Honderd keer pop in je moerstaal (95)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 95.

Afgelopen week was er heel even heisa om een uitspraak van Marco Borsato. Nederlands populairste zanger beweerde dat hij zijn tijd ver vooruit was toen hij in 2004 een duet deed met Ali B (“Wat zou je doen?”).
  Prominente Borsatohaters – nogal wat zelfverklaarde popliefhebbers zijn dat, zie aflevering 73 – lieten van zich horen. Nico Dijkshoorn schreef er een schampere column over (schrijft die man ooit weleens on-schampere columns?) en Menno Pot zei op Twitter: “Ooit organiseren Jay-Z, Kanye, Dre en Kendrick een groot tribute-concert voor ‘de man zonder wie wij hier niet hadden gestaan’, de inspirator, de wegbereider die hiphop groot maakte: Marco Borsato.”
  Wat in ieder geval Menno Pot niet onderkende, was dat Borsato het volgende bedoelde: in 2004 was rap nog een genre met een eigen niche: de muziek van vooral grootstedelijke en vaak gekleurde jongeren. Echt de muziek van een subcultuur. Dat een zanger uit de “adult contemporary”-hoek (radiovriendelijke muziek die een breed publiek wel oké vindt) samenwerkte met een rapper lag niet voor de hand. Anno 2017 ligt niemand daar wakker van: rap is nu algemeen in het popmuzieklandschap. Meer of minder beweert de man niet.

Het gelijk van Borsato blijkt wel als je een commercieel radiostation aanzet. Binnen een halfuur heb je waarschijnlijk al Ed Sheeran voorbij horen komen, in meerdere opzichten de Britse Marco. Zijn muziek is voor iedereen, niet in de laatste plaats blanke huisvrouwen, maar hij gooit achteloos een stukje rap door een folkachtig nummer, om daar vervolgens in diverse landen de Top 10 mee te halen.
  Een ander teken aan de wand is de dominantie van rappers in de Nederlandstalige muziek aan beide kanten van de landsgrens. De laatste twintig plaatsen van mijn rubriek barsten van de rappers, en bijna allemaal halen ze de hitparade. De niet-hiphop die ertussen staat is al veel vaker alternatieve muziek, die geen grote verkoopsuccessen boekt.
  Ook de kritiek is met de hiphop. Werken van Kanye West en Kendrick Lamar worden als meesterwerken geprezen, en de popkenners roepen om het hardst dat het genre zijn mooiste fase doormaakt sinds de jaren tachtig. Terwijl rockplaten zelden nog met gejuich worden binnengehaald, en indie en dance ook steeds vaker lauw ontvangen worden.

Typhoon (echte naam Glenn de Randamie) bereikt zowel commercieel als kritisch succes. Eigenlijk is dat maar goed ook, want erg productief is de man niet. Als puber deed hij in 2001 al mee aan het debuut van Osdorp Posse (aflevering 76). Vervolgens duurde het nog tot 2007 voor hij zijn debuutplaat Tussen licht en lucht uitbracht. Dat leverde hem al een hele schare fans op, maar die moesten intussen zeven jaar wachten tot de tweede plaat, Lobi da basi. Toen die er uiteindelijk toch kwam, waren de kritieken juichend: algemeen was de teneur dat Lobi de zeven jaar wachten meer dan waard geweest was. Jaarlijstjesmateriaal van de eerste orde.
  Van dit album beluisteren we vandaag de laatste track, “Liefste”:

In vergelijking met veel andere rappers lijkt Typhoon meer een gewone Hollandse jongen. Dat is op zich best vreemd. Hij geeft zijn album een naam in het Sranantongo (“liefde is de baas”), de plaat begint met een impressie van gevluchte slaven in het oerwoud van Suriname en hij mengt zich in de zwartepietendiscussie. Kortom: zijn Surinaamse achtergrond blijkt uit heel wat meer dan alleen zijn kleurtje.
  Het gewone, het ‘mainstream’-element, zit in de onderwerpen die hij bespreekt. Gangsterrap was al nooit iets voor Nederlandse rappers (herlees aflevering 49 nog eens voor de brute parodie die Osdorp Posse hierop maakte), maar eerdere generaties Nederhoppers stelden zich nog wel met een assertieve branie op, en gebruikten vaak straattaal. Typhoons werk heeft weinig meer met de straat te maken. Hij bezingt de dingen van het leven, de grote thema’s waar iedereen zich in herkent. Dat is wel van groot belang als je mainstream wilt zijn.
  Hét thema in de popmuziek is natuurlijk de liefde, en dé uitdaging, zeker in het Nederlands, is om daarbij niet afgezaagd te klinken. Typhoon blijkt dat uitstekend te kunnen, met woorden die ik – bevooroordeeld als ik ongetwijfeld ben – niet met een Surinamer associeer. Hij schrijft net zulk accentloos Nederlands als hij spreekt.

     Een schreeuw om bestaansrecht, stug en standvastig.
     Het stapelt zich op, totdat die kilte over ons heen komt.

Ook om een subtiele oneliner zit hij niet verlegen:

     Mijn schat, ‘t is op z’n tijd een strijd,
     maar ik zou met niemand anders willen vechten.

Van zwarte mannen werd vanouds helemaal niet verwacht dat ze gevoelige liedjes over één vrouw schreven. Ook van Surinaamse mannen niet. Een stoere player moest je zijn, die met schuine grapjes en een knipoog alle vrouwen wel kon krijgen. Herlees nog maar aflevering 38 (over Trafassi). Seks komt bij Typhoon zeker nog voor, maar dan op de huiselijkste manier die er is:

     Je legt de wekker weg, je laat ‘m snoozen en zegt:
     “Werk wacht wel, ik wil je nog even in mij voelen.”

De zelfverzekerde rappende macho is hij al helemaal niet. Er lijkt iets in hun relatie aan de hand te zijn. Ze hebben ruzie; misschien is zij boos weggegaan en staat ze na een telefoontje weer voor de deur? Typhoon wil absoluut geen ander. Hij doet speciaal de dingen waarvan hij weet dat zijn vriendin ze leuk vindt.

     Ik doe m’n best. Ik heb de trui aan
     die je mij zo goed vindt staan.

Maar niet alleen de tekst is ver weg geëvolueerd van de klassieke hiphop. Ook muzikaal is het niet meer te herkennen. Het genre heeft zich de laatste jaren verbreed van “funk of soul met een ritmisch gesproken tekst erboven” tot alle muziek waarin hoofdzakelijk gerapt wordt. En zelfs die parameter komt op de helling: een groot deel van het nummer horen we Typhoon ‘gewoon’ zingen. Met toonhoogte, je weet toch.
  De begeleiding komt niet uit een sampler, maar van een batterij gitaristen, die langzaam aanzwellen tot een heel showorkest en een achtergrondkoortje. Alle troeven uit de ‘witte’ amusementsmuziek, geïncorporeerd in een ‘zwart’ muziekgenre. Door een artiest die toevallig ook zwart is. Zo gemengd als zijn muzikanten: we zien een zwarte drummer met blote bast, en meteen daarna een roomblank achtergrondkoortje in pak en zwarte jurk. Zo gemengd als zijn publiek: Hollanders en Surinamers staan er door elkaar alsof er helemaal geen zwartepietendiscussie, etnische profilering en werkvloerdiscriminatie zijn. Typhoon dicht voor één avond niet alleen een cultuurkloof, maar ook een maatschappelijke kloof.

Aan het einde van het nummer voegt hij een stijlcitaat van Ramses Shaffy (en Liesbeth List) in. Het Nederlandse chanson was één van zijn belangrijkste inspiratiebronnen. Afkomst, muziekstijl en leeftijd waren geen beletsel. Typhoon nodigt Liesbeth List zelfs uit voor een feature. In de herfst van haar carrière bereikt deze zangeres een nieuwe generatie. Dat jonge publiek mag nu met eigen ogen ontdekken wat de twee muzikanten zelf al zeggen: “We verschillen niet”.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *