit jaar echter een nog ongekende omvang. Harpist annex grote baas Rémy van Kesteren wist met zoiets specialistisch als een nieuw type harp (49 snaren, twee erbij aan de onderkant zodat je bepaalde pianowerken kunt transcriberen) de media te halen – niet alleen Podium Witteman, maar ook Pauw en zelfs Nu.nl.

Dat Van Kesteren een aardig mopje harp speelt weten we, en dat hij genoeg harpspelende vriend(inn)en heeft geloven we ook wel. Een festival is echter meer dan veel concerten in weinig tijd. Het vereist een diverse programmering met een visie, een thema en nevenactiviteiten die zowel inhoudelijk als sfeerbepalend moeten zijn.
  Met de laatste voorwaarde zit het zeker goed. Zoveel wordt je wel duidelijk als je het Plein op loopt. De hele middag zijn er harpen in soorten en maten te bespelen, wordt er bladmuziek verkocht en staan er mensen klaar om uitleg te geven. Dit concept is duidelijk afgekeken van de oudemuziekmarkt op het Festival Oude Muziek en roept een gelijkaardige sfeer op. Een workshop “Dansen als de Fransen” maakt het helemaal af.

Een ander belangrijk onderdeel is het concours dat parallel aan de concerten loopt. Op dit festival horen we de halve finales; acht harpisten nemen het tegen elkaar op in Club Nine, elk met zijn eigen concertprogramma. Hoewel de competitie qua tijd en locatie in de rand plaatsvindt, doen deze optredens bepaald niet marginaal aan. Ik heb er twee bijgewoond; twee keer zat de zaal overvol.
  Het eerste optreden was van de Brit Oliver Wass. Hij bouwde een vrij traditioneel programma op rond vijf van de negen Muzen. Tepsichore, de Muze van de dans, kreeg bijvoorbeeld Bachs luitsuite in e-klein (BWV 996); Thalia, van de komedie, werd gekoppeld aan Karneval in Venedig van Wilhelm Posse (een componist die vooral bij harpisten belletjes doet rinkelen).
  Minder “apollinisch” was de gig van de Amerikaanse Abigail Kent, die werk van onder meer Lili Boulanger en Germaine Tailleferre combineerde met Keltische en Amerikaanse volksliedjes. Ze hulde zich in mystieke witte gewaden en ook haar tussenteksten waren eerder mystificerend dan verhelderend. Kent zag er onweerstaanbaar schattig uit en speelde uiteraard goed, maar haar act cultiveert vooral het clichébeeld dat al rond de harp heerst.

Dichterbij een klassiek harprecital zouden we deze avond niet meer komen. Meteen na het optreden van Abigail Kent begon het officiële openingsconcert. Al bij binnenkomst kregen we te zien wat ons te wachten stond: vier harpisten, waaronder Van Kesteren zelf, gaven een meditatief aandoende improvisatie ten beste, terwijl de wand belicht werd met hippie-achtige kleurenprojecties. Een dichteres heette ons welkom op “Planeet Harp”, waarna ze de eerste act aankondigde als “harpvis”. Het was “Spinvis”, die zijn klassieker “Bagagedrager” op een soort zelfgebouwde citer-met-sampler speelde. Daarna passeerden de andere hoofdacts de revue.

Eén van de acts die bij het openingsconcert al dadelijk indruk maakte, was Edmar Castañeda. Deze in New York wonende Colombiaan combineert Zuid-Amerikaanse muziek met jazz, en speelt deze cocktail op de elektrische harp. Ik had nog nooit van de man gehoord, maar voor veel van de aanwezige harpisten is hij een ware held. Die status blijkt bepaald niet uit de lucht gegrepen. Alleen de klank die hij uit zijn instrument weet te halen maakt zijn gigs al de moeite waard. De lage snaren klinken als een basgitaar of, de hoge als een elektrische gitaar, met alle klankbuigingen die dat instrument toelaat. Zijn improvisaties vliegen moeiteloos door alle registers die zijn harp rijk is, al voert hij het tempo nog zo op. Geen enkele noot valt uit de toon, en voor de automatische piloot is er geen plaats. In de langzamere nummers wordt Castañeda wat sentimenteel (tweemaal citeren uit “Happy birthday”, ter ere van zijn bijna jarige dochter, is niet echt nodig), maar ook daar weet hij een geweldige climax in te bouwen.

Heel wat anders was het trio DMF, drie nog vrij jonge meisjes (harp, fluit en altviool) die onder meer Kraftwerk coverden. Altvioliste Mara Tieles zorgde voor de elektronica, terwijl fluitiste Felicia van den End af en toe ook slagwerk deed. Mooi aan hun concert was de totale make-over die ze Kraftwerk hier gaven. Hun zeer vrouwelijke act (cocktailjurkjes en een vergulde fin-de-siècleharp) kan niet scherper afsteken tegen de robotachtige optredens waarin de Duitsers hun muziek brachten. De nonchalante veelzijdigheid – geen moment had je het gevoel naar drie sterren te kijken, maar hoor eens wat ze intussen allemaal kunnen! – neemt je meteen voor hun werk in, ook al is niet elk arrangement even geslaagd.

Het laatste concert die avond was van Rémy van Kesteren zelf. Hiervoor nam hij zijn zojuist gebouwde, grote harp in gebruik. Wie naar dit concert was gekomen om die lage snaren te horen, en de pianowerken waarvoor Van Kesteren ze nodig had, werd teleurgesteld. Behalve een arrangement van Saties eerste Gnossienne was er niets klassieks te horen. We hoorden een meditatief stuk, variaties over de dalende chromatische bas, gitaarachtig werk (op zulke momenten dacht je weer even bij Castañeda te zijn) en veel popinvloed. Verder gebruikte hij een heel leger aan vintage-samplers. Soms overschreed hij daarmee de grens van een harprecital; hij toverde zoveel muziek uit zijn machines dat hij nauwelijks zelf nog hoefde te spelen.
  Van Kesteren, de showman die een poppubliek naar de harp wil trekken, weet dat het oog ook wat wil. Net als bij het openingsconcert zaten we het hele uur in het donker en werden er bonte lichtprojecties over de muur uitgestrooid. Het is duidelijk waar de artistiek leider met dit festival heen wil…

Na één van de twee dagen – helaas moet ik de zondag missen en daarmee onder meer Spinvis, het Asko|Schönbergensemble en Stockhausens Freude – kunnen we concluderen dat het Harpfestival voor een groot deel geslaagd is. Hoewel het publiek voor een groot deel uit harpisten bestaat – amateur en professioneel – is het toch vrij divers en zeker niet uitsluitend klassiek geschoold. De programmering is al even divers. Wie Remy’s meditatiemuziek niet lust, kan naar het concours luisteren; wie niets met latin jazz heeft, kan Spinvis proberen. Van Kesteren en de zijnen hebben met succes een compleet festival gebouwd rondom één enkel instrument. Een betere reclame voor de harp is nauwelijks denkbaar.

Daniël Lohues – Vlier

Gelukkig, de wereld vergaat nog niet. Zolang Daniël Lohues jaarlijks een nieuw album met degelijke folkliedjes uitbrengt, kunnen we dat zonder problemen vaststellen. Ook dit jaar was het weer raak, en wel met Vlier. Iets later dan gepland krijgt u hierbij van mij mijn eveneens jaarlijkse Lohues-recensie.
  Aan inspiratie heeft het de zanger-schrijver in elk geval niet ontbroken. Achttien liedjes telt het album maar liefst, goed voor ruim zestig minuten muziek. Vreemd, want hij vertelde in interviews vaak dat hij voorstander was van kort platen, dat veel op zich goede liedjes sneuvelden om maar vooral een overzichtelijk en coherent geheel te krijgen.
  Het gevolg laat zich ook wel voelen. Je kent beslist niet alle liedjes meteen uit je hoofd, en de sfeer aan het begin van de plaat ben je na 18 nummer wel weer vergeten. Het doet meer denken aan een klassieke cd, die niet als discreet “album” bedoeld is maar vooral gebruikt wordt om zoveel mogelijk muziek op te zetten. Dat wil trouwens niet zeggen dat de plaat slecht is. Alle liedjes verdienen hun plekje in Lohues’ oeuvre. Sterker nog: puur afgaand op de losse liedjes is het één van zijn betere albums.

De man uit Erica koos voor alweer zijn elfde soloplaat een poppy country-idioom, met een overwegend akoestisch maar wel vol geluid. Op een paar Allennig-achtige liedjes na (“Ben gieniene neudig”, “De ogen van Maria”) is Vlier daarmee een echte bandplaat geworden. Het geluid is verre van homogeen. “A28”, dat de zalige terugweg naar de oostkant van de IJssel bezingt, is een stevig stuk truck-driving country (zoals we dat in Nederland van Henk Wijngaard kennen), terwijl “Ondergrondse hutte” een hommage lijkt aan de jarenzeventigpop uit zijn jeugd (zou het toeval zijn dat dit nummer een plek uit zijn jeugd beschrijft?).
  Met “A28” is de tekstuele noot al deels gezet. Lohues gaat, net als een vrachtwagenchauffeur die hij onderweg tegenkomt, liever terug naar huis dan naar het “lage” westen toe. Ook “Witte wieben van ’t Saksenland” verheerlijkt de geboortegrond. Maar wacht even voordat je je laat afschrikken. Lohues weet het streekgebonden bijgeloof zo te verpakken dat je er geen aanstoot aan neemt. Hetzelfde geldt voor de pseudowetenschap rond de “Volle maone”, die zogenaamd aan ons trekt omdat wij uit water bestaan. Op papier zou ik me daar dood aan ergeren, in dit liedje niet.
  Lohues komt graag in zijn eigen omgeving, ook al is er van alles mis mee: “Mar ik heur hier”. Het gevoel “Weg van alles” te willen, ook al was het ooit goed en mooi, onderkent hij echter ook. Maar naar “Tokyo” (sic), dat gaat hem te ver. Tenminste, het is niets voor hem. Nee, dan liever “Op de prairie”. In dit liedje komt hij er eindelijk achter waarom het Amerikaanse platteland hem zo trekt: “De grond is hier deurweekt met mien liefdesverdriet.” Nu hij er zo vaak geweest is, krijgen sommige plekken daar ook bijsmaakjes…
  De liefde lijkt onze muzikant trouwens andermaal in de steek te hebben gelaten. Een paar jaar terug vernamen we uit de media dat Lohues een relatie had met Stephanie “Stevie-Ann” Struijk. Lohues en Struijk zijn niet het soort beroemdheden wier privéleven breed in de roddelpers wordt uitgemeten; op basis van de teksten zou je echter aannemen dat het al lang en breed voorbij is. Exen domineren de teksten: zijn ene ex zit met een ander in Tokio (dankzij Facebook word je daar zo leuk van op de hoogte gehouden), een andere duikt midden in de nacht in overpeinzingen op. In “Ben gieniene neudig” blijkt hij zelfs een imaginaire vriendin te hebben genomen! En “Weg van alles”, dat onder meer gaat over een dementerende man met een doodswens, werkt ook niet stemmingsverhogend. Het enige lichtpuntje is “Josephine” (“Wie wet wordt ’t wat misschien”).

Lohues’ inspiratie is oneindig, net als zijn smaak voor goede nummers en zijn lol aan het muziek maken. Eén ding zou ik hem echter willen meegeven. Je maakt nu al zo lang country-achtig singer-songwriterwerk, met teksten over steeds dezelfde thema’s. Misschien moet je komend jaar gewoon een keertje wél naar Tokio, in plaats van steeds weer de VS en Canada. Kom uit je comfortzone en maak je wereld groter. Nee, niet groter, veelzijdiger. De kans dat je het dan gewoon tot je zeventigste volhoudt én publiek en critici aan je kant blijven staan is dan veel groter.

Hiphop in Nederland – de tien rappers van dit moment

Het boek kwam vorig jaar al uit, maar ik kocht het pas vorige maand en kwam pas gisteren aan lezen toe. Vandaar dat deze recensie misschien als mosterd na de maaltijd aanvoelt.
  Hoe dan ook: Rajko Disseldorp, journalist van (onder meer) Het Parool, heeft een boek geschreven over Nederlandstalige hiphop. Dat mocht ook wel, want zoals hij zelf al aangeeft bloeit het genre dit decennium als nooit tevoren. Disseldorp, die sowieso al vaak rappers interviewde, besloot de tien grootste rappers van dit moment gedurende anderhalf jaar nog wat vaker op te zoeken om zo een heel boek bij elkaar te krijgen.
  De stand van de hiphop is op dit moment zodanig dat je zelfs met tien namen nog grote jongens mist. De schrijver zegt dat zelf al. In de inleiding benadrukt hij dat rappers recent iets moeten hebben uitgebracht. In dit boek dus geen Def P en Extince. In het nawoord excuseert Disseldorp zich jegens die andere goede rappers waar hij ook naar luistert maar die zijn boek net niet hebben gehaald: Lil’ Kleine, Kempi, Winne, Akwasi, Diggy Dex en nog anderen.
  Persoonlijk kan ik me – hiphopleek als ik nog steeds ben – redelijk in zijn keuze vinden. De populaire rappers komen aan bod, maar hij geeft Ares, een rapper voor de fijnproevers die maar niet doorbreekt bij een breed tienerpubliek, wel de voorkeur boven Lil’ Kleine. Rico had op zich best iets in dit boek te zoeken, maar met het stuk over Sticks heb je hem al voor de helft gehad. Als ik echt iets of iemand mis, is het de Jeugd van Tegenwoordig of een van zijn solo opererende leden.

Van journalisten wordt een vlotte pen en een doordringend vraagvermogen verwacht. Disseldorp beschikt duidelijk over beide. Het boek is 192 bladzijden lang maar laat zich binnen een paar uur uitlezen. (Zelf heb ik er ruim drie uur over gedaan, met dien verstande dat ik in drukke treinen en restaurants moest lezen.) Witte schutbladen niet meegerekend heeft hij voor iedere rapper zo’n 15 pagina’s over, waarin hij steeds weet door te dringen tot de persoon. De meeste rappers hebben wel een crimineel verleden en bijna allemaal roken ze ‘jonko’ (onder burgers beter bekend als ‘hasj’), maar ook hebben de meeste een gezin en nemen ze verantwoordelijkheid voor hun privéleven en hun werk. Hef blijkt overdag gewoon aan de sinaasappelsap te zitten, en Bokoesam ziet zichzelf als ‘de boomknuffelaar van de rapscene’. Het zal typisch Nederlands zijn: hoe stoer je imago ook is, moeite om te relativeren hebben ze geen van allen. Alleen Boef, die zegt onomwonden dat hij enkel in geld geïnteresseerd is. Daarom is hij ook gestopt met criminaliteit: rappen levert meer op.
  Zoveel als je leest over de persoon van de rapper, zo weinig lees je over hun werk. Het zal mijn beroep als musicoloog wel zijn, maar ik had toch liever iets meer gelezen over de teksten, over de beats en begeleiding, over hun invloeden, over het leerproces, over wat er allemaal nog meer bij het maken van hiphop komt kijken.
  Veel rappers benadrukken met geheven vinger dat je de ballen uit je broek moet werken, en diverse jongens beschrijven hoe ze die-en-die hoorden rappen en dat vervolgens ook gingen doen, maar je leest weinig over het schrijven van teksten en nog minder over de muziek. Zelfs Typhoon, die geen volbloed rapper is en zijn muzikale begeleiding bovengemiddeld veel aandacht geeft, begint er niet over. Blijkbaar vergeet Disseldorp zijn respondenten daarnaar te vragen. Alleen als Sticks begint te klagen over “Mag ik dan bij jou” van Claudia de Breij (“klef, braaf gedoe”, dat “poëzie van zestienjarigen [zou] kunnen zijn”) komt er een beetje analyse los.
  Ook de inleiding is wat mager. Het boek is geschreven om de bloei van de Nederlandse hiphop te vieren. Dan mag je toch een stuk verwachten waarin de schrijver uitlegt hoe dat allemaal zo gekomen is en wie eraan voorafgingen. Blijkbaar wordt dat bekend verondersteld. Ook een wat bredere context – waarom zijn er bijvoorbeeld nog nauwelijks vrouwelijke rappers in Nederland, terwijl ze qua kleur en sociale afkomst wél zo divers zijn? – ontbreekt geheel.

De grootste verdienste van dit boek is dát het geschreven is, op het moment dat het genre nog in bloei staat. Straks, als het wat minder gaat met de Nederhop (die tijd komt natuurlijk), kunnen we op dit boek teruggrijpen in plaats van dat we bij dertigers en veertigers langs moeten om hun herinneringen op de diepen. Een ander pluspunt is dat Disseldorp als journalist dichterbij kwam dan jij en ik waarschijnlijk ooit zullen komen. Compleet is het boek echter niet. De gaten die het overlaat, moeten musicologen de komende jaren gaan opvullen.

Orkest van het Oosten in Enschede – vrijdag 13 april 2018

Het was even schrikken. Violiste Carla Leurs kreeg na het eerste deel van Tsjaikovski’s vioolconcert een heus open doekje. Aan het publiek kon het niet liggen: in het Enschedese Muziekcentrum overheerste het ervaren, grijze concertpubliek. Mensen die echt wel weten dat je tussen de delen door niet klapt.
  We hadden ook zeker niet over de uitvoering te klagen. De talloze hoge noten en virtuoze loopjes kostten Leurs – volgens het programmaboekje een gewezen studente van Itzhak Perlman – beslist geen bovenmenselijke inspanning. Ook het Orkest van het Oosten loopt onder Ed Spanjaard bijzonder gestroomlijnd. De Haarlemmer, die we vooral uit de Amsterdamse muziekwereld kennen, nam vorig jaar het orkest over en trad daarmee in de voetsporen van onder meer Jaap van Zweden.
  Echt schokkend was zijn interpretatie van Tsjaikovski niet te noemen, maar dat is ook wat veel gevraagd van een werk dat zozeer bij het ijzeren repertoire hoort. Bezield zou ik het wel willen noemen, al leek de soliste soms meer te willen dan het orkest.

Tsjaikovski’s vioolconcert was al het tweede concertante werk deze avond. Het concert was geopend met een nieuw werk van Wilbert Bulsink. Spelingen is een vijfdelig concert voor harp en orkest, waarin de harp diverse “extended”-technieken gebruikt. Als Achterhoeker schrijft Bulsink ongetwijfeld graag voor het Orkest van het Oosten. Toch is het min of meer toevallig dat juist dit orkest de première verzorgt. Het stuk gaat namelijk terug op een korter werk dat Spanjaard in 2015 – helemaal in Caïro – dirigeerde. Zodra hij was aangesteld bij het Orkest, belde hij Bulsink op met de vraag of dat werk niet kon worden uitgebreid.
  Het is echt een werk voor harpisten geworden – ook in passieve zin. De componist gebruikt namelijk technieken die harpisten herkennen uit hun dagelijkse praktijk buiten de concertzaal: spelen met een doek om de resonantie te dempen (zowel om de buren niet te storen als om te horen of je alle snaren wel behoorlijk raakt) en sponsjes langs de snaren halen om ze schoon te maken. Allebei levert dat heel aparte geluidseffecten op. Het valt te prijzen dat Bulsink die effecten muzikaal gebruikt: de nieuwe klanken zijn er niet voor de lol, maar worden echt naar hun potentieel toegepast en ingebed in orkestklanken die er goed mee combineren. Hoe serieus hij deze technieken neemt, bleek wel kort van tevoren: volgens Spanjaard hebben ze diverse sponsjes geprobeerd, en bleken die van Albert Heijn de beste.
  Behalve doek en sponsjes schrijft de componist ook pedal buzz en flageoletten voor. Extreem hoge flageoletten wel te verstaan. Hier begon ik wel te twijfelen. De hoge flageoletten zijn niet de welluidendste en klinken ook niet geweldig door. Als je ze af en toe gebruikt is dat tot daaraan toe, maar hier ging het wel ten koste van de totale klank. Trouwens, ook de sponsjes en de doek werken nogal dempend. Hiermee moest het orkest natuurlijk gelijke tred houden. Gevolg was dat er het grootste deel van de tijd maar een paar orkestmusici meespeelden (vaak enkelvoudige strijkers!) en het concert iets kamermuzikaals kreeg. Die paar keer dat wél het hele orkest meedeed, deden licht kolderiek aan.
  Toch overheerst de positieve indruk van het concert. Niet alleen door de klankmatige inventiviteit, maar zeker ook door de vorm. Bulsink heeft zijn eendelige werk op een degelijke manier uitgebreid. De hoge flageoletten uit het begin keren tegen het eind terug, en in delen 2 en 4 wordt dezelfde melodie geciteerd. De vijf delen zijn geen domme suite maar horen bij elkaar. Ze vormen een echt concert.

Na de pauze was het de beurt aan Sjostakovitsj’ negende. Zoals bekend is dit een vrij parodistisch werk met een klassieke grondslag, dat de componist in grote problemen bracht omdat de verwachte aureolen voor Stalin en het Rode Leger uitbleven.
  Vooraf benadrukte Ed Spanjaard de spottende kant van het werk: “delen 1, 3 en 5 zijn een lange neus naar alle vormen van autoriteit.” Vreemd genoeg was daar in zijn uitvoering maar beperkt iets van te horen. Spanjaard koos eerder voor een degelijke orkestklank, die het neoklassieke karakter van deze symfonie onderstreepte. Een piccolo die in zijn eentje boven de lage strijkers uitkomt, klinkt natuurlijk vanzelf wel belachelijk, maar Spanjaard deed geen hoorbare poging dit werk nu maar zo cartoonesk mogelijk ten gehore te brengen. Eerlijk gezegd kan ik me in zo’n uitvoering ook beter vinden.
  Ook het vierde deel wist me zeker te behagen. De recitatiefachtige fagotsolo’s die dit deel kenmerken kwamen er wonderschoon uit. De fagottiste bevestigde wat we eigenlijk na het eerste deel al wisten: dat elke vorm van Randstedelijk dedain jegens dit orkest ongepast is, dat het in veel meer dan alleen in naam een professioneel orkest is en dat het die positie onder Ed Spanjaard niet gauw zal kwijtraken.

De jukebox (5)

Dit jaar schreef ik in honderd stukjes, geconcentreerd rondom evenveel liedjes, een geschiedenis van de popmuziek in het Nederlands en verwante streektalen. Verschillende mooie, leuke en interessante liedjes zijn buiten de boot gevallen. De laatste twee weken van het jaar passeren die liedjes alsnog de revue.

Deel 5: Novelty (zie ook aflevering 1 en 57)

Inderdaad, dit jaar kwamen er maar twee noveltyliedjes voorbij. Niet zo vreemd ook: liedjes die bedoeld zijn als gimmick laten zelden een invloed van betekenis na. Artistiek gezien zou je ze zo kunnen negeren. Twee liedjes heb ik echter toch opgenomen, omdat ze wel degelijk iets over de muziekgeschiedenis zeggen. “De trappelzakboogie” (aflevering 1) geeft aan hoe volwassen mensen in het begin over de rock ’n roll dachten. “Gabbertje” (aflevering 57) geeft aan hoe niet-gabbers naar deze muziek keken. Bovendien viel het samen met het breekpunt van de gabberrage, dat Fosko en consorten volgens sommigen eigenhandig bewerkstelligd hebben.
  Een paar andere novelty-liedjes kwamen al voorbij in aflevering 1 van De Jukebox, over de jaren zestig. Vandaag passeren er nog een paar. De meeste neem ik niet op omdat ze enig muziekhistorisch belang hebben, maar gewoon omdat ik ze grappig vind, of omdat anderen ze grappig kunnen vinden.

We beginnen meteen met een van de bekendste nummers uit deze rubriek. In 2001 kwam het tv-programma Kopspijkers, dat destijds door miljoenen mensen bekeken werd, met een single. “One Day Fly”, een foute vertaling van “eendagsvlieg”, was een satire op talentenjacht Starmaker van Yorin, en de band K-otic die eruit voortkwam. Het was een megahit onder alle lagen van de bevolking; mensen die normaal nooit singles kochten, hadden hier massaal 11 gulden voor veil. Ja, ik ook. Het was mijn eerste singletje en het zou een van de weinige blijven.
  Zestien jaar later – waar blijft de tijd – klinkt het niet meer zo grappig en fris als destijds. De conclusie moet toch luiden dat we het vooral zo leuk vonden dankzij de Kopspijkers-troep die we elke zaterdag op tv zagen. Nu de actualiteit er vanaf is, staan er 60.000 singletjes in Nederlandse platenkasten stof te happen…

Zoals je kunt horen hebben ook George Baker (de echte) en Johan Cruijff (niet de echte, maar de imitatie door Viggo Waas) een cameo in dit nummer. De echte Johan Cruijff maakte nog een keer een singletje: “Oei, oei, oei, dat was me weer een loei”. Aan zijn zangstem mis je niet veel; het nummer is trouwens meer schlager dan pop en heeft in mijn rubriek dus niets te zoeken.
  Rond 1990 kregen we wel pop zingende voetballers, ja hele voetbalselecties. Een gouden greep natuurlijk: grote clubs hebben een brede fanschare en duizenden mensen kopen dat plaatje toch wel. Zo dook in 1992 de Feyenoordselectie, met latere culthelden als John de Wolf, Regi Blinker en Ed de Goey, de studio in voor “Wij houden van die club”.

Ajax kon daarbij niet achterblijven. Nog datzelfde seizoen kwam “Ajax is oké” uit. Met Amsterdamse branie, zoals de supporters het wilden. “Nooit, nee nooit, verliezen doen we niet”. In werkelijkheid werd Feyenoord dat seizoen kampioen en Ajax derde. Maar het Ajax-plaatje kwam wel hoger in de hitparade.

(Wie na het uitzitten van deze twee nummers denkt dat voetballers helemaal niet kunnen zingen, verwijs ik graag door naar de Brabantse folk van Björn van der Doelen of de hiphop van Royston Drenthe.)

Heel iets anders nu. Stel, je bent tatoeëerder. Dat is op zich al cool. Je mag mensen pijn doen en voor het leven verminken met creaties die je zelf uitkiest, en ze zullen blij en dankbaar je zaak uitlopen en je goed betalen. Als je dan ook nog een halfgod in de Belgische metalscene wordt, en heel Graspop kent je, dan heb je echt een topleven. Er is eigenlijk maar één hogere stap mogelijk: zelf popster worden. Tijs Vanneste verpopte zich tot Jef Van Echelpoel, een Kempische lapzwans die droomt van succes bij de meisjes. Deel van die metamorfose: hij vermijdt de metal maar doopt zich in de elektropop, een genre dat hij net zo min serieus neemt als zijn personage. Dat je dan toch een megahit haalt – is dat meegenomen?

Dit is allemaal weinig diepgravend, maar nog redelijk netjes. Er zijn natuurlijk ook liedjes die nooit bovengronds zullen komen omdat de teksten gewoon te smerig zijn. Wie herinnert zich de Dikke Lul Band nog? Twee volwassen mannen die hun beroep hebben gemaakt van popliedjes met seksuele teksten zingen. Het stomste is misschien nog dat er best wel zorg aan is besteed – ze nemen hun missie nog serieus ook.

Uit de gelederen van mijn Utrechtse studentenvereniging kwam het gelegenheidsduo Holland en Holland (een toespeling op de producers Bolland & Bolland), die de wereld verblijdden met “Bolletjes in mijn hol”. Dit mochten ze zelfs bij Edwin Evers komen uitvoeren. Met het kinderkoortje dat ook de plaatopname siert. Hun kinderen blijken erg bijdehand…

Voor echt aanstootgevende teksten moet je bij de extreme metal zijn. George Oosthoek, zanger/grunter van gothicmetalband Orphanage, wilde weleens wat anders dan die eeuwige sprookjesmuziek met vrouwenstemmen en keyboards, en richtte als zijproject Kutschurft op. De band speelt grindcore en death metal, en de Nederlandstalige teksten gaan over de smerigste en ranzigste dingen, vooral op seksueel gebied. Dat is op zich niet zo’n probleem, want je verstaat toch niets anders dan “gchòòòòòòòchgch!” In “Neuk je oma in d’r stoma” komt echter een parlando voor, waarin alle psychopathische praktijken van Dr. Ranzzz (zo noemt Oosthoek zich in deze gedaante) uitgebreid en verstaanbaar uit de doeken worden gedaan. Eén waarschuwing: niet voor tere zieltjes!

Laten we toch maar afsluiten met een liedje dat écht leuk is. Het viel me de laatste jaren steeds meer op dat mijn generatie, net als jongere generaties, verzot is op absurde humor. Grappen die echt als een tang op een varken slaan, volkomen willekeurige combinaties en situaties die zo idioot zijn dat ze wel kunst lijken. Mensen boven de veertig gaan dan naar verbanden zoeken: ze denken dat die absurdisten toch ergens een punt willen maken. Wij weten wel beter. (“Drie tennisrackets zitten in een boom te klaverjassen. Komt er een ei voorbij. Vragen de tennisrackets: ‘Hé ei, doe je mee?’ ‘Nee sorry,’ zegt het ei, ‘ik moet naar de kapper.'”)
  Een eerste aanzet gaf Monthy Python al in de jarne zeventig. Later kregen we Herman Finkers en Brigitte Kaandorp. Maar pas met Dirkjan en Kabouter Wesley bereikte mijn generatie echt wat ze wilde. En… met Yogho Yogho. Dat mierzoete drinkyoghurtmerk dat wij allemaal dronken, en dat veel cooler was dan zijn concurrenten. Dat kwam door zijn twee compleet van de pot gerukte reclames (zie hier en hier). Van die reclames werd ook een compleet lied van drie minuten gemaakt. Helaas kon je dat alleen via de Yoghopakken bestellen, dus een grote hit is het nooit geweest. Op Youtube is het nog wel te vinden. “Duizend mijlen onder zee / zit een man op de wc!” Geniet ervan!

De jukebox (4)

Dit jaar schreef ik in honderd stukjes, geconcentreerd rondom evenveel liedjes, een geschiedenis van de popmuziek in het Nederlands en verwante streektalen. Verschillende mooie, leuke en interessante liedjes zijn buiten de boot gevallen. De laatste twee weken van het jaar passeren die liedjes alsnog de revue.

Deel 4: Vrouwenmuziek (Zie ook aflevering 3, 10, 17, 51, 59, 62, 79, 83, 84, 91, 92, 93, 94)

Op het eerste gezicht lijkt muziek door vrouwen misschien niet onderbelicht. Er staan dertien nummers achter het tussenkopje, veel meer dan bij de vorige drie afleveringen. Maar een klein beetje doordenken legt het probleem al bloot: dertien van de honderd nummers, dat is niet meer dan 13% van alle liedjes uit mijn rubriek. Terwijl vrouwen gewoon ongeveer de helft van de Nederlands sprekende bevolking uitmaken. Als je dan ook nog bedenkt dat in afleveringen 10, 17 en 51 een man meezingt, dan moet je toch concluderen dat het schone geslacht (een archaïsme dat feministische meelezers mij hopelijk toestaan) zwaar ondervertegenwoordigd is.

Hoe komt dat? Wel, ten eerste gaan er domweg meer mannen de popmuziek in. Synthetische tienerpop voor de grote massa wordt nog wel met zangeressen gemaakt, maar van de ‘serieuze’, organische pop zijn vrouwen in Nederland en België lang afgebleven. Grotendeels, tenminste. Rockmuziek was een machowereld waar vrouwen zich niet thuis voelden. Zij die het toch probeerden, merkten vaak dat dat gevoel terecht was. Lutgard Mutsaers, mijn docente popmuziek aan de Universiteit Utrecht, was jarenlang bassiste in vrouwenband The Broads. OOR en Aloha waren niet in hen geïnteresseerd, mannenblad Aktueel wel…
  Het gaat te ver om te zeggen dat je als vrouw totaal geen kans had. Janis Joplin en Joni Mitchell hielden zich in de wereld van de cockrock fier staande. De platen van Fay Lovsky gooiden in Nederland hoge ogen bij de critici. Maar ongebruikelijk was het wel. Het publiek zat niet echt op popmuziek van vrouwen te wachten. Terwijl vrouwen en meisjes al die tijd net zo goed naar muziek luisterden en platen kochten…

Gelukkig komt daar de laatste jaren verandering in. Nummers 91 tot en met 94 van mijn rubriek werden allemaal door vrouwen bezet, en geen van de vier moest ik er echt met de haren bij slepen. Ik moest er zelfs een paar weglaten, omdat ook op andere gebieden (muziekgenres, bevolkingsgroepen, delen van het land) de verhouding scheef was gegroeid. Die vrouwen krijgen hier alsnog een plekje, samen met een paar andere die mijn rubriek niet gehaald hebben.

We beginnen oppervlakkig: met bubblegumpop uit de jaren negentig. Eind 1995 doken drie soapsterren uit Goede Tijden, Slechte Tijden de studio in. GTST stond destijds op zijn hoogtepunt wat betreft kijkcijfers, en heel Nederland kende Babette van Veen, Guusje Nederhorst en Katja Schuurman als Linda, Roos en Jessica. Hun “Ademnood”… ach, ik hoef eigenlijk niets meer te zeggen. Meer dan 20 jaar later kent iedereen dit liedje nog steeds.

“Ademnood” gaat over een geslaagde date die wat de ikpersoon betreft niet bij één keer hoeft te blijven. Het gaat niet altijd zo soepel. Bij WOW!, een meidengroepje dat in 1997 het licht zag, halen de jongens misschien niet eens het bed: “Morgen denk ik: ‘hoe heet-‘ie ook alweer?'”
  WOW! werd, net als K3, opgericht als kloon van de Spice Girls. Ze moesten girl power uitdragen, en daar hoort kieskeurigheid met mannen ook wel bij. Helaas sloeg de act van WOW! niet breed aan, ook niet bij een jonger publiek (zoals K3). Na twee hitjes hadden de Nederlandse tieners ze wel gezien.

(Treurig detail: zowel van Linda, Roos en Jessica als van WOW! kwam één van de leden voortijdig te overlijden. Guusje Nederhorst kreeg kanker, Joëlle zat in het rampvliegtuig dat in 2010 neerstortte bij Tripoli.)
  Tussen deze tienerpopgroepjes met hun door mannen geproduceerde popliedjes en de volgende artiesten is geen groter verschil mogelijk…

Behalve discriminatie en het gebrek aan een traditie is er nog een reden waarom we zo lang moesten wachten op vrouwenmuziek in mijn rubriek. Er braken wel goede vrouwen door, maar lang niet allemaal zongen ze in het Nederlands. Denk alleen maar aan Anouk: die maakte hoog aangeslagen, goed verkopende rock, maar zong wel in het Engels. In de alternatieve hoek had je bijvoorbeeld Solex, maar ook zij schreef Engelstalige teksten. Tezelfdertijd klitten de mannen aaneen tot succesvolle Nederpopgroepen (Bløf, De Kast, Volumia!). Op die manier groeit de verhouding inderdaad wel scheef…
  Nog zo’n goede artieste die mijn rubriek niet haalde was Fay Lovsky. In de jaren tachtig en negentig bouwde ze een bescheiden fanschare op met haar intelligente en in-vrouwelijke popliedjes. Haar werk is lichtvoetig, vaak vrolijk, en vermijdt grote gebaren. Toch schuwt ze het experiment niet: ze leerde voor haar vak zelfs de theremin bespelen. Maar ja, ook zij zong in het Engels…
  Ho. Wacht eens even. Rond 2000 schakelde Fay op haar moedertaal over. Helaas dacht ik daar te laat aan. Hoog tijd om dat nu goed te maken. En hoe kan ik dat beter doen dan met “Alle liedjes op de radio”? Net als Roos Rebergen (aflevering 84) vindt zij dat alle liedjes op de radio heel veel op elkaar lijken. Ze gaan alleen maar over seks. Die manier van muziek maken past haar niet. Zij doet dat op haar eigen manier, en dat ze daarmee de media niet haalt is bijzaak:

Fay Lovsky gebruikt een beproefd recept voor vrouwen die het in de serieuze popmuziek willen maken: een andere niche opzoeken. Het is niet toevallig dat de folkmuziek relatief veel vrouwelijke sterren kende (Joan Baez, Joni Mitchell): folk was niet zo’n mannengenre als rock. In de jaren negentig zag je hetzelfde: PJ Harvey, Tori Amos en Björk zochten hun toevlucht tot een muziek met veel kunstzinnige haken en ogen maar zeer weinig rock-verwijzingen.
  In onze tijd is hiphop het grote mannenbolwerk. Vrouwelijke hiphop bestaat (Lil’ Kim, Azealia Banks), ook in het Nederlands (Slongs Dievanongs, zie aflevering 93), maar het genre is vooral het werkterrein van mannen. Dat komt door het harde, ritmische geluid (een ‘mannelijk’ geluid), maar ook door de enorme macho-erfenis die er jaren na de bloei van de gangsterrap nog steeds aan vastzit. Omdat hiphop hét genre van dit moment is, zal het probleem van de scheve geslachtsverhoudingen niet zomaar verdwijnen.
  Daarom vind je vrouwenmuziek vaak in heel andere genres. De huidige generatie Nederlandse popvrouwen zoekt haar toevlucht tot folkachtige liedjes. Soms zit daar een kunstzinnig laagje overheen (denk aan Eefje de Visser, aflevering 92), maar meestal is het toch wel eenvoud troef: mooie melodieën, gecombineerd met intelligente teksten.

Aafke Romeijn brak de laatste jaren bescheiden door met haar electropop. Ook als opiniemaakster werd ze bekend. Haar linkse, niet altijd genuanceerde standpunten passen goed bij 2017. Dat wil niet zeggen dat ze alleen over politiek zingt. “Licht aan” biedt het intelligente alternatief voor elke zomerhit:

Roos Blufpand lijkt in veel opzichten het kleine zusje van Aafke Romeijn. Rond dezelfde tijd opgekomen, zelfde niche, zelfde soort teksten. Maar ook in veel dingen wat milder. Haar muziek klinkt minder puntig, de toon van haar teksten is minder scherp, haar stem klinkt zachter. En – sorry Roos als dit nu seksistisch overkomt – mijn God, wat is ze mooi en lief!
  Hoewel ze niet, zoals Aafke Romeijn, wil provoceren, is Roos zeker “Niet bang” om haar mening te geven. Ze is overtuigd dat de wereld haar geluid nodig heeft. Dit liedje gaat duidelijk over de kloof in de maatschappij. Maar gaat het niet ook over trollen op sociale media?

     Ik ben niet bang,
     al zijn je tanden nog zo scherp.

Met dit soort muziek is het theater ook nooit ver weg. De geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek heeft altijd al nauw samengehangen met die van het Nederlandse cabaret (denk aan Neerlands Hoop [aflevering 16], maar ook aan Fresku [aflevering 97]). Ook nu nog opereren veel artiesten op de grens van beide, of liever: in beide hokjes tegelijk. Het duo Yentl & De Boer is een uitstekend voorbeeld.

Over cabaret gesproken: ook Claudia de Breij heeft mijn rubriek niet gehaald. Net niet: ik twijfelde tussen haar “Mag ik dan bij jou” en Kenny B’s “Parijs”. Uiteindelijk viel de keus op de laatste (aflevering 100) – dat andere liedje dat een stroom aan dialectcovers teweegbracht. Claudia kenden we al jaren als zangeres, cabaretière, radio- en tv-presentatrice toen ze in 2014 dit liedje lanceerde. Uiteindelijk werd het een moderne klassieker.

Vrouwen gedijen ook buiten het theater. Veel poppyer is het werk van Laura Beekman. Haar pop verschilt niet eens zo gek veel van Eefje of Aafke, maar het is allemaal net iets luchtiger, net iets meer 100%NL, en niet zo politiek beladen. Ook daar hebben we in deze verzuurde tijd weleens behoefte aan.

Ook ons laatste liedje past in deze categorie. Sanne Hans, beter bekend als Miss Montreal, bracht ons in 2008 “Just a flirt”, over een onenightstand waar niet om getreurd zal worden. Waarom probeerde die het niet in het Nederlands? Als je haar op tv hoorde, begreep je waarom: door haar knetterende Nedersaksische accent dorst ze dat gewoon niet aan. Uiteindelijk kreeg Nielson, die ze leerde kennen door haar jurylidmaatschap in De beste singer-songwriter van Nederland (zie aflevering 91), haar zover om het toch te proberen. “Hoe” werd een hit en haar accent bleek uiteindelijk geen enkel probleem meer.