Daniël Lohues – Daniël Lohues

Ziedaar: het is weer lente, de COVID-maatregelen zijn weg, het werk- en uitgaansleven neemt zijn normale loop weer aan en Daniël Lohues maakt weer een nieuwe plaat. De wereld komt weer op zijn pootjes terecht (behalve dan in Oost-Europa).

Vorig jaar was er geen nieuwe Lohues-plaat. Het jaar daarvoor was er Sowieso. In mijn recensie van dat album maakte ik bezwaar tegen de beperkingen die Lohues’ muzikale taal aan de groeiende stapel albums oplegt. Ze zijn allemaal goed, maar ze lijken zo op elkaar.
  Ik zal maar vast verklappen: globaal geldt dat ook voor dit album. Moet ik het dan wel recenseren? Wat kan ik erover zeggen, behalve “fans kunnen deze blind kopen, en voor nieuwelingen is het net zo’n goed instapmoment als zes andere albums”? Gelukkig heb ik toch nog wel wat te zeggen gevonden.

Lohues kon het afgelopen jaar niet naar Amerika en Canada, waar hij gewoonlijk zijn vakantie doorbrengt. COVID-maatregelen. In plaats daarvan ging hij naar Frankrijk. Verwacht geen accordeons of Gainsbourg-invloeden. Op deze plaat zet Lohues gewoon de lijn van zijn vorige albums voort. Twee soorten liedjes domineren de (redelijk lange) plaat: softrock in jarenzeventigstijl, en folk in de geest van zijn Allennig-platen en de onmiddellijke opvolgers.
  Eén ding is er echter anders: de plaat heeft geen titel. Als een artiest of band een plaat naar zichzelf noemt, is er vaak iets aan de hand. Een debuut, een stijlwijziging of een poging nou net deze plaat eruit te lichten. De eerst twee vallen af, maar de laatste mogelijkheid dringt zich op. Zou Lohues met deze plaat zijn muzikale essentie willen samenvatten? Het zou zomaar kunnen.

Hij is er in elk geval in geslaagd een uitstekende plaat af te leveren. Anders dan op eerdere platen staan er geen miskleunen op. De paar dingen die hij minder goed kan – wereldhits, breed knallende refreinen, dat ene lied dat alles wil zeggen – laat hij nu wijselijk achterwege. Alle vijftien liedjes kloppen, zelfs al beklijven ze niet allemaal.
  Dat betekent natuurlijk wel dat er geen potentiële hits op de cd staan. Of tenminste: niet lijken te staan. Bij Lohues weet je het maar nooit. Het vrij bescheiden “Hier kom ik weg” (van Allennig II) werd in Erica en wijde omstreken gretig opgepakt. Dat zou ook met nummers van dit album kunnen. Mijn persoonlijke favorieten, “Laot mar lös” en “Ik wul niet meer”, lijken geen geheide radiohits maar zouden zomaar eens een eigen leven kunnen gaan lijden.

Waar zingt zo’n man nog over, nu hij in de vijftig is? Nog steeds over de liefde, over het leven en over reizen, zoals altijd. De plaat heeft zelfs dezelfde opbouw als zijn directe voorgangers: eerst een nummer over iets nieuws beginnen, dan een paar over het platteland, dan heel wat over de liefde en tot slot wat relativerende overpeinzingen. En toch heeft hij geleerd. Twee jaar geleden schreef ik op deze plaats letterlijk: “[M]oet je nou als je bijna vijftig bent nog steeds aankomen met ‘Ik haol van de liefde, mar liefde haolt niet van mij’?” Zulke pathetische zinnen zitten er nu niet in. Wel blijven oude liefdes hem achtervolgen, en nieuwe liefdes (“Ellis”) zitten hem behoorlijk dwars.
  De actualiteit zit er niet diep in. Slechts één keer, bij “Weg”, meende ik een hint naar COVID-19 en alle bijbehorende frustraties te horen. Maar ook dat kan gewoon een nummer over Hinausweh zijn zoals Lohues er al zovele maakte.

De aanbeveling die ik eerder aan deze grote muzikant deed – verruim je muzikale universum – staat nog steeds. Het is zonde als je zo lang bij dezelfde stijl blijft. Maar anders dan vorige keer kan ik Lohues nu wel feliciteren met een prachtig album, dat schittert in al zijn bescheidenheid!

Barbara Hannigan – Dance with me

Er ligt een nieuwe cd van Barbara Hannigan in de winkel. Altijd goed nieuws! Helemaal als ze daarop samenwerkt met orkest LUDWIG en het Berlage Saxofoonkwartet, twee Nederlandse geweldenaars van ensembles. Toch?

Mocht ze voor jullie nog introductie nodig hebben: Barbara Hannigan is een Canadese alleskunster die is opgeleid als zangeres – en zich als zodanig glansrijk door de moeilijkste moderne partituren heen werkt – maar er onderwijl van alles naast doet, zoals dirigeren. Ook schrikt ze er niet voor terug om in één concert allebei te doen. Kun je begrijpen dat ze het idool van iedere nieuwemuziekliefhebber is, en dat ik haar cd’s altijd blind koop.

En toch… toch heeft ze me met deze cd voor het eerst teleurgesteld.

Wat staat erop? De titel liegt niet: dansmuziek. Echt de stijldansen zoals onze ouders, grootouders en overgrootouders ze geleerd hebben. Repertoire dat we nu belegen vinden, maar waar men honderd jaar geleden heel hard op ging – omdat het nieuw was.
  Ook ‘serieuze’ componisten gingen er hard op. Debussy schreef bijvoorbeeld een ragtime en Ravel een blues. Vaak zit zulke muziek nog wel onder heel wat vervreemdende lagen: er gaapt nog een flink gat tussen een blues van Ravel en een echte blues. Maar soms wordt de grens tussen ‘amusement’ en ‘kunst’ wel heel vaag. Bijvoorbeeld bij Kurt Weill, die met “Youkali” een smachtende en zeer dansbare tango afleverde.
  Op deze cd staan allebei de soorten dansmuziek – kunstdansen en echte dansmuziek – maar de amusementsmuziek overheerst wel heel sterk. Quien sera (“de” chachacha), twee klassiekers van Glenn Miller en zelfs een walsje van Robert Stolz, de Weense kitschkeizer met wiens dood de wals- en operettecultuur definitief haar laatste adem uitblies. Het lijkt allemaal net een nostalgisch feestje voor mijn honderdjarige opa (op het arrangement van de Lambada na dan).

Is dat erg? Niet per se. Een groot kunstenaar zijn betekent ook: niet bang zijn om banaal te worden gevonden. Hannigan heeft zichzelf al meer dan genoeg bewezen met Berio, Ligeti, Van der Aa en noem ze maar op, die maakt zichzelf niet ongeloofwaardig als ze een keer naar musical grijpt. Maar het is wel een erg grote breuk met haar andere werk. Het had voor de hand gelegen, en mijns inziens ook beter gepast, als er wat meer nummers van het type-Youkali op hadden gestaan. De keuze is reuze. Van Satie tot Stravinski, talloze componisten hebben zich in de eerste helft van de twintigste eeuw laten inspireren door circus, café en cabaret. Waarom dan naar Miller en Stolz grijpen?
  Hannigans stem lijkt ook niet optimaal bij het repertoire te passen. Haar operasopraan komt eigenlijk alleen tot zijn recht in “Youkali”. In een nummer als “Fluffy Ruffles” klinkt hij al bijna belachelijk. En dat is zonde, want dit titelnummer van een vergeten musical uit begin vorige eeuw is een hele ontdekking. Ik snap het ook niet goed, want als zangeres van Nieuwe Muziek heeft Hannigan op duizend-en-een manieren leren zingen. Dan kun je toch ook wel een lichtemuziekstem gebruiken? Of was dit, zelfs bij musical, de manier waarop er honderd jaar geleden in het theater werd gezongen, en houdt Hannigan die stem aan bij wijze van “authentieke interpretatie”?

Een ander bezwaar is het stempel dat Hannigan erop drukt. Op eerdere albums – zo mag je haar cd’s met hun popgerichte marketing en discrete concept-opbouw toch wel noemen – zong ze alles zelf. Nu zingt ze maar in vier van de twaalf nummers. Waarom staat dan toch haar naam zo pontificaal bovenaan? Omdat ze LUDWIG in de instrumentale nummers ook dirigeert? Dat staat er niet op, er staat alleen “soprano” achter haar naam. En al dirigeert ze wel, dat maakt je niet de ster. Toch niet bij betrekkelijk eenvoudige dansmuziek, waarbij het tempo constant moet blijven…

Begrijp me niet verkeerd: als je, net als ik, fan bent kun je deze plaat rustig kopen. Wat de musici doen, doen ze over het algemeen goed, en hoe populair het repertoire ook is, het is gevarieerd en het staat als een huis. Het is prachtig om naar te luisteren, en evengoed prachtig als achtergrondmuziek bij een feestje (van je ouders?) of in de auto. Maar als je fan bent en je koopt het schijfje, bereid je dan wel voor op een paar teleurstellingen.

Wil ik nog wel muziek?

Vandaag gebeurde er iets uitzonderlijks. Mijn broertje belde me en ik kapte het gesprek binnen twee minuten af. Ik was er niet voor in de stemming.
  Voor wie ons niet door en door kent: dit is net zoiets als Kees van der Staaij die een kerkbezoek overslaat, of Wout van Aert die een wielerklassieker laat schieten. Wij bellen gewoon altijd om de andere dag, om – vaak twee uur lang – allerlei pretentieloze ongein te delen. In onze eigen, voor anderen nogal schokkende code, waarbij goede smaak, politieke correctheid en de wetten van de logica de eerste slachtoffers zijn. Niets heeft ons de afgelopen negen jaar daarvan afgehouden: geen persoonlijke depressies, geen enge verkiezingsuitslagen, geen moorddadige kalifaten, zeker geen COVID-ellende (want wat moet je anders als alles dicht is), zelfs de dood van onze oma’s niet.

Maar Poetins krankzinnige oorlog tegen de weerloze Oekraïne dus wel. Helemaal sinds hij zondag zijn nucleaire dreigement op tafel legde. Elke vorm van humor en vermaak ligt ineens zwaar op de maag – nee, erger nog: maakt me misselijk. Het lukt me niet meer mijn zinnen te verzetten met verdovende kicks als seks, snoepen en pretentieloze grappen.
  Dat is allemaal nog tot daaraan toe. Snelle kicks hebben een funeste werking: je raakt eraan verslaafd en onderwijl worden ze steeds minder bevredigend. Prima dus als je daar (desnoods tijdelijk) vanaf raakt. Maar ik heb het ook met verheven dingen. Concreet: ik heb vandaag bijna geen muziek geluisterd.

Waarom zou je geen muziek willen luisteren als de wereld in brand staat? Er is altijd zoveel ellende aan de gang, je wilt toch niet als een überwokiaan afzien van Bach en Mozart alleen maar omdat er elders mensen creperen? Daar schiet niemand iets mee op, toch? Nee, en ik wil het ook niemand aanbevelen. Maar zo werkt het momenteel voor mij. Adorno’s dwaze uitspraak dat het barbaars is om na Auschwitz nog een gedicht te schrijven, lijkt bij mij ineens Anklang te vinden.
  Het lijkt bijna onbehoorlijk om überhaupt nog iets te doen. Ik kom ’s ochtends mijn bed nauwelijks meer uit. Maar ja, daarin heb ik het natuurlijk gemakkelijk. Mensen met een gewone baan moeten eruit, anders heb ik mijn eten en mijn spulletjes niet. Dan maar gewoon mee opstaan…
  Maar zonder muziek dus. De eerste dagen van de oorlog was het nog niet zo hoor. Eerst lachte ik zelfs nog om een überfout aprèsskiliedje van de Zware Jongens. Dat was snel voorbij, maar ik luisterde nog wel de gebruikelijke wavemuziek. Duistere muziek uit, of in de geest van, begin jaren tachtig, de tijd van het grote doemdenken – het leek de ultieme soundtrack voor deze nare tijd.
  Maar nu dus niet meer. Muziek kan mijn zinnen niet meer verzetten, ik kan er niet meer in opgaan. Ik kan de ellende er niet door vergeten, zoals dat voorheen wel lukte. En mocht het toch nog een keer lukken, dan slaat de ellende wel weer in mijn gezicht als het liedje afloopt. Je kunt wel even schuilen, maar je moet doorlopen en intussen is het alleen maar harder gaan regenen.

Niet dat ik niet meer met muziek bezig ben hoor. Zo werkt mijn hoofd niet. Verschillende muziekstukken schieten door mijn geest, inclusief complete improvisaties. Weet je wat er nu de hele tijd in mijn hoofd zit? Het Andante uit de tweede symfonie van Alexander Borodin. Inderdaad, een Rus!
  Het deel waar ik het over heb is al jaren een favoriet van me. Die machtig ontroerende hoornsolo in het begin, met zijn zwaarmoedig troostende tonen die zich aan elke ritmische vastigheid onttrekken, en daarna het blazersensemble dat die melodie, als een soort gesmolten koraal, met dezelfde onvastheid voortzet – het heeft me altijd diep geraakt. Maar nu voelt het vies. De warmte die ik erbij voel is als de warmte van het Russische gas: fysiek weldadig, maar au fond niet in orde.
  Waarom dan toch? Die man leefde van 1833 tot 1887, wat heeft die nou met Poetin en zijn oorlog te maken? En al leefde hij nu en stond hij aan de verkeerde kant, daar wordt de muziek toch niet lelijk van? Heb ik niet altijd geroepen dat je de kunst van de mens moet scheiden? Ja, en dat vind ik nog steeds. Ik vind het ook helemaal niet moreel verwerpelijk om naar Borodin te luisteren. Ik lust het alleen niet. Net zoals al die sporters nu domweg niet in de stemming zijn om tegen Rusland te spelen – ook al hebben die Russische atleten niets gedaan.

Ik ken mezelf niet meer terug. Dat ik erg van streek kan raken van de actualiteit is niet nieuw. Depressiviteit ook niet. Maar muziek was tot nu toe altijd wat me op de been hield. Geen enkele soort muziek kan me nu nog uit het dal trekken.
  Nu kan ik wel optimistisch zijn en zeggen dat het wel weer terugkomt, zoals dat altijd is gebeurd. Maar ik vind dat alleen maar cynisch. Poetin annexeert de Oekraïne en moordt misschien wel de halve bevolking uit als ze zich verzet, maar ik zal op termijn Mozart wel weer waarderen. En trouwens: wat is ‘op termijn’? Wie zegt mij dat ik, mijn woonplaats of de wereld er nog is volgende week?

Laat mij maar stikken

Het kan verkeren. Twee dagen later sta ik hier al niet meer achter. Eén gesprek met een geweldig iemand was genoeg. Ik laat het stuk niettemin staan, als waarschuwing aan mezelf en anderen om niet opnieuw in de stront te zakken. En als tijdsbeeld, als getuigenis voor later van hoe erg deze lethargische tijd erop inhakte.

We zitten nu twee jaar vast aan een ziekte die niet de dodelijkste maar wel de vervelendste ooit is. Een ziekte die niet wil doorpakken, maar overal hinderlijk aanwezig is en blijft. Een ziekte die voorlopig ook niet uit beeld verdwijnt, dankzij weer een nieuwe mutatie die intussen al niet zo nieuw meer is.

Deel van de ellende is dat de wereld er al behoorlijk naar aan toe was. In letterlijke zin sowieso: de planeet kreunt onder het – ons – broeikaseffect. Maar ook figuurlijk. Polarisatie heerst, ideologie is belangrijker dan ratio en overal ter wereld dreigt de democratie in te storten. En elkaar kunnen we al helemaal niet meer uitstaan.
  Was deze pandemie in een ander tijdsgewricht gevallen, dan waren er geen wappies geweest, geen Bekende Nederlanders (of Amerikanen, of Serviërs, want wij hebben echt geen monopolie op domheid) die hun eigen verlichte mening over vaccins verspreiden, geen bankfilosofen die op de Universiteit van YouTube hadden gezien dat COVID helemaal niet bestaat. Sowieso vanwege het gebrek aan internet en “sociale” media, maar niet alleen om die reden.
  Bij de Aziatische griep van eind jaren vijftig twijfelde geen mens eraan dat die griep bestond, en dacht ook niemand dat het virus ergens in een academisch ziekenhuis in Japan door een paar oude keizerlijke legerartsen in elkaar was gezet. En áls een eenling al zoiets dacht, bereikte hij alleen zijn eigen wijk of dorp. Zulke onzin kwam niet in de krant, in het filmjournaal of op de radio. Media, politici en deskundigen werden dan ook niet voor zulke onmogelijke keuzes geplaatst als negeren of weerleggen, repressieve maatregelen of serieus nemen van kletskoek.
  Natuurlijk waren er wel “antivaxxers”. De SGP en haar aanhang kwamen vaak negatief in het nieuws bij een polio-uitbraak. Maar zelfs zij geloofden niet dat vaccins je ziek maken in plaats van gezond houden. Zij wilden gewoon principieel ziek worden.

Maar dat is nog maar één probleem van de huidige shit. Ik heb de jaren vijftig niet meegemaakt, maar ik geloof toch wel dat mensen niet zó weinig van elkaar konden hebben als ze maar een beetje verschilden. En de verzuiling dan? Ja, die was er. Maar juist in de jaren vijftig – de jaren dertig zijn een ander verhaal – leefden de zuilen in relatieve harmonie. Er waren rooms-rode kabinetten, en veel protestanten luisterden op de radio gerust naar de KRO. En als er een crisis als een pandemie op je afkwam, dan vormde je eensgezind een front in plaats van onderling ruzie te maken en elkaar als schuldige aan te wijzen. De enigen die dat wel deden waren de communisten, maar die stonden eind jaren vijftig behoorlijk buiten de maatschappij.
  Anno 2022 merk ik dat mijn eigen lontje korter is dan ooit. En niet alleen het mijne. Er is niemand in mijn omgeving die niet ten kwade veranderd is. Verjaardagen – waar je maar met een paar man mag zitten – worden onverdraaglijk van de onderlinge wrevel. Gesprekken op straat of in het ov probeer ik niet te horen, want stel dat de mensen eens domme dingen zeggen. Thuis en op het werk merk ik dat ik niets meer gedaan krijg; dat ik althans hoe langer hoe meer moeite voor hoe langer hoe minder resultaat moet doen. Elke poging om mezelf bij de lurven te pakken en aan het werk te zetten mislukt.
  Er zijn natuurlijk genoeg mensen die wél gewoon werken en productief zijn. Ja, die móéten wel. Maar ik durf er donder op te zeggen dat ook zij de lol in hun werk behoorlijk kwijt zijn. En het zou nog tot daaraan toe zijn als het alleen maar om werk ging. Mijn hobby’s zijn ook niets meer waard. Paardrijden? Nou ja, in godsnaam dan maar… Pianospelen? Zal ik maar weer een dagje overslaan… Lezen? Voelt als opdracht. Kunst? Ik geloof er niet meer in.
  Ik zal de eerste zijn om toe te geven dat deze persoonlijke problemen al jaren spelen. Maar de hele shit rondom de pandemie maakt het wel erger. Net zoals in de maatschappij de filterluchtbellen, de polarisatie en de korte lontjes er al waren, maar de algemene ergernis deze euvelen nog verder versterkt.

Een logische uitweg uit deze ellende lijkt: meer opengooien. Ik snap ook wel dat mensen dat roepen. Ik snap ze in elk geval beter dan mensen die tegen de wetenschap in allemaal enge dingen zoeken achter vaccins – en tot mijn grote verdriet heb ook ik zulke kennissen. Maar meer opengooien is natuurlijk mega-egoïstisch. Dan overstromen de ic’s binnen de kortste keren en krijgen de reeds overwerkte en overvraagde zorgmedewerkers het oneindig veel drukker.
  “Dan moet de regering maar voor een beter beleid zorgen!” Makkelijk lullen vriend. De regering heeft inderdaad een hoop fout gedaan, maar dat geeft jou niet het recht om er ook een potje van te maken. Als je zelf niet in de zorg werkt, doe dan op zijn minst je uiterste best om de zorg te ontlasten. Met andere woorden: zorg dat je geen enge ziektes verspreidt.

De huidige omikronvariant biedt een minibeetje perspectief. Ze lijkt zowaar wat minder schadelijk dan de eerdere soorten COVID. Maar, zo weten we intussen ook, dat weegt niet op tegen de veel grotere besmettelijkheid. Uiteindelijk stromen de ic’s toch wel vol.
  En is het niet met deze variant, dan wel met een volgende. Je wilt het misschien niet weten, maar de dodelijkheid van een virus is niet omgekeerd evenredig aan de besmettelijkheid. Uit deze omikronvariant zullen weer nieuwe varianten evolueren, en die kunnen in theorie net zo dodelijk zijn als AIDS. Iedereen hoopt dat het virus uiteindelijk een soort verkoudheid wordt, maar niemand weet dat zeker.

Op mijn leeftijd hoef ik me nog niet al te veel zorgen te maken over COVID-19. Misschien heb ik het al drie keer gehad en niets gemerkt. Maar ook ik kan er doodziek van worden. Zelfs als er géén nieuwe variant komt die net zo dodelijk is als AIDS.
  In dat geval wil ik niet naar het ziekenhuis. Ik heb schoon genoeg van dit leven, met zijn onvermijdelijke teleurstellingen, zijn onleefbare ergernissen, zijn onoplosbare problemen. Ik gun mijn plaats liever aan een ander, die meer aan de wereld bij te dragen heeft en meer van het leven houdt. LAAT MIJ MAAR STIKKEN!

Blast off!

Vandaag gebeurde er iets op YouTube. Niet dat de hele wereld meteen op haar grondvesten daverde en dat alleen jij dat niet merkte, maar er werd een mijlpaal behaald. “Blast off”, een volkomen obscuur nummer van Class Action, een zo mogelijk nog obscuurdere band, heeft ondanks dat niemand er ooit van gehoord heeft vandaag de honderdduizend bekijks behaald.

“Blast off” is een newwavenummer, of desgewenst een synthipopnummer, uit 1984. De new wave was, net als een jaar of vijftien eerder de psychedelica, een buitengewoon vruchtbare stroming. Een paar grote jongens – Kraftwerk, D.A.F., New Order, Depeche Mode – werkten zo inspirerend dat ze tot in de kleinste hoeken navolging kregen. Fanatieke graaiers in platenbakken vinden steeds weer onbekende plaatjes van onbekende groepjes, en opvallend vaak met prijzenswaardige resultaten. Dat is de kracht van vernieuwende stijlen: muzikanten die niet tot de top behoren inspireren tot iets moois.

Ik besteed mijn tijd niet aan het wroeten in tweedehandsplatenbakken en het afstruinen van platenbeurzen. Mijn liefde voor al wat wave is heeft zich trouwens grotendeels in COVID-tijd ontwikkeld, dus er viel ook weinig te wroeten. Wel heb ik flink zitten klikken op YouTube. Mijn speellijst “Duister en dansbaar“, u allen vast welbekend, is er de vrucht van. Zo kwam ik op een zeker moment ook op “Blast off”. Dit nummer werd in 2008 geüpload door YouTuber Malario80, een kenner die elektronische popmuziek uit alle hoeken en gaten op YouTube een groter publiek geeft.

Als je iets met het genre hebt – en dat hoop ik wel – hoor je wel waarom dit nummer sinds 2008 zoveel mensen heeft aangesproken. Al in het begin klinkt er een veelbelovend voorspel op een lekkere dansbeat. Het sterkste wapen van het nummer zijn de koortjes die steeds volgen als de leadzanger het motto inzet: “Blast off! – Blast ooooooooooff…”
  Natuurlijk heeft het ook zijn zwakheden – Class Action is geen Depeche Mode of New Order – maar als je op de dansvloer staat hoef je je echt niet te storen aan even een ongeïnspireerd stukje opvulling tussendoor. Ik hou van dit nummer. En het is met nummers als met mensen: als je ze leuk vindt wil je er meer van weten. Wie zitten er achter Class Action? Waar kwamen ze vandaan? Hebben ze nog meer gemaakt?

Verscheidene bronnen, waaronder Wikipedia, kennen een band die Class Action heet. Die band komt uit New York en had in 1983 een clubhit met “Weekend“. Een disconummer, stilistisch totaal anders dan “Blast off”, en met een vrouwelijke vocalist. Een beetje een vervelend disconummer trouwens, als je het mij vraagt. Dat kan toch niet dezelfde band zijn? Zeker niet omdat het artikel dat hele “Blast off” niet noemt.
  Een beetje googelen – bandnaam en titel samen – levert wel een paar sites op waar “Blast off” te vinden is. Het blijkt te komen van een ep (ook Class Action genaamd) waar nog vier andere nummers op staan, onder meer een cover van het Stones-nummer “Out of time”. Er is dus een ep, die het Wikipedia-artikel ook al niet noemde. Nu weten we wel zeker dat het om een andere band gaat dan de zangeressen van “Weekend”, al denken sommige onzorgvuldige websites daar anders over. (Discogs doet het wel goed en noemt onze newwavers “Class Action (2)”, ter onderscheiding van het discogroepje.) Of we de hele ep wel willen horen, is nog maar de vraag: op dit stokoude forumtopic, waarin “Blast off” een “classic” wordt genoemd (!!), zegt iemand dat de rest van het plaatje gewoon mainstream synthipop bevat, waar je niet echt warm van wordt.

Het nummer duikt ook op in de serie A tribute to Flexipop, een serie bootlegs op cd-r uit de jaren nul. Hierin werden de plaatjes van het Britse tijdschrift Flexipop – uiteraard waren dat flexidiscs – onofficieel gedigitaliseerd voor wie het mocht interesseren. Als Class Action bij dat tijdschrift hoort, verklaart dat een hoop. Onder meer de matige geluidskwaliteit: in deze staat zou het plaatje in de disco weinig doen en de tekst is ook niet van a tot z verstaanbaar. Er is echter één probleempje: Flexipop ging in 1983 ter ziele, en dit plaatje komt volgens alle beschikbare bronnen uit 1984. Deze cd-reeks moet dus ook muziek omvatten die niets met dat tijdschrift te maken heeft.
  De vragen blijven dus. Zelfs al heeft (alweer) Discogs wel een armetierig bandprofiel met een persfotootje en de naam van één van de bandleden: “Brad Evens”. Amazon voegt ook nog ene David Allen Resnik toe. Met de voornaam Brad of de achternaam Resnik ben je waarschijnlijk een Amerikaan, hoe Brits de muziek ook klinkt. Maar wie die mensen verder zijn? Weer geen idee. Ook het platenlabel helpt ons geen moer vooruit. KN Records. Niets anders van bekend dan dat ze dit plaatje hebben uitgebracht, onder catalogusnummer NT1011…

Wie kan mij meer over deze band vertellen? Ik zal je heel erg dankbaar zijn als je me kunt zeggen of Brad Evens, David Allen Resnik en die derde gozer op de foto nog leven. Waar ze vandaan komen. Hoe ze “Blast off” schreven, en of het een succes werd, al was het maar in een lokale disco in Providence, Pasadena of waar ze ook vandaan kwamen.
  Maar nog dankbaarder zou ik degene zijn die hier een opgepoetste versie van uitbrengt. Op modern, slijtvast vinyl, met een downloadbare mp3-versie, kundig geremasterd uit de oorspronkelijke banden of plaatjes van 1984. Zodat het ook uit de luidsprekers van een disco nog gaaf klinkt. Want zeg eens eerlijk, dit hoort toch op elke dansvloer thuis?

Een verlaat In Memoriam

De sufheid. Vandaag kwam ik erachter dat de Amerikaanse musicoloog Jerome Kohl, die ik persoonlijk kende en wiens publicaties ik hard nodig heb voor mijn (voor de zoveelste keer stilliggende) onderzoek, vorig jaar augustus is overleden. Ik kwam daarachter door de lijst van overleden Wikipedianen op de Engelstalige Wikipedia te raadplegen – iets wat ik, zelf langjarig Wikipediaan, eens in de zoveel tijd doe. Het kwam wel aan.

Wie was deze man? Jerome Kohl, roepnaam Jerry, was een musicoloog uit de staat Washington die zich had toegelegd op Stockhausen. Zijn necrologie bij de University of Washington noemt hem zelfs “the world’s foremost expert on German composer Karlheinz Stockhausen.” Dat is wat veel gezegd – ik ken er nog wel een paar die een hoop over die man weten – maar dat hij een expert was, kun je gerust stellen.
  Kohl, die erop stond dat ik hem “Jerry” noemde ook al was hij even oud als mijn vader, was opgegroeid als kundig klarinettist en blokfluitist, en had (in Amerika is/was dat mogelijk) zijn masterdiploma in compositie behaald. Uiteindelijk besloot hij de compositie en het professionele klarinetspelen te laten voor wat het was en zich te richten op de systematische muziekwetenschap. In 1981 promoveerde hij op Stockhausens werk uit de jaren zestig. Een paar jaar lang had hij zich als een kaballist verdiept in extreem ondoordringbare partituren. Zijn proefschrift is volstrekt onleesbaar maar vooral volstrekt onnavolgbaar: dat gaat me nooit lukken.

In 2017 trof ik hem in levenden lijve, op de Stockhausen-dagen in Kürten. Hij gaf daar twee lezingen over Zeitmaße, het vroege stuk waar hij al jaren over gebogen zat. Hij wist van elke noot wat ze daar deed en hoe ze daar kwam. Volgens veel mensen hield hij zich al vijfentwintig jaar met Zeitmaße bezig en zou hij er nog wel vijfentwintig jaar voor nodig hebben. Dat laatste bleek wat voorbarig: nog datzelfde jaar publiceerde hij er een boek over, dat ik overigens niet in huis heb.
  Ik kende hem al van de Engelstalige Wikipedia. Hij had daar een groot aantal artikelen over Nieuwe Muziek aangemaakt, waaronder een artikel over elk afzonderlijk werk van Stockhausen. Reden genoeg om hem aan te spreken. Hij was nogal introvert en alleen spraakzaam als het gesprek over Stockhausen ging. Geleerdheid en sociale vaardigheden gaan vaak moeilijk samen.
  Een excentriekeling was hij niet. Niet zoals Leopoldo Siano, een kale Italiaanse dertiger met een baard als een kerkvader. Of Thomas Ulrich, een (Oost-)Duitse theoloog die met zijn sokken in sandalen en zijn zwaar geaccentueerde Engels een archetype van de Duitse professor opvoerde. Kohl deed gewoon zijn werk, ijverig en consciëntieus, om eens in de zoveel tijd het indrukwekkende resultaat te geven.

Ik stond op goede voet met hem, maar na de tweede lezing werd het wel wat ongemakkelijk. Ik vroeg hem of het extreem strenge Zeitmaße tot zijn lievelingswerken behoorde; of hij er wel echt van kon houden. Persoonlijk vind ik dat bij sommige stukken moeilijker dan bij andere. Hij vond het een irrelevante en misschien ook domme vraag. De rest van de week hebben we geen echte gesprekken meer gevoerd.
  Vorig jaar had ik toch weer contact met hem. Toen de lockdowns zich wereldwijd aandienden, besloot ik me weer aan mijn studie te wijden. Nu ik toch nergens heen kon, zou ik me wel kunnen concentreren, toch? Hoeveel anders het zou lopen, wist ik toen nog niet… In elk geval had ik hem iets te vragen in verband met zijn proefschrift. Verder vroeg ik ook of hij leessuggesties had.
  Het duurde even tot er reactie kwam. Ik was al bang dat hij me negeerde vanwege mijn opmerking in 2017, maar dat viel mee. Hij moest even goed in zijn geheugen graven – zelfs zijn kennis kon roestig worden en met Licht, mijn werkterrein, had hij zich recentelijk niet beziggehouden – maar toen kwam hij met een werkelijk enorme lijst aanzetten. De moed zonk me behoorlijk in de schoenen, want het was zo nog anderhalf jaar leeswerk, maar hij had me bepaald niet teleurgesteld.

In die mailwisseling vertelde Kohl me nog iets. Hij was bezig aan een artikel over Spiral en Expo, twee niet heel bekende werken waar hij zich recentelijk op gericht had. Het is de vraag of dat artikel er ooit gekomen is; het Wikipedia-artikel over de man (na zijn dood piëteitsvol aangemaakt door andere musicologisch onderlegde Wikipedianen) noemt het niet.
  En vier maanden later was hij dus overleden – plotseling, onverwacht, aan een hartaanval. Ergens ben ik dankbaar dat ik die mailwisseling nog heb kunnen houden, al is dat natuurlijk ook een nare gedachte: “hij heeft nog net kunnen doen waar ik hem voor nodig had.” Ik vind het wel vervelend dat ik hem nooit meer kan laten zien hoe ik, ten langen leste, toch mijn dissertatie heb voltooid.
  Ik kan hem niet als voorbeeld nemen. Mijn professionele belangstelling is breder dan alleen de avant-garde en ik kan het niet opbrengen om de rest van mijn leven als een wiskundige monnik over partituren gebogen te zitten. Wel ben ik heel erg blij dat zulke mensen er zijn – dat hij er was. De kleine club van Stockhausen-onderzoekers heeft hem voorgoed in ere te houden. Dit stukje is mijn mini-bijdrage aan zijn nagedachtenis.

Voorlopig geen Twitter

Even een korte dienstmededeling, die (helaas) niets met muziek te maken heeft. Ik heb hier veel meer over te zeggen, dus misschien breid ik dit stuk nog uit. Nu even het hoognodige.

Ik stop voorlopig met Twitter en ik hoop dat “voorlopig” langer duurt dan de paar uur die ik er van nature van kan afblijven.

Verdient zoiets überhaupt een melding? En zo ja, waarom dan een hele blogpost en niet gewoon een tweet? Wel, omdat Twitter het enige sociale medium is waarop ik actief ben. Zeker in deze tijd van quarantaines is het mijn voornaamste interactie met de wereld. Als ik ermee stop, mis ik een hoop informatie over mijn vakgebied (en over taalkunde, mijn voornaamste lekeninteresse), en verlies ik nóg meer sociaal contact. Dus ja, zo’n besluit slaat wel in. Bij mij dan.

Bovendien is Twitter nooit gemaakt voor het uitwerken van standpunten. In 280 tekens gaat dat gewoon niet. Zelfs als je draadjes maakt, voel je de drang van de formule om het bondig te houden (om niet te zeggen: schreeuwerig). En mensen die niet inzien dat Twitter er niet is voor jouw mening, die zijn nu net mijn grootste ergernis.

Om het geval maar bij de naam te noemen: ik heb mijn buik vol van politiek Twitter. Natuurlijk van de rechts-populisten met hun domme en gevaarlijke ideeën, die op Twitter sterk oververtegenwoordigd zijn. Maar die zijn eigenlijk nog het minste probleem. Ik heb ze niet in mijn tijdlijn; hun non-ideeën vervuilen alleen de “trending”-balk.
  Nee, links-intellectuele Twitteraars zijn een groter probleem. Tenminste: zij die hun mening in één tweet kunnen krijgen. In de letteren- en cultuurwereld waarin ik rondhang, is bijna iedereen links – sommigen net zo links als ik, anderen veel linkser. Tja, meningen verschillen nu eenmaal en in het echt is dat prima. Op Twitter echter laten mensen vaak de boudste uitspraken vallen, veelal doorspekt met -ismen en -fobieën. Dit is racistisch, dat is seksistisch, zus is homofoob, zo is transfoob…
  Als je ertegen ingaat, krijg je een hele ideologische bende op je nek. Want mensen met radicale ideeën zijn altijd actiebereider dan mensen die zich afvragen of het ook nog zo-en-zo zou kunnen zijn. Bovendien – dat had ik al gezegd – past een nuance niet in het formaat van een tweet. Discussiëren met radicale ideeën is daarom een verloren strijd.
  Bovendien is dat de afgelopen tien jaar erger geworden. De formule van sociale media leidt tot filter-luchtbellen: echokamers waarin mensen elkaars ideeën eindeloos napraten en vaak nog versterken. Daarbij raakte ook de echte wereld gepolariseerd, zeker na de verkiezing van Trump (vergeef mij het gebruik van dit vieze woord). De opkomst van dom-rechts zorgde ervoor dat men zich in mijn omgeving steeds meer in linkse orthodoxieën ging ingraven. Eerst in de VS, later ook in Europa – want wat in Amerika gebeurt, is ondanks alles voor veel mensen nog steeds stof tot blinde navolging.

Vandaag werd het me echt, echt te gortig. Iemand op Twitter beweerde ijskoud dat Rutte en De Jonge “narcisten”, ja zelfs “psychopaten” waren. Toen ik hem aansprak met de vraag of hij überhaupt wel wist wat dat inhield, kreeg ik te horen dat ik niet goed had opgelet als ik dat niet zag. Want hè, mensenlevens konden hun niks schelen. Toen ik hem vervolgens uitdaagde om één wetenschappelijke bron te vinden waarin dat beweerd wordt, kreeg ik te horen dat het “zo natuurlijk niet werkte”. Met andere woorden: ik mag roepen wat ik wil en als jij het niet met me eens bent, zie je het verkeerd.
  Ik ben geen fan van premier Rutte (wel een beetje van het jenevermerk) of van De Jonge. Dat is trouwens het laatste wat ik over mijn eigen voorkeur ga zeggen – dit is geen politiek weblog. Maar je moet toch echt wel straal verblind zijn door je eigen gelijk als je zoiets beweert. De afgelopen jaren hebben we uitentreuren kunnen zien hoe échte narcisten in de politiek zich gedragen: in eigen land bij een bepaalde oppositiepartij, in het buitenland bij… nou ja, vul zelf maar in. Ons kabinet heeft in elk geval vrij snel impopulaire maar noodzakelijke quarantainemaatregelen afgeroepen – en deze in stand gehouden. Vergelijk dat voor de gein eens met het ‘beleid’ van Bolsonaro. Dat het met die vaccinatie niet loopt, komt voort uit oenigheid, niet uit de psychopate neiging met levens te spelen. En hoewel Rutte niet in zijn eerste leugentje gestikt is, haalt hij geen tiende van de manipulatie, machtswellust en totale waarheidsverachting die Trump heeft laten zien.
  Als je zulke dingen beweert mis je, kortom, ieder gevoel voor verhouding. Zou het je lukken de goegemeente hiervan te overtuigen (gelukkig een vrij hypothetisch geval), dan zullen ze op den duur massaal op die stink-partijen gaan stemmen – de meerderheid der Nederlanders is nu eenmaal rechts en blijkbaar maakt het tóch niet uit of je nu CDA of FVD kiest…

Oké, het is alweer veel langer, veel gedetailleerder en veel politieker geworden dan ik gewild had. Hoe dan ook: hopelijk zijn er mensen die mijn ergernis begrijpen. Twitter zit helaas vol met zulke extremo’s, radicalo’s en eigengelijko’s. Mijn eigen regel is: zo min mogelijk over politiek tweeten. Maar als ik andermans berichten lees, kan ik me vaak niet inhouden. Dit gaat zwaar ten koste van mijn geestelijke gezondheid. Ik ben depressief (klinisch vastgesteld) en dat wordt er zo niet beter op. Dus wat mij betreft: veel plezier allemaal met je heilige gelijk. Stik erin!

Alex Ross – Wagnerism

Eerst maar even een bekentenis die mijn intellectuele imago geen goed zal doen: ik ben een waardeloze lezer. Snel afgeleid als ik ben, doe ik letterlijk weken over een boek, zeker als dat boek niet in het Nederlands gesteld is. Ik heb nog een hele waslijst aan ongelezen boeken die doodleuk naast mij in de kast staan of op een plank liggen te wachten. Bovendien moet ik studeren voor mijn proefschrift, dat ook totaal niet vlot, dus waarom zou ik daarnaast nog iets anders lezen – hetzij bellettristiek, hetzij vakliteratuur?
  Niettemin vond ik het nodig om vorige maand Wagnerism te kopen, het nieuwe boek van Alex Ross. ’s Mans twee vorige boeken bevielen me zeer, en het onderwerp – het enorme stempel dat Wagner drukte op de wereld na hem – spreekt me aan. Zodoende bracht ik mijn zakgeld dus naar de Broese, om deze turf van 700 pagina’s in huis te halen.

Van Wagner is vaak gezegd dat er buiten Jezus en Napoleon geen mens was aan wie zoveel woorden zijn gewijd. Hoewel deze bewering wat overdreven is, is ze niet op niets gebaseerd: al tijdens ’s mans leven was de hoeveelheid secundaire literatuur enorm en de berg is tot op de huidige dag blijven aangroeien. Ook over de Wagnerreceptie, het wagnerisme, is al heel veel inkt gevloeid. Vanwaar dus de noodzaak om nog iets aan deze berg toe te voegen?
  Om te beginnen was de invloed van Wagner gigantisch. Sowieso op generaties componisten na hem (zelfs deels op zijn eigen generatie!), maar vooral ook op de rest van de wereld. Dichters, schilders en filmmakers lieten zich door hem inspireren, en politici uit alle hoeken van het spectrum spanden hem voor zijn karretje. Dat zegt de auteur ook expliciet in de inleiding: zijn muzikale invloed is te vergelijken met die van Monteverdi of Beethoven, zijn buitenmuzikale invloed absoluut niet. Over de receptie van Wagner raak je dus niet gauw uitgeschreven.
  Een andere reden moeten we zoeken buiten onze eigen luchtbel. Hoeveel wij musicologen ook van Wagner weten, of heel snel kunnen opzoeken, de gemiddelde mens weet nauwelijks iets van de man. Als hij ter sprake komt, vervalt men al vrij snel in het vooroordeel van bombastische muziek en antisemitisme. Meer nog dan hier heerst in Ross’ Amerika het idee dat Wagner bijna rechtstreeks tot het Derde Rijk leidde. Naarmate het boek vordert, krijg je steeds meer het idee dat de auteur het verschaffen van een weerwoord als hoofddoel heeft: hij wil de context bieden die de bevooroordeelden ontberen door erop te wijzen dat lang niet alleen de nazi’s een claim op Wagner hebben gelegd.

Het boek begint bij Wagners Tod in Venedig – Mann is een terugkerend motief in het boek – en neemt ons daarna mee naar de rol die hij sinds 1883 heeft gespeeld: in het Fin de siècle, in het begin van de twintigste eeuw, in het Interbellum, tijdens twee wereldoorlogen (vooral de Tweede) en tot slot na de Oorlog. Het boek vermijdt de muziekwereld, maar gaat uitgebreid in op zijn betekenis voor schrijvers, schilders en politici, en later ook filmmakers.
  We leren bijvoorbeeld dat veel Duitse kunstenaars hem afwezen of probeerden te negeren. Wagner was, niet in de laatste plaats van staatswege, zo alomtegenwoordig in Duitsland dat hij als burgerlijk begon te gelden. De Franse Symbolisten daarentegen zwolgen in de decadente wereld van Wagner. Voor hen waren Wagners muziekdrama’s de remedie voor de in conservatisme vastgeroeste Franse cultuur. Uiteindelijk mondde deze fascinatie uit in een bizarre fascinatie voor het duistere en occulte. Ik heb dat eerder gelezen, maar je staat er niet dagelijks bij stil. Al te vaak wordt de Parijse bohemiencultuur tegen de Teutoonse zwaarte afgezet. Zulke clichés hebben een politieke, geen kunstzinnige oorsprong.
  Tegelijk leren we dat de Wagnerreceptie in Engeland een stuk truttiger was. In overeenstemming met de Victoriaanse moraal was de interpretatie een stuk braver; Tristan en de incestscène in Die Walküre bleven grotendeels onbesproken. Een belangrijke verworvenheid die zijn oorsprong in Engeland vond was het gebruik van de bruidsmars uit Lohengrin als begeleiding voor de gang naar het altaar van gewone stervelingen. Het Britse koningshuis begon daar in 1858 mee.
  Weinig bekend, maar niet onbelangrijk: Wagner gold indertijd als een homo-icoon. Kunstzin werd ook rond 1900 beschouwd als iets min of meer vrouwelijks, zelfs de ogenschijnlijk zo mannelijke opera’s van Wagner. Niet dat je meteen als homo gold als je naar Wagner luisterde, maar je werd als intellectuele homo wel bijna vanzelf aangetrokken tot zijn muziek. Een belangrijke reden is de meer dan bijzondere band tussen de homoseksuele Lodewijk II (de Beierse koning die Bayreuth financierde) en de biseksuele Wagner. Ook de Adonisachtige figuur van Siegfried speelde een meer dan marginale rol.
  Een wat onverwachte conclusie, maar alleszins logisch als je het zo leest, is de invloed van de unendliche Melodie op de literatuur. De baanbrekende werken van Joyce, Mann, Proust, T.S. Eliot en Woolf danken hun stream of consciousness voor een groot deel aan Wagners revolutionaire visie van een eindeloos, op de menselijke gedachten doorlopende muziek.
  Ook lezen we van alles over films – en niet alleen over Apocalypse now, de eerste film die iedereen te binnen schiet als het over Wagnermuziek in films gaat. Griffith, Eisenstein en Riefenstahl komen uitgebreid aan bod (waaruit maar weer blijkt dat de filmgeschiedenis net als de Wagnerreceptie zeer sterk lijdt onder zijn associaties met dubieuze politieke ideeën). Via de Star Wars-films (Leitmotive!) wordt de lijn doorgetrokken naar The Matrix, waarin Slavoj Žižek de invloed van Parsifal meent te herkennen.

En dan de politiek. Al vroeg in het boek wordt duidelijk dat het opkomende antisemitisme zijn populariteit goed kon gebruiken. Natuurlijk wordt Wagner zelf niet gespaard. Zijn Das Judentum in der Musik komt meerdere keren aan bod, en er worden fragmenten uit Cosima’s dagboeken bij gehaald die elke sympathie voor de man hardhandig uitdoven.
  Die sympathie vlamt weer op als je leest over ’s mans linkse ideeën. Hij was onzeglijk blij dat de ‘goede’ kant in de Amerikaanse Burgeroorlog had gewonnen, en hij verafschuwde de moord op de indianen in datzelfde land. Toen het Duitse Keizerrijk gevormd werd, stond hij net zo hard te juichen als zijn landgenoten, maar uiteindelijk ging het nationalisme hem tegenstaan. Uiteindelijk mondde dit uit in Parsifal, dat in de beste christelijke traditie draait om medelijden en vergeving.
  (Wie zich nu afvraagt waarom Wagners sympathie voor zwarten en indianen zich niet tot joden uitstrekte heeft gelijk. Mijn persoonlijke interpretatie: Wagner zette zich graag in voor verdrukte bevolkingsgroepen, maar de joden, die overal bankiers waren en andere machtige posities bezetten, hoorden daar in zijn beleving beslist niet bij.)
  Er wordt vervolgens uitgebreid geschetst hoe alle volkeren en politieke groeperingen – ook joden, ook socialisten, ook Afro-Amerikanen – Wagner vervolgens claimden, elk met zijn eigen redenen daarvoor. Pas met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ging het fout: toen werd Wagner plotseling de muziek van de Duitsers. Het Duitse leger noemde operaties naar tropen uit Wagneropera’s, en bij de geallieerden viel hij spontaan van zijn voetstuk.
  In de Weimarrepubliek ging het echt fout. De hele romantiek was uit de mode, een beetje kunstenaar hoorde de negentiende eeuw belachelijk te maken. Toen Bayreuth in 1924 weer begon met jaarlijkse producties, was de Hitlerputsch net geweest. De Festspiele, met verklaarde Hitlerfans als Cosima en Winifred, werden tot een manifestatie van Duits-nationalistisch gedachtegoed en het aantal buitenlandse bezoekers nam hand over hand af.
  Ross stelt wrang vast dat de nazi’s wonderwel zijn geslaagd in hun opzet om Wagner als hun exclusieve cultuurgoed te claimen. Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd Wagner bij de Geallieerden zowat gelijkgesteld met het nazisme. Het allerbruutste is wel de legende dat Wagners muziek in de concentratiekampen klonk, als soundtrack bij de vergassingen. Dat blijkt op (bijna) niets gebaseerd. Evenmin werd de soundtrack van het gewone leven in de nazistaat gedomineerd door Wagner. Hoezeer Hitler er ook fan van was, de soldaten hielden het bij schlagers als Lili Marleen. In dat opzicht leek nazi-Duitsland op Amerika; de tijdgeest was niet te stoppen.
  In onze tijd luistert de goegemeente niet meer naar volledige Wagneropera’s. Zodoende kan het cliché van Wagner als ‘nazicomponist’ eenvoudig in stand blijven. Dat cliché heeft aan Das Judentum in der Musik genoeg brandstof; het komt in weinig mensen op dat de Ring draait om machtswellust die eindigt in vernietiging, of dat Parsifal oproept tot vergeving – dingen die een totalitair regime bepaald niet passen.

De prestatie van Ross, die niet minder dan tien jaar deed over het schrijven van zijn boek, is bewonderenswaardig. Zijn vermogen om een bestaand verhaal opnieuw te vertellen voor een niet-specialistisch publiek – de gave waarmee zijn debuut The rest is noise een bestseller werd – draagt ook dit boek. Het overbekende wordt gecombineerd met het haast vergetene, de musicologische mainstream wordt afgewisseld met af en toe een onorthodox perspectief.
  Helemaal zonder zwaktes is het boek niet. Sommige hoofdstukken zijn zeer leesbaar (het stuk over de Wagnerreceptie in Frankrijk bijvoorbeeld), andere verzanden in saaie vaagheden of ellenlange uitweidingen. Daaronder lijdt bijvoorbeeld het hoofdstuk over Wagner en het (vroege) modernisme – een onderwerp waar toch zoveel uit valt te halen. Ook geeft Ross sommige aspecten wel erg veel aandacht. Zo wijdt hij een compleet hoofdstuk aan de Wagnerreceptie in het werk van Willa Cather. Het is vrij natuurlijk dat een Amerikaan meer over de VS schrijft dan wij zouden doen, maar waarom één schrijfster een heel hoofdstuk verdient is me niet duidelijk geworden.
  De onbenoemde olifant in de kamer is wel de muziek. Ross heeft zich nadrukkelijk ten doel gesteld om Wagners invloed op de muziek niet te behandelen – iets té nadrukkelijk als je het mij vraagt. Natuurlijk hoeft de auteur in dit boek voor leken niet in te gaan op hard verminderde septimeakkoorden of zwevende tonaliteit. Maar in een hoofdstuk over de symbolisten hoort Debussy (in elk geval zijn Pelléas) gewoon thuis, in een hoofdstuk over de joodse Wagner verwacht je Mahler aan te treffen en als de occulte Wagner ter sprake komt, wordt Skrjabin node gemist. Ook Stockhausens Licht ontbreekt volledig. Mij komt het volledige vermijden van andere muziek nogal kunstmatig voor. Dit boek is deels bedoeld voor leken; moeten die dan niet ook ingeleid worden in de invloed van Wagner op andere componisten?
  Zijn analyses zijn scherp en helder, zeker als het op de politiek aankomt. Toch had Ross zich misschien moeten inhouden. In zijn optreden op sociale media toont hij vaak sterke meningen over de politiek in zijn vaderland (je zou voor minder!), en hier en daar sijpelen die meningen in het boek door. De gedachte dat de VS meer gemeen heeft met het Derde Rijk dan je zou denken formuleert hij meer dan eens, en soms wordt het er echt wel met de haren bijgesleept. Op het eind van het boek geeft hij openlijk toe dat hij zich al jaren schaamt voor het buitenlands beleid van zijn land. Ross lijkt, als linkse Amerikaan onder Trump, al te betrokken om hierover nuchtere analyses te maken.

Het klinkt bijna belachelijk voor een boek van 700 pagina’s, maar Wagnerism is uiteindelijk maar een introductie tot dit onderwerp. Het lezen ervan nodigt uit om je verder te verdiepen in de stapels boeken die er over Wagner beschikbaar zijn, en bovenal om nog eens goed naar zijn opera’s te luisteren. Ik kan het dan ook van harte aanbevelen – aan vaklui, die er hoe dan ook iets uit zullen leren, maar vooral ook aan leken, die hun ongetwijfeld verwrongen beeld van de man kunnen bijstellen. Ik kan ook iedereen aanraden om het boek aan te raden. Als je de volgende keer weer iemand zonder kennis van zaken Wagner een ‘nazicomponist’ hoort noemen, kun je hem deze dikke pil tonen en hem zeggen: “Lees eerst dit maar eens door, dan discussiëren we verder!”

Daniël Lohues – Sowieso

Normaal kunnen we er elk jaar staat op maken dat Daniël Lohues ons tegen het einde van de winter met een nieuwe plaat verblijdt. Vorig jaar sloeg hij even over omdat toen het barokproject de voorrang kreeg, maar 28 februari jl. smeet de bard van Erica – een recensent moet ook weleens terugvallen op clichés – plompverloren zijn nieuwste album online. Sowieso heet het werk, opus 14 alweer als je de platen met de Louisiana Blues Club als solowerk meerekent. Overigens zonder tournee: de man is reconvalescent van een ziekte (geen COVID-19).

Ben je fan of ten minste liefhebber van Lohues, dan hoef je niet verder te lezen. Ook deze plaat is weer helemaal goed en vertrouwd, je kunt ze blind kopen. Voor wie er meer van wil weten volgt hier toch nog een wat nauwere beschrijving, toch ook met wat kanttekeningen.
  In de dikke kwarteeuw dat Lohues actief is – het obscure avontuur met The Charlies niet meegerekend – heeft zijn muziek verschillende stijlen verkend: rock, meestal niet zo’n harde rock, met Skik, ouderwetse bluesrock met de Louisiana Blues Club, hardekern-singer-songwritermuziek met zijn Allennig-project en kleine, akoestische combinaties met de platen direct daarna. De laatste jaren ging Lohues met een nieuwe (begeleidings)band weer wat in de richting van zijn Skik-geluid.
  Op deze plaat vind je van alles wat. In diverse nummers, waaronder het begin- en het slotnummer, mag de band flink uitpakken. Bluesrock horen we in “Hart an flarden”, dat het zeventien jaar oude Ja boeh rechtstreeks in herinnering roept. Tussendoor begeleidt hij zichzelf op piano of gitaar, soms met mondharmonica erbij. Nu en dan draven anderen op.
  De grenzen van ’s mans muzikale universum liggen onderhand wel vast. Zelf gaf hij ooit aan dat de popmuziek waar hij van hield rond zijn geboorte gemaakt werd. Hij liep bepaald niet over van enthousiasme voor de synthipop uit zijn puberteit en zelfs over Doe Maar, dat toch per definitie iedere Nederlander geboren tussen ’70 en ’80 bij de kladden had, heb ik hem zelden gehoord. De kwaliteit van zijn muziek lijdt er niet onder, maar jammer is het wel. Onnodig ook: de flirt met Holland Baroque heeft toch getoond dat Lohues zeer wel tot muzikaal avontuur in staat is.

Omdat Lohues weet hoe het moet, is het niet zo gemakkelijk hoogte- of dieptepunten op zijn platen aan te wijzen. “Gao’j met” is muzikaal erg sterk met zijn boeiende refrein, “Niks mooiers as dat” is een tekstueel hoogtepunt: als vanouds zingt hij daar weer kernachtig en herkenbaar over alledaagse emoties, in dit geval het idee dat je vroeger niet beseft hebt hoe gelukkig je toen was.
  Minder gecharmeerd ben ik van het nietszeggende “Van ’n rivier”. Ook van de tweede helft van de plaat weet ik niet wat ik moet vinden. Een hele serie voornamelijk treurige liedjes over de liefde. Natuurlijk is niemand ooit te oud voor de liefde, maar moet je nou als je bijna vijftig bent nog steeds aankomen met “Ik haol van de liefde, mar liefde haolt niet van mij”? Intrigerend is het wel om te horen hoe Lohues blijkbaar één oude liefde nog steeds met zich meedraagt. Wie is het, en waarom die ene? En het Chopineske “Wat doen we nou”, gaat dat ook over een verloren liefde, of over een plotseling verloren naaste?

De conclusie is duidelijk: Lohues doet weer eens waar hij goed in is, maar komt op deze plaat zijn comfortzone niet uit. Voor de liefhebbers van het genre is dat alleen maar fijn: die willen helemaal niet dat hun helden die vreselijke elektropop of iets dergelijks gaan verkennen. Persoonlijk ben ik echter wat teleurgesteld. Jat Tinekes klavecimbel, of graaf een analoge synthesizer op. Ga (zodra we weer mogen reizen) in plaats van de VS en Canada eens naar India of Nigeria op vakantie. Dan kun je nog minstens tien platen door.

Een korte terugblik op de jaren tien (en een vooruitblik naar het volgende pakket jaren)

Oké, we hebben deze maand al talloze overzichtsstukken gezien. Lijstjes met de beste platen van de jaren tien volgens deze-en-gene, lijstjes met de best verkopende nummers, essays over hoe slecht de muziek er eigenlijk voor staat. Persoonlijk heb ik dit decennium, ondanks enkele heldhaftige pogingen, slechts sporadisch, broksgewijs en selectief bijgehouden wat er op popgebied gebeurde. Een lijst met de beste platen kan ik daarom (eigenlijk) niet maken. Is dit stukje, op de allerlaatste dag van de jaren tien, dan niet erg “spuit elf”? Kan, maar ik wil er zelf nog graag wat over zeggen. Of dat zin heeft, laat ik aan de lezer over.

Wat kenmerkt de jaren tien in de popmuziek? In de eerste plaats: de definitieve teloorgang van fysieke media als big business. Decennialang konden artiesten en platenmaatschappijen schatrijk worden met de verkoop van platen, cd’s en cassettebandjes. Nu verdient men al meer geld met Spotify en zijn broertjes dan met fysieke media – dat is veelzeggend als je bedenkt hoe weinig gebruikers voor streamingsdiensten betalen. Daar doet de sterk geëxplodeerde verkoop van vinyl – ik kende in 2004 al mensen die platen kochten, maar pas dit decennium werd die trend zo groot dat het de gewone man op ging vallen – weinig aan af.
  Het is duidelijk dat dit de toekomst van de popmuziek onzeker maakt. David Byrne, frontman van de Talking Heads, meende in 2013 zelfs dat “het internet alle creatieve content uit de wereld zou zuigen.” Zoals ik destijds al betoogd heb (en: o jee! is dat al zes jaar geleden?) valt zijn bewering door het overtrokken karakter ervan gemakkelijk te weerleggen. Mensen maken al tienduizenden jaren kunst, daar gaat het internet niet in een paar jaar een definitief en compleet einde aan maken.
  We zien ook duidelijk dat de muziekindustrie een vangnet heeft gevonden: liveoptredens. Juist in deze tijd van algemene beschikbaarheid wordt het extra bijzonder om fysiek dichtbij je idool te zijn – dat kan immers niet via het internet. Een terugkeer naar de oude cultuur van livemuziek. Al komen tournees wel steeds meer onder een vergrootglas nu het probleem van de ecologische voetafdruk weer zo actueel is…

In de nieuwste OOR wordt de “verstoppende beschikbaarheid” verantwoordelijk gehouden voor een muzikaal bijzonder armoedig decennium. De platenboeren spelen op seef en schuiven alleen nog “non-descripte mega-publiekslievelingen” als Adele, Ed Sheeran en Drake naar voren. Popmuziek zou zelfs zijn maatschappelijke relevantie verloren hebben. Dit alles wordt beweerd door Tom Engelshoven, sinds jaar en dag alom bekend als het zonnestraaltje van de vaderlandse popjournalistiek.
  Ik kan hem geen gelijk geven. Adele en Ed Scheerzeep zijn totaal geen typische verschijnselen van onze tijd. Pessimisten hebben vaak een bijzonder selectief geheugen. Ik kan me niet voorstellen dat Engelshoven de ultieme mainstreammuziek van Celine Dion vergeten is, of de clichématige hiphop van 50cent. En zelfs de jaren zestig hadden Cliff Richards, om nog maar niet te spreken van de chansons en schlagers (Gert en Hermien!) waar volwassenen toen massaal naar luisterden.
  Akkoord, hij heeft wel gelijk dat het afgelopen decennium geen wereldschokkende muzikale vernieuwingen heeft voortgebracht. Maar feitelijk staat de muziek al sinds de jaren negentig stil. De generatie die toen puberde heeft Nirvana als wereldschokkend ervaren, maar wat was die hele grunge nou eigenlijk? Ongeveer gelijke delen punk en metal, naar smaak aangelengd met postpunk. En de jaren nul, hebben die veel nieuws gebracht? Er is me, behalve jengelige r&b, geen enkele hype of mode bijgebleven. Het was allemaal om beurten uitkauwen van eerdere modes, zonder dat er richting achter zat.

Wat dat laatste betreft zijn de jaren tien juist een vooruitgang. Na een richtingloze periode (die, hou me te goede, zeker ook geweldige muziek heeft voortgebracht!) tekenden zich de afgelopen tien jaar juist weer duidelijke modes af.
  De eerste helft van de jaren tien stonden duidelijk in het teken van de retro- en vintagemode. Het opkomend hipsterdom concentreerde zich rond een nostalgie naar de vroeg-na-oorlogse tijd (zoiets als de vroegmoderne tijd, maar dan… enfin, u begrijpt het). Die uitte zich in een kamerbrede folkrevival, maar vooral in een explosie aan bandjes die zich op de sixties richtten.
  Sommigen, zoals Jacco Gardner, gingen daar extreem ver in en haalden zelfs de apparatuur van vijftig jaar eerder weer van zolder. Een soort authentieke uitvoering – ook het idee achter The Analogues, de band die het nodig vond de platen van de Beatles zo exact mogelijk na te spelen. Dat hoeft van mij allemaal niet, maar over het algemeen bleek de retrotrend wel degelijk een vruchtbare bodem. Een beetje zoals de Britpop in de jaren negentig heeft een heel contingent hippe indiebands muzikaal prijzenswaardige oeuvres bij elkaar gespeeld door zich op de jaren zestig te richten.

De meeste indie valt nog onder de rock: er is een gitarist (of twee), een bassist en een drummer. De wat steviger rock had het echter moeilijk dit decennium. Feitelijk is die stijl ook al sinds 1980 een beetje klaar. Nadat rock ’n roll in de jaren vijftig ontstond en in de jaren zestig onder invloed van de blues tot de rock uitgroeide, baarde het genre allerlei wonderlijke kinderen: het vage en creatieve psychedelica, het geleerde en corpulente progrock en tot slot een ADHD’er met leerproblemen, punk.
  Eigenlijk was de punk al het einde van de rock: het was de muziek van jongeren die de progrock niet konden uitstaan en wel weer gewoon liedjes van drie minuten wilden. Retro naar de jaren zestig feitelijk. De jaren tachtig werden getekend door postpunk, sombere muziek die grotendeels buiten het kader van de rock viel. De rock probeerde zich nog wel te vernieuwen met hardcorepunk en metal, maar dat werd nooit echte mainstreammuziek.
  Toch leverden de jaren tachtig twee duurzame rockgiganten op: Bruce Springsteen en U2. Hun muziek was niet extreem vernieuwend maar van hoge kwaliteit; hun individuele klasse heeft de rock nog jarenlang relevant gehouden. Maar nu vergrijst ook hun publiek. Van de nieuwe Springsteen lag de wereld niet echt massaal wakker. Ja, hij was weer goed hoor, net zo goed als al die andere. Dus wat voegt hij nog toe? U2 probeerde in 2014 wanhopig relevant te blijven door de gebruikers van iTunes hun album Songs of innocence verplicht cadeau te doen. Veel verontwaardigde reacties waren het gevolg, en vragen van tieners als “wie is U2 nou weer?” waren ook niet van de lucht.
  Rock wordt langzaam wat jazz in mijn kinderjaren was: muziek die je met oude mannen associeert, die ondanks zijn intrinsieke aantrekkingskracht passé klinkt. Maar toch: laten we het toch niet helemaal doodverklaren. Uit totaal onverwachte hoek komt een lichtpuntje. De intussen ontbonden boyband One Direction had diverse hits die stilistisch gezien onder de rock vallen. In mijn tijd maakten zulke bands verwaterde r&b. Zolang de muziekindustrie dertienjarigen nog rockmuziek durft voor te schotelen, heeft de rock zijn relevantie niet helemaal verloren.

Ander lichtpuntje: de hiphop bloeide weer op. Man, wat werd dát tijd. Na een vliegende start in de jaren tachtig zakte het genre in de jaren negentig wat in. Na de moord op Biggie en 2pac was de hiphop zijn sterren kwijt. Rond 2000 was het Eminem wat de klok sloeg, die (mede) de weg vrijmaakte voor een hoop harde emomuziek met rapgedeeltes. Daarna was het wel een beetje klaar. 50cent vierde hoogtij met weinig originele en vaak doodsaaie rapjes, maar hij kwam van de straat en had een keer negen kogels door zijn bakkes gekregen. Dan kon zijn muziek toch niet slecht zijn?
  Dit decennium, zo uit het niets, werd er ineens weer volop geëxperimenteerd en vernieuwd in de hiphop, en het grote publiek lust het weer. Kanye West, glad gestoord maar niet van talent gespeend, eiste over de gehele breedte van de Amerikaanse samenleving de aandacht op: in het Witte Huis, op tv bij The Kardashians, maar zeker ook op de radio en in de muziekbladen. Nog relevanter werd Kendrick Lamar, die voor DAMN. zelfs als eerste popmuzikant ooit de Pulizerprijs kreeg. Ook binnenlands bloeide de hiphop – in de breedte, maar ook in de hoogte. Amerika heeft Kanye en Kendrick, wij hebben Typhoon en Fresku.
  Met Kendrick Lamar hebben we trouwens een man van onze tijd te pakken. Hij spreekt zich uit over discriminatie, politiegeweld, slavernijverleden, kortom de zaken die de zwarten in Amerika aanspreken en die dit decennium uitgebreid het nieuws haalden. Artistiek relevante muziek gekoppeld aan sociaal relevante thema’s, zo kom je wel aan je waardering.
  Hebben we het over maatschappelijke relevantie, dan denken we de laatste jaren ook aan #MeToo. Inderdaad zijn vrouwen dit decennium relevanter dan ooit. Natuurlijk hadden we in de jaren tachtig al Madonna en in de jaren negentig indieheldinnen als P.J. Harvey en Tori Amos, maar pas dit decennium gaat het echt los. Lady Gaga gaf eind jaren nul al het startsein, inmiddels hebben we Janelle Monaé, Lana del Rey, Adele, oudgediende Beyoncé en haar zusje Solange. Veel goed verkopende, kwalitatief hoogstaande vrouwenmuziek en genoeg kleurtjes. En met de piepjonge veganiste Billie Eilish hebben we ook de generatie-Thunberg en haar problematiek aan boord. De boomers hebben hun superdeluxe heruitgaven van klassieke rockalbums, de tieners zorgen voor relevante platen. Daarmee is de maatschappelijke rol van de popmuziek voor de komende twintig jaar gewaarborgd.
  Deze vrouwen maken overwegend elektropop. Dat was in de jaren nul een soort scheldwoord: alleen in de typische hitparademuziek werden elektronische liedjes met een lekkere melodielijn gemaakt. Maar dit decennium blijkt dat je er ook verdomd intelligente luisterliedjes met een originele, hoogst eigen boodschap mee kunt maken. Zelfs dat vervloekte Autotune, dat dit decennium niet alleen gebruikt werd om beperkt zangtalent te verhullen maar ook om robotachtige effecten te verkrijgen, heeft zijn waarde als expressiemiddel bewezen.

En nu? Wat brengen de jaren twintig?
Tja, nu mag ik koffiedik gaan kijken. Eerlijk gezegd geloof ik niet in koffiedik kijken of welke andere vorm van wichelarij dan ook. Pak me ook niet te hard als straks in 2029 mijn verwachtingen totale onzin zijn gebleken.

Om te beginnen: de hiphop en elektropop zullen nog wel even hoogtij vieren. Wel verwacht ik dat de hiphop steeds meer oplost in andere muziekgenres. Hoogstaande hiphop is nu al steeds minder vaak gelul met een kale beat eronder. Logisch ook: dat wordt al gauw meer van hetzelfde en daar overtuig je de critici en het publiek niet mee. Er zal de komende jaren meer worden gezongen en minder worden gerapt, terwijl de beats steeds meer onder de begeleidende lagen worden gestopt. Typhoons “Liefste” haalde zijn inspiratie al veel meer van Liesbeth en Ramses dan van Run-DMC; in de jaren twintig gaat dat normaal worden.

Maar als de muziek van zwarten en jonge vrouwen blijft domineren, waar gaan boze en middelbare blanke mannen dan naar luisteren? Hun helden sterven en/of stoppen met muziek maken, maar zijzelf verdwijnen niet. Gezien de grote electorale successen van rechts-populistische partijen in de hele westerse wereld kun je deze bevolkingsgroep nauwelijks irrelevant noemen.
  Maar nee, ik verwacht geen vernieuwing uit deze hoek. Als je die mensen vraagt naar hun drijfveer om op Geert of Thierry te stemmen, hoor je steevast: de angst dat het Nederland dat zij kennen, gaat verdwijnen. Zij zijn op zoek naar vastigheid: alledaagse dingen zien zij liever hetzelfde blijven of weer als vroeger worden. Dat is hun goed recht, maar dat betekent wel dat deze bevolkingsgroep niet voor innovatieve muziek gaat zorgen.
  Je zou het wel willen misschien, de boze jeugd uit Duindorp, de Sterrenwijk of Amsterdam-Noord die op de barricade gaat met een vernieuwende, eigentijdse mix van rap en levenslied en daarmee de keurige bakfietselite uitdaagt. Of een golf aan corporale Baulievers die de conservatoria overspoelt, aan de vleugel zijn ongehoorde strijdliederen schrijft en de stationspiano’s van Tiersen en Einaudi verlost. Maar het zit er domweg niet in.

De tijd lijkt wel rijp voor een herwaardering van de jarentachtigmuziek. Afgelopen decennium waren er wel bands en artiesten die de darkwave of synthpop gingen retroën, maar echt een grote beweging wilde dat niet worden. Maar wat niet is, kan nog komen. De ingrediënten zijn er: net als in de jaren tachtig leven we in een periode van grote politieke onzekerheid en milieuproblemen – een mooie voedingsbodem voor vleermuizenmuziek. En een paar scherpe bliepjes à la Depeche Mode zouden de alomtegenwoordige elektropop wat kunnen kruiden.

Verder: singer-songwriters zijn er het hele decennium geweest en zullen er ook volgend decennium zijn. En ook in de jaren twintig zullen ze niet cool worden. En de Stones? Die zullen vast wel doorgaan. Tenzij Keith Richards alsnog aan zijn levensstijl bezwijkt. Maar die heeft al zoveel overleefd, die haalt de 86 ook nog wel.