Honderd keer pop in je moerstaal (94)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 94.

Afgelopen maandag hadden we met Slongs Dievanongs een Griekse die in het Antwerps rapt. Vandaag wordt het nog gekker: een Spaanse zingt een liedje in het (Belgisch) Limburgs.
  Waarom is dat zo gek? Wel, in de eerste plaats omdat het Limburgs een stuk minder gesproken wordt. Een onderzoek uit 2001, uitgevoerd in Bilzen, liegt er niet om: slechts 42% van de respondenten sprak Bilzers. Bij jongeren van 16 t/m 24 jaar was dat maar 11%, bij de vrouwen onder die jongeren zelfs niemand. Onze zangeres van vandaag is een vrouw, die in 2001 net 25 was. Bovendien heeft ze niet de Belgische nationaliteit, wat alle respondenten wel hadden.
  Overal in Vlaanderen gaat het dialect achteruit, en hoewel de provincie West-Vlaanderen het beter doet kun je voor grote delen van de deelstaat op gelijksoortige cijfers rekenen. Maar het Limburgs is, veel meer dan het Antwerps, een streektaal met haar eigen grammatica, een toonaccent en onverwachte klanken. Je pikt het lang niet zo gemakkelijk als tweede taal op, je moet het echt leren. Dat blijkt ook wel uit de muziekproductie: de hausse aan Vlaamse dialectpop lijkt aan Limburg grotendeels voorbij te gaan.

De Spaanse vrouw over wie ik het heb is Belle Pérez. Voor Vlaamse lezers behoeft ze geen introductie, en ook Nederlanders zullen haar naam wel kennen. We associëren haar met opzwepende, maar niet zeer diepgravende salsamuziek. Zomerhits, eigenlijk. Heel bekend werd “Que viva la vida” uit de film Madagaskar. Ook “El mundo bailando” deed het goed. Door haar achtergrond, uiterlijk en moedertaal werd Pérez vrij gemakkelijk als exotische attractie in de markt gezet.
  Zo eenzijdig wil je natuurlijk niet bekend staan, ook al word je er rijk en beroemd mee. Haar muzikale belangstelling reikt verder, en bovendien is ze niet in Spanje maar in Neerpelt geboren. Maar hoe druk je je verbondenheid met de Limburgs-Kempische grond uit als iedereen je kent als latinzangeres?
  Pérez besloot een liedje van Noordkaap te coveren, en dat te (laten) vertalen naar de dorpsspraak. Noordkaap? Een Nederlandstalige band rond mede-Neerpelter Stijn Meuris, de grote concurrent van Gorki (aflevering 48). Noordkaap greep net naast een eigen plekje, maar hun “Ik hou van u” komt nu dankzij Belle Pérez alsnog in mijn rubriek terecht:

Dit liedje toont de chansonkant van Stijn Meuris. Een 6/8-maat, een accordeon, het staat allemaal vrij ver van de popwereld. Laat u niet bedriegen: Noordkaap was wel degelijk een popgroep. Vergelijk dit nummer maar met de chanson-uitstapjes van De Dijk (aflevering 80).
  Nu Belle Pérez, met “Ich haaw van och”:

Misschien is het omdat zij het zingt, maar het valt mij nu op dat “Ik hou van u” eigenlijk een zomerhit is. Het is niet zomaar een liefdesliedje, de ikpersoon bezingt specifiek zomerse gevoelens. Als het weer meezit, houdt hij van u – en u, en u. Of dat voor Belle Pérez, bekend om haar zomerhits, een rol heeft gespeeld, is nog maar de vraag. Dit is een van de bekendere Noordkaap-nummers, iedere Vlaming zingt het probleemloos mee. Een logische eerste keus dus voor iemand die Noordkaap covert.
  Het chansonritme uit het origineel is losgelaten. Dat is beslist wel een persoonlijke keus van Belle Pérez (en anders wel voor haar). Ze is latinzangeres (al komen haar ouders niet uit Zuid-Amerika maar uit Spanje), en het Franse chanson staat haar minder goed. Ze bouwt het nummer nog niet om naar haar gebruikelijke salsa, maar naar de bossa nova.
  Deze Braziliaanse stijl met jazzinvloed op een sambaritme veroverde in het midden van de vorige eeuw de VS en West-Europa. Wij kennen haar vooral als een suggestieve maar rustige stijl, geschikt als achtergrondmuziek voor nachtclubs en casino’s. Belle eist hier veel meer van onze aandacht op, maar de tedere boodschap gaat goed samen met deze rustige muziek. Veel beter dan met opzwepende koperblazers.
  Dat Belle Pérez goed, ja zelf accentloos Nederlands spreekt, is te begrijpen omdat ze altijd in Vlaanderen gewoond heeft. Maar zelfs haar Limburgs lijkt accentloos, al ben ik geen Peltenaar en zou ik niet kunnen zeggen of het écht niet van echt te onderscheiden is. Dat roept interessante vragen op. Zou Pérez, ondanks haar leeftijd, geslacht en achtergrond, het dialect zelf weleens spreken? En hoe vaak?

Aan alles kun je merken dat dit een eenmalige breuk met haar gewone werk is. Niet alleen taal en muziekstijl verschillen, ook de presentatie is heel anders. Geen dansante clip op een zonnige locatie, maar een studio-opname in zwart-wit, waarin Belle vrij onflatteus haar hand op de koptelefoon houdt. Niet dansen maar luisteren, is het devies voor één keer. En wie luistert, hoort een mooie vrouw “ik hou van je” zingen. Dat willen we allemaal wel, toch? Aan het slot heeft ze zelfs een kusje voor ons over…

Honderd keer pop in je moerstaal (30)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 30.

Maandag kwamen we eindelijk, na weken van undergroundmuziek, uit bij een band die iedereen kent: Het Goede Doel. Het feest der herkenning gaat vandaag vrolijk door met Toontje Lager.
  We kennen Toontje Lager als het kleine broertje van Doe Maar, een band rond de charmant-verlegen zanger Erik Mesie. In feite waren beide bands onafhankelijk van elkaar opgericht en verschilden hun karakters in de begintijd aanzienlijk. Toontje Lager was bijna een cabaretgroepje, ontstaan in het Wageningse studentenmilieu. Bert Hermelink, toetsenist en drijvende kracht achter de band, wil maar een maand blijven spelen en noemt de groep daarom “Maandverband”. Uiteindelijk loopt het toch te lekker om te stoppen en wordt de band permanent. De naam verandert in Toontje Lager. In 1979 hebben ze de eer om de verzamelplaat Uitholling overdwars (zie aflevering 22) te openen met “Kontaktrock”.
  Het naamloze debuutalbum gaat in 1980 langs iedereen heen. Datzelfde jaar krijgt de band een nieuwe zanger: Erik Mesie lost Bert Vermaas af. Deze wisseling van de wacht is van grote invloed op het imago: de insteek verandert van cabaretesk naar soms uitgesproken romantisch. En dat terwijl het creatieve brein nog altijd Bert Hermelink is.

Toontje Lager scoort wel hits – je kent ze vast van “Stiekem gedanst” en “Zoveel te doen” – maar in tegenstelling tot Doe Maar is het meer een albumband. Hun eerste succesvolle album, Erop of eronder uit 1982, bevat maar één klein hitje. “Net als in de film” haalde de 31e plaats in de Top 40. Het album schoot daarentegen naar de 12e positie. Reden genoeg dus om ook eens naar de albumtracks van dit werkstuk te luisteren. Wat te denken van “Lente in Twente”?

Representatief voor Toontje Lager is het alvast niet. In plaats van de gebruikelijke synthesizerpop met reggae-invloed horen we een heus latinnummer. Rumba, calypso, salsa – ik weet niet precies hoe deze groove heet, maar vrolijk is het wel. Het was hun tweede album – misschien was de band in 1982 nog een beetje naar zijn vaste geluid aan het zoeken. De debuutplaat van Doe Maar zwalkt ook van stijl naar stijl en heeft ook veel latininvloeden.
  Iets anders valt ook op: we horen de stem van Erik Mesie niet. In plaats daarvan zingt Bert Hermelink zijn liedje zelf. De reden ervaren we snel genoeg: hij zingt over zijn vaderland Twente. Mesie kwam uit Arnhem; Hermelinks achternaam verraadt al meteen een Saksische achtergrond.
  Ergens is dat maar goed ook. De manier waarop hij de streek beschrijft, is nogal stereotiep. Zou een Twentenaar de volgende regels van een Randstedeling pikken?

     Als ik weer zo’n Tukker zie,
     Vol met bier en sympathie.

Zeker, de streek wordt positief beschreven en de mensen zijn aardig, maar ze kunnen ook niet van de Grolsch afblijven. Wéér zo’n Tukker vol met bier…
  Mocht je als luisteraar echt van kwade wil uitgaan, dan kun je er ook nog op aanmerken dat Hermelink, niettegenstaande zijn roots, wel erg Hollands klinkt. Een plattelandsjongen die naar het westen is vertrokken om te studeren en eens in het halfjaar (“na zo’n maand of zes”) weer in Twente komt om zich aan het platteland en de mensen daar te verlustigen.
  Ach, al valt nog wel meer op aan te merken. De tekst bepaald is niet vrij van stoplappen. En wat heeft Caribische muziek met Twente te maken? Maar voor het eindresultaat geeft dat allemaal weinig. Je wordt er vrolijk van. Tenminste, de meeste mensen. En vast ook de meeste Twentenaren. De uploader van het nummer noemt zich “Tukkie Tukker”. Maar klagers heb je altijd. André Manuel schijnt wat minder van dit nummer gecharmeerd te zijn…

Honderd keer pop in je moerstaal (21)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 21.

We zijn nu halverwege maart; ruim een vijfde van mijn rubriek zit erop. Tot nu toe hadden we voornamelijk liedjes uit Nederland (al dan niet naar een vreemd origineel) en een paar uit België. De verhouding zal nog wel een tijdje scheef blijven, maar ik vergeet mijn taalgenoten onder de grens niet.
  Er is natuurlijk nog een derde land met Nederlands als officiële taal: Suriname. Een land op de grens van Zuid-Amerika en het Caribisch gebied. Dan weet je muzikaal wel hoe laat het is: er moet gedanst worden, op een schat aan ritmische muziek met gemengde Afrikaanse, Europese en inheemse wortels. Zeker, het kleine Suriname mag trots zijn op zijn muziektradities.
  Toch zul je in deze rubriek niet heel veel Surinaamse muziek tegenkomen. Ten eerste heeft het land maar een half miljoen inwoners. Dat maakt de talentenpoel al kleiner. Ten tweede zingen ze vaak in het Sranantongo, de belangrijkste volkstaal van Suriname, en minder vaak in het Nederlands.
  Een ander punt is dat Surinaamse artiesten vaak goede muziek maakten, maar niet altijd pop. Ik had hier graag de muziek van Max Woiski sr. en jr. opgenomen, maar de kaseko – zo heet de belangrijkste Surinaamse volksmuziek – heeft naar mijn zin te weinig met popmuziek te maken. Geen “BB met R” of “Rijst met kouseband” dus.

In 1979 komt daar verandering in. De Surinaamse Bontjie Stars hebben dan een bescheiden hitje met “Madiwodo”.

Wat horen we? In wezen een rechttoe-rechtaan popliedje met een klein beetje syncopen. De steeldrum en de cornet zorgen voor een sterke couleur locale, maar echt Caribisch is dit nummer niet.
  Het is misschien geen toeval dat het door een Nederlander geschreven is. “Tekst en muziek van Peter Snoey”, vermeldt het hoesje duidelijk. Peter Snoey, dat is een Rotterdammer die we vooral kennen van reclameliedjes. Zo iemand kun je wel om een oorwurm sturen. Hoewel: drie minuten de aandacht vasthouden is wel wat anders dan vijf seconden eruit springen.
  Ook de tekst valt op. Hij is een beetje braaf. De meeste Surinaamse liedjes uit de jaren 60 en 70 zitten vol met schuine grappen. Dansbare muziek is vooral lichamelijke muziek, zoveel is duidelijk. De zanger van dit lied loopt bij wijze van spreken met bonbons en rozen naar zijn liefje, dat hij echt geen kwaad wil doen:

     Ma-di-wo-do-vrij-za-zo,
     Ik verlang naar jou toch zo!

En toch sloeg het liedje in. Het werd een hitje in Nederland, in Vlaanderen, en… in Suriname, waar men nog altijd madiwodo schijnt te zeggen als er een agenda bedoeld wordt. (Dit neem ik in vertrouwen aan van Vic van de Reijt, die hopelijk geen grapje maakte.)

We moeten oppassen al te grote conclusies aan dit liedje te verbinden. Er is meer Surinaamse muziek gemaakt, en ik ken er maar zo weinig van. Toch is het duidelijk onderdeel van een trend. Suriname gaat in deze tijd langzaamaan op buitenlandse genres over: reggae, soul of gewoon pop. Daar horen ook andere mores bij. De afloop kennen we: veel Surinaamse muzikanten zingen tegenwoordig liever over “een tuintje in mijn hart, maar alleen voor jou”. Maar allemaal? Nee. Genoeg anderen wilden niet van de dansvloer weg en hebben de kaseko tot op de huidige dag in leven gehouden. Wordt vervolgd.