Honderd keer pop in je moerstaal (92)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 92.

Trouwe lezers met een goed geheugen herinneren zich aflevering 17 nog wel. Dat stukje ging over “Dokter Bernard” van Bonnie St. Claire. Ik constateerde daarin dat vrouwen in mijn rubriek wel heel dun gezaaid zijn. Ik kon ook nauwelijks namen opnoemen; Bonnies middle-of-the-roadmuziek met een smartlappenrandje leek er zelfs met de haren bij gesleept. Wat was dat? Seksisme van de muziekindustrie, die geen vrouwelijke artiesten steunde, van het publiek, dat geen vrouwelijke artiesten accepteerde, van de maatschappij, die popmuziek niets voor meisjes vond?
  Misschien heb ik er wel een paar over het hoofd gezien. Fay Lovski bijvoorbeeld, die ben ik vergeten op te nemen (misschien omdat haar bekendste werk Engelstalig is). Zo kunnen er wel meer zijn die hier hadden moeten staan maar wier werk ik niet ken.
  Gelukkig kwam daar na 1990 verandering in. In ons decennium gaat het zelfs echt hard. Maandag hadden we met Maaike Ouboter al een vrouw, vandaag en komende week volgen er nog drie. Waar ik ze eerst met een kaarsje moet zoeken, moet ik nu domweg vrouwelijke artiesten weglaten. Roos Blufpand of Yentl & De Boer grijpen zo jammerlijk naast een stukje op mijn blog.
  Eén grote ‘maar’ is er nog wel. De vrouwelijke popartiest is bijna altijd in het singer-songwritergenre actief. In bands kom je ze weinig tegen (en dan nog zeer overwegend als zangeres), en vrouwelijke rappers zijn nog zeldzamer, zeker hier te lande. Is dat toeval? Vast niet? Rock en hiphop zijn vanouds machogenres, de singer-songwriter wordt geacht zijn gevoelens te uiten. Dat vinden wij, de maatschappij, beter bij vrouwen passen. Daarom kon Joni Mitchell het al in de jaren zestig maken en bewonderden we later Björk, Tori Amos en PJ Harvey.

Onze zangeres-schrijfster van vandaag is Eefje de Visser. Ik maakte zelf kennis met haar werk in 2013. Eigenlijk had ik dat al veel eerder willen doen. Ik hoorde in 2004, meen ik, al van haar, en ik was wel benieuwd naar dat jonge meisje dat het even ging maken. Men dient in acht te nemen dat ik in die tijd verliefd was op een andere Eefje. Dat is op zich de verkeerde reden om naar een concert te gaan, maar in dit geval had ik er vast geen spijt van gehad.
  Enfin, ik ging niet, zoals ik wel vaker een leuk concert oversla. Nadat ik haar naam in de krant las, hoorde ik jarenlang niets meer van haar. Pas in 2011 dook ze weer op, met haar langverbeide debuutplaat. (Een optreden in 2009, in De Wereld Draait Door, had ik gemist.) Ook die liet ik liggen, waarschijnlijk om financiële redenen. Pas in 2013, toen ik pophipster was geworden, kocht ik haar nieuwe plaat Het is. Daarvan luisteren we vandaag het nummer “In het echt”.

Eerst maar eens de muziek en de formele zaken. Bij een singer-songwriter denken we al gauw aan een man of vrouw met een akoestische gitaar, die simpele folkachtige liedjes met veel expressie brengt. Eefje de Visser is bijna het omgekeerde. Ze maakt elektropop en haar fluisterende dictie verraadt de betekenis van haar woorden niet. Zoals in haar meeste liedjes – er is wel zoiets als een duidelijke Eefje-stijl – zingt ze zachtjes, ingehouden en een beetje melancholisch: alsof ze wel bij de wereld wil horen maar zich er niet helemaal in thuis voelt. Alleen het ritme komt overeen met wat wij ons bij singer-songwritermuziek voorstellen: het is geen electropop om op te dansen.
  Eefje gebruikt de Nederlandse taal, met een Poldernederlandse tongval. Dat accent is lang niet zo sterk als bij Roosbeef (aflevering 84). In tegenstelling tot Roos Rebergen, die uit Duiven komt, is Eefje de Visser opgegroeid in Moordrecht, in een gebied waar veel van die klanken vanouds al thuishoren. Bij Eefje lijkt het accent ook geen deel van haar act, zoals dat bij Roosbeef wel het geval is.

Waar zingt De Visser over? Ze richt zich in dit lied tot een niet nader genoemde ‘jij’. Het lied lijkt te gaan over een toekomstdroom die niet gerealiseerd werd. De eerste regels geven in ieder geval het idee van een visioen:

     Ik zoek een woord
     en ik herinner me de tuin
     en daar iets aan vast
     waarin we konden wonen
     en rustig aan doen.
     Om ons heen
     is alles rustig aan verzameld.

Vrij vers, geen metrum of rijm. Het lezen van de teksten geeft het idee dat je met moderne poëzie te maken hebt (uit een gedichtenbundel, je weet toch.) En net als in de moderne poëzie valt de betekenis niet zomaar te achterhalen. In elk geval is er een tuin geweest waar alles goed was – niet eens een hof van Eden, maar gewoon een relaxte tuin waarin je kon doen wat je wenste.
  Althans, dat denk je na de eerste regels. Even verderop lijkt de ikpersoon toch te denken dat die tuin maar een gedachtespinsel is.

     Ik wil wel horen wat je me zegt,
     ik wil wel weten wat je bedoelt
     maar ik geloof daar niet in.
     Soms laat hier alles los
     of het bestaat niet in het echt.

Wie is die ‘jij’ naar wie de ikpersoon vol scepsis luistert? Haar vriend, die visioenen van een gouden leven samen had? Haar vader, die haar een grootse toekomst voorspelt? Een vriendin die gelovig of een beetje zweverig is en haar allemaal metafysische dingen zegt?
  Wie het ook is, de ikpersoon lijkt niet te kunnen omgaan met wat de ander zegt. “Het bestaat niet in het echt”, dat klinkt als een duidelijke, definitieve afwijzing. Maar het is niet de laatste regel van het liedje. Na het refrein herhaalt ze niet minder dan vier keer de regel “(Ik wil wel) weten wat je bedoelt”. Eefje snapt haar gesprekspartner niet en lijkt daar bijzonder mee in haar maag te zitten. Waar deze regel eerder als toenadering klonk (“ik wil best weten wat je bedoelt, maar denk eraan: ik geloof het toch niet”), klinkt het nu als een verzuchting. “Wat bedoel je toch? Ik kan niet met je communiceren.”

Honderd keer pop in je moerstaal (91)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 91.

Het was dé popmuziekhype van de jaren nul: de talentenjacht. Een groep mensen uit de muziekindustrie ging via de televisie op zoek naar een nieuwe popster. Dat formaat heeft twee voordelen. Ten eerste melden mensen zich bij bosjes aan met het vooruitzicht dat je, ook als je niet wint, op tv kunt komen. Ten tweede kent het publiek de sterren al, zodat de singles en albums niet meer in de markt moeten worden gezet.
  Het idee was niet nieuw – in de jaren zestig ontstonden zo The Monkees al. Maar met teruglopende, later zelfs instortende verkoopcijfers (eind jaren negentig werd het mogelijk cd’s te kopiëren en liedjes te downloaden) werd deze korte weg naar commercieel succes erg aantrekkelijk. Starmaker, Idols, Holland’s Got Talent, Popstars, The Voice of Holland… het aantal programma’s is amper te tellen.
  Aan negatieve kritiek heeft het deze programma’s niet ontbroken. Zowat alle gevestigde artiesten, van mainstream tot underground, spraken hun afschuw uit en iedereen die een beetje muzieksmaak claimde ging ervan over zijn nek. Natuurlijk, wegwerp-artiesten en bubblegummuziek zijn al zo oud als de popmuziek zelf, maar nu werden ze wel heel erg de norm. Hoe moet je het ooit gaan maken als serieuze muzikant of band, die onderaan de ladder begint, als de muziekindustrie alleen nog maar voor kortstondige succesjes gaat?

Met die gedachte in het achterhoofd begon Giel Beelen in 2012 met iets nieuws. Het icoon van 3FM, de zender die zich graag als serieus en licht alternatief radiostation profileert, begon met een paar muzikanten die hij bewonderde aan een talentenjacht voor singer-songwriters. De kandidaten zouden hun eigen werk brengen en op hun artistieke merites worden beoordeeld. Televoting zou er niet aan te pas komen.
  De beste singer-songwriter van Nederland liep uiteindelijk vier seizoenen. Ook dit programma kwam onder vuur, bijvoorbeeld van popbladen OOR en Lust for Life. Allemaal zeikerige millennials die geen fatsoenlijke protestsong kunnen schrijven, vonden hun vergrijzende redacties. Toch moet je Beelen en co. nageven dat hun programma succesvolle artiesten opleverde, wier werk ook een paar jaar later nog redelijk overeind staat. We denken aan Douwe Bob, Nielson en Lucas Hamming. En aan Maaike Ouboter, die in 2013 voor het memorabelste moment uit de geschiedenis van het programma zorgde.

Het liedje is zo bekend dat het nauwelijks introductie behoeft. Het fragment is al bijna net zo bekend. Maaike, een mooi jong meisje, komt binnen met een heftig verhaal: mijn beide ouders zijn al tijdens mijn puberteit overleden. Een weeskind dus. Hoe vaak maak je dat in het Nederland van de eenentwintigste eeuw nog mee?
  De vraag “Wat ga je spelen?” kan ze niet zo kordaat beantwoorden. Ze komt niet verder dan “een liedje over iemand missen”, begeleid met het nodige “nou eh”, “gewoon” en “weet je”.
  Logisch dat ze maar gauw begint te zingen. Ruim vier minuten lang brengt ze een eenvoudig, verstild liedje. Af en toe wordt er ingezoomd op de jury. Die houdt natuurlijk altijd zijn mond tijdens een optreden, maar toch lijken ze stiller te zijn dan anders. Je ziet ze geen vin meer verroeren, en het lijkt wel of ze hun ogen wijd opensperren om alles goed te kunnen horen. (Ja, ik bedoel wat ik schrijf!)
  Na het slot barst Sanne Hans (“Miss Montreal”) in tranen uit. Giel Beelen troost haar, maar houdt het evenmin droog: “Sanne, jij ook al?” Eric Corton, de stoere rockman met tatoeages, houdt natuurlijk zijn zelfbeheersing. Hij is ook de eerste die iets kan zeggen: “Je hebt iets heel moois gemaakt!” Eric legt Maaike uit dat haar taalvirtuoze tekst de luisteraar tot in het diepste weet te raken – iedereen althans die weleens met verlies te maken heeft gehad.
  Cortons compliment is tweeledig: het liedje vertoont een grote taalvirtuositeit, en de tekst weet de luisteraar universeel te raken. Taalvirtuositeit, spelen met woorden, is een vaardigheid die je aan kunt leren. Het is niet gemakkelijk en aangeboren affiniteit met taal helpt wel. Misschien is Maaike fan van drs. P of diverse cabaretiers. In ieder geval beheerst ze op haar negentiende al moeiteloos het metrum van haar moedertaal, en rijgt ze zinvolle klankassociaties aan elkaar alsof het pindasnoeren zijn:

     Ik mis je, ik mis je.
     Ik grijp je, ik gris je.
     Ik wil je, bespeel je,
     ik roer en beveel je (…)

Maar met een taalspel heb je nog geen mensen tot tranen ontroerd. Daar moet je echt gevoel voor hebben, en dat is niet zo gemakkelijk aan te leren. “Orator fit, poeta nascitur” luidt het spreekwoord: De redenaar wordt gemaakt, de dichter wordt geboren.
  En of Maaike Ouboter daar gevoel voor heeft! Vertrouwd als ze is met haar moedertaal, durft ze ook de grammatica in haar expressieve voordeel om te buigen. Maaike doet in het liedje dingen in haar eentje, maar die draaien allemaal om degene die er niet meer is. Om dat uit te drukken maakt ze onovergankelijke werkwoorden overgankelijk:

     Je ademt en leeft me,
     siddert en beeft me.

En niet te vergeten: “In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister”. Een echte taalvirtuoos weet wanneer hij moet stoppen. In het refrein gaat het gewoon weer rechttoe rechtaan:

     Maar al denk ik soms dat het zo beter is,
     kan ik het niet helpen dat ik je soms mis…

Het liedje zit muzikaal uiterst eenvoudig in elkaar. De begeleiding bestaat uit 6/8-figuren op de gitaar waarvan alleen de bastoon wisselt. De vulstemmen blijven steeds dezelfde, waardoor ze nauwelijks een harmonische of een melodische functie hebben maar vooral ‘kleuring’ zijn. Het slepende tempo en de manier van zingen maken het liedje wat plechtstatig, maar welbeschouwd is de tekst verre van pathetisch. Maaike bezingt wel haar verdriet, maar beklaagt zichzelf nauwelijks, terwijl ze daar (gezien de biografische achtergrond van het nummer) best reden toe heeft.

Nadat Eric Corton zijn analyse heeft beëindigd, is het de beurt aan Giel Beelen. Dat hij zo stil was, komt doordat hij aan zijn vader dacht. En dat had hij al jaren niet meer zo intens gedaan. Toch komt ook hij met een nuchter en beslist oordeel: “Ik zou niet heel veel plannen maken deze zomer.” Met andere woorden: jij gaat het hoogstwaarschijnlijk maken en het druk krijgen met de muziek.
  Giels voorspelling is uitgekomen. “Dat ik je mis” werd een hit, en niet Maaikes enige. Twee jaar later kwam er een album uit. Kom daar bij Jim en Jamai van Idols eens om: twee jaar wachten met een album en de mensen willen je muziek nog steeds kopen.

Honderd keer pop in je moerstaal (90)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 90.

Hiphop, zo heb ik de afgelopen maanden vaak genoeg benadrukt, is in Nederland een multiculturele bedoening. Mannen (alleen mannen, dat wel) van alle bevolkingsgroepen doen er volop aan mee en hebben de Nederhop naar een meer dan verdienstelijk niveau getild.
  Bij allochtonen – of ‘mensen met een migratieachtergrond’, zoals je ze tegenwoordig moet noemen – denk je al gauw aan mensen met een ander kleurtje uit een ver land. Dat hoeft natuurlijk niet. Belgen, Duitsers en Britten vormen in Nederland ook grote gemeenschappen. En Oost-Europeanen, die heb je hier ook meer en meer. Ze vallen alleen niet zo op: ze hebben dezelfde kleur als wij en leven vaak nog als expats. Eigenlijk krijg je vooral met ze te maken als je een klus wilt laten doen.

Toch hebben we ook in Nederland een Poolse rapper. Dominik Włodzimierz Groot, alias Mr. Polska, woont dan ook al sinds zijn derde in Nederland. Niettemin legt hij zijn Poolse afkomst er dik bovenop: hij rapt met een moddervet accent en maakt taalfouten die vast niet per ongeluk in zijn teksten sluipen. Ook speelt hij met flair de (omhoog gevallen) pauper: hij doet een Rolex om zijn pols en trekt er een trainingsbroek van de Wibra bij aan. Zijn teksten gaan vaak over drank en vrouwen – een nummer van hem heet “Vinger op de klitter” en zijn tweede album werd $NOLLER gedoopt.
  Achter al deze geintjes zit een man die verdomd serieuze muziek maakt en niet bang is om een hokje meer of minder te verkennen. Hij is rapper, maar heeft jaren als dj gewerkt. Zodoende is de dance zelden ver weg in zijn muziek. Laten we vandaag luisteren naar “Hausa wausa” van zijn debuutalbum Waardevolle gezelligheid

Meteen al bij de eerste klanken horen we welke kant het op gaat. De dance is ook hier prominent aanwezig. Mr. Polska grijpt hier terug op de happy hardcore, dé dansstijl voor mijn generatie. Je zou zeggen: iemand die in 1989 geboren is, heeft daar niet zoveel mee. Dat valt wel mee, blijkbaar.
  Mr. Polska zingt er ook meteen een refrein over:

     Ik heb stiekem iets gedaan, dus ik kan niet stilstaan,
     ik blijf gaan, ik blijf gaan.

We zien meteen een tweepersoonsnest dat in de fik staat. Zou Mr. Polska een brandje hebben gesticht, en kan hij daarom (mengsel van schuldgevoel en opwinding) niet stilstaan? Kinderlijke kattenkwaad die uit de hand loopt, het zou passen bij de muziek die naar Dominiks jeugd verwijst. Maar misschien is het een metafoor: is hij stiekem met een meisje naar bed geweest?
  In de clip wordt meer gesloopt. Zo gaan er bulldozers over (hopelijk lege) tenten. Er komen veel beelden voorbij, en de relatie ertussen (of met de tekst) is niet altijd duidelijk. Je ziet hoe jongens hun hoofd laten kaalscheren. Om gabber te worden, denk je dan. Maar uiteindelijk laten ze de zijkanten bedekt, zodat ze oude mannen lijken. Verder zie je nog wat ‘pauper’-symbolen: de speedboot met twee bikinimodellen, foute trainingspakken, een autowrak. En een lasershow in een maisveld.
  De teksten lijken niet ergens op te slaan. “Ik wil superveel zagen”, wat bedoelt hij daarmee? Misschien een knipoog naar “Hakke en zage” van Gabber Piet, zoals grote delen van dit nummer naar de gabber knipogen?

Het nummer knipoogt ook naar andere dance-stijlen trouwens. “Hausa wausa” is daardoor te grillig om echt makkelijk op te dansen. Maar gewone hiphop is het ook niet. Mr. Polska is nou eenmaal te veel in beats geïnteresseerd om de standaard hiphop-flow over te nemen. Dus wordt het stoeien met ritmes, stoeien met klanken, stoeien met muziekstijlen.
  Dominik Groot, geen man van hokjes, maakte in een paar jaar een oeuvre dat een breed, jong, popgericht publiek aansprak. Toch ligt zijn muziek niet gemakkelijk in het gehoor: gebruiksmuziek wordt het nergens. De man die zich in zijn act vaak zo goedkoop voordoet blijkt bij nader inzien kunst te maken.

Honderd keer pop in je moerstaal (89)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 89.

De jaren tien! Het decennium is nog lang niet voorbij, maar om het toekomstige historici gemakkelijker te maken, kunnen we best nu al beginnen met het karakteriseren van dit tijdperk.
  Politiek gezien was het op zijn zachtst wisselend. Het begon wel lekker, met Obama aan de macht en de Arabische Lente die democratie in het hart van de onvrije wereld zaaide, maar daarna kregen we een hele reeks boze rechtspopulisten en het nog veel bozere IS. Bovendien hadden we die crisis met de Grieken, die weliswaar bezworen werd maar toch geen mooie herinneringen achterliet. De jaren tien zullen dan ook wel de boeken ingaan als een tijd van conflict en onzekerheid.
  Muzikaal gezien valt dit decennium weer anders te definiëren. Persoonlijk heb ik de indruk dat het beter gaat dan in de jaren nul. Niet in verkoopcijfers natuurlijk – de winsten voor platenboeren blijven zakken. Maar in de jaren nul werden formules uit de jaren negentig of langer geleden eindeloos uitgekauwd, zonder richtinggevende impulsen. In onze tijd gaat het weer duidelijk een kant op.
  De hitlijsten worden gedomineerd door geautotunede elektropop – niet mijn stijl, maar zeker een soort muziek waarop de tieners van nu later nostalgisch zullen terugkijken. De hiphop is eindelijk weer aan het vernieuwen geslagen – tweederangs gangsterrappers als 50 cent zijn op de vuilnisbelt beland.
  Ook de alternatieve muziek leeft volop, maar daar is het weer anders gegaan. Als er één trend is die het alternatieve circuit domineerde, dan is dat het hipsterdom. Twintigers en jonge dertigers, hoogopgeleid, die in volksbuurten wonen, hun leven op sociale media delen, een voorkeur voor design en lokaal hebben en graag naar nieuwe bandjes luisteren. Er is veel op deze mensen gescholden, maar ze vormen een markt die de serieuze popmuziek in jaren niet gehad heeft.

De eerste helft van de jaren tien werd het hipsterdom gedomineerd door één trend: retro en vintage. Paradoxaal genoeg kwam de verfrissing van een onverholen duik in de tijd die de jongelui niet hadden meegemaakt: de jaren vijftig, zestig en zeventig. Folk werd weer groot, maar ook beat en psychedelica kwamen uit de (platen)kast.
  In 2012, precies op het goede moment, maakte Nederland kennis met zo’n band. Ze heetten The Kik, kwamen uit Rotterdam (dat kenne we hore!) en vrolijkten de zomer van 2012 op met zomerhit “Simone”.
  “Simone” is een cover van “The Dancer”, een liedje uit 1966 van de Australische groep The Allusions. Laten we dat eerst luisteren.

Nu The Kik:

Eerst maar even de kritiek. Nuchter gezien voegt deze cover weinig toe. De muziek is bijna identiek aan het origineel, en de naïeve liefdestekst tilt het werk ook niet naar een hoger plan.
  Waarom werd het dan toch een hit? En waarom loop ik er vijf jaar later nog steeds mee weg? Wel, ten eerste hebben ze wel een liedje gepakt dat niemand kende. Misschien lopen Australische babyboomers het nog weleens te fluiten, maar in Nederland zal het weinig belletjes doen rinkelen. De keuze voor dit liedje hangt samen met een bijna musicologische kennis van dit tijdperk. Zanger Dave von Raven, een verwoed vinylverzamelaar, wist een complete clubtoer samen te stellen met Nederlandstalige beat en kende het repertoire van Armand goed genoeg voor een best-ofplaat (zie aflevering 27). Zo’n man komt ook wel aan een beatplaatje uit Australië.
  Verder is het onderwerp misschien wel weinig origineel, maar dat stoort mij al minder door de manier waarop de tekst in elkaar zit. The Kik heeft een geweldig gevoel voor het juiste woord met de juiste klank. “The dancer”, dat loopt niet geweldig, maar “Simone”, dat is precies de goede naam voor dit ritme. Het vervolg, “je ziet me nooit eens staan”, is ook bijzonder goed gevonden: zes lettergrepen met even zoveel woorden, zonder al te veel klinkers die het ritme opstoppen, en een mooie heldere aa in de slotklank.
  Bovendien maakt de presentatie ook veel goed. De band maakt niet alleen retromuziek, ze halen zowat alles uit de jaren zestig. Simone stapt in een Cadillac en de heren lopen in flanellen pakken met smalle zwarte dasjes, zoals de Beatles in hun beginjaren. De gitaren, maar ook de microfoons, zien er al even oud uit. In de jaren zestig ‘mochten’ ongecompliceerde liefdesteksten nog. Omdat popmuziek nog tienermuziek was, maar ook omdat we nog niet zo cynisch waren als nu. Alleen het word “date” vind ik (in het Nederlands) niet erg jaren zestig.

Maar is dat dan niet erg kitscherig, jezelf verkleden en doen alsof het nog 1964 is? Bij de meeste andere bands zou ik ‘ja’ zeggen, maar bij The Kik niet. Ze brengen het overtuigend, en maken van de retro-act hun eigen stijl. Ze doen geen moment alsof het echt nog vijftig jaar geleden is, het is gewoon de stijl die hun het beste ligt. Vanaf de eerste seconde raak je daarvan doordrongen.
  Op latere albums bleef de beat niet alleen regeren. Er kwamen invloeden van de psychedelica en nog andere stijlen, maar vooral: een eigen geluid. Toch bleef het retro- en vintage-element altijd sterk met The Kik verbonden. De stijl van de jaren zestig namen ze niet als te imiteren voorbeeld, maar als vertrekpunt om hun eigen stijl uit te ontwikkelen. Helemaal parallel aan de hipsterbeweging, die ook van ‘retro’ naar ‘eigen stijl met retro-elementen’ evolueerde.
  The Kik is als haast geen andere band een kind van zijn tijd.

Honderd keer pop in je moerstaal (88)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 88.

Wie de vrolijke klanken van Pater Moeskroen nog in zijn hoofd heeft, krijgt vandaag een kouwe douche. Het nummer van vandaag is behoorlijk ernstig en echt vrolijk zul je er niet van worden.
  Ons liedje van vandaag komt uit Zeeuws-Vlaanderen, een regio die de meeste Nederlanders waarschijnlijk alleen van de landkaart kennen. Wie moet er nou ooit in Zeeuws-Vlaanderen zijn? Sowieso is Zeeland niet de meest opvallende provincie. Veel mensen gaan erheen op vakantie, dat wel, maar het is geen regio die zich met veel bombarie tegen de Randstad afzet, zoals Friesland met zijn taal, het oosten met zijn boeren, Brabant met zijn gezelligheid of Limburg met zijn buitenlandse aard.
  Dat werkte ook in deze rubriek door. Terwijl Skik, Rowwen Hèze en De Kast met streektaalmuziek hoge toppen scheerden, werd Zeeland bekend met Bløf, een standaardtaal zingende band geënt op De Dijk uit Amsterdam. Het zal de Zeeuwse mentaliteit zijn: ze voelen zich toch te verwant met Holland en de Hollanders om nationalistisch te gaan doen.
  Muziek in het Zeeuws was er wel, vooral op Zuid-Beveland. Het waren vaak zangers van simpele luisterliedjes. Ouderen uit de streek kan ik Engel Reinhoud aanbevelen (zanger van liedjes als “Een bolus bie de koffie”). Iets minder oubollig, maar nog steeds niet erg wereldschokkend, is Peter Dieleman. Jongeren luister(d)en naar Surrender (een boerenrockband die ik liefhebbers van dat genre warm kan aanbevelen) of naar Du Driefstang (een boerenrockband die ik liefhebbers van het genre beslist niet aanbeveel).
  Toen ik op mijn achttiende uit Zeeland (terug) naar de Randstad verhuisde, voelde ik me erg Zeeuws en had ik wél de behoefte me tegen die Randstad af te zetten. Helaas kon ik bij mijn medestudenten niet al te veel pronken met muziek in de streektaal. Uiteindelijk moest ik nog tien jaar wachten op echte kwaliteitspop in het Zeeuws. In 2012 kwam Broeder Dieleman (voor zover bekend geen familie van Peter) met zijn debuutalbum Alles is ijdelheid. Laten we daarvan nu “Duuzend veugels” luisteren.

Ik ben fan van het eerste uur. Het kan zijn (dat lijkt me zelfs erg waarschijnlijk) dat de man al optrad met eigen werk vóór ik hem kende, maar dit filmpje, dat werd uitgebracht om de debuutplaat aan te kondigen, haalde me meteen over. Akkoord, ik kon het niet meteen verstaan (Zeeuws-Vlaams, Land-van-Axels om precies te zijn, is nog heel wat anders dan eiland-Zeeuws) en ik vond het filmpje wat vaag, maar man wat een mooie beklemmende muziek!
  Iets later kwam ook de plaat uit, bij een obscuur label met de achterlijke naam “Beep! Beep! Back up the Truck”. Uiteraard kocht ik hem. Het was, geloof ik, mijn eerste vinylplaat. Niettemin ging de plaat nog maanden langs iedereen heen. Pas toen het iets bekendere Snowstar Records ermee aan de haal ging, werd de plaat breder opgepikt en kwam er bijvoorbeeld een recensie in de OOR. Dan heb je wel je dag hoor, als je als pophipster met een pick-up kan zeggen: “ik had die plaat vorig jaar al!”

Broeder Dieleman zet zijn Zeeuwse teksten op folkmuziek (toch één overeenkomst met Pater Moeskroen!). Die folk is over het algemeen op Amerikaanse leest geschoeid – geen echte country maar wel liedjes met banjo. Dieleman haalde zijn inspiratie onder meer bij Bonnie Prince Billie, met wie hij samenwerkte en vaak vergeleken is. De man heeft echter een open blik; alle eenvoudige melodieën en bezwerende muzieksoorten spreken hem wel aan. Zodoende ging hij ook op zoek in het archief van het Meertens Instituut naar Zeeuwse traditionals; hij is dus een van de weinige Nederlandse folkartiesten die wél iets hoorde in het materiaal van eigen bodem.
  De teksten en muziek van zijn debuutplaat schreef hij nog zelf. Alles is ijdelheid staat in het teken van zijn te vroeg gestorven moeder, wat de beklemmende sfeer verklaart. Jeugdherinneringen wisselen met snapshots op het strenge geloof waarmee hij werd grootgebracht. Broeder Dieleman lijkt niet het godsgeloof, maar wel de moraal van zijn oude religie te hebben behouden: in haar strenge puurheid doet de muziek calvinistisch aan, en de zanger is veel meer een dominee dan een extraverte rockster.
  In “Duuzend veugels” overheersen zo te horen de warme jeugdherinneringen. De tekst is fragmentarisch en ik kan nog altijd niet ieder woord verstaan (er zit geen tekstblad bij de elpee), dus een voorbehoud is op zijn plaats. Dieleman “droomde dat hij wakker werd” en dat zijn armen verminkt waren. Misschien waren het vleugels geworden, en vloog hij nu met de zwerm buiten mee? Hij droomde, dus “nu was alles mogelijk”.
  De eerste regels lijken misschien een beetje angstaanjagend: armen kapot, overal bloed. Maar hij droomt alleen maar, en de wereld erbuiten is juist heel geruststellend:

     De wind is zacht, de deken werm:
     Duzend veugels in ’n zwerm.

De kleine Tonnie (zoals Broeder Dieleman in het dagelijks leven heet) kan dromen wat hij wil, doordat hij zo veilig in zijn warme bed ligt en buiten geruststellend de wind waait. Meer heeft de Broeder eigenlijk niet te zeggen. Tenminste, niet in woorden. Het belangrijkste wat hij over wil brengen is de sfeer, en die wordt grotendeels gedragen door de muziek. Helaas beperkt dat ook de mogelijkheden om er meer van te zeggen…

Daarom zal ik het hierbij maar laten. Broeder Dieleman maakte na Alles is ijdelheid het al even prachtige maar veel vrolijker Gloria. Begin vorig jaar kwam Uut de bron uit, een literair album rond een raadselachtige dichtende kluizenaar uit de streek. En hij deed meer. De ter ziele gegane Middelburgse discotheek The Nighttrain (één keer in mijn leven naartoe geweest) werd mede door zijn werk Poppodium De Spot, hij haalde cult-bluesman Ries de Vuyst (eveneens Zeeuws-Vlaming) uit het undergroundcircuit en hij kreeg Peter Slager, bassist en tekstschrijver van Bløf, zover om het eindelijk eens in het Zeeuws te proberen.
  Eén appeltje heb ik nog wel met hem te schillen. Als vroege fan volgde ik Broeder Dieleman ook al bijna van meet af aan op Twitter. Ik geef toe dat ik soms wat opdringerig was, en misschien waren we het vaak oneens. Maar waarom heeft hij het nodig gevonden om mij op Twitter te blokkeren? Zeg meneer Dieleman, als u meeleest: hebt u misschien op de verkeerde knop gedrukt? Bedenk wel dat zulke acties ook uw eigenbelang schaden. Doordat ik uw tweets niet kon zien, was ik niet op tijd op de hoogte van Uut de bron. Als u mij niet op de hoogte houdt, kan ik nooit uw platen kopen of uw shows bezoeken. Twitter biedt de mogelijkheid om gebruikers te negeren, zonder ze te blokkeren. Zou dat misschien een idee voor u zijn?