Bob Dylan en de Nobelprijs

Jarenlang waren er mensen die het riepen: Bob Dylan moet de Nobelprijs in de Literatuur krijgen. Vandaag werd deze prijs, alsnog tot grote verbazing van velen, daadwerkelijk aan de aartsvader aller singer-songwriters toegekend. Uiteraard lokt dat discussie uit: is een popmuzikant zo’n prijs, de meest prestigieuze van de wereld, wel waard? En zelfs al is hij even goed als de grote literatoren der aarde, moet die Nobelprijs niet naar een gewone dikkeboekenschrijver (m/v) gaan? Ongetwijfeld stroomt het internet op dit moment vol met goeddeels weinig ter zake doende meningen hierover. Sta mij toe, als een soort van deskundige, ook mijn visie te geven.

We schrijven 2002. Ik ben zojuist begonnen aan mijn studie muziekwetenschap. Verder ben ik al een tijdje bezig aan een inhaalslag: ik heb me, op het moment dat de Top 40 voor mijn klasgenoten een religie was, totaal niet met popmuziek beziggehouden en deze muzikale lingua franca is geheimtaal. De slag wordt op meerdere fronten geleverd: ik bestudeer de hitparade (om tot mijn verbazing te ontdekken dat de meeste achttienjarigen die muziek niet meer boeit), ik bestudeer de smaak van mijn jaargenoten en ik bestudeer de geschiedenis van de popmuziek.
  Op dat laatste terrein ben ik nog het best mee. De gemiddelde persoon uit mijn omgeving is (nog) geen expert op dat terrein – hun kennis is nog zodanig dat ik ze voorbij kan streven – en de beginselen krijg ik beetje bij beetje in de colleges van Lutgard Mutsaers voorgeschoteld.
  Dat wil niet zeggen dat ik niet zelf op onderzoek uitga. Zo ben ik op het spoor gekomen van Bob Dylan. De simpele compilatie-cd Greatest hits is een van de eerste pop-cd’s die ik ooit aanschaf. Ik draai de cd ook bij mijn grootouders thuis, waar ik op dat moment inwoon. Mijn opa heeft wel van Bob Dylan gehoord, en het nummer dat ik draai, “Blowin’ in the wind”, kent hij ook wel. Zijn reactie is echter gereserveerd. “Waar heeft die Bob Dylan zijn roem aan te danken? Aan zijn composities? Toch niet aan zijn stem zeker?” Ondanks mijn dan nog geringe (pop)repertoirekennis heb ik mijn antwoord klaar: “vooral aan zijn teksten.” En wat zijn stem betreft: jullie luisterden naar Louis Armstrong, had die dan een mooiere stem? Nee, dat leek eigenlijk nergens op, geeft mijn oma grif toe. Het ging om zijn trompetspel, maar die stem – ik vond het wel bijzonder om dat te horen. Mijn grootouders zijn geen domme mensen en zien de parallel: bij Bob Dylan gaat het om de teksten, maar zijn stem geeft ook persoonlijkheid.
  Opa en oma hadden die teksten zo gauw nog niet verstaan en konden er niet over oordelen, maar een paar weken later, op een verjaardag bij mijn ouders thuis, waren ze wel overtuigd. “Van wie zijn die Engelse versjes?”, vroeg mijn opa toen ik twee geprinte vellen had laten slingeren. “Dat zijn songteksten van Bob Dylan”, was mijn antwoord. Uiteraard was ik niet te beroerd om ze even met gitaarbegeleiding te zingen. Ondanks de dubbele generatiekloof was mijn opa, toch niet mijn minst kritische familielid, wel overtuigd van Bob Dylans literaire kwaliteit.

Waarom trok het mij dan vanaf het begin aan? Je moet weten dat ik voor mijn kennismaking met popmuziek helemaal opnieuw moest leren luisteren. Op klassiek gebied was ik al aan Schönberg toe, maar popmuziek met een artistiekerig randje (denk aan Spinvis, om van Zappa of Björk maar te zwijgen) kon ik moeilijk hebben. Tegelijk stoorden mij natuurlijk de al te simpele liefdesteksten in de pop. Bob Dylan bood, met zijn literaire teksten op welluidende, eenvoudige liedjes, een remedie voor beide bezwaren. Helemaal mooi was dat ik mezelf pas kort daarvoor had leren gitaarspelen. Dat nu juist de hooggewaardeerde, klassiek geworden songs van Bob Dylan zo gemakkelijk te spelen waren, kwam bijzonder mooi uit.

Inmiddels zijn we veertien jaar verder en hoewel ik nog steeds een pop-achterstand op mijn groepsgenoten ervaar, weet ik nu een stuk meer van deze muziek af. Hoe groot is de verdienste van zijn werk? Wel, de liedjes waarmee hij het bekendst is geworden, de akoestische protestliedjes, waren er al. Woodie “this machine kills fascists” Guthrie had de Amerikaanse songtraditie al uitgebreid onder zijn intellectuele publiek verspreid, en er politiek geladen liedjes in gemaakt.
  Guthrie lukte echter niet waarin Bob Dylan wel slaagde: een crossover tot stand brengen naar het grote poppubliek. De rock-‘n-rollgeneratie, die midden jaren vijftig als pubers de Amerikaanse burgerij had geschokt, moest het begin jaren zestig met redelijk ingeslapen muziek doen. Nu ze rond de twintig waren, kwamen deze protestliedjes als een geschenk uit de hemel. Zo kwam Dylans folk de popwereld binnen. Dat maakte niet alleen een hele generatie volkse musici wakker (denk aan Simon & Garfunkel, om maar eens twee voorbeelden te noemen), maar zorgde voor een heel nieuw type musicus: de singer-songwriter. Niet langer was de popmuziek het exclusieve domein van bands en door een orkestje bijgestane zangers. Zelf je eigen muziek schrijven werd nu een kernwaarde van alles wat aanspraak maakt op de titel “betere popmuziek”.
  Bob Dylan heeft er ook voor gezorgd dat zijn muziek geen eiland in de popwereld bleef. In 1964 was dat nog wel zo: je hebt elektrische bands die rock maken en akoestische singer-songwriters die folk maken. Maar toen vond de man uit Minnesota ineens de folkrock uit. Alle hippies boos, boegeroep bij het eerste optreden en zelfs mensen die onder het podium kruipen om het snoer door te knippen. Maar op de lange duur heeft het gewerkt. Folk, rock en country bevinden zich anno 2016 op een perfecte glijdende schaal: alle mengvormen zijn mogelijk.

Maar het gaat om de teksten, nietwaar? Daar heeft Dylan tenslotte de Nobelprijs voor gekregen. Sterker nog, daar heeft hij zijn naam aan te danken – ook letterlijk, want de zanger ruilde zijn geboortenaam Robert Zimmerman in voor het pseudoniem Bob Dylan en deed dat ter ere van dichter Dylan Thomas. Wel, net als de muziek kwamen de teksten natuurlijk op het juiste moment. De stem van de protestgeneratie, die begin jaren zestig uit haar hedonistische schulp kroop en zich maatschappelijk ging engageren.
  En er is meer aan de hand. Ten eerste heeft hij het mogelijk gemaakt dat er in mainstream-popmuziek überhaupt over iets anders dan tienerliefde of lekker dansen gezongen kon worden. Rock-‘n-roll moet in de eerste plaats lekker uit zijn bluesschema knallen, singer-songwritermuziek gedijt niet als de teksten niet werken. Zijn invloed op alle intelligente popmuziek daarna is dan ook nauwelijks te overschatten.
  Invloed is niet de enige voorwaarde waaraan je kunstzinnige kwaliteit afmeet. Kan hij zich meten met de groten die deze prijs in het verleden ontvangen hebben? Wat mij betreft wel. Dé reden voor zijn doorbraak destijds en zijn grote aanzien nu zijn de kwaliteiten van zijn teksten. Geëngageerde stukken, jazeker, maar met veel meer poëtische waarde dan het werk van Guthrie. Eeuwigheidswaarde ook. “Blowin’ in the wind” hoeft helemaal niet over Korea of Vietnam te gaan, het is toepasbaar op elke oorlog. Transcendent is zijn werk ook. Een gemiddeld protestlied klinkt belachelijk als je het in je eentje op je kamer speelt: het gedijt alleen in een boze menigte. De poëzie achter Dylans werk spreekt het individu echter net zo sterk aan als de massa.
  De transcendentie van de teksten blijkt wel als je de twee bekendste versies van “Mr. Tambourine man” naast elkaar legt. In het origineel van Bob Dylan zelf is het nog een protestlied over het Avondland dat tot zand wederkeert en een stel linkse drop-outs dat afleiding zoekt in marihuana. Bij The Byrds verdwijnt de politieke dimensie en wordt het een volbloed psychedelisch hippienummer. Een heel ander voorbeeld is “Don’t think twice, it’s alright”. Dit wrange en soms wat cynische liefdeslied bleek niemand minder dan Johnny Cash zodanig aan te spreken dat de man in black het coverde. De grote held van de country en zijn conservatieve publiek. Dan heb je het wel goed gedaan, als jonge protestzanger.

Eén vraag blijft overeind: komt een popdichter, hoe goed zijn teksten ook zijn, die Nobelprijs wel toe? Ook die kritiek hoorde ik: sommigen vinden dat een prijs van dat kaliber thuishoort bij de kern van de literatuur. Dat lijkt me niet. Ten eerste heeft Alfred Nobel zijn prijzen ooit bedoeld voor mensen die in hun werk getuigden van idealisme, die schreven (of wetenschap bedreven, of over vrede onderhandelden) teneinde iets voor de mensheid te doen. Aan dat criterium voldoet Bob Dylan als geen ander. Ten tweede wordt de beste kunst nooit helemaal binnen de lijntjes gemaakt. Als de Nobelprijs voor de Literatuur steeds weer aan een conventionele romanschrijver wordt uitgereikt, geeft het comité geen goed voorbeeld. Ten derde zijn ook de andere prijzen wel eens buiten het hokje uitgereikt. De Chemieprijs is diverse keren naar een moleculair bioloog gegaan, de Vredesprijs ging in 2009 naar Obama (die als president van de VS zijn handen echt wel vuil maakt aan oorlog). Wie kijkt er dan van op als de Nobelprijs in de Literatuur een keertje naar de bekendste literator ter wereld gaat?

Een hart-en-ziellijst voor musicologen

Twitter is geen optimaal medium voor discussies en meningsverschillen. Alleen primitieve geesten wier gedachten in 140 tekens passen kunnen er echt goed mee overweg. Ik gebruik het medium desondanks vrij veel; als ik elke tweet met inhoud op mijn site moest gaan uitleggen, had ik daar een heuse dagtaak aan.
  Vandaag vind ik dat echter wel nodig. Ik had met mijn eveneens fanatiek twitterende vakgenoten Hanna den Hollander (aan de touwtjes bij Podium Witteman) en Merlijn Kerkhof (van de NRC en van dat boek dus) een discussie over vrouwenmuziek. Hanna en ik verschilden van inzicht. Op Twitter leidt zo’n meningsverschil er al snel toe dat je voor een seksistische zak wordt aangezien. Dat is het laatste waar ik op zit te wachten, zeker met collega’s met wie ik de rest van mijn leven door één deur moet kunnen lopen. In dit stukje kan ik gelukkig mijn punt maken zonder tegen enge kwantitatieve grenzen aan te lopen. En passant valt er nóg een belangrijk punt te maken: moderne muziek en de gemiddelde luisteraar.

Even bij het begin beginnen: er kan sinds kort weer gestemd worden voor de Hart en Ziel-lijst van Radio 4. Op die lijst vind je van alles, van middeleeuwse muziek over renaissance, barok, klassiek en romantiek tot aan de muziek van onze tijd, maar weinig vrouwenmuziek. Hanna was er duidelijk over: “Ik stem altijd op de eerste vrouw in de lijst, Hildegard von Bingen in dit geval.” Vervolgens vroeg ze zich af waar al die vrouwen dan zijn.
  Dat was het punt waarop ik me in het gesprek mengde. (Had ik vast niet moeten doen, maar zo zit ik in elkaar, nietwaar…) Mijn punt: vrouwen deden vroeger maar beperkt aan de muziekgeschiedenis mee; weinig vrouwen onder de componisten betekent ook weinig vrouwen onder de grote componisten. Pas de laatste decennia melden ze zich echt nadrukkelijk in de concertzaal, maar ja: dat werk dringt niet tot de massa door. De Hart-en-ziellijst is geen lijst van muziekkenners maar van muziekliefhebbers, geen lijst van specialisten maar van het grote publiek. Dat publiek komt nu eenmaal niet op modern klassiek af, of het nu door mannen of door vrouwen is geschreven. Trouwens: zelfs de avant-garde van de jaren vijftig en zestig was overweldigend mannelijk, al kan ik iedereen het werk van de Française Betsy Jolas aanraden.
  Twee levende vrouwen sieren trouwens de lijst: Sofija Goebajdoelina (de koningin van alle levende toondichteressen) en Kate Moore (wier muziek me destijds zo in extase bracht). Het is zeker geen toeval dat twee van de drie vrouwen uit de lijst uit de postmoderne stijlperiode komen (ik bedoel dus het tijdvak waarin wij nu leven), ook al is die periode als geheel ondervertegenwoordigd.

Hanna’s reactie kwam neer op: er zijn toch al eeuwen vrouwelijke componisten: Fanny Hensel-Mendelssohn, Clara Schumann-Wieck, Alma Mahler-Schindler. Ja, was mijn antwoord, maar die dames halen het niveau van hun tijdgenoten niet. Het zegt niet alles, maar wel iets, dat het hier om vrouwen en zussen “van” gaat. Zonder de associatie met de beroemde componist naast ze waren ze nu vast niet beroemd. Niet dat hun werk niet gehoord mag worden. Sterker nog: van Fanny Mendelssohn werd zelfs gezegd dat ze even getalenteerd was als haar broer. Dat kan waar zijn, maar zij heeft nooit een Italiaanse Symfonie of een Paulus gecomponeerd. Dat zoiets komt doordat haar omgeving wantrouwig stond tegenover componerende vrouwen, doet daar niet zoveel aan af: het resultaat, haar oeuvre, kan niet tegen dat van Felix op.
  Sowieso had ik, eerlijk gezegd, moeite met stemmen op een vrouw omdat het een vrouw is. Het is alsof je op de eerste Nederlander in de lijst stemt. De enige legitieme reden hoort toch de kwaliteit van de muziek te zijn? Ook daarmee was Hanna het niet eens. “Het gaat mooie muziek bij #hartenziel, niet ‘hoog niveau’. Einaudi staat ook op de shortlist. Kan Clara dus best bij.” Dat was een visie die nog niet in me opgekomen was: niet de beste muziek, wat dat ook moge inhouden, maar mooie muziek die jij wilt horen. Als je de lijst zo’n horizontaal perspectief geeft (geen top-zoveel, maar een “luister-hiernaar”), dan is vrouwenmuziek inderdaad heel wenselijk, zoals Nederlandse barok, Portugese romantiek en sonates voor trombone dat ook zijn: er is nog meer mooie muziek dan de stukken die de canon hebben bepaald en/of de radio domineren. En jazeker, de muziek van Clara Schumann is mooi en een stuk intelligenter dan Einaudi.

Wie zich mocht afvragen waar Merlijn Kerkhof in dit verhaal blijft: ook hij brak in deze conversatie in. In zijn boek wijdt hij een hoofdstuk aan vrouwenmuziek (die in de rest van het werk vrijwel ontbreekt). De speellijst die hij eraan toevoegde bevat – weinig verrassend – bijna alleen muziek van levende componistes. Eén werk dat hij daar aanraadt, Lichtbogen van Kaija Saariaho, schoof hij nu naar voren als suggestie. Sterker nog: het hart-en-zielpubliek zou deze niet heel conventionele, atonale compositie best kunnen waarderen. Een gedurfde uitspraak, maar wel een waar ik achter sta: laat die luisteraars hun koudwatervrees maar overwinnen.

Kort samengevat: ik vind nog steeds niet dat de vrouwelijke componisten uit het verleden, die een redelijk marginale rol in de muziekgeschiedenis hebben gespeeld, nou zoveel te zoeken hebben in de Hart-en-Ziellijst. Ik ben echter wel overtuigd dat vrouwen even goed kunnen componeren als mannen. Helaas is dat potentieel pas in onze tijd goed aan het licht gekomen. Als we meer vrouwen in de Hart-en-Ziellijst willen, moeten we hedendaagse muziek populairder maken.
  De huidige luisteraar valt alleen voor Ten Holt, Pärt en Einaudi (met mijn excuses aan Simeon ten Holt dat hij in dit rijtje genoemd wordt). Maar datzelfde publiek kan wel Beethoven, Debussy en Mahler aan. Vermoedelijk heeft dat weinig te maken met de moeilijkheidsgraad en alles met bekendheid en canonvorming. Mensen zijn meer geneigd om het onbekende te verkennen als anderen erover praten, als ze de zekerheid hebben dat die muziek goed is. Vast en zeker schrikt het imago van aartslelijke piep-tuut-knarsmuziek een deel van de mensen af, maar dat imagoprobleem heeft Simeon ten Holt (die als veertiger in naam van de Vooruitgang zelf de lelijkste muziek schreef) ten langen leste ook niet van zijn succes afgehouden.
  De vrouwelijke genieën in de muziek lopen vandaag rond; wij muziekmensen kunnen ze net zo groot maken als de meesters uit het verleden. Laten we onze eigen lijst met onze hart-en-zielmuziek samenstellen. Nieuwe, mooie muziek van de vrouwen en mannen die wij bewonderen. Muziek van Kaija Saariaho, Unsuk Chin en Missy Mazzoli, maar ook van Nico Muhly, Michel van der Aa en Wolfgang Rihm. Van alles na 1950 (of 1980, of 2000) wat onze harten sneller doet kloppen. Vijf stukken die het grote concertpubliek moet kennen. Dus muziekmensen, kom maar op. Lekker het volk verheffen! 😉

Engagement? Nee, bedankt!

In de jaren zestig en zeventig hoorde je het veel: popmuzikanten die zich uitspraken over de dingen in de wereld. Tegenwoordig zingt de popgemeenschap, ook het serieuze deel, liever over persoonlijke dingen. Columnist Hooijer vindt dat (in OOR nummer zeven van dit jaar) op zijn minst jammer: er is zoveel ellende in de wereld, schrijf daar liedjes over! Ik ben het daar hartgrondig mee oneens. Niet dat ik tegen geëngageerde liedteksten ben – er is heel veel goede geëngageerde muziek gemaakt – maar de oproep van de poppers om zulke muziek te gaan maken stuit me tegen de borst.

De veelgehoorde kreet dat de huidige generatie popmuzikanten zo apathisch is, kwam jarenlang vooral van de oude garde: de babyboomers. Zij hadden rond 1970 gevochten voor de betere wereld waar wij nu nog van profiteren, en de patatgeneratie toonde geen greintje dankbaarheid.

Op het eerste gezicht lijkt dat verwijt terecht. Als burger hoor je mee te praten over de politiek, wil je niet dat mensen met macht alles over je hoofd beslissen. De jongeren van de jaren zestig deden dat, en hadden bijpassende muziek.
  Deze vergelijking gaat echter mank. De tweede helft van de jaren zestig werd gekenmerkt door een aantal samenvallende sociale veranderingen. Jongeren braken massaal met de waarden van hun ouders, terwijl de generatie van deze ouders er grotendeels in volhardde. Rock ’n roll, of kortweg rock, was de muziek van deze jongere generatie en had daardoor een natuurlijke politieke lading. Tegelijk was het westen, in het bijzonder de VS, verwikkeld in een oorlog die ideologisch begon maar uitliep in een zinloos bloedbad. De verhoudingen waren duidelijk: de staat zat fout en de burgers moesten hem terugfluiten. Het is dan ook geen toeval dat de beste en bekendste protestmuziek over de Vietnamoorlog gaat.
  Anno 2015 is dat heel anders. Er is veel ellende in de wereld, maar tegen wie moet je protesteren? IS is de vijand van zowat iedereen. Je kunt wel met honderdduizend man gaan demonstreren, maar wie bereik je daarmee? De regering is het roerend met je eens, de burger ook. Van radicale moslims mag je niet eens muziek maken; hoe zou een liedje hen kunnen bereiken? Iets dergelijks geldt voor Poetin en zijn fratsen: veel mensen staan daar weliswaar achter, maar die zitten allemaal in Rusland. Verzet tegen het Kremlin moet uit eigen land komen (voor zover mensen dat durven, je bent je leven niet zeker), want een Nederlands liedje bereikt nooit de Russische markt.

Blijven over: de dingen die de regering of het “establishment” in het algemeen doet. Daar valt toch genoeg op aan te merken? Ja, maar doe dat alsjeblieft niet in een liedje. Daarvoor liggen de problemen veel te genuanceerd. Ik wil ook niet dat het kabinet op de zorg beknibbelt, maar ik weet donders goed dat er op dit moment geen geld is. Griekenland krijgt verschrikkelijke maatregelen door de strot geduwd, maar moeten we dan blanco cheques uitschrijven? Bankiers zijn vaak hufters, maar je wilt toch geen marxistisch sovjetsysteem invoeren? Liedjes van drie minuten zijn te kort voor al die nuances. Maak je een liedje over Griekenland, de bootvluchtelingen of de banken en wil je het een beetje pakkend houden, dan moet je een eenzijdig, vaak extreem standpunt innemen. Dat verdom ik.

Eerdere generaties protestzangers verdomden dat dikwijls niet. Menigeen ging veel verder dan kritiek op het Amerikaanse leger in Vietnam en dook het extreemlinkse circuit in. Een broedplaats voor enge denkbeelden. Mensen liepen rond met T-shirts van losgeslagen radicalen als Ché Guevara, of hingen zelfs massamoordenaars als Mao aan. Het geflirt met revolutie in de geest van vreselijke dictatoren is achteraf behoorlijk gênant en niet voor herhaling vatbaar.
  ‘Gênant’ is ook het juiste woord voor veel hedendaagse muzikanten die hun mening geven. Morrissey, die alle vleeseters voor moordenaars uitmaakt of ijskoud beweert dat alle ellende in het Verenigd Koninkrijk van de Queen komt, is het beste voorbeeld. De teksten van Matthew Bellamy, die vooral op Resistance met absurde complottheorieën aan kwam zetten, liegen er ook niet om. Het zijn alle twee zeer bekwame indiemusici, terecht populair, maar bij veel van hun teksten denk ik: hou toch je mond.

Het allerstuitendste uit Hooijers stuk is echter de volgende bewering: “Bij 3voor12 lieten enkele Nederlandse popmuzikanten weten zich niet deskundig genoeg te voelen om iets te zingen of te componeren over social issues (…). Ik vind dat een onbenullig argument.” Ergo: kom maar op met die meningen, ook al weet je er geen donder vanaf.
  Wat wil Hooijer nou eigenlijk? Dat popmuzikanten massaal hun onderbuik legen over alles wat er in de wereld gebeurt, zonder zich eerst behoorlijk in te lezen? Dat gebeurt al veel te veel. Zit onze columnist eigenlijk wel eens op de sociale media? Op GeenStijl? Op Nujij? Sinds de komst van het internet doen mensen niets anders meer dan te pas en te onpas hun ondeskundige mening geven over alles wat de wereld aan ongerief te bieden heeft. Feiten? Argumenten? Wie maalt er nog om! Persoonlijke aanvallen, scheldpartijen, ja onbeschofte bedreigingen zijn aan de orde van de dag. En popmuzikanten moeten het erger maken door hun eigen ondeskundige mening aan de brei toe te voegen!
  Maakt het Hooijer überhaupt wel uit wat geëngageerde musici zingen? “Al even wonderlijk: geen songs over Poetin (pro of contra)”. Pro of contra, dat geeft niet, als je liedje zich maar uitspreekt. Een liedje dat de antihomowetten en het uit de lucht schieten van MH17 verdedigt is beter dan een liedje over niets. Wonderlijk, hoogst wonderlijk.

Ik voor mij zeg: popmuzikanten, laat je niet vertellen waarover je zingt. Jullie taak is het om zo goed mogelijke muziek te maken. De teksten moeten gewoon gaan over wat jullie het beste ligt. Als jij verliefd bent op je buurvrouw, schrijf je over haar, als je iets kwijt moet over de wereld schrijf je dáárover. Jullie hebben het recht op een mening en het recht om die mening, al of niet zingend, te uiten, maar een morele plicht is het niet. Als jouw mening ook de mijne is: mooi meegenomen. Als jouw mening keihard tegen de mijne ingaat, zal ik trachten me op je muziek te concentreren. Maar als je echt de wereld wilt veranderen, ga dan liever in de politiek.

PS: Hooijer was nog niet aan zijn proefstuk toe. Niet alleen moeten popmuzikanten zich van hem engageren, hij bepaalt ook nog waarover ze zich moeten uitspreken. In OOR nummer 5 van 2016 neemt hij Bruce Springsteen, Bryan Adams en Ringo Starr op de korrel. Die drie hadden zich uitgesproken tegen de wc-wetten in North Carolina en Mississippi. En dat is natuurlijk schandalig: oorlog in Syrië, terreur in Europa, hoe dúrven die popsterren zich dan voor de inferieure zaak van transgenderrechten in te zetten…

James Last en Karlheinz Stockhausen. Jawel!

Afgelopen dinsdag (plaatselijke tijd) overleed de Duitse orkestleider James Last, nieuws dat de dag daarop Twitter domineerde en uitgebreid het journaal haalde. Mijn gedachten gingen meteen uit naar de kringloopwinkel waar ik vrijwilligerswerk verricht: had ik te hard geroepen dat hij dood moest, na niet minder dan 75 platen van hem te hebben aangetroffen en gesorteerd?

Natuurlijk was de algemene toon niet zo positief: zielloze muzak in massaproductie, liftmuziek, muziek voor bejaarden (wier Last-platen bij overlijden meteen naar de rommelmarkt gaan omdat de kinderen ze niet moeten). Vergelijkingen waren ook niet van de lucht. Zo noemde Menno Pot hem de André Rieu van zijn tijd.

Misschien is het een belachelijk idee, maar ik ga hem nu een vergelijken met een heel andere musicus. De grote, gevierde, hermetische, ongenaakbare avant-gardecomponist Karlheinz Stockhausen.

  • Ze waren tijdgenoten. Stockhausen werd in 1928 geboren, Last in 1929.
  • Omdat ze ook landgenoten waren, maakten ze beiden als tiener de Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende bezetting door de Geallieerden mee. Voor allebei betekende dat een beslissende carrièrewending. De Ferienkurse van Darmstadt, waar Stockhausen voorgoed avant-gardist werd, waren door de Amerikanen opgezet om de “entartete Kunst” terug te brengen. James Last pakte de jazzy achtergrondmuziek op toen hij voor Amerikaanse soldaten begon te spelen.
  • Beide waren ze op hun manier vernieuwend. Voor Stockhausen spreekt dat vanzelf, maar ook James Last wist, door zijn cocktail van invloeden, een eigen stijl te creëren. Een prikkelende stijl zelfs, voor wie het anno 1965 nog nooit gehoord had.
  • Beide musici hebben een zeer breed palet aan stijlen aangedaan, maar wisten toch steeds als zichzelf te blijven klinken. Stockhausen schreef bijtende stukken van een minuut en megalomane opera’s van een hele avond, maar steeds is er die typische harmonie tussen detail en grote vorm, en het evenwicht tussen het rationele en het zweverige. James Last coverde dan weer alles, van pop en schlager tot klassiek en jazz, maar wist met zijn orkest steeds de typische Last-sound te behouden: die unisono-melodielijnen, die softe maar duidelijk voelbare ritmische puls, die precies goede begeleidingsriedeltjes…
  • Stockhausen en Last bepaalden beiden op hun manier het gezicht van hun tijd. Der Spiegel noemde de laatste der Sound der alten Bundesrepublik. In de jaren zeventig was hij in zowat elk Duits huishouden te vinden. Iedereen kenden het geluid. Stockhausen verkocht iets minder platen, maar was in de media moeilijk te ontlopen. Al in de jaren vijftig trok hij de aandacht naar zich toe met zijn vlotte babbel en in de jaren zeventig berichtten de media over elk nieuw werk dat hij publiceerde. Iedereen kende zijn naam; vroeg je iemand naar een moderne componist, dan noemden ze Stockhausen.
  • Hun bekendheid hadden deze muzikanten ook aan hun charisma te danken. James Last profileerde zich graag als de gentleman van de muziek, goed in het pak en netjes gekapt met zijn karakteristieke snor. Op concerten dirigeerde hij niet alleen zijn orkest, maar ook het meezingende publiek – showmanschap dat later bijvoorbeeld door André Rieu werd overgenomen. Stockhausen op zijn beurt was in de jaren vijftig de knappe posterboy van de avant-garde, een muziekwereld die voornamelijk gevuld was met natte dweilen, pedanten en negatievelingen (deze foto spreekt boekdelen). In latere jaren werd hij die excentrieke man met priemende ogen die naar eigen zeggen van een andere planeet afkomstig was.
  • Kinderen van hun tijd, maar allebei met tijd van leven en daardoor aan het eind van hun leven verouderd. De compromisloze avant-garde raakte in de jaren zeventig en tachtig behoorlijk uit de gratie. Stockhausen zelf ging daar weliswaar in mee door veel melodieuzer te componeren, maar de echte impuls lag vanaf dat moment bij de tonale minimalisten. Hoewel zijn operacyclus Licht veel media-aandacht kreeg, moet ik de eerste persoon die er echt van houdt nog tegenkomen. Een jonge hond als Joey Roukens vond zelfs dat Stockhausen het niet goed begrepen had: “Deze tijd vraagt om een duidelijker puls en om diatoniek.” James Last raakte zo mogelijk nog meer uit de mode: Mensen van zijn leeftijd kochten de elpees massaal; latere generaties hebben er helemaal niets mee en doen de platen al even massaal weg. De rommelmarkt, de kringloopwinkel, dáár hoort hij thuis…

En toch, de verschillen zijn natuurlijk opvallender.

  • James Last leerde het vak in de Bundeswehr. Zijn loopbaan begon dankzij het naziregime. Stockhausen verloor zijn vader aan het Oostfront en zijn moeder in een concentratiekamp. Hij had geen heropvoeding nodig om het regime te haten.
  • Je hebt vernieuwend en vernieuwend. James Last vulde de gaatjes tussen verschillende genres in, Stockhausen ging compromisloos vooruit naar muziek die nog nooit iemand gemaakt had.
  • Nog los daarvan gebruikte James Last bijna altijd bestaande thema’s. Stockhausen… gebruikte aanvankelijk helemaal geen thema’s. Wie ze in zijn vroege muziek meent te vinden, die zoekt naar een kip op een abstract schilderij!
  • James Last schreef muziek die je meteen mooi vindt, en na een paar nummers al weer helemaal gehad hebt. Over Stockhausen, in het bijzonder zijn vroege werken, heb ik minstens tien jaar gedaan – ik ben er nog steeds niet klaar mee.
  • Last haalde dan ook iets meer commercieel succes. Tachtig miljoen elpees verkocht hij. Stockhausen komt hoogstwaarschijnlijk nog niet aan een duizendste van dat aantal.
  • En toch: Last werd zo arm als de neten door malafide beleggingen. Ook de makers van commerciële muziek zijn duidelijk meer kunstenaar dan koopman. Nee, dan Stockhausen: die zat er tegen het einde van zijn leven warmpjes bij.
  • Stockhausens stijl mag dan passé zijn, hij verzekerde zich met zijn radicale vernieuwingen en invloed op diverse muziekstijlen van een prachtige plaats in de muziekgeschiedenis. Een soort nieuwe Beethoven; iets wat James Last ook naar eigen zeggen niet was. Lasts muziek heeft maar één claim to fame: de fabelachtige verkoopcijfers. Andere invloed heeft hij nauwelijks gehad. Alle necrologieën die van de week verschenen, noemden het wel even: anno 2015 ligt niemand meer wakker van zijn muziek.

    Wat is onder aan de streep de conclusie? Je kunt maar beter artistieke dan commerciële muziek maken. De mensen hangen toch wel aan je lippen, je blijft na je dood bekend, je blijft alom gewaardeerd en je wordt er uiteindelijk nog rijker van ook!

Honderd Nederlandstalige popliedjes

Ik had in 2015 grote plannen. Naast mijn (helaas onregelmatige) werk aan dit blog moest er een site komen over mijn specialisatie: Nederpop, of beter Nederlandstalige pop. Met encyclopedische informatie, gefundeerde meningen en dwarsverbanden.

Dat plan heb ik anno 2017 nog steeds, maar de komende tijd komt er van dit project niet veel terecht. Eén deel heb ik echter wel gerealiseerd: een lijst van honderd nummers die de Nederlandstalige pop bepalen, nummers die, alle op hun eigen manier, iets van het verhaal van de popmuziek in het Nederlands, het Fries en de streektalen vertellen. Oud en nieuw, bekend en minder bekend, tienerpop en arti-farti, alles in één lijst. Uitgesmeerd over 2017 schrijf ik over elk van deze liedjes een blogstukje.

Niettemin zitten er criteria aan:

  • Nederlandstalige pop, dus niet Nederlandse. De muziek hoeft dus niet uit Nederland te komen, maar mag ook Vlaams of Caribisch zijn.
  • Popmuziek, dus geen schlagerachtige liedjes. Twijfelgevallen (André Hazes, Jan Smit) mogen wel.
  • Het formaat maakt niet uit. Singles, albumtracks en liveversies zijn allemaal welkom.
  • Ook dialecten zijn welkom, evenals het Fries. Rustig maar Friezen, ik weet dat jullie een aparte taal hebben. Ik zou het alleen zonde vinden om wél Groningse en Drentse muziek mee te nemen en geen Friese.
  • Een beetje om de bekende lijstjes heen. Het moet geen kopie worden van Vic van de Reijts Top 100 van Nederlandstalige singles of diens Cover Top 100. Natuurlijk: sommige nummers moeten erin. Zonder “Kom van dat dak af” is een lijst als deze niet compleet.
  • Geen Top 100, dus niet hiërarchisch van minst naar meest belangrijk. Gewoon: 100 liedjes geordend van oud naar jong.
  • Zo breed mogelijk. Als we alleen op kwaliteit zouden letten, kwamen er minstens tien liedjes van Boudewijn de Groot en nog eens vijf van Doe Maar in. Ik heb liever zo veel mogelijk acts, soms wat vergeten of obscuur.
  • Dat betekent dus ook: de nummers die ik in de lijst zet, zijn niet per se de 100 beste in het Nederlands. Evenmin is het noodzakelijk mijn smaak…

De voorlopige selectie
(Wat een hoop nummers van na 2000, ja van na 2010! Zo slecht gaat het dus niet met de Nederlandstalige pop.)

  1. Drie kleine kleuters met de Jonkers en de Joffers – De trappelzak-boogie (1956)
  2. Peter Koelewijn ft. MC Miker & dj Sven – Kom van dat dak af (1960 – 1989)
  3. Ria Valk – Hou je echt nog van mij, Rockin’ Billy? (1961)
  4. Rob de Nijs – Het ritme van de regen (1963)
  5. ZZ & de Maskers – Dracula (1963)
  6. Het – Ik heb geen zin om op te staan (1965)
  7. Boudewijn de Groot – Testament (1966)
  8. Ronnie & de Ronnies – Beestjes (1967)
  9. Zjef Vanuytsel – De zotte morgen (1970)
  10. Elly & Rikkert – Alles is vrij (1973)
  11. Fungus – Kaap’ren varen (1974)
  12. Ivan Heylen – De wilde boerndochtere (1974)
  13. Teach-In – Dinge-dong (1975)
  14. Bots – Zeven dagen lang (1976)
  15. Peter Koelewijn – KL 204 (Als ik God was) (1976)
  16. Neerlands Hoop – Waar gaan wij naartoe na onze dood? (1976 [Cornelis Vreeswijk, 1966])
  17. Bonnie St. Claire – Dokter Bernhard (1976)
  18. Bert De Coninck – Evelyne (1977)
  19. Alexander Curly – Trollenlied (1977)
  20. Kazzen en Koo – Wat ik geleerd heb in dit leven (1977 of 1978)
  21. The Bontjie Stars – Madiwodo (1979)
  22. Dorpsstraat – Lepeltje (1979)
  23. Drukwerk – Ik verveel me zo (in Amsterdam-Noord) (1979)
  24. Tedje en de flikkers – Van Agt (1979)
  25. Braak – Ik ben oké (1980)
  26. Danny Boy – Repperdeklep (1980)
  27. Armand & The Kik – Snelle jongens (1981 – 2015)
  28. Ton Lebbink – Voetbalknieën (1981)
  29. Het Goede Doel – In ’t leven (1982)
  30. Toontje Lager – Lente in Twente (1982)
  31. Doe Maar – De bom (1982)
  32. Janse Bagge Bend – Sollicitere! (1982)
  33. Klein Orkest – Over 100 jaar (1983)
  34. De Div – Als lemmingen (1984)
  35. Van Kooten & De Bie – Ouwe lullen moeten weg (1984 – 1989)
  36. Arbeid Adelt! – Stroom (1985)
  37. André Hazes – Ik meen ‘t (1985)
  38. Trafassi – Wasmasjien (1985)
  39. Frank Boeijen – Kronenburg Park (1985)
  40. Rowwen Hèze – De Peel in brand (1987 – 1991 – 2008)
  41. VOF De Kunst – Eén kopje koffie (1987)
  42. Clouseau – Anne (1989)
  43. De Kreuners – Ik wil je (1990)
  44. Hugo Matthysen – Blankenberge (1990)
  45. Tröckener Kecks – Met hart en ziel (1990)
  46. The Scene – Blauw (1991)
  47. Kinderen voor Kinderen – Wakker met een wijsje (1991)
  48. Gorki – Mia (1992)
  49. Osdorp Posse – Moordenaar (1992)
  50. De Jazzpolitie – Ze zijn terug (1993)
  51. Paul de Leeuw & Ruth Jacott – Blijf bij mij (1993)
  52. Normaal – Doe effen normaal (1994)
  53. Van Dik Hout – Stil in mij (1994)
  54. Extince – Spraakwater (1995)
  55. Raymond van het Groenewoud – Twee meisjes (1995)
  56. Guus Meeuwis & Vagant – Het is een nacht (Levensecht) (1995)
  57. Hakkûhbar – Gabbertje (1996)
  58. Acda & De Munnik – Het regent zonnestralen (1998)
  59. Laïs – ’t Smidje (1998)
  60. De Raggende Manne – Kramp van je kanis (1998)
  61. Volumia! – Afscheid (1998)
  62. K3 – Heyah mama (1998)
  63. Gordon & Re-Play – Never nooit meer (1999)
  64. De Kast – Wa’t ik bin (2000)
  65. Belgian Asociality – Morrege (2002)
  66. Spinvis – Astronaut (2002)
  67. De Heideroosjes – Damclub hooligan (2003)
  68. Bløf – Omarm (2003)
  69. Flip Kowlier – In de fik (2004)
  70. Neet oet Lottum – Hald mich ens vas (2004)
  71. Ali B ft. Yes-R en Brace – Leipe mocro flavour (2005)
  72. Jan Smit – Laura (2005)
  73. Marco Borsato – Rood (2006)
  74. Lange Frans & Baas B – Ik wacht al zo lang (2006)
  75. Daniël Lohues – De ganzenkoning (2006)
  76. Opgezwolle – Hoedenplank (2006)
  77. Fixkes – Kvraagetaan (2007)
  78. Heidevolk – Wodan heerst (2007)
  79. Hannelore Bedert – Vocabulaire (2008)
  80. De Dijk – Mijn van straat geredde roos (2008)
  81. De Jeugd van Tegenwoordig – Hollereer (2008)
  82. De Kift – Knoeck (2008)
  83. Nynke Laverman – Halleluja (2008)
  84. Roosbeef – Onder invloed (2008)
  85. Die Twa – Asto mar by my bist (2009)
  86. De Fanfaar – Armand Pien (2009)
  87. Pater Moeskroen – Joost (2011)
  88. Broeder Dieleman – Duuzend veugels (2012)
  89. The Kik – Simone (2012)
  90. Mr. Polska – Hausa wausa (2012)
  91. Maaike Ouboter – Dat ik je mis (2013)
  92. Eefje de Visser – In het echt (2013)
  93. Slongs Dievanongs – Lacht nor mij (2013)
  94. Belle Perez/Noordkaap – Ich haaw van óch (2014 [Ik hou van u, 1995])
  95. Typhoon – Liefste (2014)
  96. Het zesde metaal – Dag zonder schoenen (2014)
  97. Fresku – Weg met Fresku (2015)
  98. Tourist leMC – Koning Liefde (2015)
  99. Swinder – Spiet (2015)
  100. Kenny B – Parijs (2015)

Is dit nou dé lijst? Ja, maar ik ben er nog niet mee klaar. Elke keer als ik erop kijk, zie ik toch weer een nummer, artiest op subgenre dat/die er niet in staat en er eigenlijk wel bijhoort. Dan moet ik er een ander liedje uitgooien, nietwaar? Honderd is eigenlijk verdomd weinig. Zelfs nu ik begonnen ben met stukjes schrijven over de diverse nummers, zal ik de samenstelling nog af en toe veranderen. Vandaar:

Versies

  • 12 april 2015: eerste lijst aangelegd met 88 nummers.
  • idem: toegevoegd “Madiwodo”, “Donker om je heen”, “Hald mich ens vas”, “Ik wacht al zo lang”, “Armand Pien”, “Joost” en “Sukkel voor de liefde”
  • 13 april 2015: toegevoegd “Het ritme van de regen”, “De zotte morgen”, “Snelle jongens”, “Blijf bij mij”, “Het regent zonnestralen” en “Mijn leven”, geschrapt “Wees niet bang voor mijn lul” en “Ik vind je leuk”.
  • idem: ingevoegd “Waar gaan wij naartoe na onze dood?” (voorheen een lege plaats waarvan alleen de band vaststond).
  • 14 april 2015: Toegevoegd “Verdronken vlinder”, “Stroom” en “Het is een nacht (levensecht)”, geschrapt “Vrienden van vroeger”, “Picknick” en “Onderweg”.
  • idem: Toegevoegd “Moordenaar”, geschrapt “Hartendief”.
  • 19 april 2015: Toegevoegd “De wilde boerndochtere” en “’t Smidje”, geschrapt “Kom uit de bedstee, mijn liefste” en “Keer op keer (Loop naar de maan)”.
  • 7 januari 2017: Toegevoegd “Rockin’ Billy”, “Ouwe lullen moeten weg” en “Lacht nor mij”, geschrapt “‘k Wist niet dat je kwaad werd”, “Mijn leven” en “Heleen”.
  • 8 januari 2017: Toegevoegd “Kaapren varen”, geschrapt “Deurhroeistjin”.
  • 16 januari 2017: Toegevoegd “Alles is vrij” en “Never nooit meer”, geschrapt “Ik bel je zomaar even op” en “Ik mis jou”.
  • 22 januari 2017: Toegevoegd “Testament”, geschrapt “Verdronken vlinder”.
  • 12 februari 2017: Toegevoegd “Dinge-dong”, “Dokter Bernhard” en “Ik meen ‘t”, verwijderd “Omdat”, “Louise” en “Donker om je heen”.
  • 29 mei 2017: Toegevoegd “Gabbertje”, “Liefste” en “Weg met Fresku”, verwijderd “I wanne be a one day flay”, “Nederwiet” (versie met Kempi) en “Probleem” (Fit).

Niet in de lijst
De onderhonden: net buiten de boot, vaak met pijn in het hart.

  • Boudewijn de Groot – Vrienden van vroeger (1966): Er zijn zoveel Nederlandstalige acts dat zelfs Boudewijn de Groot met twee nummers te veel ruimte innam. Dit nummer en het volgende heb ik toen vervangen door één nummer: “Verdronken vlinder”. Zijn allermooiste wat mij betreft. Toch heb ik uiteindelijk gekozen voor “Testament”. Ook een prachtig nummer, dat bij nader inzien iets beter in mijn plan paste.
  • Boudewijn de Groot – Picknick (1967): Zie boven. Ja mensen, mij doet het ook pijn…
  • Egbert Douwe – Kom uit de bedstee, mijn liefste (1968). Ook geen gemakkelijke beslissing, maar ik was “De wilde boerndochtere” vergeten. Daar moest een ander nummer voor sneuvelen, en dat werd dan maar deze melige parodie.
  • Teach-in – Dingedong (1975): Natuurlijk een evergreen, maar in de jaren ’70 wordt de spoeling al dunner. Liever Rob de Nijs en Neerlands Hoop, die zich structureel met het Nederlands bezighielden.
  • Doe Maar – Wees niet bang voor mijn lul (1979): De band staat er nog steeds twee keer in (waarvan één keer met Kempi); de underground-buurthuizenmuziek van eind jaren ’70 is met Bots, Drukwerk en Tedje & de Flikkers al ruim vertegenwoordigd (wel opgenomen geweest).
  • De Raggende Manne – Ik vind je leuk (1992): Met 30 seconden te kort, vervangen door het conventionelere “Kramp van je kanis”.
  • De Dikke Lul Band – Vibratorverslaafd (1994): Een soort van persoonlijke favoriet, maar er zijn grenzen. Stel je voor dat ik artiesten moet gaan uitleggen dat zijn er niet in staan en deze band wel!
  • Anthonie ‘Hero’ Kamerling – Toen ik je zag (1996): Mooi liedje, ondanks de potsierlijke tekst, maar echte bands en zangers hebben voorrang boven eendagsvliegen. Bovendien is Guus Meeuwis, die het nummer schreef, al opgenomen.
  • Wow! – Keer op keer (Loop naar de maan) (1997): Dit bijna vergeten bubblegumnummer had ik graag behouden voor de vrolijke noot – van alleen maar megahits of alleen maar verantwoorde liedjes word ik niet blij. Maar met de immer toenemende concurrentie werd het onhoudbaar. Het vergelijkbare K3 gaat voor.
  • Sven & Dave – In bad (omstreeks 1998): Een van de vele puberale wanproducten van dit BNN-duo, ten koste van Bert en Ernie alsook Kool & The Gang: “Er is een feestje hier bij ons in bad”/ “Een heel leuk feestje, want wij zijn lekker nat.” Eigenlijk mag die niet in de vergetelheid raken, maar dat moet dan maar op een andere manier. Bovendien: DJ Sven (“Ga die maar schoonmaken!”) staat al in de lijst, samen met Peter Koelewijn en Miker G.
  • Twarres – Wêr bisto (1999): Echt prachtig, maar De Kast, dat langer bestond en zich structureel met Nederlands én Fries bezighield, gaat voor.
  • Abel – Onderweg (2000): Meer Nederlandstalige bands, de spoeling wordt dunner. Uit de lijst verwijderd ten gunste van Guus Meeuwis; niet per se beter maar veel productiever en daarmee relevanter.
  • Kutschurft – Met je kanus in mijn anus (2002): Niet iedereens humor. Zie ook de opmerking bij de DLB…
  • Brainpower – Dansplaat (2002): Vanaf deze tijd komen er veel rappers op. Als we die allemaal opnemen, bestaat een kwart van de lijst uit hiphop. Brainpower is aardig, maar Extince gaat voor.
  • Raymzter – Down met jou (2003): De betere en succesvollere Ali B gaat voor.
  • Veldhuis & Kemper – Bijzonder (2003): Acda & De Munnik gaan voor.
  • Brace – Hartendief (2005): Spijt me, maar ik was “Moordenaar” van Osdorp Posse vergeten. Die mócht niet ontbreken. Brace mag dat desnoods wel.
  • Boerenrock: Ook zo’n persoonlijke favoriet. Het hele genre moet het dan maar met “Doe effen normaal” van Normaal doen. Maar wie geïnteresseerd is, kan ik van harte ook Bökkers, Surrender, Bertus Staigerpaip, Jovink & de Voederbietels en Mooi Wark aanbevelen.
  • Zomaer en B-Brave (Nederlandstalige boybands). Ik heb niets tegen het fenomeen boyband. Ook dit muziekverschijnsel heeft zijn Nederlandstalige vertegenwoordigers; die moeten er eigenlijk in. Anderzijds zijn ze geen van beide (ik ken er maar twee) belangrijk genoeg om er een andere band voor uit te gooien.
  • Ries de Vuyst. Een obscure Zeeuws-Vlaamse bard, iets minder obscuur sinds Broeder Dieleman met hem optrad. Steengoed en een grotere bekendheid waard, maar we hebben uit die regio Broeder Dieleman al. Daarom sneuvelde hij toen ik me bedacht dat ik iemand anders vergeten was. Geen enkele lijstverwijdering deed zoveel pijn…
  • Arnhemsgewijs. Had op zich als eerste Nederlandstalige r&b-band (?) een plaatsje verdiend, maar moest wijken voor Re-Play.

Nieuw
Nieuwe acts ontdekt na het opstellen van de lijst. Die moeten er voorlopig maar buiten blijven, anders moet ik nog meer de kam halen door de huidige 100.

  • De Duiven – De waarheid is toch niks voor jou en mij (2014 – 2015): Nu (14 april) alleen op Soundcloud, album komt op 24 april uit.
  • Wederganger – Wera-Wulfa (2015) Nederlandstalige deathmetal. Nederlandstalige metal in het algemeen is nog een nichegenre. Heidevolk moet de kar maar alleen trekken. Misschien is Wederganger zelfs wel beter dan Heidevolk – ik dat geval laat ik ze nog wel eens stuivertje wisselen.

K3 laat zich aflossen – wat ik daarvan vind

Geef het maar toe. Al roep je nog zo hard dat je bezig bent met dat fantastische nieuwe album van Courtney Barnett, de teasers voor de aankomende Mumford & Sons dan wel Muse analyseert, of op Spotify zoekt naar obscure Faeröerse avant-gardebands, sinds gisteren ben je voornamelijk met één ding bezig: K3 stopt ermee, en hoewel dat na een jaar of 17 best een keertje mag, komt dat hard aan. Niet hard in de zin van “ik moet huilen”, het is meer dat er een tijdperk eindigt. Dat hoort natuurlijk niet, bij een kindergroepje dat zulke onbeduidende bubblegumliedjes maakt. Hoe heeft het zover kunnen komen?

K3 bediende een publiek dat voor een groot deel samenviel met de doelgroep van Tik Tak en de Teletubbies, al kwamen er ook beduidend oudere kinderen op af (om maar te zwijgen van de volwassen mannen). Wat het meidengroepje anders maakt dan andere massacultuur voor kinderen, is dat ze niet als zodanig bedoeld zijn. K3 werd in 1998 door Niels William (Samson en Gert kwamen pas later om de hoek kijken) bij elkaar gebracht als Vlaamse kloon van de Spice Girls. Die groep was de twee jaar daarvoor een uit de hand gelopen succes onder tieners en kon zelfs – eventjes – een beetje goedkeuring bij de critici losmaken. De keuze voor de Nederlandse taal lag voor de hand: zowel in Nederland als in Vlaanderen was, in het kielzog van Clouseau, een bloeiende Nederlandstalige scene ontstaan. Ook tienerpop in de moerstaal (Isabelle A) deed het bij onze zuiderburen goed. In Nederland werd het voorbeeld van de Spice Girls trouwens ook nagevolgd: herinner je je Wow! nog (“Keer op keer/ Kom ik een jongen tegen…”)?

Dat mislukte. De single “Wat ik wil” deed niet veel. Het liedje “Heyah Mama” werd commercieel wel succesvol, maar flopte toch: het had de Belgische inzending voor het songfestival moeten worden, maar Marcel Vanthilt (van Arbeid Adelt!, maar toen al vooral van de tv) boorde het groepje de grond in. Niet alleen de muziek moest eraan geloven, de meisjes kregen ook de seksistische aanduiding ‘fijne vleeswaren’ mee. Om een lang verhaal kort te maken: debuutalbum Parels sloeg enorm aan, maar alleen bij kinderen en niet bij tieners.

Dat alles maakte K3 tot een atypisch kinderbandje. Echte kleutermuziek is buitengewoon simpel een kort, de Vlaamse meisjes zongen gewone popliedjes van drie minuten met coupletten, refrein en bridge. De teksten waren ook niet helemaal kindvriendelijk: “Hittegolf in mijn hart/ laat mij vanavond naar je kamer komen/ duizend hete dromen.” (Het doet bijna denken aan Doe Maar, een serieuze band maar een met een erg jeugdig publiek, dat tegen wil en dank vijfjarigen “Je loopt je lul achterna” deed zingen.) Weliswaar bubblegompop, maar toch: pop. Dat maakt het voor (jong)volwassen luisteraars een stuk beter aan te horen dan de muziekjes die men overdag op Zapp draait. De erotische teksten verdwenen, maar verder werd de formule weinig meer veranderd.

Hoe verliep mijn eerste kennismaking met K3? Bij ons thuis hadden we één iemand die ten tijde van de doorbraak in Nederland (2000/2001) tot de doelgroep behoorde. Mijn zusje was een jaar of acht toen Parels 2000 (de uitgebreide versie van het debuut) in huis kwam. Mijn broertje en ik hadden het niet echt begrepen op deze kleinemeisjeszooi. Om de muziek niet meer te horen, verstopten we zelfs de cd binnen in de computerkast. Dat bleek een gouden vondst: tegen de tijd dat we het geval weer teruggaven, was de zusterlijke interesse in de meidengroep overgewaaid.

Toen kwam mijn studie. Ineens was ik het huis uit en de behoefte om me tegen mijn zusje af te zetten verdween als sneeuw voor de zon. Mijn medestudenten, die waarschijnlijk helemaal geen broertjes en zusjes onder de 12 hadden, bleken er zelfs fan van. Ironisch natuurlijk, maar toch… “Op vakantie hebben we drie dagen lang alleen K3 gedraaid, ik heb me nog nooit zo gelukkig gevoeld!” Anderen schroomden niet om de liedjes in de pauze tijdens college zelf te laten horen. Studenten muziekwetenschap! Vond ik het gek? Natuurlijk. Maar een paar maanden later was ik zelf bekeerd!

Hoe dat kan? Misschien komt het juist doordat we tot onze knieën in de muziekstudie zaten. De meesten van ons luisterden voornamelijk klassieke muziek. Popmuziek, ook intelligente popmuziek, is over het algemeen nu eenmaal simpeler, minder ambitieus en minder ingenieus dan de klassieke meesters. Als je uit de klassieke hoek komt en je houdt toch van popmuziek, dan heb je je snobisme al voor een groot deel opzij gezet. Van Björk en Sufjan Stevens naar K3 is het dan niet zo’n grote stap meer. Iedereen begrijpt heus wel dat het jouw hele muzieksmaak niet is, dus waarom niet?

Ik ken verhalen van studenten die naar hun concerten gingen, al dan niet geschminkt als goths om vooraan tussen de gechoqueerde kinderen te headbangen. Zo bont het ik het nooit gemaakt. Wel heb ik één cd (uiteraard afgeprijsd) en één poster (superafgesprijsd) van ze gekocht.

Het eigenaardigste aan dit hele verhaal moet nog komen. Onze docent twintigste-eeuwse muziek, dr. Paul van Emmerik, kwam in een college ook met K3 aanzetten. Deze stoffige en onhippe man, de laatste die je met camp in verband zou brengen, bouwde zijn colleges normaal op rondom de moeilijkste avant-gardemuziek en lastige filosofische vraagstukken. Voor één vraagstuk had hij echter wat anders nodig: zouden aliens, zonder kennis van zaken, een wezenlijk verschil horen tussen Wolfgang Rihm en “Blub ik ben een vis”?

Wat ik er dan van vind? De liedjes zijn goed gecomponeerd, maar vaak openlijk gejat (althans: openlijke rip-offs). Als Spice Girlskloon schoten ze tekort, maar voor de doelgroep waarbij ze uiteindelijk terechtkwamen waren ze prima. (Goed in hun soort, al zegt dat nooit alles: de Kalasjnikov is ook goed in zijn soort.) Maar belangrijker: het is wel degelijk een groep met karakter. Hoe commercieel en gemaakt ook: er was ten langen leste een typische K3-sound, de meisjes vonden het overduidelijk zelf leuk, hadden een geweldige klik (ook later met Josje) een bleven ook na hun dertigste giechelkonten. En dom waren ze niet, zoals wel meerdere keren uit publieke optredens in quizzen er dergelijke is gebleken. Maar het allerbelangrijkste: ook kleine kinderen van nu luisteren nog dolgraag K3. Terwijl de fans van het eerste uur inmiddels achter in de twintig moeten zijn, staan de zesjarigen nog steeds vooraan bij hun concerten. K3 is toch echt wel een relevant deel van onze cultuur geworden, zeker als je bedenkt dat de modale bubblegumact maar achttien maanden lang succesvol blijft.

Tot slot: de dames houden ermee op, maar de band niet: ze zoeken drie opvolgsters. Dat is nou het enige jammere. Het had Gert gesierd als hij de formule niet eeuwig wilde uitmelken. De onderneming zal nu wel een zachte dood sterven.

PS: Ik heb tijdens het typen van dit stukje naar de Heideroosjes geluisterd.

Een operanaam voor je kind?

Siegfried smeedt het zwaard Notung - zijn geestelijk vader Wagner maakte de naam (weer) populair

Siegfried smeedt het zwaard Notung – zijn geestelijk vader Wagner maakte de naam (weer) populair


Afgelopen zaterdag kwam Maarten van der Meer, eindbaas van het zeer populaire weblog Vernoeming.nl, met een overzicht van de vreemdste Vlaamse kindernamen van afgelopen september. Naast de gebruikelijke kindermishandeling (Anael, Jayden-Tuub) bleek er ook iemand zijn dochter Elektra te hebben genoemd. Wie doet zoiets, vroeg ik me af. Een fan van (moderne) opera?

Zouden mensen hun kinderen naar die extreme opera van Richard Strauss noemen? Waarom ook niet? Vorige maand kwam ik een meisje tegen dat Norma heette, en toen ik pas googelde op ‘Kundry’ bleken er ook echte mensen met die naam te zijn. Dat vroeg om een onderzoek. Welke namen uit bekende opera’s bestaan er nog meer, en zijn sommige ook echt populair geworden? Dus geïnspireerd op Vernoeming.nl en andere namensites zocht ik de Nederlandse Voornamenbank af naar personages uit grote opera’s van Monteverdi, Purcell, Händel, Mozart, Beethoven, Rossini, Weber, Bellini, Donizetti, Verdi, Dvořák, Wagner, Bizet, Gounod, Moessorgski, Puccini, Debussy, Richard Strauss, Berg en Hindemith.

Wat bleek? De meeste namen, ook de exotische, komen inderdaad voor. Sommige namen komen zelfs erg vaak voor. Enkele hebben hun populariteit beslist niet aan de opera te danken (de 146.441 Anna’s in Nederland heten vast niet naar het personage uit Don Giovanni), maar Carmen (5.777 keer) en Siegfried (346 keer), daarvan kan best een aanzienlijk deel naar de werken van Bizet dan wel Wagner zijn genoemd.

Niet alle opera’s herbergen even unieke namen. Italiaanse operapersonages hebben vaak redelijk gewone namen die je ook in het echte leven tegenkomt. Anna, Susanna, Elvira, Angelina… niet vreemd dat je die ook in Nederland vaak genoeg aantreft. Wagner daarentegen stopt zijn opera’s vol met middeleeuwse personages met vergeten namen: Hagen, Sieglinde, Siegfried, Titurel… als je iemand met die naam ontmoet, heb je een grote kans dat hij (direct of indirect) door Wagner aan zijn naam komt.

Van de grote operacomponisten lijkt Mozart relatief weinig succesvol als naamgever. Ofwel dragen personages heel algemene namen (waarbij dus niet iedereen aan de opera denkt waar die naam in voorkomt), ofwel komen de namen niet of nauwelijks voor. Niemand noemt zijn kind Figaro of Papageno; Tamino scoort met 11 keer nog hoog. Verdi en Puccini zijn wisselend: Timur bestaat 122 keer, maar Turandot komt niet voor. 153 keer Aida/Aïda, dat is ook niet gek. Opvallend: ook schurken worden wel eens vernoemd. Er zijn negen Iago’s evenveel Hagens.

Moet je zulke namen geven? Misschien wel. Ben je op zoek naar een onbekende stevige Germaanse naam, dan ben je bij Wagner aan het goede adres. Siegrune zou ik afraden (het klinkt té militant en té verdacht), maar Waltraute, Wolfram en Gutrune moeten kunnen. En als je een fan bent van zuidelijke namen? Kies dan iets uit de Italiaanse opera. Veel mensen vinden ‘Giovanni’ ordinair voor een Nederlands kind, maar als hij naar Don Giovanni van Mozart heet? Of overweeg Fiordiligi en Dorabella voor een meisje, die zijn nog nooit in Nederland gegeven! Of Almirena. Deze heldin uit Rinaldo heeft een van de mooiste aria’s ooit, maar nul vernoemingen in Nederland. Wie gaat daar wat aan doen?

Een overzicht van alle operanamen die ik onderzocht heb:

Komt frequent voor (meer dan 1000 keer):

  • Angelina
  • Anna
  • Belinda
  • Boris
  • Carmen
  • Elsa
  • Elvira
  • Giovanni
  • Leonora
  • Manon
  • Susanna
  • Tristan

Komt regelmatig voor (meer dan 100 keer):

  • Agathe
  • Aida
  • Alfredo
  • Dido
  • Emilia
  • Friedrich
  • Gunther (180 keer, maar meestal met umlaut wat de held uit Götterdämmerung niet heeft)
  • Hermann
  • Isolde
  • José (komt als vrouwennaam vaker voor maar de tegenspeler van Carmen is nu eenmaal een man)
  • Konrad
  • Leonore
  • Marcello
  • Mathis (111 keer, maar een groot deel werd geboren voor Mathis der Maler in 1938 in première ging)
  • Marguerite
  • Mimi
  • Norma
  • Rinaldo
  • Rosina
  • Salome
  • Siegfried
  • Timur
  • Tosca
  • Violetta
  • Walther

Schaars (meer dan 10 keer):
N.B.: Er is nog wel een heel verschil tussen een naam die 90 keer voorkomt en een die maar elf keer gegeven is.

  • Adina
  • Aeneas
  • Alfonso
  • Armida
  • Euridice
  • Fabrizio
  • Gilda
  • Kuno
  • Lulu
  • Marcellina
  • Micaela
  • Minnie
  • Orfeo
  • Ramiro
  • Rodolfo
  • Sieglinde
  • Siegmund
  • Sixtus
  • Tamino
  • Tito
  • Wolfram

Zeldzaam (Tien keer of minder)

  • Abigaille (alleen als volgnaam)
  • Adalgisa
  • Amneris
  • Ännchen (alleen als volgnaam)
  • Azucena
  • Bartolo
  • Basilio
  • Belmonte (alleen als volgnaam)
  • Brünnhilde
  • Desdemona
  • Donner
  • Duce (alleen als volgnaam)
  • Elektra
  • Elettra
  • Erda
  • Faust (toch nog vijf keer!)
  • Fenena
  • Ferrando (alleen als volgnaam)
  • Fidelio
  • Figaro (alleen als volgnaam)
  • Florestan
  • Freia (komt in de spelling Freya heel veel vaker voor, maar zo heet ze niet in de Ring des Nibelungen)
  • Fricka
  • Gerhilde
  • Guglielmo
  • Hagen
  • Hedwige
  • Herodes
  • Iago
  • Idamante (alleen als volgnaam)
  • Ilia (komt bij mannen iets vaker voor, maar het gaat hier om de heldin uit Idomeneo)
  • Ismaele (alleen als volgnaam en altijd vrouwelijk; personage uit Nabucco is een man)
  • Jemmy
  • Kundry
  • Kunz (alleen als volgnaam)
  • Lohengrin
  • Konstanze
  • Manrico
  • Mélissande
  • Musetta
  • Nabucco
  • Nannetta
  • Ninetta
  • Ortrud
  • Osmin (alleen als volgnaam)
  • Otello
  • Ottavio
  • Ottokar
  • Pamina
  • Parsifal
  • Poppea
  • Ramadès
  • Rigoletto
  • Roesalka/Rusalka
  • Veit
  • Wellgunde (alleen als volgnaam)
  • Zaccaria
  • Zerlina

N.B.: Il Duce is de hertog uit de Rigoletto, die de beroemde aria “La donna è mobile” zingt. Als naam zou ik hem echter ten zeerste afraden.

Onbestaand (nooit in Nederland gegeven, soms tot mijn verbazing):
Sommige namen komen wel voor bij immigranten; die namen zijn met een I aangetekend. Eén naam, Alberich, schijnt niet gegeven te zijn, maar staat om wat voor reden dan ook wel in de database van het Meertens Instituut. Die naam heeft hier een asterisk.

  • Alberich*
  • Altoum
  • Amfortas
  • Almirena
  • Belcore
  • Brangäne
  • Calaf
  • Cassio
  • Cherubino
  • Dorabella
  • Escamillo
  • Falstaff (is ook eigenlijk een achternaam)
  • Fiordiligi
  • Flosshilde
  • Froh
  • Grimgerde
  • Gutrune
  • Herodias
  • Hunding
  • Idomeneo
  • Jochanaan (nee, dan Johannes of Jan…)
  • Klingsor
  • Kurnewal
  • Leporello
  • Loge
  • Melot
  • Méphistophélès
  • Mime
  • Nemorino (I)
  • Nerone
  • Orest (I)
  • Ortlinde
  • Papagena
  • Papageno
  • Pedrillo
  • Pelléas
  • Pollione
  • Sarastro
  • Serse (I)
  • Siegrune
  • Tannhäuser (zie opmerking bij Falstaff)
  • Titurel (I)
  • Turandot
  • Vitellia
  • Waltraute (I)
  • Woglinde
  • Wotan
  • Wozzeck

Wat vinden jullie van die operanamen? Zou je ze zelf geven? En missen jullie er nog een paar?

Het doemscenario van David Byrne

Gisteren confronteerde Leo Blokhuis zijn Twittervolgers met een zeer pessimistisch opiniestuk: Spotify en zijn concurrenten zullen alle creativiteit lamleggen. “Ik ben bang dat hij gelijk heeft”, zei de popkenner nog over de schrijver. Vanmorgen komt recensent Menno Pot, ook al op Twitter, met dezelfde link aanzetten. Hij is iets voorzichtiger dan Leo Blokhuis, maar “een onzinvisie vind ik het niet.”

Het stuk in kwestie staat in The Guardian, is van de hand van Talking Heads-zanger David Byrne (à propos: wat wordt die man oud! Gek idee dat niet alleen de generatie van de sixties, maar zelfs de kopstukken van de New Wave nu al op leeftijd raken) en heeft als titel: “The internet will suck all creative content out of the world”. Nogal een straffe stelling, die je niet elke dag in een opiniestuk tegenkomt. In dit essay stel ik mezelf twee doelen: ten eerste het weerleggen van Byrnes bewering (de gemakkelijkste van de twee, vanwege de ongenuanceerd boude toon ervan), ten tweede proberen uit te zoeken waar de muziek, en meer in het algemeen de kunst, in het internettijdperk dan wel heen gaat.

In vergelijking met de boude titel schrijft Byrne een behoorlijk gebalanceerd en weloverwogen stuk. Toch is de argumentatie relatief simpel. Omdat mensen gratis, of voor een habbekrats, muziek kunnen streamen, zullen ze niet meer voor cd’s of downloads betalen. Daardoor storten de inkomsten uit de muziekconsumptie in. Bovendien: van het relatief kleine bedrag dat Spotify (en vergelijkbare diensten; voor het gemak zal ik de rest van het stuk doen alsof Spotify de enige streamingdienst is) aan de platenmaatschappijen uitkeert, gaat ook nog maar een fractie naar de artiest. Zelfs van een hit als Get Lucky kun je dan niet meer leven. Aankomende artiesten, die geen zakken met geld uit bijvoorbeeld uit bijvoorbeeld merchandise (‘prullen’) kunnen halen, kunnen in het vervolg niet meer van de muziek leven en zullen er snel mee ophouden. Omdat je gelijkaardige tendensen ziet bij andere cultuuruitingen – Netflix bijvoorbeeld – zal kunst niet meer lonen; daarom zal het internet alle creativiteit lamleggen.

Ik snap heel goed welke schadelijke effecten Spotify (wat ik zelf trouwens nog niet heb) op de muziekwereld kan hebben. De allesverwoestende klap voor aankomende bands zie ik echter niet. Laten we, om te beginnen, eens kijken naar hoe dat ging in het LP- en cd-tijdperk. Dit tijdperk begon rond 1950 (toen de net uitgevonden vinylplaten belangrijker werden dan bladmuziek) en duurde tot ongeveer 2000 (toen het downloaden een steeds grotere krater in de cd-verkoop ging slaan). Er waren geluidsdragers vóór die tijd (schellak) en na die tijd, maar alleen in de tweede helft van de twintigste eeuw domineerden fysieke geluidsdragers het muzieklandschap echt. Hoe kwamen jonge artiesten toen aan de bak? Ze gingen niet met zelfgeproduceerde platen langs de platenzaken met de boodschap “Hallo, ik ben Jan en ik kan toevallig wel goed zingen, wilt u vijf van mijn platen in de winkel leggen?” Behalve dat het onbegonnen werk is om alle zelfbenoemde artiesten te gaan uitpluizen om daartussen die ene parel te vinden, was het opnemen van een plaat – met uitzondering van de jaren ’90, toen de productie van cd’s gemakkelijker werd – onbetaalbaar voor particulieren. Artiesten moesten dus altijd al tegen een steile muur op voordat ze zelf maar “aankomend” waren: ze moeste worden opgemerkt (gescout) op het moment dat ze nog niets voorstelden, ze moesten tot professionals worden getraind en hun muziek moest worden ‘vermarkt’ – allemaal gigantische investeringen, die platenmaatschappijen niet voor de eerste de beste overhadden. En zelfs als ze de radio hadden gehaald, was het nog maar een gok of hun muziek een hit zou worden. Ook in de dagen dat Byrne met zijn Talking Heads furore maakte, gaapte er dus een groot gat tussen creativiteit en geld verdienen, een gat dat niettemin overbrugd werd.

Ja, zou Byrne zeggen als hij over mijn schouder meelas, maar de platenmaatschappij kon dat daarna terugverdienen met de verkoop van platen. Dat kan nu niet meer. Inderdaad, maar er zijn meer bronnen waaruit artiesten hun inkomsten kunnen halen. Byrne noemt zelf al mogelijkheden: “Some of us have other sources of income, such as live concerts, and some of us have reached the point where we can play to decent numbers of people because a record label believed in us at some point in the past.” Maar David Byrne gaat ervan uit dat die mogelijkheden er alleen voor gearriveerde artiesten zijn. Dat lijkt me niet. Liveoptredens zijn er genoeg in de wereld. Je vindt ze in cafés, in aula’s van scholen en bedrijven, soms zelfs in grote winkels maar vooral op festivals. De laatste jaren zijn festivals met livemuziek als paddenstoelen uit de grond geschoten – ondanks de crisis. Meer mensen dan ooit gaan de straat op om een keur aan bands te horen spelen, terwijl jongeren steevast één of meerdere festivals in hun vakantie opnemen. Hier zien ze, uiteraard, de grote namen waarvoor ze komen, maar verwachten ze tevens een aanbod aan kleinere namen die ze nog niet kennen (of misschien van tevoren even op YouTube opzoeken). Byrne zou nog een punt kunnen hebben als de tendens die hij bespreekt nu al aan den dag treedt. Immers: de cd-verkopen zijn nu al zo ingezakt dat beginnende artiesten er niet van kunnen leven. Ik zeg: kijk naar de carrière van The Kik. In een paar jaar tijd zijn die van volkomen onbekend via “leuke retroband uit Rotterdam” en “Nederlandstalige sensatie voor hipsters” uitgegroeid tot een band die heel Nederland kent. Met de frequentie waarmee zij gevraagd worden, kom je echt niet aan betekenisvol ander werk toe; toch zijn ze er niet binnen een jaar mee opgehouden.

Nu we het toch over The Kik hebben: laten we eens kijken hoe deze band aan zijn naam en faam is gekomen. Dat is gebeurd via de radio (het ondanks veel ouwehoerprogramma’s nog steeds waardevolle 3FM), maar vooral via internet. Zelf ben ik op Twitter doodgegooid met enthousiaste berichtjes over The Kik, net zo lang tot ik eens ging luisteren. De keerzijde van het internet, namelijk gemakkelijkere naamsbekendheid voor nieuwe bands door snellere verspreiding van hypes dan ooit, onderkent Byrne volstrekt niet. Sterker nog: hij ontkent de waarde ervan: áls je op Spotify (een ander internet dan dat van de streamingdiensten noemt hij niet) al een nieuwe band leert kennen, dan ga je toch zijn cd’s of mp3’s niet kopen als de streamingversie gratis voor je neus ligt. Maar internet kan wel de kloof tussen beginnende en gearriveerde artiesten helpen dichten: er is nu veel minder tijd dan vroeger nodig om een echte hype te worden. Des te eerder ben je, als je geluk hebt, gearriveerd en kun je zalen uitverkopen. En inderdaad, de meeste muzikanten zullen nooit zover komen, maar dat was niet anders in de cd-tijd.
  Byrnes zwartgallige kijk op het internet berust op een veelvoorkomende vergissing, of eigenlijk op twee vergissingen. Ten eerste ziet hij van een ingrijpende technische verandering alleen de nadelen. Zo iemand noemt men in het Engels een luddite, naar de negentiende-eeuwse werkloze wevers die zich met geweld tegen de stoommachine verzetten. Hij geeft dat zelf min of meer toe aan het einde van zijn stuk: “[T]here’s no reason artists should simply accept the terms and join up with whatever new technology comes along. Now I’m starting to sound like a real Luddite[.]” Zelf ben ik daar ook wel eens voor uitgescholden, en wel toen ik eerder dit jaar een grammofoonplaat kocht. In de hoes zat een kaartje: “Hells bells, you’ve just purchased a new vinyl record, you odd luddite you!”
  Ik zal geen poging doen om die kwalificatie te weerleggen. Ik ben ook een beetje gehecht aan dingen van vroeger, omdat ik de virtuele wereld vaak kil en fantasieloos vind. Maar ik ben niet de enige. Overal in de westerse wereld schieten de platenverkopen de hoogte in. Deze trend onder hippe jongeren hangt samen met de zucht om je huis vol te zetten met ouderwetse spulletjes: kasten, bedden, serviesgoed maar ook typemachines, analoge camera’s en grammofoonplaten. De huidige retrotrend zal ooit wel voorbijgaan, de verkoop van elpees vermoedelijk niet. Ze dienen namelijk meer dan één doel: behalve de mogelijkheid om de muziek te kunnen horen betekenen ze ook: muziek hébben, beschikken over een tastbaar voorwerp dat met jouw favoriete kunst verbonden is. De opkomst van geluidsdragers heeft de cultuur van bladmuziek en zelf muziek maken nooit helemaal vervangen. Net zo min zal Spotify ooit de cultuur van een platenkast om trots op te zijn opheffen bij degenen voor wie dat er echt toe doet.
  Daarmee komen we aan de tweede vergissing die mensen vaak maken bij moderne techniek: de impact ervan overschatten. Er wordt wel eens gespot met mensen die de invloed van techniek ónderschatten (mensen die bij de eerste auto’s zeiden: dat wordt niks), maar met het tegenovergestelde zijn ook grote missers gemaakt. Toen eind jaren ’90 de internetzeepbel werd opgepompt, kon je zelfs mensen met verstand horen verkondigen dat eeuwenoude economische wetten van vraag en aanbod nu niet meer golden, omdat de virtuele wereld nu eenmaal volstrekt nieuwe, en vooral andere, regels kende. We weten allemaal hoe dat is afgelopen. Net zo min als het internet universele economische wetten kon opheffen, kan datzelfde internet een muziekcultuur compleet lamleggen.

Daarmee komen we aan het laatste, meest fundamentele bezwaar. Byrne zegt heel stellig dat het internet een einde zal maken aan alle creativiteit op de wereld. Voor iemand die opgroeide in de jaren ’50 (een tijd waarin je nog rijk moest zijn om een auto of televisie te hebben), is het internet een zeer ingrijpende ontwikkeling. De eerste vijftig jaar van zijn leven was de plaat (hetzij vinyl, hetzij digitaal) de standaard bij het maken van populaire muziek. De artiesten waarmee hij opgroeide brachten platen uit, hij werd zelf in die traditie groot en de bands die bij hem in het voorprogramma mochten, volgden dat pad eveneens. En dan opeens stort dat systeem in. Dat lijkt het einde van de wereld.
  Maar kunst bestaat natuurlijk al langer dan David Byrne. Kunst is feitelijk datgene wat ons van de dieren onderscheidt, alsook van onze aapmenselijke voorouders. Sinds Homo sapiens zich 50.000 jaar geleden ging bezighouden met geavanceerd gedrag – historisch antropologen noemen dat behavioral modernity – hebben ze kunst gemaakt: grotschilderingen, godsbeeldjes, ingekerfde symbolen, en zeker ook poëzie en muziek, want deze kunstvormen zijn universeel bij alle volkeren op aarde. Ook in wat wij de ‘beschaafde wereld’ noemen heeft kunst, zeker ook muziek, in allerlei vormen bestaan: als begeleiding van dansen, in de voordracht van lange teksten, in godsdienstige rituelen, als vermaak van vorsten of als openbaar vertoon van macht en goede smaak (in de vroegmoderne tijd), als verheven vermaak voor een opkomende burgerij (negentiende eeuw), als kunstzinnig doel op zich (moderne kunst in de twintigste eeuw), als emancipatiemiddel voor een genegeerde klasse (jazz en blues), en dat allemaal voordat de geluidsdragers de markt gingen domineren. Hoe reëel is het om te denken dat de komst van het internet voor het eerst in tienduizenden jaren menselijke geschiedenis voor een volledig kunstloze samenleving zal zorgen? Dat de digitale revolutie, anders dan alle eerdere revoluties van welke aard dan ook, werkelijk “alle creatieve inhoud de wereld uit zal zuigen”? Dat, vanwege het internet, mensen massaal hun scheppende impulsen, die ze van nature meekrijgen, compleet gaan negeren?

Zeg nu zelf, dat is niet erg waarschijnlijk. Hoe gaat het dan wel verder? Ik had immers beloofd dat ik ook daarop even zou ingaan. Om te beginnen zijn de cd- en vinylverkopen nog lang niet uitgestorven. Platenmaatschappijen moeten, en zullen, daar voorlopig rustig mee doorgaan. Spotify zal niet helemaal dezelfde plaats innemen als voorheen platen en cd’s; het wordt eerder een soort privéradio of (bijna) gratis jukebox.
  Verder kunnen we een gedeeltelijke terugkeer naar livemuziek verwachten. Niet alleen omdat je daarvoor nog steeds moet betalen (of, als het gratis is, op een plek moet komen waar je tot consumptie wordt verleid), maar ook omdat mensen, nu het luisteren naar muziek zo gemakkelijk en openbaar is, verlangen naar een exclusieve beleving. Misschien klinkt dat als wistful thinking, maar dat is het niet helemaal. Kijk alleen maar naar de bloei van festivals. Niemand hoeft naar een festival: niet voor de muziek (die je gratis kunt krijgen, meestal in een betere uitvoering dan live op een concert), niet voor het bier (dat je goedkoper en beter in de supermarkt krijgt) en niet voor de vakantie (die je op talloze andere plekken kunt vieren). Toch raken ze vol. Hun aantrekkingskracht moet dus wel deels in de exclusieve beleving liggen.
  Tot slot sluit ik een terugkeer naar het zelf musiceren niet uit. Ik geef toe dat ik deze trend nog niet op grote schaal waarneem, dus misschien is hier wél wensdenken in het spel. Maar als mensen inderdaad op zoek zijn naar exclusieve kunstbeleving, dan is dit een heel aantrekkelijke: door zelf te musiceren toon je als geen ander aan dat je moeite doet voor de muziek. Het is veel exclusiever dan een fysieke geluidsdrager (die immers hetzelfde klinkt als de Spotify-versie) en ook exclusiever dan livemuziek (waarbij de band voor een grote massa speelt, en je maar moet hopen dat ze van deze versie iets bijzonders maken). Mocht deze trend zich inderdaad ontwikkelen, dan kunnen musici daar nog een heel aardig centje aan verdienen. Dan moeten ze wel zorgen dat hun bladmuziekboeken echte hebbedingetjes zijn, anders wordt alsnog alles op de piratenmanier verspreid. Beck gaf vorig jaar een heel aardige voorzet met zijn Song Reader, wie volgt?

Mensen, reageert!

Naar nieuws op een mooie dag: het einde van de Boudisque

Verse Naxos-cd’s van de Boudisque. Dit beeld gaan we na volgende maand nooit meer zien. :’-(

Vandaag las ik het via Twitter: De Boudisque aan het Utrechtse Vredenburg gaat per 1 juni dicht. Nadat eerder al de iconische winkel in Amsterdam zijn deuren sloot, sterft nu ook de laatste loot aan de stam aan immer afnemende belangstelling voor klassieke muziek en de teruggelopen relevantie van cd’s.

Het bewuste bericht liet natuurlijk niet na om te melden dat de platenzaak in een of andere vorm al 65 jaar bestaat, eerst als Staffhorst, later als Ear & Eye. Nou ja, dat zal allemaal wel. Natuurlijk is het vreselijk jammer als een tijdperk van twee derde eeuw eindigt, net zoals het zonde is wanneer een familiebedrijf na 468 jaar aan een grotere concurrent wordt uitgeleverd.

Maar ik ben geen geboren Utrechter en voor mij begint de echte geschiedenis van de winkel pas in 2002. Hij heette toen nog Ear & Eye, zat in de aftandse steeg die Drieharingstraat heette (hoe toevallig: de Amsterdamse versie zat aan de Haringpakkerssteeg!) en besloeg daar twee derde van de noordkant. Een enorme zaak, die alles en alles had: grote helden van me als Mozart, Wagner en Bruckner, maar ook de soundtrack voor een Redneckfeest, nichterige hitparadepop, kneiterlelijke avantgarde en obscure Corsicaanse polyfonie. (Ik heb het allemaal ooit daar gekocht!)
  De winkel lag op de weg (althans op een route) van Hoog Catharijne naar de Drift, waar ik college liep (da’s ook goeddeels verleden tijd trouwens, muziekwetenschap aan de Drift), en zodoende ontdekte ik hem bij toeval. Minder toevallig was, dat ik er sindsdien vooral uit college bijna steeds langs liep. Mijn hemel, wat heb ik mezelf daar op kosten gejaagd! Maar ook erg aan mijn eruditie gewerkt, in de tijd dat je alleen nog pop illegaal kon downloaden.

Na anderhalf was het gedaan met op en neer reizen (ik had een kamer), maar niet met het platen aanschaffen. Ook niet toen de naam een paar jaar later veranderde in Boudisque. Malaise in de platenbusiness? Dat raakte toch alleen de grote jongens. De echte liefhebbers bleven toch wel cd’s kopen. Tot in 2009 de donderslag bij heldere hemel viel. De zaak dicht en een briefje voor de ruit: door “bijzondere omstandigheden” kon ik de bestelde cd’s voorlopig niet ophalen. Toen de zaak weer openging, bleek wat die omstandigheden waren: de tent was failliet, en doorgestart met een nieuwe investeerder die daar meer filantropische dan zakelijke gronden voor had. Voortaan moest Boudisque verder in een klein rotpand aan het Vredenburg, met alleen klassiek en metal. De verkeerschaos, de eeuwige bouwput (nota bene voor het Muziekpaleis!) en de crisis deden de rest: er kwam steeds minder volk naar binnen. Het uiteindelijke bericht kwam als een doffe dreun, maar misschien geen onvoorziene.

Vraag me niet waarom, maar het bericht dat het tijdperk-Boudisque ten einde loopt was voor mij en vele anderen dé gelegenheid om er weer eens iets te kopen. Ik stond in het hoekje van de esoterische avant-gardemuziek te praten met verkoper (en musicoloog) Emanuel, en koordirigent (en gesjeesde musicoloog) Lodewijk, twee erkende nieuwemuziekzeloten. We hadden het over Stockhausen. Zijn werk was geweldig, en het zou zeker repertoire houden, vonden we alle drie, terwijl we wat lachten om zijn excentrieke leven. Trouwens: alle goede muziek zou wel blijven. Uit de luidsprekers klonken divertimenti van Mozart. Ook al zo zorgeloos en optimistisch. Misschien lag het aan het weer, maar geen van drieën leken we bereid om te treuren op het moment dat dat eigenlijk hoorde.

Musicologen zijn rare mensen, en misschien is ons optimisme wereldvreemd en misplaatst. Maar toch: ik ben overtuigd dat klassieke muziek niet kapot kan. Geen nieuwe techniek of ongunstige trend kan op tegen eeuwigheidswaarde. Het enige wat van belang blijft, is dat zij die erin geloven bezig blijven. Blijven spelen, blijven luisteren en niet te vergeten: blijven componeren, want aan actieve participatie ontbreekt het nog wel eens in deze wereld. Ik zal me vanaf nu dubbel zo hard inzetten, het liefst met jullie!

Humor en onzin in de muziek

Componist: W.A. Mozart. Muziek: geniaal. Tekst: meningen verdeeld.
Ik heb al een eeuwigheid niets meer gepost, en wat kan ik op deze frisse maar mooie 1 april beter toevoegen dan een stukje over de grootste lolbroek in de muziek?

Wolfgang Amadeus Mozart, een van de meest gewaardeerde en populairste componisten, stond als mens vooral bekend om zijn merkwaardige gevoel voor humor. Bekenden, zijn nichtje Maria Anna Thekla voorop, werden overstelpt met grappen, meestal van het poep-en-piesgenre, en mensen die ogenschijnlijk niets verkeerd hadden gedaan, werden het mikpunt van practical jokes. Zijn vaste hoornist Joseph Leutgeb kreeg bijvoorbeeld te lezen dat “Wolfgang Amadé Mozart medelijden [heeft] gehad met Leutgeb, ezel, os en nar” (in het tweede hoornconcert), kreeg een partituur in vier verschillende kleuren inkt (vierde hoornconcert) en kreeg allerlei onzinnige aanwijzingen. Leutgeb moet een van de beste hoornisten op zijn minst uit Wenen zijn geweest, maar Mozart vond hem duidelijk een pias.
  Ene Martin komt er nog minder gunstig vanaf. Over hem maakte Mozart een intelligente canon met een wat minder hoogdravende tekst: “O jij ezelige Martin, o jij Martinige ezel, je bent zo rot als een knol zonder hoofd en benen.” Die arme Martin is blijvend de lul, want nu nog gebruiken veel koren het stuk als inzinger. Al hebben ze wel heel lang de laatste regels gecensureerd: “O beste Liperl, ik vraag je vriendelijk, lik toch gauw mijn reet.” Het lik-mijn-reetthema komt bij Mozart vaker terug: in een gigantisch moeilijke zesstemmige canon is het de enige tekst (de rest van de tekst is door anderen toegevoegd)!
  Soms maakt Mozart geen grap met de partituur of de tekst, maar met de muziek. Als je onvoorbereid luistert naar Ein musikalischer Spaß kom je van een kouwe kermis thuis: het slechtste werk dat Mozart ooit heeft geschreven! De ondertitel “Dorfsmusikanten-Sextett” maakt al wat meer duidelijk: het is een voorbeeld van hoe muziek componeren en spelen niet moet. De stadse Mozart voert zes dorpsmuzikanten op die er een enorm potje van maken. Inspiratie haalde hij bij zijn afgekeurd oefenwerk van zijn leerling Attwood, maar ook bij zijn kanarie, die twee wijsjes door elkaar kon zingen. In het laatste deel komt alle vuiligheid bij elkaar: de instrumenten gaan in meerdere toonsoorten tegelijk spelen en het stuk eindigt met een vreselijke dissonant. Zonder het te weten heeft Mozart hier de moderne muziek uitgevonden!

Ik heb een heel stukje over 1-aprilmuziek kunnen vullen met werk van Mozart. Maar is er natuurlijk veel meer niet-serieuze muziek. Jullie hebben vast wel suggesties. Kom maar op!

PS: Je veters zitten los!