Honderd keer pop in je moerstaal (90)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 90.

Hiphop, zo heb ik de afgelopen maanden vaak genoeg benadrukt, is in Nederland een multiculturele bedoening. Mannen (alleen mannen, dat wel) van alle bevolkingsgroepen doen er volop aan mee en hebben de Nederhop naar een meer dan verdienstelijk niveau getild.
  Bij allochtonen – of ‘mensen met een migratieachtergrond’, zoals je ze tegenwoordig moet noemen – denk je al gauw aan mensen met een ander kleurtje uit een ver land. Dat hoeft natuurlijk niet. Belgen, Duitsers en Britten vormen in Nederland ook grote gemeenschappen. En Oost-Europeanen, die heb je hier ook meer en meer. Ze vallen alleen niet zo op: ze hebben dezelfde kleur als wij en leven vaak nog als expats. Eigenlijk krijg je vooral met ze te maken als je een klus wilt laten doen.

Toch hebben we ook in Nederland een Poolse rapper. Dominik Włodzimierz Groot, alias Mr. Polska, woont dan ook al sinds zijn derde in Nederland. Niettemin legt hij zijn Poolse afkomst er dik bovenop: hij rapt met een moddervet accent en maakt taalfouten die vast niet per ongeluk in zijn teksten sluipen. Ook speelt hij met flair de (omhoog gevallen) pauper: hij doet een Rolex om zijn pols en trekt er een trainingsbroek van de Wibra bij aan. Zijn teksten gaan vaak over drank en vrouwen – een nummer van hem heet “Vinger op de klitter” en zijn tweede album werd $NOLLER gedoopt.
  Achter al deze geintjes zit een man die verdomd serieuze muziek maakt en niet bang is om een hokje meer of minder te verkennen. Hij is rapper, maar heeft jaren als dj gewerkt. Zodoende is de dance zelden ver weg in zijn muziek. Laten we vandaag luisteren naar “Hausa wausa” van zijn debuutalbum Waardevolle gezelligheid

Meteen al bij de eerste klanken horen we welke kant het op gaat. De dance is ook hier prominent aanwezig. Mr. Polska grijpt hier terug op de happy hardcore, dé dansstijl voor mijn generatie. Je zou zeggen: iemand die in 1989 geboren is, heeft daar niet zoveel mee. Dat valt wel mee, blijkbaar.
  Mr. Polska zingt er ook meteen een refrein over:

     Ik heb stiekem iets gedaan, dus ik kan niet stilstaan,
     ik blijf gaan, ik blijf gaan.

We zien meteen een tweepersoonsnest dat in de fik staat. Zou Mr. Polska een brandje hebben gesticht, en kan hij daarom (mengsel van schuldgevoel en opwinding) niet stilstaan? Kinderlijke kattenkwaad die uit de hand loopt, het zou passen bij de muziek die naar Dominiks jeugd verwijst. Maar misschien is het een metafoor: is hij stiekem met een meisje naar bed geweest?
  In de clip wordt meer gesloopt. Zo gaan er bulldozers over (hopelijk lege) tenten. Er komen veel beelden voorbij, en de relatie ertussen (of met de tekst) is niet altijd duidelijk. Je ziet hoe jongens hun hoofd laten kaalscheren. Om gabber te worden, denk je dan. Maar uiteindelijk laten ze de zijkanten bedekt, zodat ze oude mannen lijken. Verder zie je nog wat ‘pauper’-symbolen: de speedboot met twee bikinimodellen, foute trainingspakken, een autowrak. En een lasershow in een maisveld.
  De teksten lijken niet ergens op te slaan. “Ik wil superveel zagen”, wat bedoelt hij daarmee? Misschien een knipoog naar “Hakke en zage” van Gabber Piet, zoals grote delen van dit nummer naar de gabber knipogen?

Het nummer knipoogt ook naar andere dance-stijlen trouwens. “Hausa wausa” is daardoor te grillig om echt makkelijk op te dansen. Maar gewone hiphop is het ook niet. Mr. Polska is nou eenmaal te veel in beats geïnteresseerd om de standaard hiphop-flow over te nemen. Dus wordt het stoeien met ritmes, stoeien met klanken, stoeien met muziekstijlen.
  Dominik Groot, geen man van hokjes, maakte in een paar jaar een oeuvre dat een breed, jong, popgericht publiek aansprak. Toch ligt zijn muziek niet gemakkelijk in het gehoor: gebruiksmuziek wordt het nergens. De man die zich in zijn act vaak zo goedkoop voordoet blijkt bij nader inzien kunst te maken.

Honderd keer pop in je moerstaal (81)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 81.

Dat de Nederpop in de jaren nul flink in opkomst is, dat zullen we weten. Vandaag zijn we alweer bij het vierde hiphopnummer uit de jaren nul beland, en dan heb ik nog een behoorlijk aantal groepen en artiesten weggelaten!
  De Jeugd van Tegenwoordig, die we vandaag behandelen, kón ik niet weglaten. Toch zag dat er in het jaar van hun debuut nog niet zo uit. Akkoord, ze hadden een kneiter van een hit met “Watskeburt”, maar dat leek een single luck te worden: hun debuutalbum deed weinig en de andere singles maakten geen indruk. “Stofzuiger” bijvoorbeeld is muzikaal oninteressant en tekstueel ranzig: niet leuk-ranzig of uitdagend-ranzig, gewoon ranzig.
  Tien jaar later was alles anders. De heren brachten het album Manon uit, dat alom als meesterwerk werd bejubeld! Hun singles waren steeds minder belangrijk geworden, hun albums steeds belangrijker. De Jeugd bleek helemaal niet afhankelijk van die ene hit, maar werd een zeer relevante factor in het Nederlandse hiphoplandschap.
  Ik had in mijn rubriek een liedje van Manon kunnen behandelen. Ik had ook best “Watskeburt” kunnen kiezen – een liedje in de straattaal dat het tot landelijke nummer één schopt, daar valt best wat over te zeggen. Uiteindelijk viel de keuze op “Hollereer”, afkomstig van ‘lastige tweede’ De machine.

Een beetje jammer is dat het liedje zijn grootste troef meteen uitspeelt. De bliepjes aan het begin, die mij en andere dertigers doen denken aan de Game Boy. Dat zal wel kloppen: alle drie de groepsleden zijn ietsje ouder dan ik en hebben de jaren negentig ook zo beleefd. Voor de echte jeugd van 2008 (het toenmalige tegenwoordig) hadden computerspelletjes gewoon goed geluid; zij zouden niet zo snel voor dit intro gekozen hebben.
  Daarna zingen de drie een zwaar geautotuned refrein – de Jeugd zou nergens zijn zonder zijn vaste producer Bas Bron, ook bekend als de Neger des Heils. In dit lijzige, soulachtige refrein schuiven de drie steeds een ander lid naar voren. Achtereenvolgens horen we Vieze Fur, Willie Wartaal en Faberyayo – klinkende namen, stuk voor stuk! – over zichzelf rappen. Ze wisselen virtuoos tussen straattaal en netjes Nederlands, met af en toe een regeltje Engels. “Holler at you boy”, luidt het refrein. Zo bewijzen ze zichzelf ‘holler-eer’.
  Vieze (‘Vjèze’) Fur heeft zijn naam niet gestolen, met zijn gladde verschijning. Maar je kunt het ook een positieve draai geven: hij heeft stijl. “Meer stijl dan een homo”, rapt hij zelf, zonder bang te zijn om er voor een te worden aangezien.

     Ik kijk o zo zuur naar mijn haute couture,
     want mijn haute couture is o zo duur!

Willie Wartaal (‘WiWa’) is een ander type. Hij is duidelijk de vechter van de drie. Hij claimt niet de betere smaak, maar gaat ouderwets de confrontatie aan over zijn raps, met een boodschap aan de haters.

     Gemaakt om te pimpen, jij om te fronten,
     altijd in je ooghoek, net als je oogpoep.

Faberyayo ten slotte gooit het ook weer op zijn uiterlijk. Hij presenteert zich als de mooiboy die hij natuurlijk ook is.

     Laat het mokkel daar maar hobbelen op me hobbelpaard,
     F tot de aber, jonge god, maak de roddels waar.

Drie rappers die zichzelf met veel branie presenteren, zoals Extince, maar dan wat ruiger en agressiever. Alleen: het is heel goed mogelijk dat u dat niet verstaan had. Zelf kon ik ze pas volgen nadat ik de teksten erbij had gepakt. Iemand met wat meer training in de Amsterdamse straattaal kan het waarschijnlijk wel allemaal volgen, maar dan nog: bij een optreden van zo’n groep wordt het publiek geacht mee te bewegen. Dan hou je je aandacht toch niet voor 100% bij de tekst.
  Dat is nou net het geheim van de Jeugd. Raps worden niet in de eerste plaats als tekst gebruikt, maar als muziek. Een tekst mag best een beetje onzinnig zijn, als hij maar lekker klinkt. We kunnen ons ten zeerste afvragen of Vieze Fur echt wel zuur naar zijn kleren kijkt, maar met dat dwingende midden- en eindrijm is ‘zuur’ hier het enige juiste woord.

Honderd keer pop in je moerstaal (76)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 76.

We hebben al aardig wat hiphopnummers voorbij zien komen en de komende maanden komen we er nog genoeg tegen. In eerdere afleveringen konden we constateren dat Amsterdam e.o. het voortouw nam: de eerste Nederlandstalige groep die doorbrak kwam uit de hoofdstad, en de grote jongens van de jaren nul kwamen daar ook uit de buurt. Daartegenover stond Brabander Extince, die als buitenbeentje toch maar de invloedrijkste rapper van zijn tijd werd.
  Ook in het oosten van het land kwam een rapscene op. Inderdaad, niet één enkele rapper die toevallig daar vandaan kwam, maar een hele scene. Plaats van gebeuren was om precies te zijn Zwolle. Dat lijkt opmerkelijk. Hiphop zou je hoogstens verwachten in de verlopen industriesteden van Twente, of in Groningen met zijn grootsteedse pretenties. Maar Zwolle, een stad ter grootte van Haarlem of Dordrecht… daar komen toch hoogstens brave rockbandjes vandaan?
  Kleine en middelgrote steden hebben geen best imago. De grote stad, daar gebeurt het. Natuurlijk de leuke en opwindende dingen, maar ook de heftige shit. Daar is de hiphop thuis. Het platteland, daar gebeurt het beslist niet, maar die mensen hebben karakter. De boerenrock, met zijn assertief uitgedragen “we-zijn-wie-we-zijn-en-we-blijven-hier”-mentaliteit, die past daar. Of de bedachtzame singer-songwriter (zie vorige aflevering). Maar in een modale stad – daar valt niks te beleven en je hebt ook nog eens geen frisse lucht. Daar moet het niet van komen.

Gelukkig hoeven bewoners van die modale stad zich daar niets van aan te trekken. Dat deden de jongens van Opgezwolle ook niet. Niet toen ze zichzelf oprichtten, niet toen ze provinciaal naam maakten en niet toen ze landelijk doorbraken (of althans bekend werden bij hiphopfans in het hele land). In hun single “Het verre oosten” uit 2003 doen ze ook helemaal geen moeite om hun stad interessant of street credible te maken. Ze beschrijven doodleuk het leven van de gemiddelde Zwollenaar, die naar de Wijthemerplas gaat of een ijsje bij Talamini neemt.
  Opgezwolle heeft nog wel meer bekende nummers. Vandaag behandelen we “Hoedenplank”, uit 2006.

In de clip zien we een nachtelijk tafereel. Niet alleen het nachtleven wordt gefilmd (de boodschap is opnieuw: ook hier in Zwolle valt wat te beleven, Randstedelingen!), ook zien de rappers ’s nachts in het bos, bij iets wat het midden houdt tussen een dropping en een vlucht voor de politie.

     Recht voor je raap rap, zo gaat het,
     voor wie zich in het nachtleven stort zonder vaste slaapplek.
     Gewoon gaan, zo…diep in een trance,
     wakker van espresso’s… geen Wiener melange.

Ze hebben het voornamelijk over zichzelf. Niet eens hun eigen loopbaan of hun eigen buurt, maar vooral hun eigen muziek. Het publiek, de luisteraar, wordt namelijk uitgenodigd om eens goed het nachtleven in te duiken en Opgezwolle te gaan zien. Hun muziek is de beste, uiteraard, en die moet in je auto uit je speakers klinken. De zelfverzekerdheid waarmee ze dat uitdragen (“we blijven rappers wegzappen”) doet denken aan Extince. Zijn “Spraakwater” moet je drinken, Opgezwolle biedt:

     Voer voor je hoedenplank.
     Tast toe, proef je woofer.

(En passant: gek eigenlijk hoe vaak rappers met die voedselmetafoor komen. Ook Ali B begon al met “Als je dit niet lust… smaken verschillen.”)
De muziek zelf doet iets minder aan Extince denken. “Spraakwater” drijft bijna volledig op zijn rap, met een vrij zachte beat en weinig extra dj-werk. In “Hoedenplank” is de beat een stuk harder; er moet gedanst (of op zijn minst meebewogen) worden. De voordracht is navenant; als je geen Nederlands verstaat, kun je best eens denken dat hier iemand gedist wordt. Dat is niet het geval, maar zeer in tegenstelling tot Extince rapt Opgezwolle nadrukkelijk niet voor iedereen: “De muziek is niet voor ieder wat wils.”
  Opvallender vind ik echter het geluid dat we erbij horen. Het zal wel uit een synthesizer of een ander keyboard komen, maar het heeft veel weg van een glasharmonica. Dat vinden mensen al eeuwenlang een intrigerend geluid. In de tijd van Mozart raakten mensen ervan in verrukking (de componist schreef ook zelf voor dit instrument), maar dokters waren ook bang dat je er gek van kon worden.
  Het zal hier wel niet dienen om de luisteraar in extase te brengen of kierewiet te maken. Wel om een onaardse sfeer neer te zetten. Een beetje eng en ongezellig ook. Want het geluid heeft ook wel iets weg van een piepend stalen hek. Alsof ze willen laten horen: onze muziek klinkt ’s nachts in louche keldertjes, als je gaat luisteren moet je dat wel echt willen.

“Hoedenplank” is een Nederhopklassieker, en het album Eigen wereld, waar het vanaf komt, stond in 2006 hoog in de Album Top 100. Toch lijkt het of deze groep het nooit helemáál heeft gemaakt. Tenminste, je kon ook in hun gloriedagen nog om ze heen, wat je van Ali B bepaald niet kunt zeggen. Hiphopfans kochten hun platen massaal, maar dan ook alleen maar zij.
  Geeft niet, ook zonder BN’erstatus kon je jarenlang aan de top staan. Opgezwolle ging in 2007 uit elkaar, Rico en Sticks gingen solo door. Ze hadden Zwolle cool gemaakt, ze hadden de radio gehaald, ze legden hun randstedelijke collega’s het vuur aan de schenen met een herkenbaar geluid en inventieve raps.

En als je dat allemaal niet genoeg vindt, bedenk dan dat de Zwolse hiphopscene niet alleen bestaat dankzij Opgezwolle, maar dat ze ook uitstraalt naar de wijde omgeving. Op het debuutalbum uit 2001, Spuugdingen op de mic, doet een 15-jarige Surinaamse puber mee. Hij komt uit ’t Harde en heet Glenn de Randamie. Later breekt hij door als Typhoon, en wordt hij geroemd als een van de beste Nederlandstalige artiesten van zijn tijd. Zonder een Zwolse hiphopscene was een jongen uit de Veluwezoom niet gauw gaan rappen…

Honderd keer pop in je moerstaal (74)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 74.

Vorige week maandag kwamen we Ali B tegen, met de mededeling dat de Nederlandstalige hiphop rond deze tijd pas echt groot werd. Het ligt dan ook voor de hand dat we meer hiphopacts tegenkomen. Hoewel ik er een hoop heb weggelaten, komen we er vandaag inderdaad weer een tegen. Vandaag is het de beurt aan twee Diemense kaaskoppen: Lange Frans en Baas B.

Diemen is bepaald geen grote toeristische attractie. Je zou ook nooit verwachten dat er bekende rappers vandaan komen, als het niet pal tegen Amsterdam aan lag. De rapscene die daar al een tijdje was, had ook zijn uitstraling naar deze voorstad en rond 1997 kwamen Frans Frederiks en Bart Zeilstra in actie. Dat deden ze aanvankelijk nog in een collectief, de D-Men. (Goh, waarom zou dat zo heten…) Ook Yes-R en Brace, die we in aflevering 71 naast Ali B tegenkwamen, hebben bij de D-Men gezeten. Zo zie je maar weer: iedereen kent elkaar in dat wereldje en huiskleur doet er weinig toe.
  Met de harde kern van de D-Men maakte het grote publiek in 2004 kennis. De groepsnaam was intussen afgedankt, de rappers gebruikten hun eigen artiestennamen. Lange Frans, Baas B en Brace vlogen de top tien in met “Moppie”, maar de eerste twee schoten pas echt naar grote hoogten met “Zinloos”. Een rap over, inderdaad, zinloos geweld. Net als Ali B leerden we deze twee jongens kennen als rappers met een (sociaal wenselijke) boodschap.
  Het jaar daarop zouden ze nog een nummereenhit halen met “Het land van”. Deze vrij bijzondere akoestische rap had ik best kunnen behandelen in mijn rubriek. Niettemin is de keuze gevallen op “Ik wacht al zo lang” uit 2006, waarin de heren hun collega Brutus en rockzanger Tim Akkerman featuren:

“Ik wacht al zo lang” werd een beste radiohit, maar slechts een bescheiden verkoophit. Het had zijn moment niet mee. Toen we het leerden kennen, in april 2006, had Lange Frans net een akkefietje achter de rug. Stond daar in een disco een pornorap te houden voor middelbare scholieren, toen hij een ijsblokje naar zijn hoofd kreeg. Fransje stapt van het podium af en slaat een puber in elkaar (nog de verkeerde ook). Leuk, als je bekend bent geworden met een liedje over zinloos geweld…
  Maar goed, het liedje. We horen hier geen normaal hiphopnummer. Wat wij muzikaal van hiphop gewend zijn, is nog geënt op de funk en soul waar het genre uit ontstaan is. Hier klinkt een rockbegeleiding. Tim Akkerman, zanger van rockband Di-Rect, heeft blijkbaar zijn hele band meegenomen.
  De combinatie tussen hiphop en rock was zeker niet nieuw. Al in 1986 haalden Aerosmith en Run-D.M.C. een wereldhit met “Walk this way”. In de videoclip wordt een symbolische muur tussen de rockers en de rappers gesloopt; vanaf nu was hiphop definitief een mainstreamgenre. Nog datzelfde jaar kregen we de Beastie Boys, die de hiphop met de punk verbonden.
  In de jaren negentig werden rapelementen in hardrocknummers normaal met de opkomst van de nu-metal. Vooral Rage Against the Machine kennen we van rapmetal, maar talloze andere bands volgden dit voorbeeld. De invloed van RATM konden we bijvoorbeeld in aflevering 65 horen, bij Belgian Asociality.
  Het rapgedeelte lijkt, meer dan het andere werk van Lange Frans en Baas B, beïnvloed door Eminem. Eigenlijk is het opvallend hoe weinig invloed Eminem, toch veruit de populairste en meest geprezen rapper van begin jaren nul, op de Nederhop heeft gehad. Net zoals de Nederlandse rappers zich eerder al heel weinig aantrokken van gangsterrap. Maar goed, over dit nummer valt zijn schaduw dus wel. Opgefokt, emotioneel beladen, overhoop met de hele wereld: zo klinkt het.
  Eminem werd in zijn tijd wel gekarakteriseerd als een ‘emo-rapper’. Daarmee bedoelden ze natuurlijk letterlijk de emotie die hij in zijn muziek en teksten legde, maar het was ook een verwijzingen naar het muziekgenre emo. Zoals mijn lezers waarschijnlijk nog wel weten, was dat een vorm van punk die in deze tijd opkwam en waarmee het later nog vreselijk uit de hand zou lopen. Kort door de bocht kwam het neer op zelfmedelijden en woede op een schreeuwerige manier ten gehore brengen, waarbij aansprekende, meebrulbare refreinen vaak niet ver weg zijn. De muziek van “Ik wacht al zo lang” heeft daar trouwens wel wat van weg, al kunnen we ook de invloed van Linkin Park vermoeden – geen emoband, wel een emotionele nu metalband voor tieners.

Di-Rect, waar Tim Akkerman op de loonlijst stond, was (en is) een Haagse rockband die het in deze tijd bijzonder goed deed. Persoonlijk vind ik ze wat slapjes, veel te weinig origineel, maar ze kunnen goed overweg met veel verschillende rockstijlen. Punk, hardrock, klassieke rock, ze hebben het allemaal weleens laten horen. Emo, nu-metal en aanverwante vormen normaliter dus geen probleem. Ook Tim blijkt multi-inzetbaar: hoewel de zangtaal normaal gesproken Engels is, blijkt hij ook prima Nederlands te kunnen zingen. (Hij zou dat in 2008 herhalen, toen de band Tommy coverde).
  Wat hebben deze emojongens te zingen? De tekst blijkt te gaan over mensen die te vroeg doodgaan. Wensen ze zelf de dood? Lange Frans lijkt het te zeggen!

     Tussen gek, geniaal, iedereen, allemaal,
     je leest mijn boek en ik schrijf het verhaal,
     met het bloed uit m’n pen naar het eind van de gang,
     ik ben klaar, kom me halen, want ik wacht al zo lang!

“Ik wacht al zo lang” is eerst en vooral een zin uit het refrein, waarin Tim het houdt bij wachten op een antwoord dat je niet krijgt. Dat lijkt ook Baas B te willen:

     Ik geloofde in sprookjes en in de mensen,
     ik was tevreden, had weinig te wensen.
     Maar nu die tijd zonder zorgen voorbij is,
     vraag ik me af wat de reden voor mij is.

Brutus, die hier in de feature zit, wil in ieder geval nog niet dood:

     Misschien haal ik de 80 of het stopt bij 40,
     maar alsjeblieft niet eerder want ik vind het hier nog heerlijk!

Veelzeggend is de video. In de eerste twee coupletten zien we een kamer waarin Frans als een getergd kunstenaar op inspiratie wacht. Baas B zit in couplet twee in de kerk op een antwoord te wachten. Daarna komt de dood pas echt in beeld: een ziekenhuisscène en een begrafenis. (Het moet me van het hart dat Tim niet heel sterk acteert, maar dat terzijde.) Als het erop aankomt en je de dood in de ogen kijkt, kies je blijkbaar toch voor het leven.

Lange Frans, Baas B en Di-Rect zetten met “Ik wacht al zo lang” een geslaagde en bij vlagen indrukwekkende samenwerking neer. Toch klinkt het nummer anno 2017 gedateerd. De twee rappers zijn door betere collega’s ingehaald, de rockstijl van het nummer is uit de gratie geraakt. Maar één keer per jaar mogen we deze tijdcapsule toch wel opentrekken.

Honderd keer pop in je moerstaal (49)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 49.

Vorige aflevering ging over “Mia”, een soort Vlaamse droompop avant la lettre. Wie nog is blijven dromen, wordt vandaag hardhandig wakker geschopt door iets heel anders: “Moordenaar” van Osdorp Posse.

Even het geheugen opfrissen. Nederlandstalige hiphop zijn we al heel vroeg tegengekomen: in aflevering 2 kwam een rapversie van “Kom van dat dak af” aan de orde, met MC Miker G en dj Sven. Vervolgens kregen we kindsterretje Danny Boy met zijn “Repperdeklep” (aflevering 26), die het Nederlands al bijna vanaf het begin tot raptaal maakte.
  Sindsdien is mijn rubriek Nederhop-vrij gebleven. Dat had ook zijn redenen: het was er nauwelijks. Enkele curiosa en dappere pogingen niet te na gesproken werd er in de jaren tachtig geen Nederlandstalige hiphop gemaakt.

Dat wil zeggen: tot 1989. In dat jaar brengt de VPRO vier blanke rappers uit Amsterdam-Osdorp voor het voetlicht. Ze zijn dan nog helemaal niets, en de platenwereld is niet in Nederlandse rapjes geïnteresseerd. Twee jaar later heeft de posse een bescheiden ondergrondse reputatie opgebouwd, maar interesse is er nog steeds niet. Dan maar een eigen demo uitbrengen. Een cassettebandje met een gestencild rood papiertje, want geld mag het niet kosten.
  De Rooie demo circuleert door Nederland en wordt gretig gekopieerd. Dan pikken de platenboeren het op. Uiteindelijk verschijnt in 1992 het officiële debuut Osdorp stijl. “Moordenaar” staat daarop, maar het stond ook al op de Rooie demo. Sterker nog: het was binnen de scene al een hit voordat het bandje werd gemaakt. De aflevering van vorige week was van 1992; eigenlijk had dit stukje al eerder moeten verschijnen.

Nou ja, genoeg tekst. Laten we luisteren:

Def P vertelt over zijn leven als gangsterrapper. In het nummer gaat hij naar de tram, naar de disco en naar de kerk om daar zijn ding te doen. Dat komt neer op veel seks maar vooral veel, heel veel geweld. Niet alleen de mensen die hem tegenwerken gaan eraan, ook toevallige omstanders moeten eraan geloven.

Wie met zijn tere kinderzieltje door het geweld heen kan kijken, ontdekt al gauw dat we met een parodie te maken hebben. Amsterdam is best een heftige stad, maar zulke moordpartijen als hier beschreven worden, vinden er niet plaats. Def P kan dit nooit gedaan hebben en wil ook niet dat we dat denken.
  Parodie was vanaf het begin een handelsmerk van Osdorp Posse. Ze vertaalden het rapjargon letterlijk naar het Nederlands, hoe belachelijk dat ook klonk. Moederneuker als scheldwoord kan eventueel nog – de belediging komt in elk geval aan – maar vragen of iemand wel weet “tegen wie de neuk [hij] praat” werkt alleen maar op de lachspieren.
  Def P heeft het ook vaak genoeg gezegd. Gansterrap was rond 1990 in opkomst, met Ice Cube als boegbeeld. (Een van de leden uit de Posse heet IJsblok – ook weer zo’n koddige vertaling.) Leuk allemaal, die teksten met geld, drugs, vrouwen en geweld, maar wat is ervan waar? “De grootste boerenlul kan wel zo’n tekst schrijven.” Def P dus duidelijk ook.

Een parodie is geslaagd als ze met rake klappen het origineel te kakken weet te zetten. Precies uitlichten wat er zo typisch is aan dat origineel. Maar daarmee heb je nog geen klassieker geschreven. Def P kan wel degelijk meer dan parasitair op de stijl van anderen meeliften. Het nummer zit soms virtuoos in elkaar:

     Dus ik geef hem een douw en pakte gauw
     mijn schietpistool en dee “pauw-pauw-pauw”!

Een “schietpistool” dat “pauw-pauw-pauw” doet. Veel kinderlijker kan het niet. En dat voor een gangster! Of wat te denken van:

     Ik ben een zware jongen, maar hij is zwaarder.
     Ik ben een moordenaar, maar hij is moordenaarder.

Even verderop gaan Def P en IJsblok lukraak “lekkere wijven” neuken. Er stapt iemand beleefd op hem af:

     “Pardon, u neukt met mijn vriendin.”

Met zo’n slapjanus wordt natuurlijk snel en doelmatig afgerekend. En mochten wij het gek vinden, Def P vindt het heel gewoon:

     Je vindt me misschien een beetje raar,
     maar ik ben gewoon een moordenaar!

Lachen? Nadat je van de schok bekomen bent wel. Dan het derde couplet:

     Op zondag wordt er niet gewerkt,
     dan zitten alle mongolen in de kerk.
     En volgens mij krijg je er gratis wijn,
     dus laten wij ook eens gaan, voor de gein.

Uiteindelijk wordt de kerk ook uitgemoord, net als de tram en de disco. Toch heb ik hier meer problemen mee. Def P heeft namelijk vaak genoeg aangegeven dat hij écht een hekel aan het geloof heeft. “Godverdomme (God is voor de dommen)” is een nummer dat boekdelen spreekt. Dat maakt het laatste couplet een stuk minder grappig. De moordpartij is natuurlijk compleet over de top, maar de agressie is wel echt.

“Moordenaar” bleef niet onbesproken. Gelukkig maar, voor Osdorp Posse. Een act hadden ze, een dijk van een nummer hadden ze ook, en met een rel zaten ze helemaal geramd. Na wat valse starts was de Nederhop nu echt een “ding” geworden. Maar de agressie met een knipoog zou niet in de mode blijven. Tegen het einde van het decennium zou Osdorp Posse van alle kanten concurrentie krijgen. Die rappers maakten muziek in vele stijlen en rapten over vele onderwerpen, maar gangsterrap zou in Nederland geen voeten aan de grond houden. Wordt dus vervolgd.