Honderd keer pop in je moerstaal (75)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 75.

Af en toe komt er in deze rubriek een artiest of groep langs die zoveel kwalitatief goed en relevant werk heeft gemaakt, dat je gewoon niet weet wát je moet kiezen. Dat hebben we al gemerkt bij Boudewijn de Groot (drie onwaarschijnlijk goede platen), Normaal (een band van de heel lange adem) en recent nog met Marco Borsato (een niet-aflatende stroom hits, al jarenlang).
  Ook Daniël Lohues is zo’n artiest. De bard van Erica (Drenthe) scheerde in de jaren negentig al hoge toppen met zijn band Skik. Liedjes als “Op fietse” en “’t Giet zoas ’t giet” kennen we allemaal wel, maar de rest van hun werk (deels in het Standaardnederlands!) is de moeite ook meer dan waard. Daarna maakte hij twee elektrische bluesplaten met de Louisiana Blues Club, daarna werd hij singer-songwriter: een eenzame man die zijn eigen werk uitvoert en van wie we teksten over zijn eigen leven verwachten.
  Zeker in de laatste fase werd hij buitengewoon productief. Hij is zelf de baas en de muzikanten hoeven niet uit Amerika te komen, dat scheelt vast in de tijd. Hoe het ook zij: bijna elk jaar komt hij met een nieuwe plaat en een nieuwe tournee. Intussen staat de teller op vijf cd’s met Skik (verzamelaar Best tof niet meegerekend), twee met de Blues Club en tien solo.
  Zoals jullie weten ben ik afgestudeerd op de man. Dat maakt de keuze niet gemakkelijker. Welk liedje neem ik nou op in mijn lijst, van de honderden die hij op ons af heeft gestuurd? Ik besloot in elk geval niet voor de Skik-klassiekers te gaan. Er zijn popacts waarvan de bekendste nummers ook de beste zijn, maar Lohues zou je daarmee tekort doen. Een bluesliedje had best gekund – hoeveel elektrische blues is er nou helemaal in het Nederlands, laat staan het Nedersaksisch? – maar ik voel meer voor zijn solowerk. Als je ziet hoeveel soloplaten hij heeft gemaakt, dan kun je toch wel concluderen dat hij zijn draai in het singer-songwriterschap heeft gevonden.
  Ook staat vast dat het dan een plaat uit de Allennig-cyclus moet worden. Naar mijn mening heeft Lohues zich na dit vierluik, dat hij tussen 2006 en 2010 uitbracht, nooit meer overtroffen. De albums erna vind ik ook goed, maar ze hebben hun zwakke plekken. Bovendien is hij de laatste jaren wat in herhaling vervallen; daar was ten tijde van Allennig nog geen sprake van.
  De vier Allennig-platen zijn conceptplaten. De titel moeten we letterlijk nemen: hij voert alle nummers geheel alleen uit, met instrumenten die hij ook zelf in real time kan bespelen. (Er zijn dus ook geen sessie- of tourneemuzikanten.) In ieder deel staat één seizoen centraal. Niet alle nummers gaan over het weer of de kalender, maar de sfeer die er steeds van de hele plaat uitgaat houdt wel met het betreffende seizoen verband.

Dat ik de vier Allennig-platen zo goed vind, komt niet in de eerste plaats door de individuele nummers. Het komt doordat de platen als geheel nauwelijks inzakken, geen teleurstellingen bieden. Bovendien zijn ze door een keur aan gebruikte instrumenten en muziekstijlen erg afwisselend, maar weet hij toch een gevoel van verbinding te creëren.
  Het spreekt voor zich dat er veel van die beleving verloren gaat als ik maar één liedje opvoer. Niettemin kan “De ganzenkoning”, van het eerste Allennig-album, heel goed op zichzelf staan.

Het liedje verschijnt bijna aan het eind van de plaat (track 12 van 13). De luisteraar heeft dan al een hele reeks wonderschone, maar deels wel erg moeizame liedjes voor zijn kiezen gehad: over het gevoel van eenzaamheid, over de oprukkende verstedelijking, over twee verloren liefdes (waarvan er een zelfs vreemdgaat), over het bijna verloren geloof. En dan, opeens, worden we getrakteerd op een naïef, sprookjesachtig liedje over een ganzenkoning met buitengewone gaven:

     Midden in ’t bos woont ’n aole man.
     Gao d’r mar nie hen, hij is raar.
     Ze zeggen dat-e magische krachten hef,
     ja eigenlijk ’n soort tovenaar.

     Hij döt gien vliege kwaod, en dus ook gien mens,
     mar toch word der ook wel ’s zegd
     dat hij wel ’s snachts tegen ganzen pröt
     en ze an ’t metzingen kreg.

Uit de bovenstaande regels wordt ook wel duidelijk waarom Lohues, met en zonder band, zoveel succes in West-Nederland heeft. Hij zingt dan wel in het dialect, maar zijn Drents is voor een westerling veel gemakkelijker te verstaan dan bijvoorbeeld Limburgse, Groningse of West-Vlaamse muzikanten. (Drenthe is echt een taalkundige lappendeken; wat ik hier over ‘het Drents’ zeg gaat alleen op voor het dialect van Erica waarin Lohues zingt.) Veel mensen begrijpen het meteen, en anders kom je er met het tekstboekje wel uit.
  Hoewel, begrijpen? Dat je de tekst verstaat, wil nog niet zeggen dat je snapt waarover het gaat. Wie is die ganzenkoning? Hoe komt Daniël Lohues erbij om zo’n sprookjesverhaal op te voeren op een plaat die verder helemaal over zijn eigen leven gaat? En waarom nou net een koning der ganzen? Een interviewer die hem ernaar vroeg, kreeg het volgende te horen:

     Dat heeft met mij te maken en met ganzen, meer zeg ik er nog lekker niet over. Er komt nog een vervolgliedje op. Ik ben gek op ganzen en ganzen zijn gek op mij. Ik ga ’s nachts wel eens naar buiten om met ze praten, hun geluid is net muziek.

Is Lohues dan zelf die ganzenkoning? Je zou het gaan denken. Hij gaat net als de hoofdpersoon van dit lied ’s nachts naar buiten om met ze te praten. Maar daar stuiten we toch op een paar problemen. Ten eerste: meteen in de eerste regel gaat het over een oude man. Lohues was 35 toen dit nummer uitkwam. Er zijn mensen die zich dan al heel oud voelen, maar of dat voor hem ook geldt is zeer de vraag. Bovendien woont hij op de veenontginning, je moet wel erg veel fantasie hebben om daar een bos in te zien.
  Ik geef maar eerlijk toe dat ik sinds het klaarkomen van mijn masterscriptie de Lohues-interviews niet meer heb bijgehouden. Misschien heeft hij inmiddels al onthuld wie die ganzenkoning was. Maar misschien ook niet. In ieder geval heb ik er wel een theorie over, die niet hoeft te kloppen maar die past in de feiten zoals ik ze aantref.
  In zijn columns (voor het Dagblad van het Noorden) schreef Lohues meer dan eens over Bernd, een oude man die in het graafschap Bentheim woonde, net over de Duitse grens. De kennismaking verliep toevallig:

     Het dichte naargeestige dennenbosje waar ik vanwege mijn voorkeur voor nauwelijks betreden paden doorheen gelopen was, bleek de rand van een mooi groen grasveld waarin een paar fruitbomen stonden met bijenkasten eronder. Twintig meter verderop zag ik een klein huisje met een kastanjeboom er schuin links voor. Shit. Ik was maar zo in iemands tuin terecht gekomen. Een paar ganzen sloegen aan, en de deur van het vooroorlogse huisje sloeg open. Een klein oud meneertje met een platte pet op zag me staan.

Lohues komt er daarna vaker. De taal en het plattelandsleven scheppen een band, ondanks het verschil in paspoort en leeftijd. Of Bernd echt geleefd heeft, weet ik niet. Ik denk van wel, al zit er een hoop fantasie in de diverse columns. Later komt er nog een verhaal bij over een Amsterdammer, ene Sjoerd, met wie het juist niet zo klikt (boodschap: de landsgrens doet er niet toe, maar tussen stad en platteland gaapt een des te diepere kloof). Uiteindelijk gaat Bernd in eenzaamheid dood.
  Bernd was een oude man, hij had ganzen en Lohues bereikte zijn huis door een bos. De column over Bernds dood stamt uit 2005. Allennig verscheen anderhalf jaar later. Zou “De ganzenkoning” misschien een requiem voor Lohues’ oude vriend kunnen zijn?

Eén ding is zeker: het is niet alleen een publieksfavoriet maar ook een belangrijk deel van de hele cyclus. Het springt er meteen al uit, door zijn klassieke idioom (Mozart-achtige begeleiding, in de bridge afgewisseld door een neo-barokke sequens) en, zoals gezegd, door zijn naïeve tekst. Op deel II en III komt de ganzenkoning terug in twee piano-instrumentaaltjes met een romantisch karakter. De laatste cd mag hij zelfs afsluiten met “Ganzenkonings slaopliedtie”.
  Daarmee lijkt de betekenis van het liedje verder te gaan dan de betekenis van alleen de tekst. Lohues kan aan zichzelf gedacht hebben, of aan zijn oude vriend, of allebei, maar hij draagt ook de muziek op het hart. Het is voor ons niet zo’n bevredigend antwoord, maar de echte betekenis van “De ganzenkoning” is misschien wel gewoon dat het zo’n mooi liedje is…

Daniël Lohues – Moi

Dat Daniël Lohues bijna met de regelmaat van een klok nieuwe platen uitbrengt mag intussen bekend zijn. Alleen toen hij enkele jaren geleden Herman Finkers met Koo wit de floo hielp, schoot een eigen album erbij in, verder levert hij al sinds 2008 jaarlijks een plaat af, steevast van hoog niveau, met mooie liedjes die vaak het alledaagse overdenken. Slechte platen maakt Lohues niet. Fans en andere mensen die zijn nieuwe plaat Moi blind hebben gekocht, hebben ook dit jaar niets te vrezen: Lohues is nog steeds heel erg Lohues. Prima zo, want er zijn ook artiesten die hun fans acht jaar in spanning laten zitten voor een plaat die vervolgens het wachten niet echt waard bleek.

Voor zijn nieuwe werkstuk is de Drentse zanger-schrijver teruggegaan naar de formule van Allennig, het meesterlijke vierluik dat hij tussen 2006 en 2010 maakte. (Onlangs verscheen het op vinyl in een prachtige doos. Ik heb de cd’s al, maar alles in mij schreeuwt “hebbe-hebbe-hebbe”!) Op een enkel studio-effect na doet hij alles helemaal alleen, niet met de sessiemuzikanten die er de afgelopen jaren bij waren. De albumtitel is dubbelzinnig: moi is een Nedersaksische groet, maar je kunt het ook op zijn Frans opvatten en “ik” lezen. Een singer-songwriter wordt immers geacht over zichzelf te zingen. (Ook het album van vorig jaar, Aosem, was voor tweeërlei uitleg vatbaar: “awesome”.)
  De tekst en muziek doen weer vertrouwd aan. Begeleid met banjo, gitaar of piano, in een stijlenpalet variërend van cabaret met klassieke invloeden tot country en blues, zingt hij over de liefde, het platteland en de kleine en grote dingen in het leven. Wel heeft de tijdgeest vat op de Drentse muzikant: een paar liedjes tonen de grimmigheid van de huidige tijd. Terreur, oorlog en polarisatie maken deze plaat erg 2017.
  Midden op de plaat klinken liedjes over weer een verbroken relatie. Over de identiteit van zijn geliefden tasten we vaak in het duister, maar vorig jaar hoorden we dat hij een relatie had met zijn 15 jaar jongere collega Stéphanie Struik (ook bekend als Stevie Ann). “En toen kwam jij”, klonk het op Aosem. Is hun relatie intussen weer voorbij? Ligt het ingewikkeld? Of zingt de Drentse minnezanger hier over eerdere liefdespijn? Google biedt geen uitkomst. In ieder geval blijkt liefdesverdriet maar weer eens de vruchtbaarste bodem voor artistiek succes.

Dat Moi vertrouwd aandoet, is ook zijn grootste euvel. Het werk met de Louisiana Blues Club niet meegerekend is dit al Lohues’ tiende soloplaat, en steeds heeft hij zich binnen hetzelfde idioom begeven. Dat is geen ramp, want zijn muzikale blik was van meet af aan wijd en zijn platen bestrijken altijd meerdere stijlen. Maar je denkt wel steeds vaker: “waar heb ik dat liedje eerder gehoord?” Met de meesterwerken van eerdere jaren in je achterhoofd wordt het moeilijk om evenveel ontroering te voelen als in 2008 of 2011. Bovendien kent de plaat haar mindere nummers. Zo is Lohues niet op zijn best als hij breed uitgemeten knallers wil schrijven. “Maak joe waor” is een aandachttrekker, maar geen hoogtepunt, en doet daarin denken aan “Goed hööi komt zelden van slecht grös” en “Op ’t platteland”. Ook diverse tekstregels die niet of niet goed rijmen vielen me negatief op. Dat zijn we niet gewend van iemand die zijn taal zo goed beheerst.
  Niet alle nummers zijn inwisselbaar voor oudere. “Kom, dans met mij” heeft me bijzonder geraakt: het doet me denken aan een liedje van mij waarvan de blauwdruk al dertien jaar in mijn hoofd zit, maar dat ik nooit heb afgemaakt. Nu is het te laat, nu heeft de vakman het geschreven. Muzikaal ook zeer interessant is “Widukind” (over de laatste heerser der Saksen, die het tegen de Franken moest afleggen), waarin Lohues handig laveert tussen een traditionele, modale melodie en moderner muziekidioom. De tekst is vrij nationalistisch, en dat zijn we van de man die het nationalisme in zijn columns vaak afwijst niet gewend. “Widukind, Widukind / Zien geest weijt zachies op de wind.” Maar Lohues is natuurlijk gewoon Nedersaks en heeft reden genoeg om een speciale band te voelen met Groningers, Achterhoekers en Westfalers.

Wat ik van de plaat moet vinden, weet ik nog niet. Er zit geen sleet op Daniël Lohues, wel op zijn formule. Zijn albums beginnen op elkaar te lijken en dat is zonde. Voor iemand die hem niet (goed) kent is dit echter een prima instapplaat; net zo goed als alle andere. Laten we hopen dat de bard van Erica zich de komende jaren vernieuwt, dan kan hij weer jaren mee. Want aan zijn talent, werklust en veelzijdigheid zal het ook nu niet liggen.

Honderd keer pop in je moerstaal (10)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 10.

De jaren zeventig zijn begonnen. De Geboortegolf-generatie was nu midden twintig, en kwam tot een schokkende ontdekking: zelfs zij, de vurige pleitbezorgers van de nieuwe tijd, bleven niet “Forever young”. Na een leven van hedonisme en protest waar geen einde aan leek te komen begonnen ze toch… steeds meer op hun ouders te lijken. Werk zoeken, een huis kopen en een serieuze relatie aangaan. Zelfs Graham Nash en Joni Mitchell deden het: “Our house…. is a very very very fine house.”
  Jeugdige onbezonnenheid is een kwestie van hormonen. Tussen je twintigste en je dertigste koel je af en ga je de dingen genuanceerder bekijken. Maar de wereld was wel degelijk veranderd. Christelijk rechts had zijn greep op de westerse wereld losgelaten; in Nederland voerde Joop den Uyl zelfs een uitgesproken linkse regering aan. Verschillende hippie-idealen waren doorgedrongen tot de mainstreamcultuur.

Daar zit je dan als ex-hippiestel, anno 1973. Een huis aan een gloednieuw woonerf, een speeltuintje voor de deur, een zithoek met macramé en een telefoon die je zelf beschilderd hebt. Je gaat op de fiets naar je werk, niet in de Kever zoals je square oudere broer.
  De kleurrijke platenhoezen uit je wilde jaren sieren je woonkamer, en als je studievrienden langskomen zet je die platen nog regelmatig op. Maar wat laat je je kinderen horen? Niet die rommel uit de hitparade, maar toch ook geen Donovan of Procol Harum. Misschien Elly en Rikkert, twee generatiegenoten van je. In de jaren zestig waren die “een ding” in de hippiewereld, nu maken ze liedjes voor kinderen.

Het is treffend hoe gemakkelijk de naïeve hippiecultuur aansluit op de belevingswereld van kinderen: bonte kleurtjes, zorgeloos genieten, samen spelen. Zou dat de essentie van het hippiedom zijn: nooit in naam van de volwassenheid stoppen met de dingen die je als kind leuk vond?
  Maar naast de naïeve kant van het hippiedom komt ook de politieke kant naar voren. In niet mis te verstane woorden zelfs:

     Tijd om te spelen
     En alles te delen
     Want niets is van jou of van mij.
     Hoe kóm je erbij?

De jaren zeventig waren het decennium van de sociale wetenschappers, de -logen en de -gogen, en meer dan ooit geloofde men toen dat de mens door zijn opvoeding gevormd werd. Als je je kinderen in alle vrijheid en gelijkheid opvoedde, schafte hun generatie misschien eindelijk het kapitalisme en de oorlog af.
  Een gedachte die we anno 2017 nogal naïef vinden. Het is zelfs de vraag of het feelgood-links van Elly & Rikkert niet een beetje eng is. Je mág niet meedoen, je móét:

     Alles is vrij! Alles is vrij!
     Kom er toch bij! Waar blijf je?
     Hé, waar blijf je?

Geen exclusief sentiment voor de hippiegemeenschap natuurlijk, hoogstens typisch voor deze tijd (“Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder niet zonder ons [15×]”).

Het plaatje werd geen groot succes; net als “De kauwgomballenboom” twee jaar eerder bleef het steken in de Tipparade. Het muisje kreeg nog wel een staartje. Elly en Rikkert gingen, zoals wel meer hippies, op reis naar India, maar vonden er niet de spiritualiteit die ze zochten. De ware hippie, dat bleek Jezus Christus. Zo werden Elly en Rikkert na hun bekering de eerste sterren van de pas opgerichte Evangelische Omroep.
  Deze stap bleek funest voor hun oude publiek. Voor jong links Nederland was het christendom iets volkomen achterhaalds. De EO was al helemaal onbespreekbaar. Dat vonden zelfs je ouders en je kerkgaande buren zouteloze rotzooi. Voortaan kwam hun publiek alleen nog uit religieuze hoek.
  Veel ironischer kan het niet. Deze twee bloemenkinderen, schoolvoorbeelden van de tegencultuur uit de jaren zestig, kwamen uit bij een ideologie die in de jaren zeventig als hopeloos reactionair gold. Nu was het orthodox protestantisme, de opvattingen van Kuyper, Colijn en Van Agt, zelf een subcultuur geworden.

Peter Slager – Slik

“Let op mijn woorden: die gaat solo”, zeide mien docente Popmuziek Lutgard Mutsaers a in 2004 over Paskal Jakobsen. Bløf stoeng toen zò’n bitje op z’n ‘oôgtepunt qua roem en erkennienge: ‘eêl ’t land luusterde d’rnae en as poplief’ebber ko jen ’t nog maeke. “Is-ie z’n tekstschrijver kwijt!”, was ’t antwoord van eên van mien mee-studenten. Neênt, daer ao Mutsaers nie an gedocht: de typische teksten van Bløf, die-an nie bie iedereêne in de smaek valle mae d’n band wè z’n smoel geve, komme uut de penne van bassist Peter Slager. Misschien mochte ze dan saeme solo vedder?

Dit jaer is ’t dan zòver gekomme: Paskal Jakobsen én Peter Slager bin allebei solo gegae. Alleên: nie saeme, mae aollebei mee d’r eige project. En laeme maer eêrlijk weze: van Peter ao gin mens da verwacht. ‘Ie is zòas de meêste bassisten noga verlege, nie echt ’n podiumbeêste as Paskal, meêr iemand die-a in de schae bluuft. Dan moe je constant nae de konte van de zanger kieke, mae dat is vò zukke mensen beter as 40.000 man publiek recht in d’r gezicht.
  ’t Is dan ok nie vreêd da Peter de vurm kies die bie zò iemand ’t beste past: die van singer-songwriter. Stille, bescheie liedjes daerin ’n ver’ael verteld oor, en minder ’n show gebrocht. Vò dit project koos t’n vedder vò zien moerstaele, ’t Zeêuws van Dreister (Dreischor), Schouwen-Duveland. Da’s a ‘eêl wat. Je kan de taele nog zo goed spreke, je za toch opnieuw schrieve lere moete a je ’t meêr as twintig jaer in ’t ‘Ollands gedaen ei. En Zeêland is nie de beste provincie vo dit soort werk. Onderwiel dan ze in Friesland, Limburg en Oôst-Nederland an de lopenden band mee dialectmuziek kwaeme, bleef ’t in ’t zuudwesten groôtendeels beperkt toet streektroubadours en d’n boerenrockband Surrender. Mae kiek, ’n paer jaer vromme was t’r ineêns Broeder Dieleman uut Zeêuws-Vlaendere mee serieuze muziek de eige taele, dus noe wou Peter ’t ok wè’s probere.

Bløf wier in z’n tropenjaeren altoos aol ’n echte Zeêuwsen band genoemd, wat ze eigelek glad nie wouwe. Ze zoenge nie over Zeêland, nie in ’t Zeêuws en nie op ’n typisch Zeêuwse manier. En as ’t dan toch ins over Zeêland goeng, zòas in “Aan de kust”, dan was dat ironisch. Die schae ‘aelt Slager ‘ier avast in. Vanaf liedje eên is de setting Dreister en omstreken. Sterker nog: vanaf d’n titel a. Iedereêne die wè is mee baemisse in Zeêland is gewist, weêt dan d’r dan waerschoewiengsbordjes nessens de wegt stae mee ‘slik’ d’rop. De lèste jaeren moe d’r ‘modder’ vò in de plekke komme omdan die ‘Ollanders ’t aors nie zouwe begriepe; as dat deugaet, kan de plaettitel nog ’n daed van verzet ore. Mae goed, slik dus. En ‘windstil’ (“Ik ‘oôpte op de wind / Dat ’n m’n douwe zou zòas da kon as kind”). Of “As d’n diek straks breekt”. ‘Ie weêt ‘r mooie diengen mee te zeien: ‘oe at ’t in z’n eige durp toch ’n bitje tegevaolt, maer ok dat ’n nie zò noôdig de sterre ‘oef te wezen (zòas Paskal): “Oesters zonder paerels smaeke goed.” Ok as ’n gewoon zeit wat ’n bedoel, kom zien wiesdom goed uut:

   In de groôte stad bin ‘k ’n opgeslote beêst
   In zonsondergangen gloeie ‘ier nie nae
   Ik mis de polders en de dunen en de zeê
   En de zoute wind die deu m’n ‘arte raest.

Dat de man teksten schrieve kon wiste me van eiges a jaeren. Van z’n muziekkwaliteiten wiste me alleên dat ’n basgitaor speelde. Maer ’n ‘ei nog wè meer in z’n mars. Schrief je eve mee: gitaor, ukulele, guitalele, banjo, ‘akkebord, contrabas (ok gestreke eej!), piano, trapurgel, Shrutibox (trek’armonica) en percussie speelt ’n neffens de bas nog op de plaet! En live (bie de plaetpresentaotie donderdag in Middelburg) è’k ‘m ok nog ‘ommel zien spele. En o jae, zienge, dat doet ’n ok nog. Zien stemme is nie zò sterk as die van Paskal, mae zuver en vreêd expressief. Goed geschikt vò dit soort repertoire dus. En dienk jen eige maer in: d’r staet ’n cover van Tom Waits op ’t album! Dan weê’k toch wè welke van tweê da’k liever ore…
  In de muziek ‘ore men ’n antal singer-songwriters vromme. Deu zien veezieïg’eid (is dat ’n woord?) doet ’n an Daniël Lohues dienke. De plaete is ok op ‘tzelfde label as d’n dieën z’n solowerk uutgebrocht, en Slager gebruuk dezelfde sessiemuzikanten. In de media verschenen a vergeliekiengen mee Sufjan Stevens; da’s wè de groôste eêre die je ’n zanger-schriever bewieze kan. ’n Bitje de folk- of alt-country-‘oek gaet ’t zeker wè op. Dat maek d’n ‘oes trouwens a bos dudelijk: de foto’s komme uut Dreister en omgevienge, mae bie sommige plaetjes is ‘t, a je ’n bitje scheel kiekt, juust asof je ergest in ’t diepe zuie van de VS staet.
  Slager schrieft ‘eêl mooie liedjes, daerin d’n in de beste traditie mee weinig middels complete sfeerbeelden weêt te maeken. Eên dienk moet ’n misschien nog lere. Zien liedjes ‘ebbe nie vreêd vee hitpotentie. “As d’n diek straks breekt” komt ‘r nog ’t kortste bie, mae ’t bluuf nie in j’n ‘oôd ‘ange as “O, m’n bloedmooie Zeêland”, wat-a ’n vertaelinge van Ryan Adams (“Oh my sweet Carolina”) is. Nie “Aan de kust”, mae dát zou noe ins goed geschikt weze as nieuw volkslied! Ok “In de kouwe hrond” doet ’t goed, mae dat is dieën cover van Tom Waits. De pakkendste liedjes komme dus van aoren.
  Dat beteêkent nie dat de rest van de liedjes tweêderangs is. Nie alleên bin ze daevò vees te goed gemaekt, ze vurme ok saeme de plaete. Slik is ’n echte saemen’angende plaete mee ’n verbindend thema en ’n dudelijk verloôp, wat-a gae van d’n trugkeer nae ’t ouwerlijk durp toet an d’n doôd laeter: nog eên keer zwemme in zeê, en asjeblief nie alleêne. ’n Bitje somber, maer alla, dat bin me van die zanger-schrievers wè gewend.
  Schrieven in ’t Zeêuws ‘oeft ’n nie meer te leren. Ik docht eêst eve van wè: in ’t liedje “O m’n bloedmooie Zeêland” stae wè wat woorden die alleên rijme a je ze op z’n ‘Ollands uutspreekt. Mae live ao d’n aol uutgeleid dat ’n precies dat liedje eêst nae ’t ‘Ollands ao vertaeld, en toen docht: mae dat moet ik feitelijk op z’n Zeêuws zienge. In de aore liedjes is ’t andersom: d’r komme woorden in vò die in ’t Ollands nie rijme zouwe. Wat wè nog beter kan, is de spellienge. Die is nie zò consequent en liekt ’n bitje op gevoel gedae. Zou Peter deze recensie leze, dan eit ’n ‘ier de link nae de Schriefwieze(r) van Noe. Graeg gedae. 🙂

Eerlijk gezeid è ‘k deze plaete blind gekocht. Zò’n biezonder project wou ik ‘oe dan ok in ‘uus ‘ebbe, ‘oe ’t ok kloenk. ‘k È d’r gin moment spiet van g’oad. Wat meer is: ik kan ze iedereêne anraede. En dat zeie ‘k nie van aolle muziek die ‘k zelf goed vinde. A je fan bin van Bløf, oor je ‘ier vast blieë van. A je Bløf zò beu bin as gespoge spek, ‘oor je ‘ier wat-an ze nog meer kunne. A je van Zeêland ‘ouwt, ei je ‘ier je portie. A je internationaol gericht bin, is ‘ier ’n ‘eêl pront werkje Amerikaonse muziek. Kom noe nie an mee “Ik verstae d’r gin klap van”: de teksten zitte d’rbie, en wat-a je nie begriept, kan je an mien vraege!

Daniël Lohues – Aosem

“Denk mar nie veur mij”, zingt Lohues in de afsluiter van zijn nieuwe album. Ik moest denken aan het verwijt dat hij me maakte over mijn scriptie: er stonden allerlei onwaarheden in doordat ik dingen voetstoots had aangenomen c.q. ingevuld. Sindsdien kijk ik wel beter uit om overhaaste conclusies over andermans werk te trekken. Echter: helemaal kom je daar niet onderuit als je een plaat gaat recenseren.

Aosem heet zijn nieuwste album. De titel is natuurlijk Drents voor ‘adem’, maar lijkt net zo goed een knipoog naar het Engelse modewoord ‘awesome’ (een idee dat misschien uit West-Vlaanderen komt?). Vorig jaar heeft de Drentse zanger-schrijver bij uitzondering geen nieuwe plaat gemaakt. Inmiddels heeft hij zijn eigen label (Ericana, naar een eerder album), maar verder sluit dit album goed bij zijn voorgangers aan. De soloartiest Daniël Lohues wordt nog steeds bijgestaan door enkele vertrouwde begeleiders, al speelt hij soms alle instrumenten in deze studioversies zelf.

Tijdens de eerste twee liedjes krijg je de indruk dat hij naar het idioom van zijn oude band Skik terugkeert (Lohues kwam onlangs in de media melden dat een reünie van Skik niet voor de hand ligt – waarom zou je dan niet dezelfde muziek met andere mensen maken?), maar over de gehele plaat overheersen akoestische of bijna akoestische liedjes. In feite lijkt het idioom nog het meeste op de Allennig-platen – country- en bluesgrassachtige nummers wisselen subtiele pianoballads af. Toevoegingen als een strijkkwartet in twee liedjes kunnen dat niet verbloemen. (Geen kwaad woord over deze keuze trouwens, ze pakt uitstekend uit.)

Ook de liedteksten doen denken aan het Allennig-vierluik. Liefhebbers zullen zich nog wel herinneren dat de zanger toen vaak niet goed in zijn vel zat. Op Aosem overheersen ook diepe overpeinzingen: heeft de mens een vrije wil, heeft het leven zin, moet ik mezelf ambitieuze doelen stellen – allemaal vertrouwde kost voor Lohues-volgers. De teksten zijn misschien wel mooier dan ooit: wetenschappelijke inzichten over het einde van de zon (en daarmee ook de aarde en de maan) worden in eenvoudig en elegant Ericaas op maat en rijm gezet. De liefde is present als vanouds: meisje weg (“Slof”), nieuw meisje terug (“En toen kwam jij”). Henny Vrienten en Jack Poels vonden zichzelf al kinderlijk toen ze op 32- respectievelijk 36-jarige leeftijd weer verliefd werden, Daniël Lohues bewijst dat het ook op je 44e nog kan. “Belinda”, dat lijkt een liedje over een verbroken relatie, maar gaat dat niet gewoon over stoppen met roken?

Toch zijn de teksten somberder dan anders. Dat Lohues graag verre reizen maakt, dat weten we. “Eben weg” wil hij, ook hier weer. Maar in “Op de loop” lijkt hij serieus over emigreren te denken: ‘As ’t zo deurgiet gao ik nog ’s echt / Op de loop.’ Zou het de huidige tijd zijn? Zou Lohues zich zoveel zorgen maken dat hij echt uit Drenthe weg wil? Ronduit duister is de afsluiter “Let mar niet op mij”. Onheilspellende synthesizerklanken leiden naar een country-achtig liedje in mineur, dat zich moeizaam voortsleept rond een uitgeput klinkende tekst, om onbevredigend in de dominant te eindigen. Gothic americana noemt men dat in de VS, en het is voor het eerst dat Daniël Lohues, toch nooit te beroerd om alle soorten country te verkennen, dit genre op zijn eigen plaat gebruikt. Bovendien sluit hij zelden een plaat met een somber liedje af, wat het effect alleen maar bloedstollender maakt. We moeten bijna wel hopen dat zijn volgende plaat vrolijker is.

Eindoordeel? Eerst het punt van kritiek. Alles bij elkaar valt Lohues, de grootmeester van de Nedersaksische popmuziek, hier in herhaling. Vooral muzikaal bieden de meeste liedjes veel wat we al eerder gehoord hebben, zeker ook bij hem zelf. Maar de kwaliteit is weer uitstekend. Na ruim twintig jaar zit er nog altijd geen rem op Lohues’ inspiratie, na diverse projecten en talloze zijwegen is het niveau nog steeds niet gedaald. We kunnen gewoon weer naar de schouwburg om van een nieuw stuk Drentse topmuziek te genieten – maar had iemand daar van tevoren aan getwijfeld?

Armand & The Kik – Armand & The Kik

Even een bekentenis: van Armand kende ik tot voor kort alleen “Ben ik te min”. Ook als (zelfbenoemd) expert in de Nederlandstalige pop vond ik het jarenlang niet de moeite waard om de rest van zijn werk te onderzoeken. The Kik brak deze protestzanger voor ons open. Zij lieten hem al opdraven op hun debuutplaat (“Want er is niemand”) en brachten dit jaar met Record Store Day een single met hem uit. De twee liedjes van dat plaatje, “Snelle jongens” en “Fuck the blues”, bleken afkomstig van een compleet gezamenlijk album.

Armand en The Kik zijn in veel opzichten een goed koppel. Armand is in veel opzichten blijven hangen rond 1970, The Kik maakt muziek in de stijl van die tijd. Het was de Rotterdamse band dan ook wel toevertrouwd om deze Armandcomposities, merendeels afkomstig van verschillende oude albums, van beat- en psychedelica-arrangementen te voorzien.

Anders dan Boudewijn de Groot is Armand een echte protestzanger, die vermoedelijk ook niet boos wordt als je hem zo noemt. Engagement en maatschappijkritiek toont hij echter meestal niet met grote gebaren, maar met het alledaagse. ‘Trek je niet terug met zelfmedelijden’ is een veelgehoorde boodschap (“Waar is je glimlach”, “Fuck the blues”).
  Ook iemand die op zijn 69e nog steeds op industriële schaal wiet rookt en lang haar heeft, ontkomt niet aan het burgerleven: zonder schroom zingt hij (in “Giglied”) bezingt hij de vele benzinepompen die hij tegenkomt als hij na een concert met de burgerlijke, vervuilende auto huiswaarts keert. Het intellect wordt evenmin geschuwd: een liedje over de dood, die hij soms in het ziekenhuis in de ogen ziet, heet, met een verwijzing naar P.N. van Eycks gedicht De tuinman en de dood, “De weg naar Isfahan”.
  De grote wereldzaken komen wel om de hoek kijken, maar nooit met enge kreten als ‘kapitalisme’ of ‘revolutie’. Het dichtst in de buurt komt nog “Gemeengoed”, waarin Armand tekeer gaat tegen de grote jongens in alle sectoren (niet in het minst de muziekindustrie). Dit is echter een cover, de enige van de plaat, en wel van de extreemlinkse zanger David Rovics.
  Veelzeggend, want ondanks zijn ongenoegen lijkt de nuance Armand beter te passen. Zonder specifiek doelwit en met een algemene boodschap zijn zijn liedjes ook een stuk tijdlozer. “Ik heb te veel stellingen gehoord om er nog maar eentje te geloven”, zo klinkt het in “Te veel werelden”, en “Ik kan die tijd wel beter benutten / dan me door een of ander normenstelsel op te laten jutten” (“Ik heb het gevonden”). Dat laatste liedje ademt vooral de drop-outboodschap die in de hippietijd soms provocatief werd gepreekt: geen carrière maken, gewoon blowen. Het sarcasme druipt ervan af, maar wat de zanger echt wil, komen we niet te weten: spreekt hier Armand de grootverbruiker, of hebben we juist te maken met een lied tegen blowers wie de rest van de wereld niets meer kan schelen?

Muzikaal ademt de plaat de geest van de sixties, maar bepaald niet de geest van hasjiesj. De beatachtige rock is soms best stevig en in de liedjes “Te veel werelden” en “Waterfiets” bijna opgefokt. Wel ademt vooral kant B een sterk psychedelische sfeer, met blazersarrangementen, onaangekondigde tempowisselingen en vage teksten (bijvoorbeeld “Een mens is wat ‘ie geeft”). “Giglied” is zelfs een countrynummer – niet het eerste genre dat je met de protestgeneratie in verband brengt.
  De muziek is over het algemeen goed; er lijkt geen slecht liedje tussen te zitten. “Snelle jongens”, eerder dit jaar de A-kant van het singletje, springt eruit als pakkend liedje, “Een mens is wat ‘ie geeft” als muzikaal interessante song.

Hoewel Armand veel woorden nodig heeft voor zijn wijdlopige verhalen, en hoewel je je kunt afvragen of je na vijftig jaar protesteren niet een keer aan wat anders toe bent, is er al met al weinig op dit album aan te merken. Het zal waarschijnlijk geen klassieker worden, maar het is wel meer dan een curiosum. De bejaarde zanger en de hippe band vullen elkaars leemtes op en strijden niet om de meeste aandacht: die is gewoon voor Armand. Iedereen die zich afvraagt hoe zo’n samenwerking nou klinkt, kan het album rustig aanschaffen. Mocht deze plaats íéts bereiken, laat het dan zijn dat ik eindelijk eens ga kijken wat de Brabantse protestzanger de afgelopen veertig jaar heeft gemaakt.

Broeder Dieleman – Alles is ijdelheid

Dialectmuziek is al jaren een van mijn favoriete genres, en Zeeland was vijf jaar lang mijn woongebied. Op echt goede pop in het Zeeuws was het helaas lang wachten: ik heb natuurlijk niet alles gehoord, maar wat ik tot nu toe aan Zeeuwstalige muziek kende, bestond uit boertige ‘rock ’n lollbands’ en ‘streekroman-troubadours’.

Des te blijer ben ik nu met de eerste muzikant die zich kan meten met de grote namen uit de dialectpop, de eerste Zeeuws gezongen plaat althans die in de Randstad de aandacht trekt. Broeder Dieleman, een Zeeuws-Vlaming (Overkanter, Reservebelg) die in het Axels zingt, tekende bij het alternatieve label Beep! Beep! Back up the Truck en stond begin deze maand op Le Guess Who?, waar hij Alles is ijdelheid presenteerde.

Dieleman liet zich voor deze plaat inspireren door een groot aantal folk- en countryartiesten, en maakte zo acht liedjes (een negende sampletrack maakt de plaat compleet) waarin hij zich met gitaar of banjo begeleidt. Elk liedje krijgt extra aankleding door toevoeging van een tweede (vrouwelijke) vocalist, een klokkenspelletje, een harmonium, elektronische geluiden en samples uit preken. Liveversies van zijn liedjes bewijzen dat dit een goede keuze is: met gitaar/banjo alleen worden ze soms iets langdradig.

De sfeer op de plaat is hypnotiserend. De muziek eist je aandacht volledig op en de teksten zijn dan weer beklemmend, dan weer troostend. Er spreekt nostalgie uit naar de geborgenheid van zijn jeugd, maar ook angst en eenzaamheid. Centraal staat het dunbevolkte polderland, en het zware gereformeerde geloof. Een geloof dat letterlijk doorklinkt in verschillende samples (vooral in het verder instrumentale ‘Zingen bij beurte’), maar waarvan hij ten slotte lijkt afgestapt: het laatste liedje is veel pastoraler en draagt de zeer katholieke titel ‘O.L.V. in de polder’. De teksten zijn niet overdreven vaag, maar laten soms te raden over. Broeder Dieleman houdt in elk geval van vogels (‘Aolle veugels van de zee vliege langzaam mee je mee’) en voelt zich, zoals meer mensen uit zijn streek, afgesneden van de rest van Nederland (‘De Schelde wordt de Jordaan’). Details over zijn liefdesleven of politieke overtuiging komen we niet te weten.

Alles bij elkaar is Alles is ijdelheid een prachtige debuutplaat: de teksten niet clichématig en niet te hoogdravend, de muziek niet te standaard en niet te artistiekerig en een goede balans tussen somber en weldadig. Op zijn volgende platen zou hij iets meer variatie in zijn liedjes kunnen leren brengen, maar dat is de enige kritiek die ik op dit album te leveren heb.

‘Duuzend veugels’ op YouTube: