Nederlandse hofopera’s uit de achttiende eeuw

Heel vaak ga ik niet naar Den Haag, en beroepshalve hoef ik er ook niet vaak te zijn. Vandaag vond er in Diligentia, het voorname achttiende-eeuwse theater aan het Lange Voorhout, echter een historisch concert plaats. In meer dan één opzicht.
  Het programma bestond uit delen van opera’s die aan het Nederlandse hof werden uitgevoerd. Hoe weinig bekend ook, de stadhouders Willem IV en V haalden in de tweede helft van de achttiende eeuw buitenlandse componisten naar Den Haag om opera’s voor hen te schrijven. Ook onder de adel en de gegoede burgerij leefde deze kunstvorm. Wel werd er in Nederland verwacht dat opera Franstalig was. Dat leverde hier de ongewone situatie op dat Italiaanse, Duitse en Boheemse componisten libretti in het Frans gingen toonzetten.
  René Seghers, die zich liever muziekfilosoof dan musicoloog noemt, had de eer dit alles en nog meer te vertellen. De man, die met zijn spierwitte colbertje en felrode das aangenaam excentriek afstak tegen het saaie smart casual van het Haagsche concertpubliek, heeft zich de afgelopen jaren in de Nederlandse opera verdiept en schrijft er momenteel een boek over. De achttiende eeuw was al helemaal een zwart gat, omdat iedereen maar aannam dat die Hollandse stadhouders toch geen geld overhadden voor zoiets buitenissigs als hofopera.

Nochtans konden we beter weten – ten dele in elk geval. We kunnen bijvoorbeeld weten dat de negenjarige Mozart in 1765 in contact kwam met hofcomponist Graaf, en ook voor de prins en prinses speelde. Hij schreef hier ook een aria, “Conservati fedele”, naar een tekst van Metastasio. Die aria kregen we, samen met een paar andere, al direct in het voorprogramma te horen. Seghers had namelijk het niet onaardige idee om tijdens de inloop al muziek te laten spelen. Door de informele setting – mensen praatten er natuurlijk doorheen – en het arrangement voor (moderne) fluit, klarinet, bassethoorn en cello kreeg je meer het idee dat je op een upper class tuinparty was dan op een concertpodium. De pauze werd zelfs opgevrolijkt met een rococo-aria voor tenor, elektrische gitaar en accordeon… In een wereld waarin oude muziek altijd pijnlijk “authentiek” moet zijn werkt dat eerlijk gezegd wel bevrijdend.

In het concert zelf geen Mozart, wel opera’s van volkomen onbekende meesters als Giovanni Battista Zingoni, Johann Kauchlitz Colizzi en Philipp Meissner. Inheemse composities waren er van Jacob Jan van Wassenaer (zoon van Unico, die we kennen van de Concerti armonici) en Godfried van Swieten, die naast zijn mecenaat ook zelf componeerde.
  Het niveau van de opera’s (althans van de aria’s en ensembles die we te horen kregen) was wisselend. Natuurlijk snappen we allemaal dat Colizzi en Meissner geen Mozart en Gluck zijn. Bovendien is het rococomuziek, en deze stijl is nu eenmaal beperkt in zijn artistieke en expressieve mogelijkheden. De vaak clichématige muziek kon dan ook niet van a tot z boeien.
  Niettemin zaten er zeker aardige werken tussen. L’heureux révolution, een soort serenata uit 1787 die de teruggekeerde prins Willem V ophemelt, maakte ondanks zijn platte propagandafunctie beslist indruk. Ook Le droit d’ainesse van Kauchlitz Colizzi (het hele tweede deel werd ingenomen door zijn muziek) was de moeite meer dan waard, evenals het Nederlandstalige, Singspiel-achtige De koopman van Smyrna.
  Het verhaal van deze opera, leerden we van Seghers, doet denken aan Die Entführung aus dem Serail. De grote man achter dit concert trok meer van zulke parallellen. Les talens à la mode (van Godfried van Swieten) werd met Die Zauberflöte vergeleken, en in Zingoni zag hij een voorname inspiratiebron voor de jonge Mozart. Dat laatste waag ik te betwijfelen – Den Haag zal toch niet de eerste plaats zijn waar het jonge wonderkind een opera hoorde….

De uitvoering was over het algemeen goed, maar wel voor verbetering vatbaar. De werken waren gearrangeerd voor hobo dan wel blokfluit, één enkele viool en een continuostem bestaande uit cello en klavecimbel. Ze waren wel luid genoeg, maar het ontbrak dit kamerensemble aan dynamische schwung. Veel harder of zachter werd het niet. De orkestpartijen kwamen daardoor vaak niet tot leven. Ook de frequente keuze voor te trage tempi speelde daarin mee. Violist Rémy Baudet (toch niet de minste!) had zelfs grote moeite met zijn instrument, dat in het eerste deel vaak onzuiver klonk.
  De zangers waren minder onzeker. Vooral sopraan Elise Caluwaerts (die De koopman van Smyrna verrijkte met haar charmante Vlaamse accent) maakte grote indruk. Bariton Hans de Vries daarentegen lijkt eerder voor de studio dan voor het podium geboren: zijn zangkwaliteiten niet te na gesproken toonde hij de hele namiddag het acteervermogen en de flexibiliteit van een lantarenpaal.

Een concert als dit verdient hoe dan ook een pluim. Nederlandse muziek is net zo goed het bestuderen waard als muziek uit onze buurlanden. Seghers heeft de muziek aan de vergetelheid onttrokken en meteen maar tot leven gebracht, daar kan ik als musicoloog alleen maar diep respect voor hebben. Hij is niet bang voor de vooroordelen rond de Nederlandse muziek en weet met zijn presentatie iedereen te overtuigen. Het concert van vandaag heeft mij erg benieuwd gemaakt naar ’s mans boek!

Dutch Harp Festival 2018 (zaterdag)

Liever had ik hier “Nederlands Harpfestival” boven gezet. Helaas slaat de verengelsing in alle domeinen door, ook in de cultuursector. In zijn ijver om vooral maar internationaal relevant te zijn biedt het festival zijn website zelfs niet in het Nederlands aan. Maar goed, dit is de laatste keer dit stukje dat ik hierover klaag.

Het festival rondom dit markante snaarinstrument wordt sinds enkele jaren in Utrecht georganiseerd. De publiciteit eromheen bereikte dit jaar echter een nog ongekende omvang. Harpist annex grote baas Rémy van Kesteren wist met zoiets specialistisch als een nieuw type harp (49 snaren, twee erbij aan de onderkant zodat je bepaalde pianowerken kunt transcriberen) de media te halen – niet alleen Podium Witteman, maar ook Pauw en zelfs Nu.nl.

Dat Van Kesteren een aardig mopje harp speelt weten we, en dat hij genoeg harpspelende vriend(inn)en heeft geloven we ook wel. Een festival is echter meer dan veel concerten in weinig tijd. Het vereist een diverse programmering met een visie, een thema en nevenactiviteiten die zowel inhoudelijk als sfeerbepalend moeten zijn.
  Met de laatste voorwaarde zit het zeker goed. Zoveel wordt je wel duidelijk als je het Plein op loopt. De hele middag zijn er harpen in soorten en maten te bespelen, wordt er bladmuziek verkocht en staan er mensen klaar om uitleg te geven. Dit concept is duidelijk afgekeken van de oudemuziekmarkt op het Festival Oude Muziek en roept een gelijkaardige sfeer op. Een workshop “Dansen als de Fransen” maakt het helemaal af.

Een ander belangrijk onderdeel is het concours dat parallel aan de concerten loopt. Op dit festival horen we de halve finales; acht harpisten nemen het tegen elkaar op in Club Nine, elk met zijn eigen concertprogramma. Hoewel de competitie qua tijd en locatie in de rand plaatsvindt, doen deze optredens bepaald niet marginaal aan. Ik heb er twee bijgewoond; twee keer zat de zaal overvol.
  Het eerste optreden was van de Brit Oliver Wass. Hij bouwde een vrij traditioneel programma op rond vijf van de negen Muzen. Tepsichore, de Muze van de dans, kreeg bijvoorbeeld Bachs luitsuite in e-klein (BWV 996); Thalia, van de komedie, werd gekoppeld aan Karneval in Venedig van Wilhelm Posse (een componist die vooral bij harpisten belletjes doet rinkelen).
  Minder “apollinisch” was de gig van de Amerikaanse Abigail Kent, die werk van onder meer Lili Boulanger en Germaine Tailleferre combineerde met Keltische en Amerikaanse volksliedjes. Ze hulde zich in mystieke witte gewaden en ook haar tussenteksten waren eerder mystificerend dan verhelderend. Kent zag er onweerstaanbaar schattig uit en speelde uiteraard goed, maar haar act cultiveert vooral het clichébeeld dat al rond de harp heerst.

Dichterbij een klassiek harprecital zouden we deze avond niet meer komen. Meteen na het optreden van Abigail Kent begon het officiële openingsconcert. Al bij binnenkomst kregen we te zien wat ons te wachten stond: vier harpisten, waaronder Van Kesteren zelf, gaven een meditatief aandoende improvisatie ten beste, terwijl de wand belicht werd met hippie-achtige kleurenprojecties. Een dichteres heette ons welkom op “Planeet Harp”, waarna ze de eerste act aankondigde als “harpvis”. Het was “Spinvis”, die zijn klassieker “Bagagedrager” op een soort zelfgebouwde citer-met-sampler speelde. Daarna passeerden de andere hoofdacts de revue.

Eén van de acts die bij het openingsconcert al dadelijk indruk maakte, was Edmar Castañeda. Deze in New York wonende Colombiaan combineert Zuid-Amerikaanse muziek met jazz, en speelt deze cocktail op de elektrische harp. Ik had nog nooit van de man gehoord, maar voor veel van de aanwezige harpisten is hij een ware held. Die status blijkt bepaald niet uit de lucht gegrepen. Alleen de klank die hij uit zijn instrument weet te halen maakt zijn gigs al de moeite waard. De lage snaren klinken als een basgitaar of, de hoge als een elektrische gitaar, met alle klankbuigingen die dat instrument toelaat. Zijn improvisaties vliegen moeiteloos door alle registers die zijn harp rijk is, al voert hij het tempo nog zo op. Geen enkele noot valt uit de toon, en voor de automatische piloot is er geen plaats. In de langzamere nummers wordt Castañeda wat sentimenteel (tweemaal citeren uit “Happy birthday”, ter ere van zijn bijna jarige dochter, is niet echt nodig), maar ook daar weet hij een geweldige climax in te bouwen.

Heel wat anders was het trio DMF, drie nog vrij jonge meisjes (harp, fluit en altviool) die onder meer Kraftwerk coverden. Altvioliste Mara Tieles zorgde voor de elektronica, terwijl fluitiste Felicia van den End af en toe ook slagwerk deed. Mooi aan hun concert was de totale make-over die ze Kraftwerk hier gaven. Hun zeer vrouwelijke act (cocktailjurkjes en een vergulde fin-de-siècleharp) kan niet scherper afsteken tegen de robotachtige optredens waarin de Duitsers hun muziek brachten. De nonchalante veelzijdigheid – geen moment had je het gevoel naar drie sterren te kijken, maar hoor eens wat ze intussen allemaal kunnen! – neemt je meteen voor hun werk in, ook al is niet elk arrangement even geslaagd.

Het laatste concert die avond was van Rémy van Kesteren zelf. Hiervoor nam hij zijn zojuist gebouwde, grote harp in gebruik. Wie naar dit concert was gekomen om die lage snaren te horen, en de pianowerken waarvoor Van Kesteren ze nodig had, werd teleurgesteld. Behalve een arrangement van Saties eerste Gnossienne was er niets klassieks te horen. We hoorden een meditatief stuk, variaties over de dalende chromatische bas, gitaarachtig werk (op zulke momenten dacht je weer even bij Castañeda te zijn) en veel popinvloed. Verder gebruikte hij een heel leger aan vintage-samplers. Soms overschreed hij daarmee de grens van een harprecital; hij toverde zoveel muziek uit zijn machines dat hij nauwelijks zelf nog hoefde te spelen.
  Van Kesteren, de showman die een poppubliek naar de harp wil trekken, weet dat het oog ook wat wil. Net als bij het openingsconcert zaten we het hele uur in het donker en werden er bonte lichtprojecties over de muur uitgestrooid. Het is duidelijk waar de artistiek leider met dit festival heen wil…

Na één van de twee dagen – helaas moet ik de zondag missen en daarmee onder meer Spinvis, het Asko|Schönbergensemble en Stockhausens Freude – kunnen we concluderen dat het Harpfestival voor een groot deel geslaagd is. Hoewel het publiek voor een groot deel uit harpisten bestaat – amateur en professioneel – is het toch vrij divers en zeker niet uitsluitend klassiek geschoold. De programmering is al even divers. Wie Remy’s meditatiemuziek niet lust, kan naar het concours luisteren; wie niets met latin jazz heeft, kan Spinvis proberen. Van Kesteren en de zijnen hebben met succes een compleet festival gebouwd rondom één enkel instrument. Een betere reclame voor de harp is nauwelijks denkbaar.

Daniël Lohues – Vlier

Gelukkig, de wereld vergaat nog niet. Zolang Daniël Lohues jaarlijks een nieuw album met degelijke folkliedjes uitbrengt, kunnen we dat zonder problemen vaststellen. Ook dit jaar was het weer raak, en wel met Vlier. Iets later dan gepland krijgt u hierbij van mij mijn eveneens jaarlijkse Lohues-recensie.
  Aan inspiratie heeft het de zanger-schrijver in elk geval niet ontbroken. Achttien liedjes telt het album maar liefst, goed voor ruim zestig minuten muziek. Vreemd, want hij vertelde in interviews vaak dat hij voorstander was van kort platen, dat veel op zich goede liedjes sneuvelden om maar vooral een overzichtelijk en coherent geheel te krijgen.
  Het gevolg laat zich ook wel voelen. Je kent beslist niet alle liedjes meteen uit je hoofd, en de sfeer aan het begin van de plaat ben je na 18 nummer wel weer vergeten. Het doet meer denken aan een klassieke cd, die niet als discreet “album” bedoeld is maar vooral gebruikt wordt om zoveel mogelijk muziek op te zetten. Dat wil trouwens niet zeggen dat de plaat slecht is. Alle liedjes verdienen hun plekje in Lohues’ oeuvre. Sterker nog: puur afgaand op de losse liedjes is het één van zijn betere albums.

De man uit Erica koos voor alweer zijn elfde soloplaat een poppy country-idioom, met een overwegend akoestisch maar wel vol geluid. Op een paar Allennig-achtige liedjes na (“Ben gieniene neudig”, “De ogen van Maria”) is Vlier daarmee een echte bandplaat geworden. Het geluid is verre van homogeen. “A28”, dat de zalige terugweg naar de oostkant van de IJssel bezingt, is een stevig stuk truck-driving country (zoals we dat in Nederland van Henk Wijngaard kennen), terwijl “Ondergrondse hutte” een hommage lijkt aan de jarenzeventigpop uit zijn jeugd (zou het toeval zijn dat dit nummer een plek uit zijn jeugd beschrijft?).
  Met “A28” is de tekstuele noot al deels gezet. Lohues gaat, net als een vrachtwagenchauffeur die hij onderweg tegenkomt, liever terug naar huis dan naar het “lage” westen toe. Ook “Witte wieben van ’t Saksenland” verheerlijkt de geboortegrond. Maar wacht even voordat je je laat afschrikken. Lohues weet het streekgebonden bijgeloof zo te verpakken dat je er geen aanstoot aan neemt. Hetzelfde geldt voor de pseudowetenschap rond de “Volle maone”, die zogenaamd aan ons trekt omdat wij uit water bestaan. Op papier zou ik me daar dood aan ergeren, in dit liedje niet.
  Lohues komt graag in zijn eigen omgeving, ook al is er van alles mis mee: “Mar ik heur hier”. Het gevoel “Weg van alles” te willen, ook al was het ooit goed en mooi, onderkent hij echter ook. Maar naar “Tokyo” (sic), dat gaat hem te ver. Tenminste, het is niets voor hem. Nee, dan liever “Op de prairie”. In dit liedje komt hij er eindelijk achter waarom het Amerikaanse platteland hem zo trekt: “De grond is hier deurweekt met mien liefdesverdriet.” Nu hij er zo vaak geweest is, krijgen sommige plekken daar ook bijsmaakjes…
  De liefde lijkt onze muzikant trouwens andermaal in de steek te hebben gelaten. Een paar jaar terug vernamen we uit de media dat Lohues een relatie had met Stephanie “Stevie-Ann” Struijk. Lohues en Struijk zijn niet het soort beroemdheden wier privéleven breed in de roddelpers wordt uitgemeten; op basis van de teksten zou je echter aannemen dat het al lang en breed voorbij is. Exen domineren de teksten: zijn ene ex zit met een ander in Tokio (dankzij Facebook word je daar zo leuk van op de hoogte gehouden), een andere duikt midden in de nacht in overpeinzingen op. In “Ben gieniene neudig” blijkt hij zelfs een imaginaire vriendin te hebben genomen! En “Weg van alles”, dat onder meer gaat over een dementerende man met een doodswens, werkt ook niet stemmingsverhogend. Het enige lichtpuntje is “Josephine” (“Wie wet wordt ’t wat misschien”).

Lohues’ inspiratie is oneindig, net als zijn smaak voor goede nummers en zijn lol aan het muziek maken. Eén ding zou ik hem echter willen meegeven. Je maakt nu al zo lang country-achtig singer-songwriterwerk, met teksten over steeds dezelfde thema’s. Misschien moet je komend jaar gewoon een keertje wél naar Tokio, in plaats van steeds weer de VS en Canada. Kom uit je comfortzone en maak je wereld groter. Nee, niet groter, veelzijdiger. De kans dat je het dan gewoon tot je zeventigste volhoudt én publiek en critici aan je kant blijven staan is dan veel groter.

Hiphop in Nederland – de tien rappers van dit moment

Het boek kwam vorig jaar al uit, maar ik kocht het pas vorige maand en kwam pas gisteren aan lezen toe. Vandaar dat deze recensie misschien als mosterd na de maaltijd aanvoelt.
  Hoe dan ook: Rajko Disseldorp, journalist van (onder meer) Het Parool, heeft een boek geschreven over Nederlandstalige hiphop. Dat mocht ook wel, want zoals hij zelf al aangeeft bloeit het genre dit decennium als nooit tevoren. Disseldorp, die sowieso al vaak rappers interviewde, besloot de tien grootste rappers van dit moment gedurende anderhalf jaar nog wat vaker op te zoeken om zo een heel boek bij elkaar te krijgen.
  De stand van de hiphop is op dit moment zodanig dat je zelfs met tien namen nog grote jongens mist. De schrijver zegt dat zelf al. In de inleiding benadrukt hij dat rappers recent iets moeten hebben uitgebracht. In dit boek dus geen Def P en Extince. In het nawoord excuseert Disseldorp zich jegens die andere goede rappers waar hij ook naar luistert maar die zijn boek net niet hebben gehaald: Lil’ Kleine, Kempi, Winne, Akwasi, Diggy Dex en nog anderen.
  Persoonlijk kan ik me – hiphopleek als ik nog steeds ben – redelijk in zijn keuze vinden. De populaire rappers komen aan bod, maar hij geeft Ares, een rapper voor de fijnproevers die maar niet doorbreekt bij een breed tienerpubliek, wel de voorkeur boven Lil’ Kleine. Rico had op zich best iets in dit boek te zoeken, maar met het stuk over Sticks heb je hem al voor de helft gehad. Als ik echt iets of iemand mis, is het de Jeugd van Tegenwoordig of een van zijn solo opererende leden.

Van journalisten wordt een vlotte pen en een doordringend vraagvermogen verwacht. Disseldorp beschikt duidelijk over beide. Het boek is 192 bladzijden lang maar laat zich binnen een paar uur uitlezen. (Zelf heb ik er ruim drie uur over gedaan, met dien verstande dat ik in drukke treinen en restaurants moest lezen.) Witte schutbladen niet meegerekend heeft hij voor iedere rapper zo’n 15 pagina’s over, waarin hij steeds weet door te dringen tot de persoon. De meeste rappers hebben wel een crimineel verleden en bijna allemaal roken ze ‘jonko’ (onder burgers beter bekend als ‘hasj’), maar ook hebben de meeste een gezin en nemen ze verantwoordelijkheid voor hun privéleven en hun werk. Hef blijkt overdag gewoon aan de sinaasappelsap te zitten, en Bokoesam ziet zichzelf als ‘de boomknuffelaar van de rapscene’. Het zal typisch Nederlands zijn: hoe stoer je imago ook is, moeite om te relativeren hebben ze geen van allen. Alleen Boef, die zegt onomwonden dat hij enkel in geld geïnteresseerd is. Daarom is hij ook gestopt met criminaliteit: rappen levert meer op.
  Zoveel als je leest over de persoon van de rapper, zo weinig lees je over hun werk. Het zal mijn beroep als musicoloog wel zijn, maar ik had toch liever iets meer gelezen over de teksten, over de beats en begeleiding, over hun invloeden, over het leerproces, over wat er allemaal nog meer bij het maken van hiphop komt kijken.
  Veel rappers benadrukken met geheven vinger dat je de ballen uit je broek moet werken, en diverse jongens beschrijven hoe ze die-en-die hoorden rappen en dat vervolgens ook gingen doen, maar je leest weinig over het schrijven van teksten en nog minder over de muziek. Zelfs Typhoon, die geen volbloed rapper is en zijn muzikale begeleiding bovengemiddeld veel aandacht geeft, begint er niet over. Blijkbaar vergeet Disseldorp zijn respondenten daarnaar te vragen. Alleen als Sticks begint te klagen over “Mag ik dan bij jou” van Claudia de Breij (“klef, braaf gedoe”, dat “poëzie van zestienjarigen [zou] kunnen zijn”) komt er een beetje analyse los.
  Ook de inleiding is wat mager. Het boek is geschreven om de bloei van de Nederlandse hiphop te vieren. Dan mag je toch een stuk verwachten waarin de schrijver uitlegt hoe dat allemaal zo gekomen is en wie eraan voorafgingen. Blijkbaar wordt dat bekend verondersteld. Ook een wat bredere context – waarom zijn er bijvoorbeeld nog nauwelijks vrouwelijke rappers in Nederland, terwijl ze qua kleur en sociale afkomst wél zo divers zijn? – ontbreekt geheel.

De grootste verdienste van dit boek is dát het geschreven is, op het moment dat het genre nog in bloei staat. Straks, als het wat minder gaat met de Nederhop (die tijd komt natuurlijk), kunnen we op dit boek teruggrijpen in plaats van dat we bij dertigers en veertigers langs moeten om hun herinneringen op de diepen. Een ander pluspunt is dat Disseldorp als journalist dichterbij kwam dan jij en ik waarschijnlijk ooit zullen komen. Compleet is het boek echter niet. De gaten die het overlaat, moeten musicologen de komende jaren gaan opvullen.

Orkest van het Oosten in Enschede – vrijdag 13 april 2018

Het was even schrikken. Violiste Carla Leurs kreeg na het eerste deel van Tsjaikovski’s vioolconcert een heus open doekje. Aan het publiek kon het niet liggen: in het Enschedese Muziekcentrum overheerste het ervaren, grijze concertpubliek. Mensen die echt wel weten dat je tussen de delen door niet klapt.
  We hadden ook zeker niet over de uitvoering te klagen. De talloze hoge noten en virtuoze loopjes kostten Leurs – volgens het programmaboekje een gewezen studente van Itzhak Perlman – beslist geen bovenmenselijke inspanning. Ook het Orkest van het Oosten loopt onder Ed Spanjaard bijzonder gestroomlijnd. De Haarlemmer, die we vooral uit de Amsterdamse muziekwereld kennen, nam vorig jaar het orkest over en trad daarmee in de voetsporen van onder meer Jaap van Zweden.
  Echt schokkend was zijn interpretatie van Tsjaikovski niet te noemen, maar dat is ook wat veel gevraagd van een werk dat zozeer bij het ijzeren repertoire hoort. Bezield zou ik het wel willen noemen, al leek de soliste soms meer te willen dan het orkest.

Tsjaikovski’s vioolconcert was al het tweede concertante werk deze avond. Het concert was geopend met een nieuw werk van Wilbert Bulsink. Spelingen is een vijfdelig concert voor harp en orkest, waarin de harp diverse “extended”-technieken gebruikt. Als Achterhoeker schrijft Bulsink ongetwijfeld graag voor het Orkest van het Oosten. Toch is het min of meer toevallig dat juist dit orkest de première verzorgt. Het stuk gaat namelijk terug op een korter werk dat Spanjaard in 2015 – helemaal in Caïro – dirigeerde. Zodra hij was aangesteld bij het Orkest, belde hij Bulsink op met de vraag of dat werk niet kon worden uitgebreid.
  Het is echt een werk voor harpisten geworden – ook in passieve zin. De componist gebruikt namelijk technieken die harpisten herkennen uit hun dagelijkse praktijk buiten de concertzaal: spelen met een doek om de resonantie te dempen (zowel om de buren niet te storen als om te horen of je alle snaren wel behoorlijk raakt) en sponsjes langs de snaren halen om ze schoon te maken. Allebei levert dat heel aparte geluidseffecten op. Het valt te prijzen dat Bulsink die effecten muzikaal gebruikt: de nieuwe klanken zijn er niet voor de lol, maar worden echt naar hun potentieel toegepast en ingebed in orkestklanken die er goed mee combineren. Hoe serieus hij deze technieken neemt, bleek wel kort van tevoren: volgens Spanjaard hebben ze diverse sponsjes geprobeerd, en bleken die van Albert Heijn de beste.
  Behalve doek en sponsjes schrijft de componist ook pedal buzz en flageoletten voor. Extreem hoge flageoletten wel te verstaan. Hier begon ik wel te twijfelen. De hoge flageoletten zijn niet de welluidendste en klinken ook niet geweldig door. Als je ze af en toe gebruikt is dat tot daaraan toe, maar hier ging het wel ten koste van de totale klank. Trouwens, ook de sponsjes en de doek werken nogal dempend. Hiermee moest het orkest natuurlijk gelijke tred houden. Gevolg was dat er het grootste deel van de tijd maar een paar orkestmusici meespeelden (vaak enkelvoudige strijkers!) en het concert iets kamermuzikaals kreeg. Die paar keer dat wél het hele orkest meedeed, deden licht kolderiek aan.
  Toch overheerst de positieve indruk van het concert. Niet alleen door de klankmatige inventiviteit, maar zeker ook door de vorm. Bulsink heeft zijn eendelige werk op een degelijke manier uitgebreid. De hoge flageoletten uit het begin keren tegen het eind terug, en in delen 2 en 4 wordt dezelfde melodie geciteerd. De vijf delen zijn geen domme suite maar horen bij elkaar. Ze vormen een echt concert.

Na de pauze was het de beurt aan Sjostakovitsj’ negende. Zoals bekend is dit een vrij parodistisch werk met een klassieke grondslag, dat de componist in grote problemen bracht omdat de verwachte aureolen voor Stalin en het Rode Leger uitbleven.
  Vooraf benadrukte Ed Spanjaard de spottende kant van het werk: “delen 1, 3 en 5 zijn een lange neus naar alle vormen van autoriteit.” Vreemd genoeg was daar in zijn uitvoering maar beperkt iets van te horen. Spanjaard koos eerder voor een degelijke orkestklank, die het neoklassieke karakter van deze symfonie onderstreepte. Een piccolo die in zijn eentje boven de lage strijkers uitkomt, klinkt natuurlijk vanzelf wel belachelijk, maar Spanjaard deed geen hoorbare poging dit werk nu maar zo cartoonesk mogelijk ten gehore te brengen. Eerlijk gezegd kan ik me in zo’n uitvoering ook beter vinden.
  Ook het vierde deel wist me zeker te behagen. De recitatiefachtige fagotsolo’s die dit deel kenmerken kwamen er wonderschoon uit. De fagottiste bevestigde wat we eigenlijk na het eerste deel al wisten: dat elke vorm van Randstedelijk dedain jegens dit orkest ongepast is, dat het in veel meer dan alleen in naam een professioneel orkest is en dat het die positie onder Ed Spanjaard niet gauw zal kwijtraken.

De jukebox (5)

Dit jaar schreef ik in honderd stukjes, geconcentreerd rondom evenveel liedjes, een geschiedenis van de popmuziek in het Nederlands en verwante streektalen. Verschillende mooie, leuke en interessante liedjes zijn buiten de boot gevallen. De laatste twee weken van het jaar passeren die liedjes alsnog de revue.

Deel 5: Novelty (zie ook aflevering 1 en 57)

Inderdaad, dit jaar kwamen er maar twee noveltyliedjes voorbij. Niet zo vreemd ook: liedjes die bedoeld zijn als gimmick laten zelden een invloed van betekenis na. Artistiek gezien zou je ze zo kunnen negeren. Twee liedjes heb ik echter toch opgenomen, omdat ze wel degelijk iets over de muziekgeschiedenis zeggen. “De trappelzakboogie” (aflevering 1) geeft aan hoe volwassen mensen in het begin over de rock ’n roll dachten. “Gabbertje” (aflevering 57) geeft aan hoe niet-gabbers naar deze muziek keken. Bovendien viel het samen met het breekpunt van de gabberrage, dat Fosko en consorten volgens sommigen eigenhandig bewerkstelligd hebben.
  Een paar andere novelty-liedjes kwamen al voorbij in aflevering 1 van De Jukebox, over de jaren zestig. Vandaag passeren er nog een paar. De meeste neem ik niet op omdat ze enig muziekhistorisch belang hebben, maar gewoon omdat ik ze grappig vind, of omdat anderen ze grappig kunnen vinden.

We beginnen meteen met een van de bekendste nummers uit deze rubriek. In 2001 kwam het tv-programma Kopspijkers, dat destijds door miljoenen mensen bekeken werd, met een single. “One Day Fly”, een foute vertaling van “eendagsvlieg”, was een satire op talentenjacht Starmaker van Yorin, en de band K-otic die eruit voortkwam. Het was een megahit onder alle lagen van de bevolking; mensen die normaal nooit singles kochten, hadden hier massaal 11 gulden voor veil. Ja, ik ook. Het was mijn eerste singletje en het zou een van de weinige blijven.
  Zestien jaar later – waar blijft de tijd – klinkt het niet meer zo grappig en fris als destijds. De conclusie moet toch luiden dat we het vooral zo leuk vonden dankzij de Kopspijkers-troep die we elke zaterdag op tv zagen. Nu de actualiteit er vanaf is, staan er 60.000 singletjes in Nederlandse platenkasten stof te happen…

Zoals je kunt horen hebben ook George Baker (de echte) en Johan Cruijff (niet de echte, maar de imitatie door Viggo Waas) een cameo in dit nummer. De echte Johan Cruijff maakte nog een keer een singletje: “Oei, oei, oei, dat was me weer een loei”. Aan zijn zangstem mis je niet veel; het nummer is trouwens meer schlager dan pop en heeft in mijn rubriek dus niets te zoeken.
  Rond 1990 kregen we wel pop zingende voetballers, ja hele voetbalselecties. Een gouden greep natuurlijk: grote clubs hebben een brede fanschare en duizenden mensen kopen dat plaatje toch wel. Zo dook in 1992 de Feyenoordselectie, met latere culthelden als John de Wolf, Regi Blinker en Ed de Goey, de studio in voor “Wij houden van die club”.

Ajax kon daarbij niet achterblijven. Nog datzelfde seizoen kwam “Ajax is oké” uit. Met Amsterdamse branie, zoals de supporters het wilden. “Nooit, nee nooit, verliezen doen we niet”. In werkelijkheid werd Feyenoord dat seizoen kampioen en Ajax derde. Maar het Ajax-plaatje kwam wel hoger in de hitparade.

(Wie na het uitzitten van deze twee nummers denkt dat voetballers helemaal niet kunnen zingen, verwijs ik graag door naar de Brabantse folk van Björn van der Doelen of de hiphop van Royston Drenthe.)

Heel iets anders nu. Stel, je bent tatoeëerder. Dat is op zich al cool. Je mag mensen pijn doen en voor het leven verminken met creaties die je zelf uitkiest, en ze zullen blij en dankbaar je zaak uitlopen en je goed betalen. Als je dan ook nog een halfgod in de Belgische metalscene wordt, en heel Graspop kent je, dan heb je echt een topleven. Er is eigenlijk maar één hogere stap mogelijk: zelf popster worden. Tijs Vanneste verpopte zich tot Jef Van Echelpoel, een Kempische lapzwans die droomt van succes bij de meisjes. Deel van die metamorfose: hij vermijdt de metal maar doopt zich in de elektropop, een genre dat hij net zo min serieus neemt als zijn personage. Dat je dan toch een megahit haalt – is dat meegenomen?

Dit is allemaal weinig diepgravend, maar nog redelijk netjes. Er zijn natuurlijk ook liedjes die nooit bovengronds zullen komen omdat de teksten gewoon te smerig zijn. Wie herinnert zich de Dikke Lul Band nog? Twee volwassen mannen die hun beroep hebben gemaakt van popliedjes met seksuele teksten zingen. Het stomste is misschien nog dat er best wel zorg aan is besteed – ze nemen hun missie nog serieus ook.

Uit de gelederen van mijn Utrechtse studentenvereniging kwam het gelegenheidsduo Holland en Holland (een toespeling op de producers Bolland & Bolland), die de wereld verblijdden met “Bolletjes in mijn hol”. Dit mochten ze zelfs bij Edwin Evers komen uitvoeren. Met het kinderkoortje dat ook de plaatopname siert. Hun kinderen blijken erg bijdehand…

Voor echt aanstootgevende teksten moet je bij de extreme metal zijn. George Oosthoek, zanger/grunter van gothicmetalband Orphanage, wilde weleens wat anders dan die eeuwige sprookjesmuziek met vrouwenstemmen en keyboards, en richtte als zijproject Kutschurft op. De band speelt grindcore en death metal, en de Nederlandstalige teksten gaan over de smerigste en ranzigste dingen, vooral op seksueel gebied. Dat is op zich niet zo’n probleem, want je verstaat toch niets anders dan “gchòòòòòòòchgch!” In “Neuk je oma in d’r stoma” komt echter een parlando voor, waarin alle psychopathische praktijken van Dr. Ranzzz (zo noemt Oosthoek zich in deze gedaante) uitgebreid en verstaanbaar uit de doeken worden gedaan. Eén waarschuwing: niet voor tere zieltjes!

Laten we toch maar afsluiten met een liedje dat écht leuk is. Het viel me de laatste jaren steeds meer op dat mijn generatie, net als jongere generaties, verzot is op absurde humor. Grappen die echt als een tang op een varken slaan, volkomen willekeurige combinaties en situaties die zo idioot zijn dat ze wel kunst lijken. Mensen boven de veertig gaan dan naar verbanden zoeken: ze denken dat die absurdisten toch ergens een punt willen maken. Wij weten wel beter. (“Drie tennisrackets zitten in een boom te klaverjassen. Komt er een ei voorbij. Vragen de tennisrackets: ‘Hé ei, doe je mee?’ ‘Nee sorry,’ zegt het ei, ‘ik moet naar de kapper.'”)
  Een eerste aanzet gaf Monthy Python al in de jarne zeventig. Later kregen we Herman Finkers en Brigitte Kaandorp. Maar pas met Dirkjan en Kabouter Wesley bereikte mijn generatie echt wat ze wilde. En… met Yogho Yogho. Dat mierzoete drinkyoghurtmerk dat wij allemaal dronken, en dat veel cooler was dan zijn concurrenten. Dat kwam door zijn twee compleet van de pot gerukte reclames (zie hier en hier). Van die reclames werd ook een compleet lied van drie minuten gemaakt. Helaas kon je dat alleen via de Yoghopakken bestellen, dus een grote hit is het nooit geweest. Op Youtube is het nog wel te vinden. “Duizend mijlen onder zee / zit een man op de wc!” Geniet ervan!

De jukebox (4)

Dit jaar schreef ik in honderd stukjes, geconcentreerd rondom evenveel liedjes, een geschiedenis van de popmuziek in het Nederlands en verwante streektalen. Verschillende mooie, leuke en interessante liedjes zijn buiten de boot gevallen. De laatste twee weken van het jaar passeren die liedjes alsnog de revue.

Deel 4: Vrouwenmuziek (Zie ook aflevering 3, 10, 17, 51, 59, 62, 79, 83, 84, 91, 92, 93, 94)

Op het eerste gezicht lijkt muziek door vrouwen misschien niet onderbelicht. Er staan dertien nummers achter het tussenkopje, veel meer dan bij de vorige drie afleveringen. Maar een klein beetje doordenken legt het probleem al bloot: dertien van de honderd nummers, dat is niet meer dan 13% van alle liedjes uit mijn rubriek. Terwijl vrouwen gewoon ongeveer de helft van de Nederlands sprekende bevolking uitmaken. Als je dan ook nog bedenkt dat in afleveringen 10, 17 en 51 een man meezingt, dan moet je toch concluderen dat het schone geslacht (een archaïsme dat feministische meelezers mij hopelijk toestaan) zwaar ondervertegenwoordigd is.

Hoe komt dat? Wel, ten eerste gaan er domweg meer mannen de popmuziek in. Synthetische tienerpop voor de grote massa wordt nog wel met zangeressen gemaakt, maar van de ‘serieuze’, organische pop zijn vrouwen in Nederland en België lang afgebleven. Grotendeels, tenminste. Rockmuziek was een machowereld waar vrouwen zich niet thuis voelden. Zij die het toch probeerden, merkten vaak dat dat gevoel terecht was. Lutgard Mutsaers, mijn docente popmuziek aan de Universiteit Utrecht, was jarenlang bassiste in vrouwenband The Broads. OOR en Aloha waren niet in hen geïnteresseerd, mannenblad Aktueel wel…
  Het gaat te ver om te zeggen dat je als vrouw totaal geen kans had. Janis Joplin en Joni Mitchell hielden zich in de wereld van de cockrock fier staande. De platen van Fay Lovsky gooiden in Nederland hoge ogen bij de critici. Maar ongebruikelijk was het wel. Het publiek zat niet echt op popmuziek van vrouwen te wachten. Terwijl vrouwen en meisjes al die tijd net zo goed naar muziek luisterden en platen kochten…

Gelukkig komt daar de laatste jaren verandering in. Nummers 91 tot en met 94 van mijn rubriek werden allemaal door vrouwen bezet, en geen van de vier moest ik er echt met de haren bij slepen. Ik moest er zelfs een paar weglaten, omdat ook op andere gebieden (muziekgenres, bevolkingsgroepen, delen van het land) de verhouding scheef was gegroeid. Die vrouwen krijgen hier alsnog een plekje, samen met een paar andere die mijn rubriek niet gehaald hebben.

We beginnen oppervlakkig: met bubblegumpop uit de jaren negentig. Eind 1995 doken drie soapsterren uit Goede Tijden, Slechte Tijden de studio in. GTST stond destijds op zijn hoogtepunt wat betreft kijkcijfers, en heel Nederland kende Babette van Veen, Guusje Nederhorst en Katja Schuurman als Linda, Roos en Jessica. Hun “Ademnood”… ach, ik hoef eigenlijk niets meer te zeggen. Meer dan 20 jaar later kent iedereen dit liedje nog steeds.

“Ademnood” gaat over een geslaagde date die wat de ikpersoon betreft niet bij één keer hoeft te blijven. Het gaat niet altijd zo soepel. Bij WOW!, een meidengroepje dat in 1997 het licht zag, halen de jongens misschien niet eens het bed: “Morgen denk ik: ‘hoe heet-‘ie ook alweer?'”
  WOW! werd, net als K3, opgericht als kloon van de Spice Girls. Ze moesten girl power uitdragen, en daar hoort kieskeurigheid met mannen ook wel bij. Helaas sloeg de act van WOW! niet breed aan, ook niet bij een jonger publiek (zoals K3). Na twee hitjes hadden de Nederlandse tieners ze wel gezien.

(Treurig detail: zowel van Linda, Roos en Jessica als van WOW! kwam één van de leden voortijdig te overlijden. Guusje Nederhorst kreeg kanker, Joëlle zat in het rampvliegtuig dat in 2010 neerstortte bij Tripoli.)
  Tussen deze tienerpopgroepjes met hun door mannen geproduceerde popliedjes en de volgende artiesten is geen groter verschil mogelijk…

Behalve discriminatie en het gebrek aan een traditie is er nog een reden waarom we zo lang moesten wachten op vrouwenmuziek in mijn rubriek. Er braken wel goede vrouwen door, maar lang niet allemaal zongen ze in het Nederlands. Denk alleen maar aan Anouk: die maakte hoog aangeslagen, goed verkopende rock, maar zong wel in het Engels. In de alternatieve hoek had je bijvoorbeeld Solex, maar ook zij schreef Engelstalige teksten. Tezelfdertijd klitten de mannen aaneen tot succesvolle Nederpopgroepen (Bløf, De Kast, Volumia!). Op die manier groeit de verhouding inderdaad wel scheef…
  Nog zo’n goede artieste die mijn rubriek niet haalde was Fay Lovsky. In de jaren tachtig en negentig bouwde ze een bescheiden fanschare op met haar intelligente en in-vrouwelijke popliedjes. Haar werk is lichtvoetig, vaak vrolijk, en vermijdt grote gebaren. Toch schuwt ze het experiment niet: ze leerde voor haar vak zelfs de theremin bespelen. Maar ja, ook zij zong in het Engels…
  Ho. Wacht eens even. Rond 2000 schakelde Fay op haar moedertaal over. Helaas dacht ik daar te laat aan. Hoog tijd om dat nu goed te maken. En hoe kan ik dat beter doen dan met “Alle liedjes op de radio”? Net als Roos Rebergen (aflevering 84) vindt zij dat alle liedjes op de radio heel veel op elkaar lijken. Ze gaan alleen maar over seks. Die manier van muziek maken past haar niet. Zij doet dat op haar eigen manier, en dat ze daarmee de media niet haalt is bijzaak:

Fay Lovsky gebruikt een beproefd recept voor vrouwen die het in de serieuze popmuziek willen maken: een andere niche opzoeken. Het is niet toevallig dat de folkmuziek relatief veel vrouwelijke sterren kende (Joan Baez, Joni Mitchell): folk was niet zo’n mannengenre als rock. In de jaren negentig zag je hetzelfde: PJ Harvey, Tori Amos en Björk zochten hun toevlucht tot een muziek met veel kunstzinnige haken en ogen maar zeer weinig rock-verwijzingen.
  In onze tijd is hiphop het grote mannenbolwerk. Vrouwelijke hiphop bestaat (Lil’ Kim, Azealia Banks), ook in het Nederlands (Slongs Dievanongs, zie aflevering 93), maar het genre is vooral het werkterrein van mannen. Dat komt door het harde, ritmische geluid (een ‘mannelijk’ geluid), maar ook door de enorme macho-erfenis die er jaren na de bloei van de gangsterrap nog steeds aan vastzit. Omdat hiphop hét genre van dit moment is, zal het probleem van de scheve geslachtsverhoudingen niet zomaar verdwijnen.
  Daarom vind je vrouwenmuziek vaak in heel andere genres. De huidige generatie Nederlandse popvrouwen zoekt haar toevlucht tot folkachtige liedjes. Soms zit daar een kunstzinnig laagje overheen (denk aan Eefje de Visser, aflevering 92), maar meestal is het toch wel eenvoud troef: mooie melodieën, gecombineerd met intelligente teksten.

Aafke Romeijn brak de laatste jaren bescheiden door met haar electropop. Ook als opiniemaakster werd ze bekend. Haar linkse, niet altijd genuanceerde standpunten passen goed bij 2017. Dat wil niet zeggen dat ze alleen over politiek zingt. “Licht aan” biedt het intelligente alternatief voor elke zomerhit:

Roos Blufpand lijkt in veel opzichten het kleine zusje van Aafke Romeijn. Rond dezelfde tijd opgekomen, zelfde niche, zelfde soort teksten. Maar ook in veel dingen wat milder. Haar muziek klinkt minder puntig, de toon van haar teksten is minder scherp, haar stem klinkt zachter. En – sorry Roos als dit nu seksistisch overkomt – mijn God, wat is ze mooi en lief!
  Hoewel ze niet, zoals Aafke Romeijn, wil provoceren, is Roos zeker “Niet bang” om haar mening te geven. Ze is overtuigd dat de wereld haar geluid nodig heeft. Dit liedje gaat duidelijk over de kloof in de maatschappij. Maar gaat het niet ook over trollen op sociale media?

     Ik ben niet bang,
     al zijn je tanden nog zo scherp.

Met dit soort muziek is het theater ook nooit ver weg. De geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek heeft altijd al nauw samengehangen met die van het Nederlandse cabaret (denk aan Neerlands Hoop [aflevering 16], maar ook aan Fresku [aflevering 97]). Ook nu nog opereren veel artiesten op de grens van beide, of liever: in beide hokjes tegelijk. Het duo Yentl & De Boer is een uitstekend voorbeeld.

Over cabaret gesproken: ook Claudia de Breij heeft mijn rubriek niet gehaald. Net niet: ik twijfelde tussen haar “Mag ik dan bij jou” en Kenny B’s “Parijs”. Uiteindelijk viel de keus op de laatste (aflevering 100) – dat andere liedje dat een stroom aan dialectcovers teweegbracht. Claudia kenden we al jaren als zangeres, cabaretière, radio- en tv-presentatrice toen ze in 2014 dit liedje lanceerde. Uiteindelijk werd het een moderne klassieker.

Vrouwen gedijen ook buiten het theater. Veel poppyer is het werk van Laura Beekman. Haar pop verschilt niet eens zo gek veel van Eefje of Aafke, maar het is allemaal net iets luchtiger, net iets meer 100%NL, en niet zo politiek beladen. Ook daar hebben we in deze verzuurde tijd weleens behoefte aan.

Ook ons laatste liedje past in deze categorie. Sanne Hans, beter bekend als Miss Montreal, bracht ons in 2008 “Just a flirt”, over een onenightstand waar niet om getreurd zal worden. Waarom probeerde die het niet in het Nederlands? Als je haar op tv hoorde, begreep je waarom: door haar knetterende Nedersaksische accent dorst ze dat gewoon niet aan. Uiteindelijk kreeg Nielson, die ze leerde kennen door haar jurylidmaatschap in De beste singer-songwriter van Nederland (zie aflevering 91), haar zover om het toch te proberen. “Hoe” werd een hit en haar accent bleek uiteindelijk geen enkel probleem meer.

De jukebox (3)

Dit jaar schreef ik in honderd stukjes, geconcentreerd rondom evenveel liedjes, een geschiedenis van de popmuziek in het Nederlands en verwante streektalen. Verschillende mooie, leuke en interessante liedjes zijn buiten de boot gevallen. De laatste twee weken van het jaar passeren die liedjes alsnog de revue.

Deel 3: country (zie ook aflevering 15)

Ja, u hebt het goed gezien. Dit hele jaar kwam er slechts één countryliedje voorbij, te weten “KL 204 (Als ik God was)”. Dat was dan ook nog een liedje van Peter Koelewijn, dat er normaal gesproken niet in was gekomen omdat de Eindhovense meester al met “Kom van dat dak af” in mijn rubriek stond. Maar het genre helemaal weglaten ging gewoon niet.
  De reden daarvoor is deels sociologisch. Country werd in Nederland in de hoek van de ‘Europese’ muziek geplaatst, samen met smartlappen en schlagers. In Amerika is dat heel anders: daar is country de rurale tegenhanger van de rockmuziek. Country kwam op in het interbellum. Eigenlijk waren de country en de blues één muziekstijl, maar door de ongelofelijke segregatie in die jaren werden er aparte muzieksoorten voor zuidelijke blanken en zuidelijke zwarten in de markt gezet. Ik heb het vaker gezegd: muzikanten denken niet in hokjes, het publiek wel.
  Na de oorlog was country de essentiële factor die rhythm ’n blues in rock ’n roll deed veranderen. Country deed het goed bij Bob Dylan en hippiebands als The Byrds, terwijl Johnny Cash, de koning van het genre, in rockkringen brede waardering vond.

Zo niet in Nederland. Hier te lande was het vooral de sentimentele country die tot een overwegend vrouwelijk publiek doordrong. Dolly Parton en Tammy Wynette scheerden hoge toppen. Heeft dat ook de Nederlandse country gevormd? Ten dele.

We beginnen trouwens in Vlaanderen. Will Tura, een muzikale allemansvriend, coverde “Lonesome 7-7203” van Hawkshaw Hawkins. Gedateerd klinkt het zeker, maar smakeloos allerminst.

Enkele jaren later was het Luk Bral die de aandacht trok. Hij zong een liedje over een geliefd countryonderwerp: de lust om te reizen en dan toch weer het gevoel dat je terug moet.

Goede country was in Nederland jarenlang het terrein van Wim Kerkhof. Op Radio Rijnmond had hij een programma geheel gewijd aan dit genre, dat overigens dit jaar ter ziele ging. Kerkhof wist waar hij over praatte, want hij was al jaren de helft van The Amazing Stroopwafels: een Nederlandstalig duo, wereldberoemd in Rotterdam e.o., dat heel wat countryachtig werk in zijn uitgebreide discografie heeft opgenomen. Een van hun bekendste nummers is “Oude Maasweg”, een vertaling van “Manhattan Island serenade” van Leon Russell. Plaats van handeling is een troosteloos weggetje in het Botlekgebied. Om ons van dienst te zijn zingen de heren eerst het origineel voordat ze hun hertaling ten gehore brengen.

Het kan ook een stuk minder smaakvol. Hepie en Hepie, twee nichtjes uit Friesland (met zulke namen hoef je dat laatste er niet bij te zeggen), verblijdden ons met een cover van Hank Locklins “Send me the pillow that you dream on”. Het origineel is mooie klassieke country met alles erop en eraan. “Ik lig op mijn kussen stil te dromen” is elektronisch, sloom en behoorlijk bloedeloos. Maar het werd wel een kneiter van een radiohit. Als je wilt weten waarom de country in Nederland bij de smartlappen werd ingedeeld, heb je hier het antwoord:


Ja, rond 1980 werd popcountry wel een dingetje. Zelfs goede artiesten deden eraan mee. Ze probeerden hun sound te moderniseren door er synthesizers tegenaan te gooien. Dat leverde inderdaad hits op, maar anno 2017 ligt geen mens meer wakker van die muziek.
  Ook Utrecht had een groep die popcountry zong, in het plaatselijk stadsdialect nog wel. In “‘k Wis nie da je kwaod werd” haalt een echte Utrechter allemaal asociale rottigheid uit: oplichten en gejatte fietsen in de gracht gooien. Het is te hopen dat de bandleden zelf ook uit het volkse milieu kwamen, en niet stiekem USC-reünisten waren…

Country is niet alleen voor cowboys. Na de oorlog was er een groep countryartiesten die zich niet meer thuis voelde in het stervende beroep van paardrijdende koeienhoeder, maar het moderne metier van vrachtwagenchauffeur bezong. De grote man van de truck-driving country in Nederland is natuurlijk Henk Wijngaard, ook in het echte leven vrachtwagenchauffeur en bovendien de oom van Shania Twain.

Naast Henk Wijngaard was er ook nog de BB Band. De zanger van deze band is blijkbaar geen trucker, maar de romantiek van de verlaten wegen trekt hem wel aan. Daarom laat hij zichzelf als lifter meenemen. Maar Stille Willie blijkt geen gewone trucker…

Het hoeft niet per se over verloren liefdes of verlaten vlaktes te gaan. Mac Davis zong gewoon over zichzelf. Peter Blanker bracht Davis’ “Hard to be humble” naar Nederland als “Het is moeilijk bescheiden te blijven.”

Ook deze aflevering van De jukebox sluiten we af met een artiest die al aan de beurt is geweest. Daniël Lohues heeft in zijn loopbaan heel wat goede country geschreven – hij kan zo met tien liedjes in dit stukje. Mijn keuze valt op “Dankjewel voor de zon”, een Nederlandstalig (!) liedje dat hij met Skik schreef. Tot nu toe vooral bekend bij de fans, maar daar moet maar eens verandering in komen.

De jukebox (2)

Dit jaar schreef ik in honderd stukjes, geconcentreerd rondom evenveel liedjes, een geschiedenis van de popmuziek in het Nederlands en verwante streektalen. Verschillende mooie, leuke en interessante liedjes zijn buiten de boot gevallen. De laatste twee weken van het jaar passeren die liedjes alsnog de revue.

Deel 2: hiphop
(Zie ook afleveringen 2, 26, 49, 54, 71, 74, 76, 81, 90, 93, 95, 97 en 98)

De laatste maanden heeft het in mijn rubriek hiphopliedjes geregend. Na 2000 schoten Nederlandstalige rappers en rapcollectieven als paddenstoelen uit de grond – eerst in Nederland, later ook in België. Om nog een beetje muzikale diversiteit (en geslachtsgelijkheid) te houden, heb ik letterlijk tientallen acts moeten weglaten. Vandaag komen die kort aan bod.

In aflevering 26 konden we lezen hoe het Nederlands al heel vroeg de hiphop was binnengekomen, dankzij kindsterretje Danny Boy en zijn producer-vader Han Grevelt. Daarna was het jaren wachten tot de Nederhop echt van de grond kwam. Dat wil niet zeggen dat er tussen “Repperdeklep” van Danny Boy en “Moordenaar” van Osdorp Posse niets gebeurd is. In 1983 had een Utrechtse artiest, De Neus, al succes met “Tien tegen één dat hij Jansen heet”. De Neus heeft een vraag die 34 jaar later actueler is dan ooit: Willen jullie meer of minder Jansens?

MC Miker G en DJ Sven hadden in 1986 een wereldhit met de “Holiday rap”. Drie decennia nadien klinkt dat nummer duf en oppervlakkig, maar op dat Nederlandse succesje mogen we best een beetje trots zijn. Maar ja, waarom moesten twee Hollandse jongens nou weer doen of ze Amerikaanse toeristen waren? Dat vonden twee andere Nederlanders ook. Haagse Harrie en Hollandscheveldse Hendrik brachten het alternatief: de “Hollandse rep”. Zij zongen allebei in hun eigen dialect over vakantie in hun eigen woonplaats. Ze verstaan elkaars plat wel, maar elkaars vakantiegevoel begrijpen ze wat minder.


Maar wat je er verder ook van kunt zeggen: rap werd steeds meer mainstream in de jaren tachtig. Er waren nog niet veel Nederlandse artiesten die het deden, maar de jeugd, ook de blanke jeugd, had het volop ontdekt. Zodoende kwam de hiphop ook Kinderen voor Kinderen in. Op nummer 7 (uit 1986) waagde Edwin Rutten zich al aan de rap (“Ik ben toch zeker Sinterklaas niet”), maar een echt hiphopnummer moest wachten tot 1989: Het tiende album opent met “Stuntelkampioen”.

Rap, dat deed je in principe op funkmuziek. Maar er is geen reden waarom je niet boven een andere begeleiding kunt rappen. Daar kwamen muzikanten al redelijk vroeg achter: denk alleen maar aan “Walk this way”, waarin gerapt wordt boven een hardrockbegeleiding.
  Kan het dan echt op alle muziek? Ja. André van Duin bewees dat. In zijn Van Duin Show bracht hij een carnavalskraker met rap aan de man. De laatste maanden van 1993 kwam de pizzaman elke week op zijn brommer de show binnenrijden om er de stemming in te brengen met zijn “Pizzalied”. Vervolgens kwam het ding als single uit en met carnaval 1994 had Van Duin een nieuwe hit te pakken. Zijn zoveelste.

In de tussentijd timmerden Osdorp Posse en Extince natuurlijk serieus aan de weg. Zij inspireerden de volgende generatie rappers, die rond 2000 opkwam. Niet allemaal waren ze goed. Zo’n Def Rhymz bijvoorbeeld, zou die het vandaag de dag nog maken?

Maar de grote wegbereiders gaan zelf ook niet helemaal vrijuit. Def P, de frontman van Osdorp Posse, verblijdde ons in 2002 hiermee:

Nee, dan horen we toch liever de Moordgasten. Twee piepjonge pubers (ik geloof 16 en 14!) die hoge ogen gooiden in de scene. In “Je moet je bek houwe” rappen ze over leeftijdgenoten die op het internet, veilig achter glas, alles afzeiken. Ze waren hun tijd jaren vooruit. Helaas, na één album nooit meer iets van gehoord. De jongens moeten nu rond de dertig zijn. Zouden ze nog steeds muziek maken?

In hetzelfde jaar, 2003, stormde er een half Marokkaanse jongen uit Almere de hitparade binnen. In een tijd dat Marokkanen constant onderwerp van maatschappelijk debat waren, confronteerde hij het publiek met het geluid van zijn eigen gemeenschap en andere maatschappelijke problemen. Hij werd op handen gedragen – even. Vanaf 2004 kwam zijn stadsgenoot Ali B op, en voor Ali B was de Raymzter geen partij. Hij werd op alle fronten – teksten, rapvaardigheid, refreinen – afgetroefd. Des te meer reden om hem nu voor de vergetelheid te behoeden:

De Raymzter en Ali B zijn bruggenbouwers. Ze zeggen wel wat ze denken, maar ze zijn niet uit op confrontatie met de maatschappij. Dat kun je beslist niet zeggen van Salah Edin. Orthodox moslim, gekant tegen zowat alles wat Nederland te bieden heeft en zeker niet bang te provoceren. Tot zijn uiterlijk aan toe: hij lijkt op Mohammed B. (de moordenaar van Theo van Gogh) en schroomde niet om dat uit te buiten. “Het land van”, een hit van Lange Frans en Baas B, parafraseert hij in een track met dezelfde titel.

(Een paar jaar geleden stopte Salah Edin met muziek maken. Hij kon het niet meer rijmen met zijn islam…)

In de Nederhop komen alle bevolkingsgroepen samen. Autochtonen, Marokkanen, Surinamers, Antillianen, zelfs Polen. En indo’s. Brace, die een bijrol had in de aflevering over Ali B, verdient het wel om nog een keer als hoofdact te passeren. Geniet van “Hartendief”.

Ook een beetje van dezelfde generatie zijn The Opposites. Kennen we “Slaap” nog? Vast wel hè…

De Nederhop van de jaren nul was goed, maar die van dit decennium is nog beter. Maar ga niet generaliseren: er zit ook redelijk pretentieloos materiaal bij. Het werk van Gers Pardoel is zeker niet slecht, maar wel iets meer op de feesttent gericht:

Meer artistieke pretentie zit er in het werk van MC Fit, bekend van Flinke Namen maar ook solo succesvol. Zijn “Probleem” heeft mijn rubriek net niet gehaald. Luister naar dit juweeltje, en let op de tekst:

Ook Kempi, een Antilliaanse rapper met een crimineel imago, moest net de duimen leggen tegen tijdgenoten als Fresku en Typhoon. Hier halen we hem aan in een heel bijzondere feature. In 2012 bracht Doe Maar een dubbelalbum uit: Versies/Limmen Tapes. Op het tweede album speelden ze hun klassiekers opnieuw in. Op het eerste nodigden ze diverse rappers uit om hun oude liedjes te coveren. Kempi mocht rappen over zijn favoriete onderwerp: Nederwiet.

Wie beweert dat er in Almere niets te beleven valt, is geen hiphopliefhebber. Na de Raymzter en Ali B bracht de jongste stad van Nederland onlangs opnieuw een bekende rapper voort: Sevn Alias. We laten hier zijn “Patsergedrag” horen, waarin hij twee generatiegenoten featuret: Lil’ Kleine en Boef. Eén vraag besluipt je: is het een parodie op de gangsterrap of juist een lofzang?

Zo, dat waren de acts uit Nederland. Maar ook Vlaanderen heeft meer rapgroepen dan we tot nu toe hier gezien hebben. Wie als eerste Vlaming in het Nederlands gerapt heeft, weet ik niet. Die eer gaat misschien uit naar de cabaretgroep De Nieuwe Snaar. In een korte rap, met een niet onverdienstelijke breakdance, sommen ze de geschiedenis van het Belgische koningshuis op.

Het echte begin heeft het Hof van Commerce waarschijnlijk op zijn geweten. Deze groep noemde ik al in het stukje over Flip Kowlier (aflevering 69). Daar zat echter geen muziek bij. U krijgt nu de kans deze pioniers alsnog te horen. Luister en huiver:

Geen kinderachtige shit, maar navolging zou nog jaren op zich laten wachten. Toch hadden ze één belangrijke trend al gezet: Vlaamse hiphop is in je eigen dialect.
  Andy Sieren, alias Vijfenveertig, wilde het Oost-Vlaamse antwoord op het West-Vlaamse hof worden. Helaas ging zijn korte carrière gepaard met een agressieve vorm van kanker. In 2008, kort voor hij op achttienjarige leeftijd stierf, maakte hij “Mijn leven”. Pas twee maanden na zijn dood kwam het plaatje de hitparade binnen, om uiteindelijk nummer één te halen.

De enige twee Belgische rappers die (althans met hiphop) mijn rubriek haalden, rapten in het Antwerps. Dat geeft een vertekend beeld, want Antwerpen is echt niet het enige zwaartepunt. West-Vlaanderen heeft meer te bieden dan alleen het Hof van Commerce. Brihang bijvoorbeeld:

En Kenji Minogue, een groep die zo te horen behoorlijk door de Jeugd van Tegenwoordig is geïnspireerd.

In aflevering 94, over Belle Perez, beschreef ik hoe het Belgisch-Limburgs in de popmuziek schittert door afwezigheid. Maar het cités, de Genkse variant van het Verkavelingsvlaams, lijkt zich prima te lenen voor de hiphop. Een lokale artiest, Don Luca, maakte een rapnummer over zijn moedertaal. Het decor en de clip zijn een beetje clichématig en Luca is ook geen muzikale vernieuwer, maar zijn track klinkt verdomd lekker.

We sluiten toch af met een artiest die we al de revue hebben zien passeren. Tourist LeMC, want die bedoel ik, is gewoon verdomd goed. Wie door aflevering 98 nog niet overtuigd was, gaat waarschijnlijk wel om bij deze feature met Wally uit 2016. “Horizon” heeft alles: politiek commentaar gepaard aan persoonlijke problemen, een prachtig refrein, dito begeleiding en een zeer ontroerende videoclip. Het heeft mijn rubriek niet gehaald, maar dat is alleen maar omdat die ophoudt bij 2015. Ik geef je op een briefje: dit wordt een klassieker.

De jukebox (1)

Dit jaar schreef ik in honderd stukjes, geconcentreerd rondom evenveel liedjes, een geschiedenis van de popmuziek in het Nederlands en verwante streektalen. Verschillende mooie, leuke en interessante liedjes zijn buiten de boot gevallen. De laatste twee weken van het jaar passeren die liedjes alsnog de revue.

Deel 1: De jaren zestig
(Zie ook afleveringen 2-8)

Als je de eerste afleveringen van mijn blog leest, kun je de indruk krijgen dat er in de jaren zestig nog weinig Nederlandstaligs te beleven viel. Peter Koelewijn en Boudewijn de Groot waren eenlingen; verder waren het een paar kortstondige initiatieven die in schoonheid strandden. En Rob de Nijs, die hadden we ook nog.

Dat is echter maar de halve waarheid. In de jaren zestig was de meeste invloedrijke Nederlandse popmuziek inderdaad Engelstalig. Rock ’n roll of beat in het Nederlands speelde zich aan de rand af. Maar er werd genoeg in het Nederlands gezongen.
  Zeker in de eerste helft van het decennium regende het vertalingen van Britse en Amerikaanse pophits. Die covers, vaak in elkaar gezet door keurige vaklui en uitgevoerd door keurige groepjes, zijn voor de loop der dingen in de Nederlandse muziek niet van groot belang, en meestal halen ze het niet bij hun origineel.
  Iets dergelijks geldt voor een trend die later in het decennium voet aan de grond kreeg. In het spoor van Het (aflevering 6) gingen veel mensen cabareteske, zeg maar gerust melige Nederlandstalige beat maken. Het spreekt vanzelf dat pretentieloze nummers zelden een grote indruk achterlaten.
  Maar om deze muziek nu helemaal te vergeten – dat gaat te ver. Het zijn hoe dan ook mooie curiosa en goede getuigen van de toenmalige smaak. En stiekem best leuke muziek. Tot voor kort hoorde je ze alleen op de piratenzenders, maar daar komt verandering in. The Kik (aflevering 89) deed al eens zijn best met de Veelste Grote Nederbiet Sjoo, ik kom vandaag met het volgende lijstje:

We beginnen in 1960. Dit jaar hebben we Ria Valk en Rob de Nijs voorbij zien komen als exponenten van de grote vertaalcultuur. Dat stempel kleeft The Fouyo’s (‘four youngsters’) nog veel meer aan. Dit keurig nette groepje coverde alle moderne, maar niet heel gevaarlijke liedjes uit Amerika, en gooide er af en toe een modieus Engels woordje doorheen. Na de Britse invasie hadden ze hun tijd helemaal gehad. Een duffe programmeur maakte toen nog de fout om ze in het voorprogramma van de Rolling Stones te zetten. De Stonesfans werden agressief en braken de zaal af. Ten tijde van “Zeven leuke meisjes” (een vertaling van “Seven little girls” van Paul veans & The Curls) zag niemand dat in de verste verte aankomen…

Rond 1960 kwam er in Engeland een onwaarschijnlijke stijl op. De jeugd stortte zich na de rock ’n roll massaal op de skiffle, een akoestische stijl die zich baseert op de vooroorlogse country ’n western. Bluegrass, zouden we dat tegenwoordig noemen. Fris, vlot en vrolijk. Contrabas, gitaar en mandoline. Veel beatgroepen begonnen als skifflebandje. In Dordrecht kreeg deze rage navolging met de Mudfield Skiffle Group, die meestal in het Engels zong maar het ook wel in het Nederlands probeerde. Ze zingen over een meisje uit Loenen aan de Vecht dat zich niet helemaal normaal gedraagt…

Het volgende liedje heeft de tand des tijds beter doorstaan. “Sophietje” van Johnny Lion is althans redelijk bekend gebleven, wat je van de bovenste twee niet kunt zeggen. Jan van Leeuwarden, zoals hij echt heet, was een soort reserve-Rob de Nijs. Zijn grote hit is overigens een vertaling vaan een Zweeds nummer: “Fröken Fräken” van Sven Ingvars. Dat heeft dit lied gemeen met “Hou je echt nog van mij, Rockin’ Billy” (aflevering 3).


Na de Britse Invasie haalde Nederlandse popmuziek even de hitparade niet. Maar, zoals boven gezegd, in de tweede helft van het decennium kwam er een tweede golfje met vaak erg melige liedjes. Bijvoorbeeld dit liedje van Davy Jones & The Clungels (sorry…), waarin de ikpersoon achter de meisjes aan gaat…

Het hoefde niet altijd melig te zijn. Els Molenaar vertolkte in een beatliedje de opstandige drop-outmentaliteit van die tijd.

     Gezakt of geslaagd, het kan me niet meer bommen.
     Zonder dat papiertje zal ik ook wel verder kommen.

Maar wat nou als je domweg geen talent hebt om het te maken, met of zonder papiertje? Dat je, zeg maar, twee linkerhanden hebt en niet links bent? Het Lowland Trio wist wel wat er dan gebeurt:

Eén van die melige liedjes bleef bekend. Die eer gaat niet eens naar een gewone zanger, maar naar radiodeejay Rob Out. Die man had ook helemaal geen zangstem, maar vond het in 1968 wel nodig om zichzelf het pseudoniem Egbert Douwe aan te meten en een liedje op te nemen. De keuze viel op de slijmerige verleidingsballad “Come to my bedside, my darling” (oorspronkelijk van Eric Andersen, maar destijds veel bekender in de versie van The Brothers Four). De akoestische gitaar wordt een beatbandje, en de seksueel geladen tekst verandert in “Kom uit de bedstee, mijn liefste”.
  Egbert haalde er nummer één mee. De Top 40 is niet altijd een goede reclame voor onze smaak…


Eerlijk is eerlijk: ik moet er ook om lachen, en de begeleiding is welbeschouwd een verbetering ten opzichte van de Brothers Four.
  Toch wil ik dit stukje niet hiermee afsluiten. Dat doe ik liever met een echt goed liedje. Boudewijn de Groot moest het in mijn rubriek met één nummer doen, een beslissing die vreselijk veel pijn deed. Maar vanwege zijn kwaliteit en invloed verdient hij nog wel een tweede nummer op deze themapagina. Geniet van “Picknick”!