Het ijzeren repertoire – 4

Dit jaar schrijf ik een serie stukjes rondom overbekende popliedjes. Dat doe ik omdat de muziekwetenschap de analyse van popmuziek nog vaak links laat liggen. Op die manier hoop ik lezers met heel andere oren te laten luisteren.

Een lekker gevoel voor timing heb ik niet. Wil ik eens inhaken op de muzikale activiteit, dan is er ofwel iets dat me ervan afhoudt, of ik denk er stomweg te laat aan. Voorbeeld? Dit jaar wordt Stockhausens Aus Licht groots uitgevoerd in Amsterdam. Ik zag al helemaal voor me hoe ik, gepromoveerd op ’s mans werk en deze cyclus in het bijzonder, als expert in de media zou verschijnen. Maar nee, dat liep even anders: ik onderbrak mijn werk en als ik straks mijn proefschrift verdedig, is iedereen Stockhausen alweer vergeten.
  Iets dergelijks overkwam me een paar dagen geleden. Ik bedacht me ineens dat ik een stukje over “Weekend” van Earth & Fire zou kunnen schrijven. Dat zou prachtig in mijn serie van overbekende popnummers passen. Klein detail: de aanleiding, het overlijden van toetsenist Gerard Koerts, vond al op 20 februari plaats. Lekker actueel…

Maar goed, dat neemt niet weg dat een liedje als “Weekend”, een hit in Nederland en ver daarbuiten, alles in mijn rubriek te zoeken heeft. Dat kan net zo goed begin maart als pakweg eind juni.
  Wel zal het voor de modale lezer even nodig zijn om op te halen wat Earth & Fire ook alweer voor een band was. Voor de goede orde: ook ik moest het allemaal weer even op een rijtje zetten. Het gaat tenslotte om een tijd die ik niet heb meegemaakt en Earth & Fire is geen band van het formaat Queen, waarvan je geacht wordt de hele catalogus te kunnen meebrullen.
  Earth & Fire, niet te verwarren met de Amerikaanse band Earth, Wind & Fire, stamt uit Den Haag en is daarmee een loot aan de Haagse beatstam. De eerste liedjes worden zelfs door George Kooymans van Golden Earring geschreven. Boegbeeld is de afwisselend onschuldig en verleidelijk ogende Jerney Kaagman, creatief hart zijn de tweelingbroers Gerard (toetsen) en Chris (gitaar) Koerts.
  Voordat we haar tekort doen: Jerney Kaagman was wel degelijk meer dan zingend behang. Ze was al zelfstandig bezig toen de heren Koerts haar voor de band vroegen, en toonde zich later een uitstekende zakenvrouw die het tot voorzitster van de stichting Conamus schopte. In die functie belandde ze in de jury van Idols, waar ze duidelijk naartoe gehaald was om wanprestaties af te kraken. Door de oude en nieuwe media werd ze vervolgens meedogenloos teruggepakt, vooral op haar wanhopige pogingen nog steeds vijfentwintig te lijken. Enfin, dat is allemaal voorbij. Tijd om gewoon weer naar de liedjes te luisteren.
  Een Haagse rockband met een oogverblindend mooie vrouw ervoor, dat doet denken aan Shocking Blue. Maar Earth & Fire was anders. Ze gingen mee op een modeverschijnsel dat begin jaren zeventig flink om zich heen greep: de progressieve rock. Toch verloren ze de pop daarbij nooit uit het oog. “Even progressieve als commerciële band”, zegt de Popencyclopedie van OOR over het gezelschap. OOR-deel zelf:

In 1979, het jaar waarin “Weekend” uitkwam, waren videoclips nog geen algemeen verschijnsel. (Popmusici laten die traditie vaak beginnen bij “Bohemian rhapsody” uit 1975; pas in 1981 waren er genoeg clips om MTV op te richten.) Muziekvideo’s uit die tijd tonen vaak nog gewoon een band die aan het spelen is, meestal op een in scène gezet concert. Natuurlijk stel je met Jerney Kaagman in een strak pakje al een hoop fans tevreden (bedenk even dat ze hier al 32 was, en dus wel degelijk haar sexappeal een tijdje heeft vastgehouden), maar jammer is het wel. De ikpersoon uit het lied gaat uit, komt een leuke man tegen maar wil hem niet alleen voor één nacht. Daar valt een prachtige clip van te maken. Een gemiste kans, zouden we vijf jaar later zeggen. Niet nodig, vond men in 1979.
  Door het gekozen band-die-staat-te-spelenformaat kunnen we precies zien wat mensen doen. Het liedje opent meteen met de betreurde Gerard, die de xylofoon bespeelt. Zo zie je meteen dat de band ook anno 1979 nog met een been in de progrock staat. Een xylofoon in een rockband: een beatmuzikant of een punker doet dat niet.
  Het liedje staat ook zeker met één been in de hitparadepop. Bij progrock denk je aan songs van minstens een kwartier (een hele plaatkant mag ook), gezongen door baardapen en met teksten over fantasy. Hier horen we een gewoon popliedje van drieënhalve minuut, met coupletten en refrein. Een knaller van een refrein, dat dit liedje tot de hit maakt die het werd. En dat ervoor zorgt dat iedereen het nummer wel kent, ook al heb je misschien moeite om de band en de titel te noemen. Zo “gewoon” is het dus ook weer niet: de broertjes Koerts hadden een heuse oorwurm in de pen.
  Hoeveel benen kan een liedje hebben? Ook de invloed van de disco is voelbaar. Die zit vooral in het visuele aspect (discolichten en Jerneys pakje), maar de invloed van de discomuziek – hét genre van de late jaren zeventig – ontgaat ons echt niet.
  Belangrijker is echter de invloed van de reggae. Daarmee laten de leden van Earth & Fire, babyboomers die al begin dertig zijn, pas echt horen dat ze nog steeds de tijdgeest aanvoelen. Let maar op de baslijn. Net Henny Vrienten. Voor de goede orde: Doe Maar was toen net opgericht, had Vrienten nog niet aan boord en had nog geen eigen stijl gevonden. Destijds was Bob Marley, die nog leefde, voor veel Europeanen in zijn eentje de reggae. De gemiddelde liedjesschrijver had het waarschijnlijk als voorbijgaand verschijnsel beschouwd. Of in elk geval als een genre dat in de hand van niet-Caribische uitvoerders belachelijk zou klinken.

Je kunt zeggen: ja, maar “Weekend” is helemaal geen reggaeliedje, al zit die invloed er wel in. En ik geef je gelijk. Het is pop. Maar wel pop met een cocktail aan invloeden. Als je een cocktail mixt, moet het resultaat te pruimen zijn én alle ingrediënten moeten iets bijdragen aan de smaak. En dat is nu precies wat Earth & Fire hier voor elkaar krijgt.

Honderd keer pop in je moerstaal (19)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 19.

De loopbaan van Alexander Curly loopt in veel opzichten parallel met die van Robert Long. Allebei werden ze in de jaren veertig geboren; op tijd voor Elvis en ruim op tijd voor de Beatles. Allebei namen ze een sprekend pseudoniem aan dat hun uiterlijk beschreef. Allebei begonnen ze met Engelstalig poprepertoire voor tieners, om daarna op Nederlandstalig werk voor volwassenen over te gaan. Allebei zagen ze hun muziekcarrière in de jaren tachtig inzakken (Long werd presentator, Curly trok zich uit het openbare leven terug). En allebei stierven ze op middelbare leeftijd aan kanker.
  Er is echter één groot verschil. Waar Robert Long bekend werd met bijtende geëngageerde liedjes die in brede kring waardering vonden, bestormde Curly de hitlijsten met pretentieloze albums als Vette jus en boerenjongens en dito liedjes als “Guus kom naar huus”. Long was links, Curly was rechts. Dat was je in de jaren zeventig al wanneer je liedjes nergens over gingen (“geen politiek is instemmen met de status quo en dus ook politiek”, vond men in die gepolariseerde tijd), maar sommige van zijn nummers (“Agessus”, over een Turk met een mes) geven ook daadwerkelijk blijk van een rechtse en zelfs een beetje dubieuze kijk op de wereld.

Robert Long ontbreekt in mijn honderd liedjes: ik vind zijn muziek te veel schlager en te weinig pop. Alexander Curly zou hier al helemaal niets te zoeken hebben, ware het niet dat hij één plaat heeft uitgebracht die totaal niet in de rest van zijn oeuvre past. In 1977 kwam hij met Zilverdael, een prachtig en volstrekt uniek conceptalbum over elfen, trollen en dwergen.

Zilverdael: een Nederlandse fantasy-plaat
Het verhaal is een redelijke rip-off van The Lord of the Rings, de vuistdikke Tolkien-klassieker die dat decennium iedereen in zijn greep hield. In het paradijselijke Zilverdael heerst vrede, totdat de trollen en de dwergen, twee volkeren die elkaar nooit konden uitstaan, zich verenigen en het land aanvallen. Vendor, de koning der elfen, ziet een overmacht oprukken en grijpt naar een paardenmiddel: hij gaat naar het dodenrijk om het Zilveren Zwaard te halen. Dit zwaard zal hem een zekere overwinning bezorgen, maar na zeven dagen zal hij sterven. Aldus geschiedt: net op tijd komt de koning terug en hakt de vijandelijke legers in de pan, wat hij met de dood bekoopt.

Conceptalbums waren dé mode in de serieuze popmuziek van de jaren zeventig. Eind jaren zestig was het album in de popmuziek langzaamaan belangrijker geworden dan de single. Pet sounds van de Beach Boys, Freak out! van Frank Zappa, Sgt. Pepper van de Beatles: het zijn platen waarop het geheel (de elpee) meer is dan de som der delen (de diverse losse songs). Van lieverlee gingen bands hele albums maken waarin één idee, soms zelfs één verhaal centraal stond. Deze mode associëren we vooral met de progressieve rock: de stijl van bands als Pink Floyd, ELO, Yes, Steely Dan, Led Zeppelin, Genesis en nog vele andere. Invloeden uit klassiek en jazz, lange songs, ongewone structuren, kortom: een poging om de rock te emanciperen.
  Ook de conceptalbums met fantasythema’s worden vaak met de progrock in verband gebracht. Dat is niet helemaal eerlijk: zoveel complete fantasyalbums zijn er niet gemaakt. Ze zijn er wel. Bo Hansen kwam met het prozaïsch getitelde Music inspired by Lord of the Rings. Relayer van Yes past ook in dat rijtje. Verder zijn het meer losse songs die in aanmerking komen. Het artwork en de muziek zijn vaak wel erg sprookjesachtig.

Progrock leefde, ook in Nederland. We hadden bands als Ekseption, Focus en Supersister, en alle drie haalden ze grote successen en zeker Supersister mag zich nog altijd verheugen in de goedkeuring van popkenners. Maar Nederlandstalige progrock? Die is er nauwelijks. Het liedje “Snotneus” van Bots komt in aanmerking. De Nederlandstalige plaat die nog het dichtst bij Zilverdael in de buurt komt is misschien Nacht en ontij van Boudewijn de Groot, een soort muzikaal hoorspel dat in 1968 langs alles en iedereen heen ging.

Alexander Curly moest voor Zilverdael dus grotendeels van onderop beginnen. Eén ding had hij alvast mee: progrock kent geen taboes. Alle invloeden en schema’s zijn mogelijk. Dat is natuurlijk ook een nadeel. Zie uit zo’n mer à boire maar eens de juiste muziek te vissen.
  Hoewel de progrock en het conceptalbum erg Angelsaksisch zijn, zoekt Curly zijn muzikale inspiratie vooral dichtbij huis. Het titelnummer, waarmee de plaat ook opent, herinnert aan Elly en Rikkert. Het tweede nummer had zo van Boudewijn de Groot kunnen zijn, wiens dictie grote invloed op Curly lijkt te hebben gehad. Maar wij bespreken vandaag het derde nummer, waarin de trollen zich voorstellen.

(Het vierde nummer, “Dwergenlied”, krijg je er gratis bij.)

Meteen in het begin wordt de toon gezet. Bas en drums geven een harde dreun op iedere tel, wat in de wereld van de gesyncopeerde rockmuziek nogal lomp en grimmig klinkt. Het geeft meteen het gewenste effect: het boze en weinig elegante volkje van de trollen schilderen. Als versterking wordt er een hoorspeleffect van stal gehaald: de morrende menigte.

     Wij zijn de trollen, wij zijn gemeen.
     Wie voor onze voeten komt, vertrappen wij meteen!

Verderop (vanaf 0:39) wordt de grimmigheid met een ander middel geschetst. Curly moduleert eerst van e-klein naar b-klein en dan onverwacht naar d-klein. In de toonsoort b-klein is de noot d een soort ontsnappingsclausule. Ze biedt een gemakkelijke uitweg uit de grimmige mineurtoonsoort naar het vrolijker D-majeur. Maar hier komt er bovenop die d weer een mineurakkoord! Weg ontsnapping. Curly moduleert nog een paar keer en komt zo weer bij e-klein uit. Merk en passant de harpglissandi op die dit stukje sieren: een klassiek instrument, een nieuwe aanwijzing dat we met progrock te maken hebben.
  Vanaf 1:56 komt er een andere wijziging in het spel: de maatsoort verandert van 4/4 naar 6/8. Eerst wisselen de maten nog, alsof de muziek twijfelt, en de luisteraar moet met een gitaarriff bij de les worden gebracht. De maatverandering gaat gepaard met een tekstuele wissel: ging het eerst nog over de trollen in het algemeen, nu zingen ze over hun massale opmars naar het Zilverdael.

     Honderdduizend trollen uit het verre diepe trollenwoud.
     Het elfenbloed zal stollen, elke elfenkop moet afgehouwd.
     Met ons valt niet te sollen, trollenbloed is als je ’t goed beschouwt
     IJskoud!

En dan, als hun leider Gloer ter sprake komt, blijkt het bij die trollen ook heel gezellig te kunnen zijn. De grimmigheid maakt plaats voor heuse schouder-aan-schoudermuziek met een blij mandolineloopje:

     Want Gloer is onze oppertrol.
     Gloer, hij weet alles beter.
     Gloer, die heeft een trollenhol
     En dat ruik je vanaf honderd meter!

Het mag duidelijk zijn: geen enkele invloed wordt geschuwd. Ook die van de Hollandse meedeinhits niet. Vader Abraham mag met Pink Floyd en Boudewijn de Groot mee in de cocktail die het verhaal van deze plaat moet ondersteunen. En hij zorgt voor de nodige vrolijkheid in dit verder zo serieuze verhaal. Want laten we eerlijk zijn: uit die afstotelijke trollen valt veel meer inspiratie te halen dan uit de perfecte elfen.

Zilverdael is origineel, goed doorwrocht en enig in zijn soort. Je kunt ervan houden of het helemaal niets vinden, maar het album verdient een plaats in de Nederlandse muziekhistorie. En toch is het behoorlijk onbekend. Ik verkeer al vijftien jaar tussen de muziekmensen, maar ik moet de eerste vakman of -vrouw die deze plaat kent nog tegenkomen. Hoe is dat in vredesnaam mogelijk?
  Waarschijnlijk bediende de plaat geen markt. Het grote poppubliek, dat de platen van de progrockbands kocht, knapte waarschijnlijk meteen af op de Nederlandse taal. De groeiende nichemarkt voor Nederlandstalige rock verkeerde in extreemlinkse hoek en zat niet op escapistische teksten te wachten. En Curly’s eigen publiek – ach, wat moesten de liefhebbers van “Guus kom naar huus” nou met een conceptalbum aan? Zijn andere albums kun je in bijna elke kringloopwinkel vinden, maar Zilverdael bleek zelfs onbekend bij de uitbater van tweedehandswinkel Reset Records – en geloof mij, die man kent wel wat muziek.
  Alexander Curly, maker van commerciële liedjes voor een Telegraafpubliek, volgde in 1977 voor één keer zijn hart en maakte deze plaat. Hij werd er niet voor beloond.

En toch: door Nederland loopt een onzichtbaar netwerk van mensen die deze plaat wél kennen. De vader van een schoolvriendje had deze plaat; zo kwam ik er zelf al op dertienjarige leeftijd mee in aanraking. De plaat is in de jaren negentig op cd heruitgebracht. Minstens twee mensen hebben de moeite genomen om haar op YouTube te uploaden, en onder de liedjes vind je diverse reacties. Ik hoop van harte dat die mensen hun voorkeur wat luider uitspreken. Dit magistrale werk verdient een plekje in de popgeschiedenissen en in ons collectieve geheugen!

Muse – Drones

Beter laat dan nooit: vandaag heb ik op mijn gemak Drones, de nieuwste plaat van Muse, beluisterd, en hoewel de muziekbladen hun recensies al lang en breed hebben gepubliceerd, zal ook ik mijn mening er nog over geven, al was het maar omdat ik langjarig liefhebber ben. (Zo, da’s nog eens een zin!)

Wat moet dat worden, dachten we drie jaar geleden toen The 2nd law uitkwam. Muse, toch al “niet van grote gebaren gespeend” (OOR Popencyclopedie), had zijn sound onderhand tot onmenselijke proporties laten doorgroeien en zijn rock volgestopt met flink aanzettende invloeden, van klassiek tot dubstep. Het volgende album moest haast wel een stap terug doen.

Die stap terug is ook gezet. De meeste liedjes op de plaat zijn echte rockers. Liedjes als “Dead inside” en “Revolt” zijn zowaar recht-toe-recht-aannummers met coupletten, refrein en redelijk bescheiden gitaarsolo. De nummers lonken naar de aanstekelijkheid van de glamrock en doen daarmee denken aan “Uprising” van The resistance. Veel andere nummers grijpen nog verder terug, op Origin of symmetry en Absolution.
  Muse is thans niet meer op zijn best als het de nummers vet wil aanzetten. “Reappears” klinkt log en topzwaar en slaagt er niet in te prikkelen, ook niet met de quasi-atonale gitaarsolo. Ook “Defector” gebruikt de grote middelen, maar het werkt allemaal niet meer zo goed als in Muse’ gloriedagen.
  De toon is door het werk heen natuurlijk pathetisch, maar de band kan ook een tandje terugschakelen. “Revolt”, een liefdeslied dat als synthesizerballad begint en als powerballad eindigt, zal ongetwijfeld sommigen te zoet in de oren klinken, maar tussen het gebruikelijke geweld is het een hele verademing. Een ontdekking bovendien: dit kunnen ze blijkbaar ook!
  De meningen zullen ook wel weer verdeeld zijn over het einde van de plaat. In “The globalist” komt de progrocker in Matthew Bellamy weer naar voren: het opent met een Morricone-moment (onheilspellend gefluit met de lippen boven sferische orkestbegeleiding), ontpopt zich na het voorspel als softrocknummer, wordt vervolgens een harde rocker om ten slotte uit te komen op een pianoballad, waarvan de muziek gebaseerd is op “Nimrod” uit de Enigmavariaties van Elgar. Natuurlijk niet voor niets: De verwijzing naar de Bijbelse jager ondersteunt de woorden “The greatest hunter will survive alone”.
  Of de band hier te pretentieus is of te veel hooi op zijn vork neemt, moet de luisteraar zelf maar bepalen. Ik kan het prima hebben. Te gortig wordt het mij alleen bij het slotnummer “Drones”, waarin Bellamy het Benedictus uit Palestrina’s Missa papae Marcelli covert en alle zes stemmen in zijn eentje zingt.

Tekstueel is dit album beslist beter te pruimen dan de voorgaande twee. Bescheidener, mag je wel zeggen. Op The 2nd law legde de band de wet van Kelvin volledig verkeerd uit, op Resistance voerden complottheorieën de boventoon. Ook hier lijken complotten de centrale gedachte: Drones, helse machines die veilig vanuit een commandopost iedereen kunnen vermoorden, gaan ons leven beheersen. Het woord “conspiracy” komt zelfs onbeschaamd naar voren in een tekst van Kennedy uit 1961, gesampled in “Defector” en uiteraard behoorlijk uit zijn verband gerukt. De strijd wordt hier echter niet alleen tegen een regering gevoerd, maar tegen de hele maatschappij. De hele maatschappij is doordrongen van deze ellende en de enige manier om te vluchten is om je van die maatschappij af te sluiten.
  De plaat valt mooi uiteen in vier elpeekanten die globaal elk een deel van het verhaal vertellen. Op kant A (“Dead inside”, “Mercy”) wordt de luisteraar geconfronteerd met de ontmenselijking (onder meer door een clichématige drilsergeant). Kant B (“Reappears”, “The Handler”) zoekt naar de achtergronden: je kunt deze liedjes horen als een aanklacht tegen de staat, maar ook als een (wat zwaar) verwijt aan je naasten. Kant C (“Defector”, “Aftermath”) gaat over de poging van de ik-persoon om uit de maatschappij te vluchten (in het geval van “Aftermath” samen met de geliefde). Op kant D (“The Globalist”, “Drones”) heerst de postapocalyptische sfeer.

Drones werd door veel recensenten negatief ontvangen, soms extreem negatief. Ook bij mij overheerst de teleurstelling. Er is op zich niet zoveel mis met dit album, en kwam het van een debuterende band, dan zou ik vast staan te juichen. Muse heeft echter in het verleden met een paar meesterwerken de lat enorm hoog gelegd en die lat wordt met dit album niet gehaald. Een nieuwe Muse-plaat, niets meer of minder. Goed genoeg voor de liefhebbers, maar vast geen klassieker.