Honderd keer pop in je moerstaal (76)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 76.

We hebben al aardig wat hiphopnummers voorbij zien komen en de komende maanden komen we er nog genoeg tegen. In eerdere afleveringen konden we constateren dat Amsterdam e.o. het voortouw nam: de eerste Nederlandstalige groep die doorbrak kwam uit de hoofdstad, en de grote jongens van de jaren nul kwamen daar ook uit de buurt. Daartegenover stond Brabander Extince, die als buitenbeentje toch maar de invloedrijkste rapper van zijn tijd werd.
  Ook in het oosten van het land kwam een rapscene op. Inderdaad, niet één enkele rapper die toevallig daar vandaan kwam, maar een hele scene. Plaats van gebeuren was om precies te zijn Zwolle. Dat lijkt opmerkelijk. Hiphop zou je hoogstens verwachten in de verlopen industriesteden van Twente, of in Groningen met zijn grootsteedse pretenties. Maar Zwolle, een stad ter grootte van Haarlem of Dordrecht… daar komen toch hoogstens brave rockbandjes vandaan?
  Kleine en middelgrote steden hebben geen best imago. De grote stad, daar gebeurt het. Natuurlijk de leuke en opwindende dingen, maar ook de heftige shit. Daar is de hiphop thuis. Het platteland, daar gebeurt het beslist niet, maar die mensen hebben karakter. De boerenrock, met zijn assertief uitgedragen “we-zijn-wie-we-zijn-en-we-blijven-hier”-mentaliteit, die past daar. Of de bedachtzame singer-songwriter (zie vorige aflevering). Maar in een modale stad – daar valt niks te beleven en je hebt ook nog eens geen frisse lucht. Daar moet het niet van komen.

Gelukkig hoeven bewoners van die modale stad zich daar niets van aan te trekken. Dat deden de jongens van Opgezwolle ook niet. Niet toen ze zichzelf oprichtten, niet toen ze provinciaal naam maakten en niet toen ze landelijk doorbraken (of althans bekend werden bij hiphopfans in het hele land). In hun single “Het verre oosten” uit 2003 doen ze ook helemaal geen moeite om hun stad interessant of street credible te maken. Ze beschrijven doodleuk het leven van de gemiddelde Zwollenaar, die naar de Wijthemerplas gaat of een ijsje bij Talamini neemt.
  Opgezwolle heeft nog wel meer bekende nummers. Vandaag behandelen we “Hoedenplank”, uit 2006.

In de clip zien we een nachtelijk tafereel. Niet alleen het nachtleven wordt gefilmd (de boodschap is opnieuw: ook hier in Zwolle valt wat te beleven, Randstedelingen!), ook zien de rappers ’s nachts in het bos, bij iets wat het midden houdt tussen een dropping en een vlucht voor de politie.

     Recht voor je raap rap, zo gaat het,
     voor wie zich in het nachtleven stort zonder vaste slaapplek.
     Gewoon gaan, zo…diep in een trance,
     wakker van espresso’s… geen Wiener melange.

Ze hebben het voornamelijk over zichzelf. Niet eens hun eigen loopbaan of hun eigen buurt, maar vooral hun eigen muziek. Het publiek, de luisteraar, wordt namelijk uitgenodigd om eens goed het nachtleven in te duiken en Opgezwolle te gaan zien. Hun muziek is de beste, uiteraard, en die moet in je auto uit je speakers klinken. De zelfverzekerdheid waarmee ze dat uitdragen (“we blijven rappers wegzappen”) doet denken aan Extince. Zijn “Spraakwater” moet je drinken, Opgezwolle biedt:

     Voer voor je hoedenplank.
     Tast toe, proef je woofer.

(En passant: gek eigenlijk hoe vaak rappers met die voedselmetafoor komen. Ook Ali B begon al met “Als je dit niet lust… smaken verschillen.”)
De muziek zelf doet iets minder aan Extince denken. “Spraakwater” drijft bijna volledig op zijn rap, met een vrij zachte beat en weinig extra dj-werk. In “Hoedenplank” is de beat een stuk harder; er moet gedanst (of op zijn minst meebewogen) worden. De voordracht is navenant; als je geen Nederlands verstaat, kun je best eens denken dat hier iemand gedist wordt. Dat is niet het geval, maar zeer in tegenstelling tot Extince rapt Opgezwolle nadrukkelijk niet voor iedereen: “De muziek is niet voor ieder wat wils.”
  Opvallender vind ik echter het geluid dat we erbij horen. Het zal wel uit een synthesizer of een ander keyboard komen, maar het heeft veel weg van een glasharmonica. Dat vinden mensen al eeuwenlang een intrigerend geluid. In de tijd van Mozart raakten mensen ervan in verrukking (de componist schreef ook zelf voor dit instrument), maar waarschuwden dokters dat je er gek van zou kunnen worden.
  Het zal hier wel niet dienen om de luisteraar in extase te brengen of kierewiet te maken. Wel om een onaardse sfeer neer te zetten. Een beetje eng en ongezellig ook. Want het geluid heeft ook wel iets weg van een piepend stalen hek. Alsof ze willen laten horen: onze muziek klinkt ’s nachts in louche keldertjes, als je gaat luisteren moet je dat wel echt willen.

“Hoedenplank” is een Nederhopklassieker, en het album Eigen wereld, waar het vanaf komt, stond in 2006 hoog in de Album Top 100. Toch lijkt het of deze groep het nooit helemáál heeft gemaakt. Tenminste, je kon ook in hun gloriedagen nog om ze heen, wat je van Ali B bepaald niet kunt zeggen. Hiphopfans kochten hun platen massaal, maar dan ook alleen maar zij.
  Geeft niet, ook zonder BN’erstatus kon je jarenlang aan de top staan. Opgezwolle ging in 2007 uit elkaar, Rico en Sticks gingen solo door. Ze hadden Zwolle cool gemaakt, ze hadden de radio gehaald, ze legden hun randstedelijke collega’s het vuur aan de schenen met een herkenbaar geluid en inventieve raps.

En als je dat allemaal niet genoeg vindt, bedenk dan dat de Zwolse hiphopscene niet alleen bestaat dankzij Opgezwolle, maar dat ze ook uitstraalt naar de wijde omgeving. Op het debuutalbum uit 2001, Spuugdingen op de mic, doet een 15-jarige Surinaamse puber mee. Hij komt uit ’t Harde en heet Glenn de Randamie. Later breekt hij door als Typhoon, en wordt hij geroemd als een van de beste Nederlandstalige artiesten van zijn tijd. Zonder een Zwolse hiphopscene was een jongen uit de Veluwezoom niet gauw gaan rappen…

Honderd keer pop in je moerstaal (74)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 74.

Vorige week maandag kwamen we Ali B tegen, met de mededeling dat de Nederlandstalige hiphop rond deze tijd pas echt groot werd. Het ligt dan ook voor de hand dat we meer hiphopacts tegenkomen. Hoewel ik er een hoop heb weggelaten, komen we er vandaag inderdaad weer een tegen. Vandaag is het de beurt aan twee Diemense kaaskoppen: Lange Frans en Baas B.

Diemen is bepaald geen grote toeristische attractie. Je zou ook nooit verwachten dat er bekende rappers vandaan komen, als het niet pal tegen Amsterdam aan lag. De rapscene die daar al een tijdje was, had ook zijn uitstraling naar deze voorstad en rond 1997 kwamen Frans Frederiks en Bart Zeilstra in actie. Dat deden ze aanvankelijk nog in een collectief, de D-Men. (Goh, waarom zou dat zo heten…) Ook Yes-R en Brace, die we in aflevering 71 naast Ali B tegenkwamen, hebben bij de D-Men gezeten. Zo zie je maar weer: iedereen kent elkaar in dat wereldje en huiskleur doet er weinig toe.
  Met de harde kern van de D-Men maakte het grote publiek in 2004 bekend. De groepsnaam was intussen afgedankt, de rappers gebruikten hun eigen artiestennamen. Lange Frans, Baas B en Brace vlogen de top tien in met “Moppie”, maar de eerste twee schoten pas echt naar grote hoogten met “Zinloos”. Een rap over, inderdaad, zinloos geweld. Net als Ali B leerden we deze twee jongens kennen als rappers met een (sociaal wenselijke) boodschap.
  Het jaar daarop zouden ze nog een nummereenhit halen met “Het land van”. Deze vrij bijzondere akoestische rap had ik best kunnen behandelen in mijn rubriek. Niettemin is de keuze gevallen op “Ik wacht al zo lang” uit 2006, waarin de heren hun collega Brutus en rockzanger Tim Akkerman featuren:

“Ik wacht al zo lang” werd een beste radiohit, maar slechts een bescheiden verkoophit. Het had zijn moment niet mee. Toen we het leerden kennen, in april 2006, had Lange Frans net een akkefietje achter de rug. Stond daar in een disco een pornorap te houden voor middelbare scholieren, toen hij een ijsblokje naar zijn hoofd kreeg. Fransje stapt van het podium af en slaat een puber in elkaar (nog de verkeerde ook). Leuk, als je bekend bent geworden met een liedje over zinloos geweld…
  Maar goed, het liedje. We horen hier geen normaal hiphopnummer. Wat wij muzikaal van hiphop gewend zijn, is nog geënt op de funk en soul waar het genre uit ontstaan is. Hier klinkt een rockbegeleiding. Tim Akkerman, zanger van rockband Di-Rect, heeft blijkbaar zijn hele band meegenomen.
  De combinatie tussen hiphop en rock was zeker niet nieuw. Al in 1986 haalden Aerosmith en Run-D.M.C. een wereldhit met “Walk this way”. In de videoclip wordt een symbolische muur tussen de rockers en de rappers gesloopt; vanaf nu was hiphop definitief een mainstreamgenre. Nog datzelfde jaar kregen we de Beastie Boys, die de hiphop met de punk verbonden.
  In de jaren negentig werden rapelementen in hardrocknummers normaal met de opkomst van de nu-metal. Vooral Rage Against the Machine kennen we van rapmetal, maar talloze andere bands volgden dit voorbeeld. De invloed van RATM konden we bijvoorbeeld in aflevering 65 horen, bij Belgian Asociality.
  Het rapgedeelte lijkt, meer dan het andere werk van Lange Frans en Baas B, beïnvloed door Eminem. Eigenlijk is het opvallend hoe weinig invloed Eminem, toch veruit de populairste en meest geprezen rapper van begin jaren nul, op de Nederhop heeft gehad. Net zoals de Nederlandse rappers zich eerder al heel weinig aantrokken van gangsterrap. Maar goed, over dit nummer valt zijn schaduw dus wel. Opgefokt, emotioneel beladen, overhoop met de hele wereld: zo klinkt het.
  Eminem werd in zijn tijd wel gekarakteriseerd als een ‘emo-rapper’. Daarmee bedoelden ze natuurlijk letterlijk de emotie die hij in zijn muziek en teksten legde, maar het was ook een verwijzingen naar het muziekgenre emo. Zoals mijn lezers waarschijnlijk nog wel weten, was dat een vorm van punk die in deze tijd opkwam en waarmee het later nog vreselijk uit de hand zou lopen. Kort door de bocht kwam het neer op zelfmedelijden en woede op een schreeuwerige manier ten gehore brengen, waarbij aansprekende, meebrulbare refreinen vaak niet ver weg zijn. De muziek van “Ik wacht al zo lang” heeft daar trouwens wel wat van weg, al kunnen we ook de invloed van Linkin Park vermoeden – geen emoband, wel een emotionele nu metalband voor tieners.

Di-Rect, waar Tim Akkerman op de loonlijst stond, was (en is) een Haagse rockband die het in deze tijd bijzonder goed deed. Persoonlijk vind ik ze wat slapjes, veel te weinig origineel, maar ze kunnen goed overweg met veel verschillende rockstijlen. Punk, hardrock, klassieke rock, ze hebben het allemaal weleens laten horen. Emo, nu-metal en aanverwante vormen normaliter dus geen probleem. Ook Tim blijkt multi-inzetbaar: hoewel de zangtaal normaal gesproken Engels is, blijkt hij ook prima Nederlands te kunnen zingen. (Hij zou dat in 2008 herhalen, toen de band Tommy coverde).
  Wat hebben deze emojongens te zingen? De tekst blijkt te gaan over mensen die te vroeg doodgaan. Wensen ze zelf de dood? Lange Frans lijkt het te zeggen!

     Tussen gek, geniaal, iedereen, allemaal,
     je leest mijn boek en ik schrijf het verhaal,
     met het bloed uit m’n pen naar het eind van de gang,
     ik ben klaar, kom me halen, want ik wacht al zo lang!

“Ik wacht al zo lang” is eerst en vooral een zin uit het refrein, waarin Tim het houdt bij wachten op een antwoord dat je niet krijgt. Dat lijkt ook Baas B te willen:

     Ik geloofde in sprookjes en in de mensen,
     ik was tevreden, had weinig te wensen.
     Maar nu die tijd zonder zorgen voorbij is,
     vraag ik me af wat de reden voor mij is.

Brutus, die hier in de feature zit, wil in ieder geval nog niet dood:

     Misschien haal ik de 80 of het stopt bij 40,
     maar alsjeblieft niet eerder want ik vind het hier nog heerlijk!

Veelzeggend is de video. In de eerste twee coupletten zien we een kamer waarin Frans als een getergd kunstenaar op inspiratie wacht. Baas B zit in couplet twee in de kerk op een antwoord te wachten. Daarna komt de dood pas echt in beeld: een ziekenhuisscène en een begrafenis. (Het moet me van het hart dat Tim niet heel sterk acteert, maar dat terzijde.) Als het erop aankomt en je de dood in de ogen kijkt, kies je blijkbaar toch voor het leven.

Lange Frans, Baas B en Di-Rect zetten met “Ik wacht al zo lang” een geslaagde en bij vlagen indrukwekkende samenwerking neer. Toch klinkt het nummer anno 2017 gedateerd. De twee rappers zijn door betere collega’s ingehaald, de rockstijl van het nummer is uit de gratie geraakt. Maar één keer per jaar mogen we deze tijdcapsule toch wel opentrekken.

Honderd keer pop in je moerstaal (71)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 71.

Onlangs (aflevering 63) hebben we gezien dat de nieuwe muziekstijl r&b vooral bij Caribische Nederlanders aansloeg. Klinkt logisch, Surinamers en Antillianen voelen een band met de Afro-Amerikanen en nemen ook hun popmuziek over. Maar hiphop, dé grote ‘zwarte’ muziekstijl van onze tijd, was in de jaren negentig het domein van autochtonen. Hiphop werd hier in Nederland vooral door blanke artiesten als Osdorp Posse en Extince gedaan.
  Hoe dat komt mag Joost weten. Je zou kunnen veronderstellen dat de rapmuziek in Nederland ‘geclaimd’ werd door de blanken. Dat zie je in de muziekgeschiedenis vaak genoeg: de ene groep gaat er met de muziek van de andere vandoor. (Even, voor het gemak, gesteld dat muziekstijlen aan een etnische groep kunnen toebehoren!) Maar dat kun je moeilijk volhouden. Zoveel Nederlandse rappers, in welke kleur dan ook, waren er destijds niet.

Hoe dan ook, rond 2000 komt hier allemaal radicaal verandering in. Vanaf dat moment wordt de Nederhop echt kleurrijk. Jongeren van alle bevolkingsgroepen slaan massaal aan het rappen. Autochtonen, Marokkanen, Surinamers, Antillianen, Kaapverdianen, indo’s en zelfs Polen komen we in clubs en hitlijsten tegen. En het publiek is al net zo geïntegreerd. Helaas is de Nederhop wat minder divers als het op geslacht aankomt: een rapster, die kom je zelfs anno 2017 nog niet vaak tegen.
  Jarenlang waren er zo weinig Nederlandstalige rappers dat een hiphopnummer als een bom in mijn rubriek insloeg. Na 2000 worden het er gewoon te veel om op te noemen. Als ik alle succesvolle of relevante rappers opneem, is er geen plaats meer voor andere muziek! Daarom vandaag drie rappers voor de prijs van één, in “Leipe mocro flavour” van Ali B, Yes-R en Brace.

Oké, grapje. Er doen wel drie rappers aan het nummer mee, maar het gaat natuurlijk vooral om Ali B. Vraag aan tien Nederlanders ‘noem eens een Nederlandse rapper’ en de meerderheid zal hem noemen. Dat dankt hij aan talloze tv-optredens – eerst als talkshowgast en quizkandidaat, later ook als presentator – maar toch zeer zeker ook aan zijn hits en zijn muzikale verdiensten. Anders dan pakweg Gordon is Ali B nog steeds rapper en geen ‘tv-persoonlijkheid’.
  In de tweede helft van 2004 kwam deze rapper voor het voetlicht. Hij heette voluit Ali Bouali, maar kortte zijn achternaam af. Waarschijnlijk om zijn gangsterimago te accentueren en als een verdachte in een zaak te klinken, maar misschien ook als knipoog naar Ali Baba, de Arabier die de rovers aftroeft. In elk geval heeft hij een verleden als straatschoffie, zoals in “Het leven van de straat” blijkt.
  Landelijke bekendheid bij mensen boven de 25 krijgt hij na een samenwerking met Marco Borsato. (Niet voor niets opent de video met “Dit is Ali B, maar dat wist je waarschijnlijk al.”) “Wat zou je doen” schiet op de kap van Nederlands populairste zanger naar nummer één, een succes dat hij alleen nooit zal evenaren. Deze samenwerking komt voort uit een gedeelde ideële missie: beide muzikanten zijn ambassadeurs voor Warchild, waar de tekst over gaat. Door zijn mainstreampopulariteit en zijn sociaal wenselijke gedrag komt hij bekend te staan als ‘Knuffelmarokkaan’.
  Je kunt erop wachten dat mensen hem dat gaan aanrekenen. Niet in de laatste plaats andere Marokkanen, die vinden dat hij zijn geloofwaardigheid verliest en te veel ‘Hollander’ wordt. Op zulke verwijten gaat hij al meteen in:

     Ben niet de rapper met de Spaanse flow (?),
     maar ik heb wel een wassen beeld in Madame Tussaud’s.
     Sommige rappers vinden mij nu een sell-out,
     een commerciële jongen die alleen maar van geld houdt.

Hij heeft ook kontlikkers, maar vooral critici. Maar die zijn natuurlijk gewoon jaloers:

     Arme stakkers doet ’t pijn in hun hart,
     want die Knuffelmarokkaan sleept weer een prijs in de wacht.

Zo is het maar net. Jullie zeiken maar een end weg, zolang ik die prijzen pak. Zo kennen we de rappers, vol van branie en zelfvertrouwen. Des te vreemder doen de volgende regels aan:

     Ik ben niet de allerbeste, maar ik blijf wel apart.
     Heb het onder controle. Alsof ik rijd in me car.

Niet de allerbeste? Dat zeg je toch niet van jezelf? Zeker niet als je aan de top staat. Laat dat je critici maar zeggen.
  Ik ken niet alle rappers die in 2005 actief waren, maar ik durf toch wel te zeggen dat Ali B met kop en schouders boven de meesten uitstak. Hij deed zijn voorgangers compleet verbleken. Def Rhymz? Absurd dat we die leuk vonden! De Raymzter? Amateur. E-Life? Schaamteloze imitator. Twaalf, dertien jaar later kun je rustig zeggen: met Ali B, en dankzij Ali B, werd Nederhop pas echt groot.
  Dat bewijst alleen deze feature al. Yes-R, de neef van Ali B, dankt zijn opkomst aan deze en andere features. Van Brace hadden we (de meeste mensen) zonder Ali B misschien nog nooit gehoord. Hier mogen ze meedoen, Yes-R in een eigen couplet en allebei in het refrein, om hun gastheer toe te zingen:

     Want dit is, ja dit is die Leipe Mocro Flavour.
     Geen probleem, Ali B brengt Leipe Mocro Flavour.

Ali B wil laten horen dat hij heus nog wel van de straat is. Hij gebruikt het woord ‘mocro’; zoals iedereen tegenwoordig weet is dat straattaal voor ‘Marokkaan’. Je kunt je afvragen hoe Marokkaans de smaak van dit nummer is. Het ritornel (jeweettoch, het instrumentale riedeltje dat als voor- en tussenspel klinkt) heeft wel wat van een Arabische melodie weg, maar verder is het toch vooral een gewone hiphopbeat en dito flow die je hoort. Maar, zo moeten we wel even aantekenen, het is geen mainstream-hiphop. In die tijd was het allemaal Eminem en 50 cent wat de klok sloeg, die blijven hier redelijk uit de buurt.
  “Ik breng de leipe mocro flavour. En als je dat niet lust – tja, smaken verschillen”, lezen we aan het begin al. Maar uiteindelijk valt er toch een breed publiek voor Ali’s hiphop.

     Ik doe dit voor de softies en het roffe publiek.

Ali B is er ook helemaal niet de man naar om ruzie te zoeken:

     Ik ben down met een boer of een swingende Belg.
     En ik heb respect voor iedereen, wat ik voor niemand verberg.

Maar terugvechten doet hij wel:

     Ik geef geen fok om die fuckers, het zijn wel honderden haters.
     Ik ga de oorlog met ze aan en rappen zonder een leger.

Deze rapper staat klaar om bruggen te slaan en samen te werken met iedereen. Eigenlijk is Ali B het zinnebeeld van het poldermodel. Dat model kreeg het in de jaren nul hard te verduren: door alles maar zo gezellig mogelijk te houden waren de mensen voor problemen weggelopen.
  Maar zo werkt het niet. Een polder hou je niet droog door weg te kijken van een lekke dijk. Je hebt potige jongens en meisjes nodig, die hard willen werken en als het nodig is ook goed ingrijpen. Maar die wel te allen tijde willen samenwerken. Ali B vecht voor zijn eigen boerderijtje, maar hij wil geen natte voeten krijgen. Uit welbegrepen eigenbelang steekt hij zijn handen uit.

Honderd keer pop in je moerstaal (54)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 54.

In aflevering 49 konden we lezen over de opkomst van Osdorp Posse. Na een lange protohistorie kwam de Nederlandstalige hiphop eindelijk van de grond. Maar de Posse had de eerste jaren het rijk wel bijna alleen. Een echte traditie had misschien nog wel jarenlang op zich laten wachten als er niet nog een artiest was opgestaan, een rapper die nog veel origineler was dan Def P en zeker een stuk meer mensen geïnspireerd heeft: Peter Kops oftewel Extince.
  Extince (we kwamen hem al tegen in aflevering 26, met Danny Boy) debuteert in 1998 met zijn hitalbum Binnenlandse funk, maar hij heeft dan al een halve carrière achter de rug. Hij is zelfs nog van de tijd dat rap in het Engels moest zijn: in 1987 komt hij met “The Milkshake Rap”. Schijnt een hitje te zijn geweest binnen de rapscene, maar die toevoeging zegt eigenlijk al genoeg: de rapscene zat anno 1987 nog in de diepste krochten van het uitgaansleven verstopt.
   De jaren daarna blijft hij actief – hij schijnt sinds 1987 elk jaar wel ergens een plaatje te hebben uitgebracht. Extince vormt nu de helft van het nog steeds Engelstalige duo Next Chapter. In 1994 probeert hij het dan toch in het Nederlands, in een feature met Osdorp Posse nota bene (“Turbotaal”). Dat blijkt een goede keus; voortaan wordt het Nederlands zijn raptaal. In 1995 komt hij met “Spraakwater”, zijn eerste Nederlandstalige single en meteen zijn grootste hit ooit.

De eerste keer dat ik dit nummer hoorde was tijdens de introductie van mijn studentenvereniging, in 2004. Het betekende een belangrijke verruiming in mijn muzieksmaak. Hiphop, toen al een van de populairste muziekgenres, had me nooit iets gedaan. Ik vond het eigenlijk nauwelijks muziek: niet zingen maar lullen, een beat eronder en klaar. Poëzie voor outsiders zul je bedoelen. Nee, dan rock, dat begreep ik tenminste. Maar Extince deed me echt wat. Ik ging op in de onnavolgbare meandertekst en het stoorde me helemaal niet meer dat de enige tonen in het hele nummer een doodsaai basloopje en vier elektronische geluidjes in het refrein zijn.
  Dit is de reactie die “Spraakwater” in meer mensen heeft opgeroepen. Extince bluft zijn nummer vol over hoe goed zijn muziek wel is, maar de zin “Mijn fans hebben alle kleuren van de regenboog” schijnt wel te kloppen. Hij inspireerde rappers van Brainpower tot Fresku, zijn publiek kwam uit alle lagen van de bevolking. Bovendien klonk het fris in 1995 en klinkt het ook fris in 2017. Wat doet die man hier dan allemaal goed, dat hij met dit nummer zo langdurig scoorde?

Midden jaren negentig was het in de hiphop allemaal gangsterrap wat de klok sloeg. Biggie en 2pac eisten de aandacht op, zowel door hun muzikale vernieuwingen als door hun levensstijl. We weten al dat Osdorp Posse het genre op de hak nam, maar ook hun raps zijn bijzonder hard en opgefokt. En Extince rapt hier gewoon, op een doodrelaxte manier, over zichzelf en over zijn vak. Hij heeft wel de branie van een rapper (Hij is de beste van allemaal en “zet stoute rappers in de hoek”), maar zoekt geen verbale confrontatie op. Eigenlijk is het allemaal heel positief en relaxt.
  Een zekere relaxtheid ging ook uit van de eerste generatie grote rappers, type Run-DMC. Maar die hadden de heilige plicht ‘cool’ en ‘streetwise’ te zijn. Extince begint meteen al met iets heel oncools: een sample uit de Fabeltjeskrant. Verder heeft hij een Brabants accent. Hiphop hoort thuis in de grote stad; het Amsterdams van Osdorp Posse past bij dat beeld. Extince’ ‘provinciale’ accent zet dat beeld op de helling. In hiphopjargon: Extince doet zijn eigen ding.
  Verder profileert hij zich nadrukkelijk als denker onder de rappers. Ook dat is nieuw. Tegenwoordig hebben sommige rappers, als je op onderzoeken ter zake moet afgaan, een grotere woordenschat dan Harry Mulisch. Anno 1995 was dat beslist niet zo. Rappers waren van de straat, je weet toch? Geen geleerden. Je kon beter op je achtste van school getrapt zijn dan een universitaire studie hebben afgemaakt. Nerds, niet cool.
  Extince, wel cool. Hij verrast zijn luisteraars met verwijzingen naar het diafragma, maar vooral met veel uitdrukkingen die je in een ondergepist flatportiek niet snel zult horen: “ik vertel in geuren / en kleuren / over alles wat ik mag bespeuren”. Een regelrechte liefdesverklaring aan de taal.

Dat laatste wordt nog duidelijker als hij verwijst naar drs. P. Dat is wel de taligste dichter die Nederland ooit gekend heeft: iemand wiens werk compleet draait om hoe hij de taal gebruikt. Dat heeft Extince inderdaad met drs. P. gemeen. Maar daar houdt de gelijkenis eigenlijk wel op. Drs. P. stond bekend om zijn perfectionistische manier van werken: het metrum en het rijm moesten perfect kloppen, anders was het de moeite van het opschrijven niet waard. Extince grossiert in onregelmatige rijmregels en rijmwoorden die vaak helemaal niet lekker rijmen:

     Yo! Nederland is één en al oor
     voor
     deze kletsmajoor.
     Door-
     boor
     jouw geslotenheid
     met de openheid
     van een diafragma
     want je mag me.

Dat zijn helemaal geen “drs. P.-achtige rhymes”, wat Extince er verder ook van mag zeggen. Drs. P. was ook helemaal niet zo opgezet met de bewondering van deze en andere rappers. Toen ik ooit in 2004 een interview met de doctorandus in boekhandel Broese bijwoonde, zei hij onverdroten: “Ik heb geen enkele affiniteit met het verschijnsel ‘rap’.”
  Toch is Extince de titel “taalvirtuoos” waardig. Dat komt ten dele juist doordat hij zijn raps zo onregelmatig opbouwt. In de nummers van bijvoorbeeld Osdorp Posse is de opbouw redelijk conventioneel, met regels die op zijn minst ongeveer even lang zijn. “Spraakwater” is door zijn constant wisselende regellengte en rijmschema compleet onvoorspelbaar. Dat komt ook door het associatieve karakter van de tekst: een rijmschema wordt zomaar ineens afgebroken voor een vrije associatie die het laatste woord oproept. En omdat “diafragma” mag rijmen op “mag me” en “uitverkorene” op “tornen”, is er veel meer ruimte voor onverwachte wendingen. Zelfs de komst van het refrein is nauwelijks te voorspellen, omdat de coupletten elke gewenste lengte kunnen hebben. Extince houdt je zo in bedwang: wat zal hij nou weer gaan zeggen?

Stel nou hè, dat Nederlands net zo’n wereldtaal was als Engels. Dan had Extince misschien wel wereld-popgeschiedenis geschreven. Hij vindt hier de hiphop, een genre dat steeds meer kwam vast te zitten in zijn eigen clichés, helemaal opnieuw uit. Welgemoed ritmisch ouwehoeren om het ouwehoeren, zoals Sugar Hill Gang ooit deed, maar dan toch weer anders. Wie kan hem haten?
  Nou, Def P. Ze hadden samen “Turbotaal” gemaakt maar kregen toen ruzie over geld. Def P rapt daarover in zijn distrack “Braakwater”. Het geldgeschil wordt genoemd, maar de Amsterdammer heeft het vooral over het walgelijk commerciële karakter van zijn collega. Een béétje jaloezie kunnen we wel bespeuren…

     Ik zou je eigenlijk moeten bedanken
     want met jou vergeleken ben ik zo dope als de kanker.

Uiteraard liet Extince dit niet over zijn kant gaan. De eerste grote Nederlandse fittie was een feit. Maar Extince is Osdorp Posse niet. Def P. heeft één truc, ergens vol tegenin gaan. Extince heeft meer pijlen op zijn boog en doet het subtiel. Zijn track, “Kaal of kammen”, is rustig, minzaam, uit de hoogte maar vooral weer zeer virtuoos.

     Je kwam een heel eind, maar nu is dat eind zoek.
     Je staat al in de hoek, nu vraag je ook nog billenkoek.

Honderd keer pop in je moerstaal (26)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 26.

De artiest van vandaag heet Danny Boy, en het nummer dat we bespreken is “Repperdeklep”.

Oké. Wacht tot je uitgelachen bent en lees dan verder. Er komt namelijk een heel interessant verhaal.

Geen enkel genre plopt kant en klaar uit de grond omhoog, maar hiphop komt toch aardig in de buurt. Wanneer het is ontstaan is niet helemaal duidelijk. Eind jaren zestig misschien, bij de obscure Last Poets. Daarna ontwikkelde het zich bij talloze al even obscure artiesten uit de zwarte wijken van New York, vooral The Bronx. En toen opeens, eind 1979, was daar “Rapper’s Delight” van de Sugarhill Gang. Vijftien minuten lang ritmisch praten over een funkbegeleiding. De wereld wist niet wat hij hoorde! Een nieuw genre, rap of hiphop, was geboren.
  Op 15 december 1979 kwam het plaatje de Nederlandse top 40 binnen, om op 2 februari 1980 de eerste plaats te halen. Al op 22 maart meldde de eerste Nederlandse rapsingle zich in diezelfde hitlijst. Vergeet DJ Sven en MC Miker G, vergeet Osdorp Posse, de eerste rap-act hier te lande was Danny Boy. “Repperdeklep” deed niet veel, maar wel iets: het plaatje bracht twee weken in de Top 40 door en kwam tot de 38e positie.

Achter Danny Boy – een artiestennaam die is afgeleid van “Londonderry air (Oh Danny boy)”, een bij ouderen zeer populaire schlager – blijkt een destijds twaalfjarige jongen schuil te gaan. Danny Grevelt, zoals hij echt heette, was de zoon van Han Grevelt.
  Je ziet helemaal voor je wat er gebeurd is. Pa Grevelt hoort steeds de rap op de radio en ziet de potentie van dat nieuwe genre. Met zijn geoefende producershanden schrijft hij zelf een hiphopnummer en laat dat zijn zoon rappen. Misschien bracht het hem niet het succes dat hij gehoopt had, maar hij had wel een ongelofelijke primeur te pakken: nog geen halfjaar nadat de hiphop bovengronds was gekomen, hadden vader en zoon Grevelt al voor Nederlandse hiphop gezorgd! Bovendien zag pa duidelijk in wat de rest van Nederland pas later begreep: dat je voor zo’n talig genre maar beter je eigen taal kunt gebruiken in plaats van het Engels.

Hoe klinkt dit nummer precies? Laten we luisteren.

Meteen bij het voorspel blijkt: met de begeleiding zit het wel goed. Het is duidelijk funkmuziek; niet zeer briljant, maar wel heel behoorlijk. Rap werd in de beginjaren altijd boven een funkbegeleiding gedaan, dus die keuze is niet zo vreemd. Verder horen we een synthesizer. Dat was geheel volgens de laatste muziekmode en had bovendien als voordeel dat er geen dure gitarist of sessieblazers naar de studio gehaald moesten worden.
  Veel luisteraars zullen daarna vallen over Danny’s kinderstemmetje, of over de kinderlijke onderwerpen die hij bezingt. Niet bepaald typische hiphopteksten: school en huiswerk.

     Twee uur rekenen en daarna nog taal,
     Je begrijpt toch wel dat ik dan al baal.
     Wat heb ik een slaap, en wat word ik moe.
     Dan kijk ik maar een keer naar buiten toe.

Een kind dat in een modern popliedje zingt (in dit geval rapt) over zijn dagelijks leven: het doet denken aan Kinderen voor Kinderen. Misschien is het ook geen toeval dat dit project van de VARA nu net in 1980 van start ging. Zowel Grevelt als de VARA voelde aan dat er potentie was voor popmuziek gericht op prepuberale kinderen, met voor hen verstaanbare en herkenbare teksten.
  De vraag blijft waarom dat nou net toen gebeurde. Popmuziek was van meet af aan niet op een jonger publiek dan pubers gericht. Jongere kinderen luisterden er wel naar, maar het was nooit voor hen gemaakt – zie alleen al de eeuwige liefdesteksten. Dus waarom in 1980 en niet bijvoorbeeld in 1968?
  Ik kan twee verklaringen bedenken, die elkaar niet per se uitsluiten. Ten eerste werd in de jaren zeventig de pop langzaamaan mainstream. We hebben dat geconstateerd in aflevering 13 (over “Dinge-dong”) en 17 (over “Dokter Bernhard”). Misschien rees, nu popmuziek onder de gehele bevolking zo alomtegenwoordig werd, de vraag of er dan ook kinderliedjes in een popidioom moesten komen.
  Ten tweede werd de muziekmode in datzelfde decennium minder dwingend. Het was niet alleen maar rock-‘n-roll of alleen maar beat wat de klok sloeg, zoals in de jaren vijftig en zestig, maar er stonden allerlei genres naast elkaar. Als de normen minder streng worden, klinkt een popliedje voor en door kinderen niet meer zomaar als “nep”.

Er valt nog iets ander op aan dit nummer. Waar “Rapper’s delight” minutenlang aan een stuk associatief doorgaat, heeft “Repperdeklep” een kop en staart: op maat gesneden coupletten en een heus refrein. Er wordt zelf in gezongen, al kan Danny helaas niet echt toon houden. Wat nu? Heeft Han Grevelt als allereerste een couplet-refreinstructuur met rap gecombineerd, en is dit plaatje echt zo innovatief?
  Nee. “Repperdeklep” heeft zijn grootste inspiratie ergens anders gehaald. We zouden het bijna vergeten, maar in januari 1980, kort nadat Sugerhill Gang insloeg, kwam er nóg een rapartiest de hitparade binnen. Joe Bataan, die je nu zelden meer hoort, haalde de tweede positie in Nederland met…

…”Rap-o clap-o”! Eigenlijk het Engelse equivalent van “Repperdeklep”. Vind je die titel belachelijk, dan moet je in wezen Joe Bataans titel ook belachelijk vinden.
  Met deze kennis valt alles op zijn plaats. Zowel Joe Bataan als Danny Boy dragen een T-shirt met de titel van het nummer erop, en daaroverheen gekleurde bretels. De potentiële koper moet al meteen een rip-off vermoeden. De geluidseffecten in het begin zijn bijna gelijk. Joe Bataan geeft, anders dan de Sugerhill Gang, zijn nummers wél een refrein mee. Tot slot rapt Danny in het eerste couplet ook over Joe Bataan. Waar de inspiratie vandaan kwam is dus wel duidelijk.
  Hier en daar staat op het internet te lezen dat “Repperdeklep” een cover van “Rap-o clap-o” is. Dat klopt echter niet. De begeleiding is zeker niet identiek: het ostinato (ik zou gewoon de “sample” kunnen zeggen, maar in beide gevallen wordt er duidelijk niet vanaf een plaat gewerkt) van “Repperdeklep” duurt vier maten, dat van “Rap-o clap-o” maar twee. De coupletten zijn bij Joe Bataan veel langer. Dus nee, “Repperdeklep” is zeker een apart nummer, al is het dan een duidelijke rip-off.

Na 1980 raakte het plaatje snel in de vergetelheid. Alleen experts kennen het. Zelf leerde ik het kennen toen ik 2009, bij het werk aan mijn bachelorscriptie, de hitlijsten doorspitte op Nederlandstalige pop. Er was nog een heel detectivewerk voor nodig om het liedje daadwerkelijk te horen. Het stond nog niet op YouTube en via peer-to-peernetwerken was het ook niet te vinden. (Anno 2017 hebben verschillende bezitters van de single het liedje wel geüpload.)
  Iemand die het nummer wel al kende, was Extince. Deze zelfbenoemde koning van de Nederhop was dat natuurlijk aan zijn stand verplicht. Begin 2008 bracht hij een song uit met de naam “Repperdeklep”. Wederom geen cover, maar wel een feature met, jawel, Danny Boy, intussen een vent van veertig. En passant wordt de gangsterrap op de hak genomen. Nou ja, de rest kun je zelf ontdekken:

Honderd keer pop in je moerstaal (2)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 2.

Twee keer weeks zou ik mijn rubriek gaan bijhouden, en om nou meteen bij aflevering 2 mijn voornemen te verzaken is wat al te bruut. Daarom heb ik vandaag voor jullie: “Kom van dat dak af”, van Peter Koelewijn.

Anders dan de Trappelzak-boogie, die maandag het spits afbeet, is dit nummer algemeen bekend bij Nederlanders boven de twaalf. Sterker nog: nummer twee van de lijst achter deze rubriek is misschien wel het bekendste van alle honderd. Sinds het 57 jaar geleden de hitparade binnenvloog, is het geen moment uit het collectieve geheugen verdwenen. Al was het maar omdat Koelewijn er tussen 1960 en 1989 niet minder dan vier versies van heeft uitgebracht. Laten we maar meteen naar de eerste luisteren:

Wat horen we hier? Een rock-‘n-rollnummer, zoveel is duidelijk, met een refrein in het vertrouwde bluesschema en twee coupletten (het derde is een herhaling van couplet één) met een ander schema. De begeleiding lijkt geïnspireerd op de oude boogiewoogie en eventueel de muziek van Little Richard: we horen een tenorsaxofoon en een piano, nog geen elektrische gitaar zoals bij Chuck Berry.
  Maar belangrijker: de tekst is Nederlandstalig. Kan dat wel? Is het dan wel rock-‘n-roll? Dat moeten de luisteraars destijds gedacht hebben. Het tienerpubliek wist niet beter of rock-‘n-roll werd gemaakt door Amerikanen, met teksten in de taal van dat onweerstaanbaar hippe land. Áls Europeanen zich daar al aan waagden, moesten ze toch niet hun eigen lompe taal gaan gebruiken? Dat swingde niet.
  Peter Koelewijn had de ballen om het wel te proberen. Toch hoor je bij hem de aarzeling. Hij zingt, vooral in de coupletten, met een gemaakt Amerikaans accent om zijn Nederlands ‘swingender’ te doen klinken. Ook schuwt hij niet om er een lettergreep in te gooien als dat lekkerder bekt. “Yunna Yunsen zen vrow, dee wus an coarddunseress”. En niet te vergeten: hij wil vooral niet “ergens” over zingen. De Amerikaanse rock-‘n-roll bestond uit vaak seksueel geladen liefdesteksten. Peter Koelewijn durft dat niet aan. Hij zingt het liefst over een absurd onderwerp: een koorddanseres die op het dak klimt en er blijkbaar niet meer af durft. Alles in dienst van die ene lekker bekkende kreet: “Kom van dat dak af!”

Peter en zijn Rockets werden dik beloond. Zijn liedje schoot naar nummer één en bracht 26 weken (een halfjaar!) in de hitlijsten door. Hoe lukte hem dat? Natuurlijk is de man niet van talent gespeend. Maar het moment waarop is alles bij hitmuziek. De rock-‘n-rollrage had in 1956 hard toegeslagen, maar was tegen het einde van het decennium wel uitgeteld. Chuck Berry zat in de gevangenis, Little Richard was in de Here, Elvis zat in dienst en Buddy Holly – tja, Buddy Holly was in februari 1959 omgekomen bij een vliegtuigongeluk.
  Zo kwam er ruimte voor iets nieuws. In Amerika kreeg je een hele resem tieneridolen en de muziek van Brill Building, in Engeland de razend populaire Cliff Richard. En in Nederland – daar stonden mensen ineens open voor rock-‘n-roll in het Nederlands. Met Elvis in de kazerne kon Peter Koelewijn ongehinderd de hitparade bestormen. Geen ersatz, geen tweede keus, gewoon het beste wat er was. En laten we eerlijk zijn: de vergelijking met neo-crooners als Cliff Richards en Pat Boone doorstaat hij glansrijk.

In de jaren zestig zouden de popmodes elkaar snel opvolgen: het genre ging sky-high en de rock-‘n-roll was snel vergeten. Toch nam Koelewijn in 1971 een nieuwe versie op, die bovendien de hitparade haalde:

Ook deze versie leunt nog sterk op de boogie, met een prominente rol voor sax en piano. De mix is afgewogener, net als Koelewijns stem. En het nep-Amerikaanse accent is verdwenen.

Ook na 1971 werd het nummer niet vergeten. In 1981 was het blijkbaar weer tijd voor een nieuwe versie (die ditmaal op plek 14 van de Top 40 bleef steken). De meest curieuze opname is echter de laatste, uit 1989. Deze keer doet de man een feature met rappers MC Miker G en DJ Sven.

Tja, wat zullen hiervan zeggen? Peter Koelewijn werkt in een te foute jarentachtigbroek zijn refrein af. Daarna komt het rapduo in beeld om, overeenkomstig gekleed, Koelewijns nummer tegelijk te dissen en de hemel in te prijzen.

     “Hoe verzin je toch zo’n tekst”, heb ik me afgevraagd
     Een eindje verder wordt-‘ie ook nog erg gewaagd:
     “Het eten werd koud en Janne Jansen werd heet”
     Dat de censuur daar nooit iets aan deed!

Of deze versie anno 2017 een hit zou worden, valt te betwijfelen. Miker G en Sven rappen in bejaardentempo met de dictie van een disco-plaatjesdraaier uit de jaren zeventig, en hun achterstevorenpetjes zien er knullig uit. Maar destijds… de heren hadden een paar jaar daarvoor een internationale hit gehad met hun “Holiday rap”. Ze waren “hot”, zoals de toen nog nieuwe hiphop dat vanzelf was.
  Alleen Nederlands, dat was in 1989 niet hot. De “Holiday rap” haalde nummer 1, deze samenwerking kwam niet verder dan de twintigste plaats. De “Holiday rap” is (net als de rest van hun gewone oeuvre) dan ook Engelstalig, en bovendien gezongen vanuit het perspectief van Amerikaanse jongeren die Londen, New York en “a little bit of Amsterdam” komen bezoeken. Niets eigens aan. Deze jongens wilden het vooral “he-le-maal maken in Amerika”.
  Dat is gelukkig veranderd. 1989 was ook het jaar dat Osdorp Posse voor het eerst de media haalde. Nederlandstalige rap voor de underground. De afloop kennen we. Underground werd alternatief, alternatief werd mainstream en anno 2017 rapt iedereen in het Nederlands of wat erop lijkt. Net als de Nederlandstalige rock had de Nederlandstalige rap gewoon even tijd nodig om een plekje te vinden. Maar dat komt later dit jaar nog aan bod.

N3rdistan in TivoliVredenburg

“Deze Marokkaanse band slaat met een mix van elektronica en Arabische poëzie een brug tussen de Arabische wereld en het Westen.” Eerlijk gezegd werd ik van deze aankondiging nog niet erg warm. Ze klinkt naar politieke correctheid van het gemaakte soort: kijk ons eens alle invloeden vreedzaam naast elkaar zetten en zo de harmonie tussen de volkeren bewaren! Gelukkig viel het mee.

Concreet: N3rdistan is een Marokkaanse (geen Nederlands-Marokkaanse maar een Marokkaans-Marokkaanse) band die bestaat uit zang, drumstel, samples, fluit en een instrument dat ik niet helemaal kon thuisbrengen maar dat sterk lijkt op de Indiase sitar. De teksten komen van diverse preklassieke, klassieke en moderne Arabische dichters; om die reden vond men het nodig om van tevoren arabiste Djûke Poppinga even voor een spoedcursus Arabische poëzie te laten zorgen.

Het programma werd voorafgegaan door een stuk klassieke Arabische muziek, verzorgd door twee Syrische vluchtelingen en een Palestijn op zang, trommel en luit. Voor de Marokkaanse jongens in de zaal was dit blijkbaar even doorbijten – zij stonden te wachten op de ritmes van de hoofdact – voor de rest van de zaal een zeer intelligente, rustige opwarmer.

N3rdistan werd van tevoren op verschillende plaatsen “hiphop” genoemd. Ik denk dat je die band daarmee tekort doet. Hij put in feite uit heel veel verschillende popstijlen (zowel direct uit westerse stijlen als uit Arabische popmuziek) en in de meeste nummers wordt gewoon gezongen. Er zijn invloeden van rap, maar ook van punk, van funk, van pop en zelfs van progrock, als er binnen hetzelfde liedje van maatsoort wordt gewisseld.

Het gebruik van een echt drumstel, geen drummachine, geeft een ontegenzeggelijke levendigheid die veel hiphopacts ontberen. Dat wil niet zeggen dat de elektronica afwezig is: in de hoek stond een meisje (ik heb geen namen onthouden) achter twee laptops de meeste uiteenlopende samples te produceren.

Het minste wat je van deze mengeling kunt zeggen, is dat ze echt werkte: het klonk nergens gemaakt of onverenigbaar. Uiteraard heeft men in de Arabische wereld al jarenlang geëxperimenteerd met allerlei mengelingen tussen de traditionele muziek en de westerse pop; een muziekwereld die grotendeels aan ons voorbijgaat. Niettemin klinkt N3rdistan een stuk frisser en onvoorspelbaarder dan veel Noord-Afrikaanse pop, en lang zo kitscherig niet.

Hoewel ik allerwegen een reputatie van stijfheid hoog te houden heb, bracht deze muziek me bijna onmiddellijk aan het dansen. Voor het merendeel van het publiek duurde dat wat langer. Het Marokkaanse deel van de zaal bewoog mee, en een enkele autochtoon in de zaal ging duidelijk vaker naar hiphop of Mystic Grooves, maar voor de rest bleef men vrij rustig staan.

Dat zal wel te maken hebben met de onbekendheid van deze muziek. Uiteraard is dat ook een groot nadeel als het om de teksten gaat. Er is ons verteld dat die afkomstig zijn van grote Arabische schrijvers, maar als je geen Arabisch verstaat, moet je dat maar geloven. Af en toe kwam de zanger ons melden waar het volgende lied over ging, of wie het geschreven had. Los van het gebruik van een vreemde taal was de tekst soms onduidelijk gearticuleerd, of kwam de stem niet goed uit de mix, waardoor ze ook voor Arabische sprekers niet goed te verstaan moet zijn geweest.

Het eindoordeel over dit concert is zonder meer positief: ik heb fijn (zij het ook niet goed) gedanst, goede muziek gehoord en het gebruik van Arabische poëzie is ook een plus. Het zou voor onze cultuur beter zijn als Nederlandse zangers ook eens een hele zaal met jongeren op Vondel los lieten gaan.