Honderd keer pop in je moerstaal (55)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 55.

Onlangs hadden we met Normaal een act die al in de jaren zeventig hoge toppen scheerde, maar die pas in deze rubriek opduikt tussen de zangers en groepen van de jaren negentig. Gewoon, omdat Normaal jarenlang relevant bleef en andere hits dan “Oerend hard” ook weleens voor het voetlicht mogen komen.
  Voor de artiest die we vandaag behandelen geldt ongeveer hetzelfde. Raymond van het Groenewoud, een Belg met Nederlandse ouders, droeg jarenlang de Belpop bijna in zijn eentje (eenlingen zoals we ze in afleveringen 12, 18 en 20 zijn tegengekomen, waren op de lange duur geen partij voor hem). Zijn carrière was verre van gelijkmatig, maar zijn grote successen – artistiek en commercieel – zijn verspreid over een lange periode.
  In de eerste jaren moest het publiek nog wennen aan Vlaamse rock. Die platen werden geen doorslaand succes, maar haalden later wel een klassieke status. We hebben dat eerder geconstateerd: Vlaanderen had de echte revolutie nog niet doorgemaakt. Dat traditionele Vlaanderen is precies het onderwerp van Van het Groenewouds eerste hit, “Vlaanderen boven”, uitgebracht in 1978, op het moment dat dit gebied juist met een inhaalslag bezig is. (Het jaar van de eerste HUMO Rock Rally, bijvoorbeeld.) Dan komt in 1980 “Je veux de l’amour”. Meteen het jaar daarna “Chachacha”. Begin 1991 is het dubbel raak met “Meisjes” (een kleine hit, maar een grote klassieker) en “Liefde voor muziek” (wat zelfs in Nederland op nummer 1 komt). Tot slot krijgen we in 1995 “Twee meisjes” – geen hit, maar wel een onverwoestbare klassieker.

Te aardig om hier niet te citeren is wat muzieklijstjesmaker Vic van de Reijt over dit lied schreef. Hij haalde daarvoor cabaretier Wim Kan aan. “Een viool, dat vind ik zo gevoelig. Weet u wat ik nou nog gevoeliger vind? Twee violen.” Van de Reijt parafraseerde dat vervolgens met “‘Meisjes’ was al zo mooi, maar met ‘Twee meisjes’ wist Van het Groenewoud zichzelf te overtreffen.”

Mooi is het zeker. Maar als ik niet verder kwam dan “Dit nummer is heel mooi”, zou ik mijn mastertitel in de muziekwetenschap niet waard zijn. Laten we daarom een analyse maken van het liedje, en proberen de vinger achter zijn schoonheid te krijgen.
  We horen acht maten waarin nog weinig gebeurt. Op een piano wordt een melodie in octaven gespeeld, terwijl de basgitaar de bastonen speelt. Geen spoor van een ritmisch patroon of een tegenmelodie, de bas speelt echt alleen maar een enkele bastoon van elk akkoord.
  De volgende acht maten zijn identiek, behalve dat Van het Groenewoud nu de melodie overneemt. We weten nu dat het liedje over twee meisjes op het strand gaat, die van een prins dromen.
  Daarna volgen weer twee keer acht maten met hetzelfde akkoordschema. Zonder zang, maar nu met ritmesectie. De piano speelt nu niet de zanglijn, maar meer een gewoon voorspel. Het nummer is nu zogezegd pas echt begonnen.

Pas nu wordt het tijd voor een volledig couplet. Al die tijd bleken de acht maten die we hoorden onderdeel te zijn van een klassiek Tin Pan Alley-schema: 32 maten opgebouwd volgens het schema AABA, waarna het akkoordschema herhaald kon worden. De maten uit de inleiding en het voorspel waren de A, het gedeelte over “twee meisjes op een plank” is B.
  De tekst gaat door bij het moment dat de meisjes van een prins dromen. Van het Groenewoud bereikt een komisch effect doordat de volgende regel “Ze zoeken in hun tas” luidt. Alsof de meisjes hun prins in hun handtas denken te vinden.
  Op mij heeft de tekst een wat ouderwets effect. De meisjes met modebladen en handtassen, ik zie ze meteen gepermanent voor me. Misschien omdat ze zo traditioneel van een prins dromen (kunnen ze zichzelf niet redden?). Hoewel de surfplank redelijk modern is (zeker als er meisjes op staan!), doet het me toch denken aan de jaren zestig: ansichtkaart uit Zuid-Europa.

Zoals gezegd: na het couplet verwacht ze weer een nieuwe rondgang van het AABA-schema. Dat gebeurt. Maar daar houdt het op. Geen zang, geen tussenspel, alleen ritme en akkoorden. Wat is er aan de hand? Vindt Van het Groenewoud deze akkoorden zo bijzonder misschien, of is zijn inspiratie op?
  Nee, het ontbreekt hem niet aan inspiratie. Er komt nog een rondgang van de 32 maten, en nu komt de elektrische gitaar erbij. Vroeger, in het Interbellum, improviseerden jazzmusici al heel graag op Tin Pan Alley-songs, omdat de steeds terugkerende 32 maten een eersteklas basis vormden voor improvisaties. Je nam de akkoorden en improviseerde er een solo over. Raymond van het Groenewoud doet het anno 1995 ook; hij kent duidelijk zijn klassiekers.
  Maar wat voor een solo! De zwaar vervormde gitaar komt als een donderslag bij heldere hemel, een donderslag die nog veel harder inslaat doordat er de 32 maten daarvoor niets is gebeurd. De melancholieke, maar serene sfeer uit het lied slaat om in een verontrustende, onvoorspelbare uitbarsting.
  Wat is er aan de hand? Hangt die twee meisjes, die daar zo rustig zitten te lezen en het water in gaan, iets engs boven het hoofd? Misschien. Maar nog waarschijnlijker lijkt het me dat de verteller iets boven het hoofd hangt. Van het Groenewoud was toen hij dit nummer schreef al 45. Dan is, in elk geval lichamelijk, het beste er echt wel vanaf. Misschien is hij alleen, of ontevreden met zijn leven. Voor zich ziet hij twee meisjes in de bloei van hun leven, die hij niet kan krijgen (de prins van wie ze dromen, dat zal hij wel niet zijn), en wier bloei hij zelf ook niet meer zal doormaken. Hij ziet zijn tijd alleen maar wegtikken:

     De dag brengt ouderdom.
     De nacht brengt vreemde uren.
     Het deken is zo zwart.
     Een bladzijde slaat om.

Honderd keer pop in je moerstaal (48)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 48.

“Blijkbaar wil u eens Gentse Feesten houden. Maar als u Raymond ook komt halen, breken we Sint-Baafs af. Afgesproken?” Deze tweet aan het Opperwezen slingerde Lieven Scheire, Gentenaar en maker van populaire wetenschapsprogramma’s, eind 2014 de wereld in. De stad had in één jaar afscheid moeten nemen van Walter De Buck (de kunstenaar die de Gentse Feesten omtoverde van een oubollig volksfestijn tot de grootste culturele happening in de Benelux), Jan Hoet (de mediagenieke kunstkenner die Gent zijn Stedelijk Museum voor Actuele Kunst had gegeven) en Luc De Vos, de frontman van Gorki.
  Die klap kwam hard aan. Deze drie mannen hadden er mede voor gezorgd dat het voorheen zo provinciaalse Gent nu de plek is waar je moet wezen. Maar Hoet en De Buck waren op leeftijd. De dood van Luc De Vos kwam veel harder aan: hij was pas tweeënvijftig. Bovendien was hij het culturele knuffeldier van heel Vlaanderen: zowel de popliefhebbers als de massa liepen met hem weg.

Een beetje ironisch is het wel. Ten tijde van de doorbraak in 1992 stond De Vos vooral bekend als die zanger van bijna dertig die nog bij zijn moeder in het achterlijke Wippelgem woonde en sinds zijn eindexamen niets had uitgevoerd. Bij zijn dood had hij al zijn Vlaamse collega’s ruimschoots in naam en faam ingehaald en was hij bijna heilig – een status die met zijn voortijdige dood alleen nog maar groter werd. Toch zijn juist de liedjes van het debuut altijd de bekendste gebleven, hoeveel moois hij daarna ook schreef.
  Dat was vooral te danken aan het onwaarschijnlijke succes van dit debuut. begin jaren negentig was Nederlandstalige pop in Vlaanderen een enorme rage. Die rage was op gang getrapt door Clouseau (zie aflevering 42), maar ook minder toegankelijk werd deed het inmiddels goed. Nadat Gorki op de Gentse Feesten kwam en derde werd op Humo’s Rock Rally (zie ook aflevering 20; eerste werd trouwens concurrent Noordkaap), werd De Vos overal voor gevraagd. Zelfs voor Tien om te Zien, het schlagerprogramma van de VTM. Gorki haalde met een kunstzinnig, gelaagd, subtiel album dubbel goud – dat kan alleen als alles tegelijk goed gaat en zo gaat het niet 20 jaar lang.
  Helaas ben ik geen grote kenner van zijn werk (of beter: het werk van Gorki, maar Luc De Vos was Gorki), dus mijn keuze is niet op diepgaande kennis gebaseerd. Toch wilde ik niet gaan voor hun allerbekendste nummer, “Mia”. Iedereen die een liedje van Gorki kan opnoemen (in Vlaanderen de voltallige populatie, in Nederland een select plukje popkenners) noemt als eerste “Mia”. Ik wilde daarom gaan voor “Lieve kleine piranha”. Maar uiteindelijk is ook dat een afgezaagde keuze (hun één-na-bekendste nummer). Bovendien, zo bleek uit de biografie van De Vos die Leon Verdonschot dit jaar uitbracht, valt er over “Mia” een stuk meer te vertellen. Dus moet het maar “Mia” worden – een feest der herkenning voor velen, een spoedcursus Vlaamse muziekcanon voor anderen.

Een bezwerende ballad. Als zodanig is het een atypisch nummer voor de band. Zeker het debuut – de band heette toen nog Gorky en de plaat heet ook zo – staat vol met harde rockers in eenvoudige schema’s met diepgaande teksten. ‘Psychedelische schlagers’, merkte iemand destijds op.
  “Mia” begon ook hard en snel. Niemand was er eigenlijk echt van onder de indruk. De band en producent Wouter Van Belle besloten de song niet op de plaat te zetten. Tegen het einde van het opnameproces gaven ze het nummer toch nog een kans: probeer het iets langzamer. De band ging er helemaal in op, en Van Belle ging spontaan op de piano meespelen. Mooi, vonden ze dat, zo mooi dat het nummer mét piano op de plaat zou moeten. En zo geschiedde. Van Belle drukte op “record”, liep naar de piano en speelde zijn partij in.
  Er is nog meer atypisch aan dit nummer. De meeste nummers zijn van a tot z geschreven door De Vos. Hier komt het gitaarloopje van drummer Geert Bonne, die samen met De Vos en bassist Wout De Schutter de band volmaakte. Trouwens: Bonne en De Schutter zijn op de rest van de plaat niet te horen. Ze konden er niet veel van, was het oordeel van het productieteam, dus moesten ze maar door sessiemuzikanten vervangen worden. Geen wonder dat deze twee na de tour helemaal werden afgedankt en Gorki voortaan compleet om Luc De Vos draaide. Op “Mia” zijn ze echter wél te horen: de bas komt van Wout, de drums van Geert.

De tekst is minder atypisch. Poëtisch en onbegrijpelijk, zoals dat hoort in de Nederlandstalige rock. Zoals meer Vlamingen van zijn generatie was De Vos batavofiel. Zijn inspiratie kwam niet van De Kreuners of Raymond van ’t Groenewoud, ook niet van streekgenoot Ivan Heylen, maar van Tröckener Kecks en The Scene (vorige week in afleveringen 45 en 46 voor het voetlicht gebracht). Deze bands bewonderde hij en hun ondoordringbare teksten nam hij als voorbeeld.
  Toch is er een verschil. Bij The Scene of pakweg bij Bløf zijn de teksten vaak hermetisch: het verhaal zit ingepakt in allerhande vormen van beeldspraak, die je als het ware moet ontcijferen. Bij Gorki bestaat de tekst uit op zich begrijpelijke zinnen die niet lijken samen te hangen. De luisteraar moet het verband tussen die beelden zoeken en zodoende uitmaken wat er gebeurt.

     De middenstand regeert het land,
     beter dan ooit tevoren.
     Mia heeft het licht gezien,
     ze zegt: niemand gaat verloren.

Wie is Mia, die al in het begin om de hoek kwam kijken? Een Jehova’s getuige of een andere bekeerlustige christen? Een socialiste, die ons uit de greep van de middenstand wil halen? Of gewoon een sociaal iemand die de hongerige hoofdpersoon wil helpen? We moeten het erbij verzinnen. Eén ding staat wel zo goed als vast: het is geen autobiografisch lied. Luc De Vos had voordat hij beroemd werd niet het minste succes in de liefde. Misschien speelde dit zich in zijn fantasie af?

Het lied heeft nog wel meer geheimen. Het is welbeschouwd nogal saai: vijf minuten lang gaat het door op een vrij simpel gitaarloopje en een armoedige progressie (vi – V – I). Het pianospel dat daarop varieert is niet bijzonder geïnspireerd – ik zou het misschien zelfs wel beter kunnen. Maar in zijn imperfectie heeft het nummer iets subliems, iets waardoor het enorm blijft hangen. Onder het lezen van Verdonschots boek had ik constant “Mia” in mijn hoofd (en geen ander Gorki-liedje). Het is niet alleen Gorki’s bekendste nummer, het is een handtekening voor hun hele oeuvre, ja zelfs voor de Vlaamse muziek als geheel. De muziekindustrie van Nederlandstalig België reikt jaarlijks de Music Industry Awards uit – als je dat afkort, krijg je…

Op De Vos’ uitvaart in de OLV Sint-Pieterskerk – de muzikant was zijn leven katholiek gebleven – klonk het nummer ook. Maar niet uit de luidsprekers. Het was de Capilla Flamenca, een a cappellagroep in de beste Vlaamse traditie, die haar eigen versie uitvoerde. In het Latijn, waarin Mia Rosa heette en niet Elvis maar de feniks blijft bestaan. De Vos was heilig verklaard, zijn werk had de gedaante van kerkmuziek aangenomen.

     Equites cives gubernant,
     melius quam olim antea.
     Rosa lucem conspexit,
     ait: Nemo umquam peribit.

Honderd keer pop in je moerstaal (44)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 44.

België heeft veel te bieden, maar voor de zee hoef je er niet naartoe. Niet als Nederlander tenminste. Zestig kilometer kust heeft het land maar, en die zestig kilometer zijn vrijwel van het begin tot het eind volgebouwd. En dan bedoel ik ook echt: volgebouwd. Het begrip “duin” is er onbekend; van Knokke naar De Panne loopt één doorgaande boulevard met vaak niet de smaakvolste gebouwen.
  Toch gaan de Belgen elk jaar weer massaal naar het strand. Ze gaan echter niet allemaal naar dezelfde plaatsen. Knokke bijvoorbeeld is een plaats voor rijke patsers die in golfkarretjes naar de bakker gaan. De Haan is voor mensen met oud geld. Gezinnen met kinderen gaan vaak naar De Panne, natuurlijk vanwege kabouter Plop. En Blankenberge, zo wil het cliché, trekt johnny’s en marina’s, Vlaamse sjonnies en anita’s, de stadse volksklasse uit Brugge maar nog veel vaker uit Antwerpen.
  Toen “popcabaretier” Hugo Matthysen in 1990 een single “Blankenberge” uitbracht, waren die associaties dan ook niet van de lucht. Een Vlaming hoeft de naam “Blankenberge” maar te horen of hij schiet spontaan in de lach, bedolven onder associaties als tatoeages, trainingspakken, luidruchtige disco’s en een overvol strand.

Helaas blijkt het origineel van “Blankenberge” niet meer op YouTube te staan, de eerste keer dat me dat in deze rubriek overkomt. Geblokkeerd vanwege auteursrecht, want aan de populariteit van de song ligt het niet. Er staan genoeg filmpjes van mensen die het liedje zelf spelen, tot aan een piano-instructiefilmpje toe. En – vooruit dan – een professionele cover door tienerband X!NK.

Het is in ieder geval een stevige rocker, die ook in deze matige geluidskwaliteit nog lekker je luidsprekers uit schalt. De tekst wordt ondertussen gesproken, gerapt kun je beter zeggen, om er vooral maar verstaanbaar en energiek uit te komen.
  De ikpersoon van het lied gaat als tiener op vakantie met zijn Nancy (zou die zo hebben geheten als het niet moest rijmen?), alleen omdat zij dat wil:

     Ik zei: “Schat, wat valt daar nu te beleven?
     ’t Is vast nog fakker in Maaseik of Deurne-Zuid.”
     Zij zei: “Makker… luister nu eens even:
     We gaan naar Blankenberge of ik maak ’t uit!”

Het bijvoeglijk naamwoord fak is mij onbekend, dat zal wel Vlaamse jongerentaal uit de jaren tachtig zijn. Maar eenmaal aangekomen lijkt het mee te vallen. Zomaar wat regels uit het vervolg: “Blankenberge Blankenberge, wonderschone stad”; ” ’t Was tof in Blankenberge, we hadden veel plezier”; “Het weer was altijd schitterend en Nancy was in vorm” en zelfs “Blankenberge paradijs, hier staat je grootste fan!”
  En toch: een béétje ironie kunnen we wel bespeuren. Er is wel erg veel volk op het strand en het gaat om weinig meer dan seks en drank:

     IJs met nootjes, vissersbootjes, zwemmen in de zee.
     Duizend dikke Duitsers zwommen vrolijk met ons mee.
     ’s Avonds nog wat cocktails en daarna hup in de tent,
     Jaja, die Nancy heeft mij die drie weken meer dan flink verwend!

Ik weet niet of deze single de aanleiding was, maar sinds de vroege jaren negentig heeft de stad Blankenberge zich uitgebreid ingespannen om van zijn ordinaire imago af te komen. Uiteraard mocht het niet baten: een slechte reputatie raak je niet zomaar kwijt. Burgemeester Patrick De Klerck zei het in 2012 zo: “Wist u dat wij bijvoorbeeld een reeks echte pareltjes uit de Art Nouveau huisvesten? Dat de haven helemaal vernieuwd en opgeknapt is? Neen, dan schrijven de kranten liever dat we de meest banale badstad van de kust zijn.”

Hugo Matthysen kreeg er, naast de media, hoogstpersoonlijk de schuld van. Uiteraard wist hij zich van de prins geen kwaad: “Ik noem de stad de parel aan de kust, en een wonderschone stad. In plaats van kwaad te zijn, zou Blankenberge net ongelooflijk blij moeten zijn dat ik een lied aan de stad gewijd heb. Daarmee zet ik ze in het rijtje van Londen, Parijs en New York.”

Honderd keer pop in je moerstaal (43)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 43.

Afgelopen donderdag kondigde ik het al aan: wat je ook van Clouseau vindt, ze hebben wel voor een nieuwe Nederlandstalige rage aan beide kanten van de landsgrens gezorgd. Het is dan ook niet zo vreemd dat we daar de komende weken de vruchten van gaan plukken. Veel van de bands en artiesten uit deze nog te schrijven afleveringen waren zonder Clouseau nooit doorgebroken; sommige hadden misschien niet eens bestaan.

In april 1990 kwam er een Vlaamse band de Top 40 in, de Kreuners, met “Ik wil je”. Is dat zo’n groep die opkwam in het spoor van Clouseau? Nou nee. Ze waren al in 1978 opgericht en speelden meteen dat jaar op de eerste HUMO’s Rock Rally (zie ook aflevering 20). De keuze voor het Nederlands zal wel zijn ingegeven door Raymond van ’t Groenewoud, en eventueel door Big Bill. Al begin jaren tachtig werden ze een grote naam, even bekend als Arbeid Adelt! (aflevering 36) en commercieel een stuk succesvoller, al haalden ook hun singles maar een bescheiden hitsucces.
  In vergelijking met de mannen van Marcel Vanthilt was de band rond Walter Grootaers (ja, zo heet die man, kan ik ook niets aan doen) een stuk conventioneler. Toch maken ook zij niet echt onbevangen popliedjes. Zoals dat gebruikelijk was in de Vlaamse popmuziek, moest er een uitdagend randje om hun songs, zeker wanneer het Nederlands de zangtaal was.
  Toen kwam daar Clouseau en werd niet alles, maar wel veel anders. Ongecompliceerde pop in het Nederlands, door een Vlaamse band, het bleek gewoon te kunnen en bovendien goed te klinken. Een heuse paradigmaverschuiving. Arbeid Adelt! en De Kreuners hadden het nooit verder gebracht dan het kleine grote publiek – de popliefhebbers – maar nu stonden de oren van het grote grote publiek wagenwijd open voor Nederlandstalige pop. Nooit hadden de Kreuners in de Ultratop 50 hoger gestaan dan plaats dertig, maar met “Ik wil je” schoten ze ineens naar nummer één.

Echt een schattig liefdesliedje is het niet. Het gaat over een vrouw die in het café elke avond weer een man oppikt met romantische kletspraat waarvan ze zelf wel weet dat ze het niet meent, en haar “slachtoffer” waarschijnlijk net zo goed:

     Alles wat ze zegt klinkt vals en koud,
     zelfs als ze zegt dat ze van hem houdt.
     Ze weet dat ze liegt, toch zegt ze het opnieuw
     en opnieuw en opnieuw en opnieuw en opnieuw en opnieuw en opnieuw en opnieuw…

Maar wat maakt het uit? Zo werkt de liefde in de uitgaanswereld nu eenmaal.

     Wie kan het wat schelen?
     Zo zijn er zovelen.

En hoe cynisch de tekst ook is, uiteindelijk leidt hij naar een knallend refrein waar alle remmen losgaan:

     Ik wil je!
     Blijf bij me!
     Hou van me!
     Ga nooit meer weg!

Het gaat al helemaal niet meer om het verhaal, om de kille versierster die alleen maar seks zoekt, om het feit dat het morgenochtend niets meer betekent. De muziek straalt echte passie uit, zonder ironie. Je zou het zo kunnen zingen voor je nieuwe geliefde, of op een bruiloft: uiteindelijk hoort het publiek alleen maar dat passionele refrein. Tenminste, als het publiek nog iets anders dan zichzelf hoort, want je brult het na één keer moeiteloos mee.
  We moeten ons hoeden voor al te sterke conclusies, maar de invloed van Clouseau lijkt wel degelijk merkbaar. Door de veranderende mode durfde de band het nu aan een echte knaller te schrijven. Tegelijk bleven ze zichzelf en deden ze geen onzalige poging om de tiener-act van de broers Wauters na te doen. Ze werden er dik voor beloond.

De Nederlandse lezers van mijn weblog kennen dit nummer misschien niet in de oorspronkelijke versie, maar van Guus Meeuwis. De Brabantse zanger zingt het nummer vaak live en zette het in 2002 ook op de plaat.
  Guus Meeuwis en cynisme, dat is ongeveer hetzelfde als Morrissey en vlees, of Trump en bescheidenheid. Hij kan er volstrekt niet mee uit de voeten; alles moet bij hem warm, knus, gezellig en vooral gemeend zijn. Toch covert hij dit lied waarvan de tekst zo “vals en koud” is.
  Met deze keuze toont Meeuwis aan wat we boven al konden vaststellen: de sfeer van het liedje is helemaal niet cynisch, maar juist zeer passioneel. Ondanks alles hadden De Kreuners met “Ik wil je” in de eerste plaats een onverwoestbare popklassieker afgeleverd.

Honderd keer pop in je moerstaal (42)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 42.

De afgelopen weken hebben we kunnen constateren dat de Nederlandstalige muziek zich nog redelijk overeind hield. De hoogtijdagen waren voorbij, maar er kwamen nieuwe groepen en solo-artiesten op, terwijl anderen gewoon doorgingen.
  Aan het einde van de jaren tachtig wordt de situatie nog slechter. 1988 staat zo goed als droog qua Nederlandstalige pophits, 1989 is vooral beter dankzij René Froger, die op de kap van Het Goede Doel één keer in het Nederlands zong en een nummereenhit haalde.
  In België is het een ander verhaal. 1989 is daar véél beter en succesvoller dan 1988 of alle jaren ervoor. In dat jaar breekt namelijk Clouseau door.

Clouseau – de groep behoeft nauwelijks introductie – bestond al sinds 1984 en was het geesteskindje van drummer Bob Savenberg, die voor de radio inspecteur Clouseau dwangmatig imiteerde. De broers Koen en Kris Wauters, die het gezicht van de band werden, zijn dus eigenlijk… bijzaak.
  Heel hard gaat het nog niet met de band, maar een aardige livereputatie bouwen ze wel op. Ze hadden een paar succesvolle liveoptredens, en in 1989 brengen ze de single “Alleen met jou” uit. Later dat jaar mogen ze zelfs meedoen aan de Belgische voorronde voor het Songfestival (zie ook aflevering 13). Ze zijn nog niet algemeen bekend, want Luc Appermont moet ze introduceren en gaat er nog van uit dat mensen de naam met een “demente politie-inspecteur” associëren.

De jongens, met mooiboy Koen Wauters als frontman, zetten een dijk van een song neer. Het begint meteen al met de loepzuivere, spatgelijke tweestemmige a-capellazang. Onderweg wordt de luisteraar meegesleept door vlotte muziek en een huiselijke, maar toch passionele tekst. De podiumpresentatie is wat knullig, maar dat kan de tijdsbarrière zijn.
  Clouseau won de voorronde niet, maar heel Vlaanderen had ze gezien en “Anne” werd een dijk van een hit. (Voor wie het wil weten: België stuurde dat jaar Ingeborg naar het Songfestival, met “Door de wind”, wat niet zo’n groot succes werd.) Nederland was nog niet om, maar ook daar bereikte het plaatje de Tipparade en het jaar daarop zou de groep met “Daar gaat ze” alsnog kamerbreed doorbreken. En o ja, in 1991 haalden de mannen alsnog het Songfestival.

Muziek maken, dat kunnen ze. En wat ze ook heel goed kunnen, is zonder ironie een simpel liefdesliedje brengen. Net als Doe Maar jaren eerder kunnen ze ongegeneerd hun liefde verklaren zonder dat het klef gaat klinken – gewoon omdat hun act zo overtuigend is. Vergelijk dat eens met Arbeid Adelt! (aflevering 36), daarvóór de grootste Nederlandstalige band in Vlaanderen, waar alles ironisch moet zijn!
  De meisjes wierpen zich bij bosjes neer voor de gebroeders Wauters en de muziek was jarenlang niet van de radio weg te slaan. Voor de popcritici ben je dan meteen al verdacht, net als indertijd Doe Maar. Maar anders dan Doe Maar zong Clouseau bijna uitsluitend over de liefde. Na “Anne” (die trouwens echt bestond, al was “vrijen tot de noen” er volgens haar niet bij) volgden “Daar gaat ze”, “Louise”, “Hilda”, “Laat me nu toch niet alleen”, “Zie me graag”… het ene na het andere liedje voor het ene na het andere meisje. Heel anders dan Doe Maar schreven ze hun teksten expliciet voor hun publiek.

De liedjes zijn stuk voor stuk niet slecht; sterker nog, ze staan als een huis. Maar allemaal bij elkaar worden ze een beetje vervelend. Dat deed de reputatie van Clouseau uiteindelijk de das om. Hun nummers werden geen collectief cultuurbezit, zoals het werk van Doe Maar; Clouseau is vooral nog een nostalgische herinnering voor dertigers. Maar voordat we ze tekort doen: geen band heeft zoveel betekend voor latere bands als deze. In de jaren negentig komt er in zowel België als Nederland een nieuwe golf aan Nederlandstalige popmuziek; die golf was er zonder Clouseau niet geweest.

Honderd keer pop in je moerstaal (36)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 36.

En deel 36 is de eerste aflevering in acht weken waarin een Belgisch nummer centraal staat. Onlangs vroeg een Vlaamse lezer van mijn weblog zich af waarom er alleen nog maar Nederlandse acts langskwamen. Werd er dan in de jaren tachtig geen interessante Nederlandstalige Belpop gemaakt?
  Dat wel, maar het meeste gebeurde toch in Nederland. Daar kwam de rage op elk niveau op gang, zoals we de afgelopen weken konden zien. Een overvloed aan bands meldde zich, van hitparade tot underground, en hun nummers zijn klassiek geworden. Sterker nog: Doe Maar, Toontje Lager en Het Goede Doel haalden ook in Vlaanderen hits.
  En daarbij: het blijft mijn rubriek. Iedere geschiedenis moet kiezen uit de beschikbare gegevens en die keuze weerspiegelt je persoonlijke achtergrond. Ik ben nu eenmaal Nederlander, en zodoende ken ik meer Nederlandse dan Vlaamse acts. Bovendien kan ik van acts uit Nederland veel beter de plaats, invloed en betekenis inschatten dan van acts uit België. Natuurlijk probeer ik deze rubriek zo neutraal mogelijk te houden – mijn opzet was om de Nederlandstalige pop over de volle breedte te bestrijken – maar mijn standplaatsgebondenheid hef ik niet zomaar op.

Maar goed, terug naar Vlaanderen dus. Deze regio is intussen flink wakker gekust. Jarenlang leek het of de revolutionaire geest maar geen vat kon krijgen op dit katholieke gebied, maar binnen een paar jaar tijd is de kerk een subcultuur geworden, vooral iets voor oudere madammekes op het platteland.
  Net als in West-Europa is ook hier de popcultuur de nieuwe religie: films, boeken en muziek. Geholpen door initiatieven als Humo’s Rock Rally (zie aflevering 20) heeft Vlaanderen nu een gezonde popscene. Sterker nog: de Belpop kan onderhand serieus gaan concurreren met muziek uit omringende landen. Onder invloed van Engeland, Duitsland en Nederland wordt de new wave in Vlaanderen populair. Meestal zingen de bands in het Engels (denk alleen maar aan de 2 Belgen, bekend van “Lena“), maar ook het Nederlands is een optie. Bijvoorbeeld voor Arbeid Adelt!, een band rond een stel Vlaamse studenten in Brussel.
  De keuze voor de eigen taal was ongetwijfeld beïnvloed door de Noorderburen. Muzikaal nam Arbeid Adelt! echter niet veel over van die radiovriendelijke grootheden. Hun muziek is hoekig, artistiekerig en soms ronduit vaag. Vandaag bespreken we dan maar “Stroom”, een van hun minder eigenaardige liedjes en hun enige hit:

We horen gitaar en slagwerk, geen synthesizer. Nou ja, kan gebeuren. Wat dat betreft wijkt dit liedje misschien iets af van hun andere werk.
  Opvallender is het tempo. Je hebt het gevoel dat het liedje te traag loopt, of althans dat de musici op het punt staan om gas te geven en weg te knallen. Dat komt door het onnatuurlijke drumpatroon, en door de ook niet zo natuurlijke baslijn.
  Waarschijnlijk wordt hier een genre op de hak genomen: de ballad. Het slepende tempo, de vrouwelijke zanglijnen die door een donkerbruine mannenstem na worden gesproken, het doet allemaal erg romantisch aan. Maar door de ongemakkelijke groove voelt het meteen ironisch.
  Als het een ballad moet voorstellen, dan zal de tekst wel romantisch zijn, of quasi-romantisch. We zijn dus geneigd om achter de tekst over “stroomverbruik” een liefdesmetafoor te zoeken.

     Als ik je nu eens ging ruilen
     Tegen eentje met plastic erbij
     Dan verbruik ik
     minder stroom.

Bent u daar nog? Ik kan er geen chocola van maken…

Áls Arbeid Adelt! al lijkt op een band die we eerder in deze rubriek behandeld hebben, dan is het De Div (aflevering 34). Beide bands maken een eigen versie van de new wave, die niet zo gemakkelijk in het gehoor ligt en duidelijke artistieke bedoelingen verraadt.
  Maar waarom werd Arbeid Adelt! dan zoveel succesvoller? Want ja, ze hadden succes. Ik heb het niet over dat ene plaatje dat precies één weekje op nummer 40 in Vlaamse hitparade stond. Onderkanten van hitlijsten staan vol met toevalstreffers. Maar waar De Div zo goed als vergeten is, werd Arbeid Adelt! bijna alleen maar bekender. Iedere Vlaming (bij wijze van spreken) kent de band van naam, en veel mensen kunnen één of twee liedjes meezingen. Een reünie in 2015 werd een behoorlijk succes.
  Gedeeltelijk komt dat door de faam van de bandleden. Vooral Marcel Vanthilt onderhield na zijn muziekloopbaan vakkundig zijn status van Bekende Vlaming. Hij kwam in heel Europa als vj op televisie voor MTV Europe en is nog altijd geregeld bij de VRT te zien.
  Echter: zouden de Vlamingen hem alleen van de tv kennen, dan brachten ze hem niet met Arbeid Adelt! in verband. Bovendien stond deze band niet op zichzelf. Ook andere Vlaamse bands, zoals de genoemde 2 Belgen, maakten rond 1985 furore met een hoekig, schurend geluid. Niet radiovriendelijk, toch succesvol. Vlaanderen was blijkbaar toe aan uitdagende muziek van eigen bodem, en zij die het brachten worden als helden gekoesterd.

Nederlandstalige popmuziek zou in Vlaanderen nog veel populairder worden. Binnen een paar jaar groeide het uit tot een rage die nauwelijks onderdeed voor de perikelen rond Doe Maar. De scherpe randjes gingen er toen wel vanaf. Wordt dus vervolgd…

Honderd keer pop in je moerstaal (20)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 20.

Vorige week, in het stuk over “Evelyne” van Bert De Coninck, beschreef ik hoe Vlaanderen ook in de jaren zeventig nog ferm katholiek bleef, hoezeer de buurlanden en -regio’s ook veranderden. “Vlaanderen boven, waar men de Heer nog kan loven”, zong Raymond van het Groenewoud treffend. Daarmee heb ik echter maar de halve waarheid verteld. Juist tegen het einde van dit decennium breekt ook in Vlaanderen de revolutie door. Luc Versteylen (een geestelijke nota bene!) begint een brede beweging die milieubewustzijn en een vrije seksuele moraal propageert. Komiek Urbanus stapt op de veel te lange burgerlijke tenen en zingt er naar Nederlands voorbeeld ook bij. Uit Engeland waait de punk over, met The Kids als vaandeldragers.
  Broeinesten van de tegencultuur zijn Antwerpen (met zijn havenarbeiders), Leuven (met zijn studenten) en in mindere mate Gent (met beide). In de Leuvense kroegen hangt Big Bill rond, een cultfiguur die Chuck Berry-achtige retrorock-‘n-roll maakt, gecombineerd met een snoeiharde distorsion en Vlaamse teksten. Buiten het studentenmilieu breekt hij niet door, maar navolging krijgt hij wel. Van Kazzen en Koo bijvoorbeeld.

Kazzen en Koo – ik ken deze band doordat Vic van de Reijt er een single van opnam in zijn compilatie Surivlaams!. Ik vond het nummer leuk, daarom nam ik het zonder aarzelen in deze lijst op. Maar toen ik het nakeek, bleken we wel met een vrij obscure groep te maken te hebben. Geen artikel op Wikipedia, geen Belgische hitnotering, niet genoemd in OOR’s Popencyclopedie. Wel een website, die ons gelukkig verder brengt. Kazzen is Marc Cassiman, een in 1956 geboren Ninovieter, die in 1978 met Kazzen en Koo de finale van de eerste Humo’s Rock Rally haalde. De Rock Rally, moet de lezer weten, is een tweejaarlijks muziekconcours voor bandjes, georganiseerd door het blad Humo. Diverse grote bands braken op dit podium door, soms als winnaar (Noordkaap, 1990; Das Pop, 1998; School is Cool, 2010) of als tweede (2 Belgen, 1982). Tegenwoordig doen er honderden bandjes aan mee, bij die eerste aflevering waren het er 71. Winnaar werd toen het obscure Once More (een paar jaar later iets succesvoller als Luna Twist). Naast Kazzen en Koo stonden ook De Kreuners in de finale.

Cassimans website vermeldt dat de single “Wat ik geleerd heb in dit leven” ook in 1978 uitkwam. Volgens Vic van de Reijt, die vermoedelijk het platenhoesje volgt, was dat 1977. Enfin, genoeg geschreven, laten we gaan luisteren:

Wie de bovenstaande beschrijving van Big Bill heeft onthouden, kan direct constateren dat Kazzen inderdaad een navolger is. Het riffje aan het begin is helemaal Chuck Berry, op één detail na: de gitaarsound is vervormd. De grote rock-‘n-rollers van de jaren vijftig gebruikten gewoon een clean gitaargeluid. Distorsion werd waarschijnlijk voor het eerst toegepast door Link Wray, die daarvoor met een potlood zijn luidspreker verminkte. Later werd dat geluid omarmd door diverse bluesgitaristen en in de jaren zeventig was het, met de opkomst van de hardrock, gemeengoed geworden.
  Maar dan die tekst. Een verschil met “Ene me hesp of ene me kees”-Big Bill is dat Kazzen de standaardtaal hanteert. Met een Vlaams accent, zeker, maar de standaardtaal. Hij gebruikt in couplet twee zelfs een zeer Noord-Nederlands woord als “poen”. Maar er staan toch heel wat woorden in die we noch in Nederland, noch in Vlaanderen kennen:

    Wat ik geleerd heb ik dit leven
    Is in een simpel woord gezegd.
    Dat is djie-bie-djie-bie-djie
    En soms ook djoe-bie-djoe-bie-djoe.

Even verderop biedt hij een mogelijke verklaring: hij is drugsverslaafd.

    Ik kom er eerlijk voor uit:
    Ik zit al tien jaar aan de spuit.

Of we dat moeten geloven van een 21-jarige is nog maar de vraag. Maar het resultaat klinkt lekker.

Honderd keer pop in je moerstaal (18)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 18.

De afgelopen weken hebben we kunnen constateren dat pop en rock in het Nederlands langzaamaan gewoner wordt. Niet minder dan vier liedjes leverde popjaar 1976 op. Hoe zou het intussen in Vlaanderen zijn? Wel, Vlaanderen is nog steeds zijn traditionele, katholieke zelf. De regio wordt zo langzamerhand een conservatief eiland binnen Nederland (het land van de vrije moraal), Duitsland (het land met een zwaar schuldcomplex), Wallonië (het land van de rode fabrieksarbeiders) en Frankrijk (het land van de kwaaie intellectuelen).
  Dat wil niet zeggen dat Vlaanderen niets van zijn buren overneemt. Ook hier heeft iedereen een radio en een tv, en in het kleine België zijn buitenlandse zenders gemakkelijk te ontvangen. Het is daarom niet verwonderlijk dat ook in Vlaanderen, net als in Nederland, de popmuziek tot de volwassen mainstream doordringt en de eerste keus van meer artiesten wordt.

Zoiets blijkt uit het werk van Bert De Coninck, een Mechelse artiest over wie ik niet al te veel heb kunnen vinden. Hij speelde in de jaren zestig in een beatbandje, raakte toen uit zicht en dook in 1976/77 ineens op met een Nederlandstalige kleinkunstplaat. De plaat heet Evelyne, naar de gelijknamige hit die erop staat. Laten we gaan luisteren:

Het is duidelijk een luisterliedje. In drieënhalve minuut wordt een heel verhaal uit de doeken gedaan over een overspelige vrouw, Evelyntje, haar minnaar en haar man bij wie ze duidelijk iets tekort komt. De muziek dient om de tekst te dragen, niet andersom zoals bij de meeste popmuziek.
  Toch kunnen we dit liedje veilig tot de popmuziek rekenen. Het muzikale idioom wijst met zijn syncopen in die richting. Het gebruik van popgericht, maar rustig pianospel doet denken aan Elton John, en meer in het algemeen aan de softrock uit de jaren zeventig.
  Op 2:01 breekt het liedje uit zijn softe begeleiding. De maatsoort verspringt van 4/4 naar 3/4 en de elektrische gitaar komt erin. Een kippenvelmoment, dat doet denken aan de late Beatles en aan diverse progressieve rockbands uit de jaren zeventig. Misschien is het ook een verwijzing naar de bluesrock – Medicine Head wordt in de tekst genoemd.

“Evelyne” heeft dus duidelijk meer pretenties dan alleen tekstuele: het wil echt een muzikaal kunststukje zijn. Is De Coninck daarin geslaagd? Ik vind van wel. Eén ding valt me echter wel op. Evelyntje en haar minnaar beleven hun hoogtepunt al in het tweede couplet. De muzikale climax met de gitaar komt pas tijdens het postcoïtale bad, en later nog eens als haar man thuiskomt. De muziek ondersteunt of illustreert de tekst niet, zo lijkt het.
  Daar valt wel een reden voor te bedenken. Een compositie is er niet bij gebaat dat de climax al voor de helft van het stuk valt. Muziekpsychologen zijn er nog niet uit of dat aangeboren dan wel cultuurbepaald is, maar over één ding zijn we het eens: als er na de climax nog ruim een half liedje komt, gaan we de muziek saai vinden.
  Zou Bert De Coninck zich druk hebben gemaakt over deze discrepantie? Was hij zich er misschien totaal niet van bewust? Of weet hij wel dat hij eigenlijk twee liedjes (een tekst en een begeleiding) maakt, en offert hij de narratieve logica op aan een mooiere muziekbeleving?

Honderd keer pop in je moerstaal (12)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 12.

Eerlijk gezegd zag ik behoorlijk op tegen deze aflevering. Niet omdat ik een stom liedje heb uitgezocht (over domme liedjes valt vaak nog veel leuks te vertellen), maar omdat ik een cruciale vraag open moet laten. Die vraag luidt: hoe is het Ivan Heylen gelukt om in 1974 met “De wilde boerndochtere” in Nederland op nummer 1 te komen, terwijl hem dat in eigen land niet lukte?

Ivan Heylen is dus een Vlaamse zanger, net als de vorige week opgenomen Zjef Vanuytsel. Maar daar houdt de overeenkomst tussen beiden wel op. Bij Zjef Vanuytsel straalt alles perfectie uit: het vlekkeloze Algemeen Nederlands, het onberispelijke metrum, de verstilde poëtische beelden en dito muziek. Heylen werkt recht vanuit de onderbuik. Hij vertelt het hele verhaal rechttoe rechtaan, zonder hoogdravende metaforen, en in proza. Geen rijm en metrum dus, laat staan zo perfect als Vanuytsel in “De zotte morgen”. Alleen het refrein is berijmd, maar op een heel onbeholpen manier: de boerenzoon heeft amper woorden voor zijn gevoelens. De begeleiding bestaat uit weinig meer dan gitaarakkoorden; mooie arrangementen zouden maar afleiden. De zang is rauw en bijna gênant zo direct:

     En totte mij, totte mij, totte mij
     Totte mij guul de nacht.
     En totte mij, totte mij, totte mij,
     Totte mij me alle kracht,
     DOEN ‘T DAN! DOEN ‘T DAN!!
     Schon wijveke!

Maar er valt nog iets op: het liedje is van a tot z in het Oost-Vlaams gezongen. Dat is nog eens wat anders dan die schoolmeesterachtige dictie van Vanuytsel! Ivan Heylen, opgegroeid in het Oost-Vlaamse Assenede, kreeg deze taal van huis uit mee. Toch hebben niet al zijn liedjes dialectteksten. Een lied als “Jef” maakt wel degelijk gebruik van een soort Algemeen Nederlands; een taalvorm die we tegenwoordig misschien “Verkavelingsvlaams” zouden noemen.
  Heylen lijkt het Oost-Vlaams te willen gebruiken voor de couleur locale: het lied gaat over boeren, de taal roept het platteland op. Oost-Vlaams wordt waarschijnlijk van alle Vlaamse dialecten het meest geassocieerd met boeren. Als een stadse Vlaming een boer nadoet, dan zet hij vaak een Oost-Vlaams accent op. Dat heeft te maken met het taalverschil tussen Gent en de rest van de provincie. Bovendien klinkt het Oost-Vlaams de andere Vlamingen wel vreemd, maar toch verstaanbaar in de oren. Het is dus plat, maar tegelijk te volgen.

Voor Nederlanders ligt dat wel even anders! Waar spreken ze in Nederland nu helemaal Oost-Vlaams? Een paar Zeeuws-Vlaamse grensdorpjes onder Terneuzen. Misschien dat de rest van die streek dit liedje ook zonder moeite kan volgen, maar daar houdt het wel mee op.
  Maar zelfs al had iedere Zeeuws-Vlaming destijds een exemplaar van “De wilde boerndochtere” gekocht, dan was het nummer nog niet naar de eerste plaats geschoten. Het moet dus in het hele land zijn aangeslagen: in Noord-Brabant, in de Randstad, in Twente, waar al niet…. En meer nog: al die Nederlanders die het lied nauwelijks verstonden zagen er meer in dan de Vlamingen. Hoe is dat in godsnaam mogelijk?
  Ik heb het geprobeerd na te zoeken, maar de bronnen zwijgen. Ik heb het gevraagd op Twitter, maar niemand wist het. Was er misschien een deejay, die het plaatje geplugd heeft? Kwam Heylen toevallig in Nederland op tv? Werd het liedje in een film gebruikt?

Eén ding kreeg ik wel uit mensen los: iedereen die het heeft meegemaakt herinnert zich dit lied als de dag van gisteren. Heylens woeste kreten (“vur ur!”, “doen ’t dan!”) hebben diepe indruk gemaakt. Het is een wat onbevredigend antwoord, maar dit liedje lijkt zijn impact simpelweg aan zijn eigen kwaliteiten te danken. De rauwe seksuele kracht, heel anders dan de bekende rockschreeuw maar minstens zo direct, raakte mensen diep.
  Dan blijft de vraag waarom het liedje juist in Nederland zo aansloeg. Wel, misschien kunnen we dat juist uit het ‘uitheemse’ karakter verklaren. Veel culturen doen aan “othering”: ze maken zich een bijzonder romantische voorstelling van vreemde culturen, waaraan zowel positieve als negatieve eigenschappen worden toegeschreven. Arabieren, zigeuners en Italianen zijn daar vaak het ‘slachtoffer’ van geworden, maar daar hoeft het niet bij te blijven.
  Nederlanders vonden zichzelf in de jaren zeventig een bijzonder preuts volk. Men had het gevoel dat geen tien seksuele revoluties de diepgewortelde calvinistische volksaard konden uitwissen. Nee, dan de Vlamingen, dat waren tenminste Bourgondische levensgenieters! Daar werd vast niet zo moeilijk gedaan over seks. In werkelijkheid was juist Vlaanderen toen nog streng katholiek en een stuk kuiser dan Nederland. Zo kuis zelfs dat dit suggestieve nummer aanvankelijk door de BRT geboycot werd en pas na het succes bij de noorderburen ook in Vlaanderen op de radio kwam. (Ik dank Eric van Balkum voor deze informatie, die na het publiceren van dit stukje alsnog met een verklaring voor het verschil in populariteit kwam.)
  Maar ook de onverstaanbaarheid van het liedje kan hebben meegewerkt. Wat betekent bijvoorbeeld “totten”, wat de boerendochter de hele nacht moet doen? Het betekent “zoenen”, maar dat weet de gemiddelde Nederlander niet. Misschien was “totten” wel een heel vies woord? Dat idee lijkt inderdaad geleefd te hebben. In de parodie die André van Duin erop maakte, wordt totten ‘vertaald’ als… nemen!

Vier weken stond Ivan Heylen bovenaan de Top 40, bijna de hele maand juni 1974. Vanaf de tweede week kwam André van Duin met zijn parodie binnen. Uiteindelijk stonden beide nummers op respectievelijk 1 en 2. Heylen had Nederland heel even stormenderhand veroverd, maar werd voor straf tot in lengte van dagen met André van Duin geassocieerd.

Honderd keer pop in je moerstaal (9)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 9.

Ai, de spoeling wordt nu wel erg dun. De vorige post behandelde een liedje uit 1967; nu maken we een sprong in de tijd naar 1970. Nederlandstalige popmuziek is in deze tijd nog erg afhankelijk van eenlingen en kortstondige rages; als die wegvallen blijft er weinig over. Het is er wel, hier en daar. Zo kennen we uit 1968 de hit “Kom uit de bedstee, mijn liefste” van Rob Out (ook wel “Egbert Douwe”). Maar dat nummer verdiende, vond ik, mijn aandacht niet in een lijst die tot honderd nummers beperkt is.
  Het gat had nog veel groter kunnen zijn als er in deze tijd geen Vlaming in was gesprongen. Zijn naam is Zjef Vanuytsel en hij kwam uit Mol. Toen de man eind 2015 overleed, ging dat aan Nederland grotendeels voorbij, maar in zijn thuisland gingen de driekleur en de leeuwenvlag massaal halfstok. Onze zuiderburen dragen zijn werk, geïnspireerd op Boudewijn de Groot en de chansontraditie, nog steeds op het hart. Ze dwepen met “Houten kop”, over de minder mooie kanten van het Bourgondische leven, en met “Ik weet wel, mijn lief”. Maar de grootste evergreen is “De zotte morgen”.

Mensen wat een prachtig, poëtisch, verstild, melancholisch lied. Blijf maar even een minuutje nagenieten voor we aan de analyse beginnen…

Je eerste associatie bij dit nummer is Boudewijn de Groot. Wat betreft zeggingskracht en ontroering kan het zich zeker meten met het topwerk van De Groot en Nijgh, en Vanuytsel krijgt dat in zijn eentje voor elkaar.
  Tekstueel is het liedje geen Nijgh-kopie. De tekst gaat niet over oud hartzeer vermengd met maatschappijkritiek en heeft evenmin het surrealisme van de psychedelische nummers. Eerder is het magisch realisme: van zoiets banaals als de ochtendspits maakt de muzikant iets onwerkelijks, iets ijzingwekkends. Als in een schilderij van Carel Willink lijkt het of mensen, die gewoon lopen naar waar ze moeten zijn, eigenlijk niet in dat plaatje thuishoren.
  De muzikale benadering is erg Boudewijn de Groot: een onmiskenbaar gitaarliedje waar op de plaat een arrangement overheen is gelegd. Die extra instrumenten kunnen bij een live-uitvoering moeiteloos worden weggelaten. Wel zijn de toegevoegde instrumenten bij Vanuytsel iets minder prominent aanwezig: een sluier van violen en hier en daar een batterij koper. De uitgebreide arrangementen die De Groot van Bert Paige vroeg vind je hier niet terug.
  Ook niet onbelangrijk is de loepzuivere manier van zingen, niet alleen qua toonhoogte, maar ook qua timbre. Hier is geen plaats voor rafelrandjes die de welluidendheid van het liedje zouden kunnen verstoren. Want ook de gepolijste, folkachtige melodie heeft dit lied met zijn Nederlandse voorbeelden gemeen.

Maar het meest Nederlandse aan dit nummer is misschien wel de taal. Een Vlaming kan zich (zowel in het lied als in het dagelijks leven) bedienen van het Standaardnederlands, van zijn eigen dialect of van alles wat ertussen zit, maar vrijwel altijd kun je aan zijn spraak horen dat hij uit België komt. Bij Zjef Vanuytsel kun je dat niet horen. Hij meet zich een harde g aan en perst de klinkers met pijnlijke precisie in het Hollandse stramien.
  Vanuytsels wil om ‘Nederlands’ te klinken gaat ver. Hij is zelfs bereid om het vrouwelijk woordgeslacht op te geven:

     De stad wordt wild en auto’s [geen ‘oto’s’!] razen
     door zijn poorten en de laatste
     rust wordt uit zijn schuilhoek gedreven.

‘Stad’ en ‘rust’ zijn vanouds vrouwelijke woorden. In grote delen van Nederland voelt men dat niet meer aan; daarom mogen die woorden ook mannelijk worden. ‘v. (m.)’ stond er destijds in het Groene Boekje en in woordenboeken. (Tegenwoordig staat er alleen ‘de’ – er wordt geen voorkeur meer gegeven.) Maar Vlamingen, Mollenaren net zo goed, krijgen dat verschil met de paplepel ingegoten. Ongetwijfeld heeft het Vanuytsel moeite gekost om dit taalgevoel te negeren.
  Overigens klinkt zijn Vlaamse achtergrond wel degelijk in de tekst door. In het laatste couplet rijmt ‘schreeuwt’ op ‘geeft’. Voor een Hollander is dat een behoorlijk ongerijmd paar; in de Kempen denkt men daar anders over (‘schreeft – geeft’).

Het is de tijdgeest. In de jaren zestig laait de Belgische taalstrijd in alle hevigheid op. Vlaanderen heeft er genoeg van: het Frans moet nu eindelijk als cultuurtaal verdwijnen. Dat kan alleen als het Nederlands ook in België een volwaardige plaats als cultuurtaal krijgt. Ergo: leer netjes Nederlands spreken mensen, niet dat achterlijke dialect met al zijn Franse bastaardwoorden. Het is de tijd dat Vlaanderen definitief op Nederland gericht raakt in plaats van op Frankrijk. De Hollandse beschaving, met zijn Nederbeat en Boudewijn de Groot, was welkom.
  Zjef Vanuytsel ging daar heel ver in. Anderen waren minder bereid om hun regionale of lokale eigenheid zomaar op te geven en zongen wel in dialect. Hun liedjes gaan we in de loop van het jaar nog tegenkomen.