Honderd keer pop in je moerstaal (91)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 91.

Het was dé popmuziekhype van de jaren nul: de talentenjacht. Een groep mensen uit de muziekindustrie ging via de televisie op zoek naar een nieuwe popster. Dat formaat heeft twee voordelen. Ten eerste melden mensen zich bij bosjes aan met het vooruitzicht dat je, ook als je niet wint, op tv kunt komen. Ten tweede kent het publiek de sterren al, zodat de singles en albums niet meer in de markt moeten worden gezet.
  Het idee was niet nieuw – in de jaren zestig ontstonden zo The Monkees al. Maar met teruglopende, later zelfs instortende verkoopcijfers (eind jaren negentig werd het mogelijk cd’s te kopiëren en liedjes te downloaden) werd deze korte weg naar commercieel succes erg aantrekkelijk. Starmaker, Idols, Holland’s Got Talent, Popstars, The Voice of Holland… het aantal programma’s is amper te tellen.
  Aan negatieve kritiek heeft het deze programma’s niet ontbroken. Zowat alle gevestigde artiesten, van mainstream tot underground, spraken hun afschuw uit en iedereen die een beetje muzieksmaak claimde ging ervan over zijn nek. Natuurlijk, wegwerp-artiesten en bubblegummuziek zijn al zo oud als de popmuziek zelf, maar nu werden ze wel heel erg de norm. Hoe moet je het ooit gaan maken als serieuze muzikant of band, die onderaan de ladder begint, als de muziekindustrie alleen nog maar voor kortstondige succesjes gaat?

Met die gedachte in het achterhoofd begon Giel Beelen in 2012 met iets nieuws. Het icoon van 3FM, de zender die zich graag als serieus en licht alternatief radiostation profileert, begon met een paar muzikanten die hij bewonderde aan een talentenjacht voor singer-songwriters. De kandidaten zouden hun eigen werk brengen en op hun artistieke merites worden beoordeeld. Televoting zou er niet aan te pas komen.
  De beste singer-songwriter van Nederland liep uiteindelijk vier seizoenen. Ook dit programma kwam onder vuur, bijvoorbeeld van popbladen OOR en Lust for Life. Allemaal zeikerige millennials die geen fatsoenlijke protestsong kunnen schrijven, vonden hun vergrijzende redacties. Toch moet je Beelen en co. nageven dat hun programma succesvolle artiesten opleverde, wier werk ook een paar jaar later nog redelijk overeind staat. We denken aan Douwe Bob, Nielson en Lucas Hamming. En aan Maaike Ouboter, die in 2013 voor het memorabelste moment uit de geschiedenis van het programma zorgde.

Het liedje is zo bekend dat het nauwelijks introductie behoeft. Het fragment is al bijna net zo bekend. Maaike, een mooi jong meisje, komt binnen met een heftig verhaal: mijn beide ouders zijn al tijdens mijn puberteit overleden. Een weeskind dus. Hoe vaak maak je dat in het Nederland van de eenentwintigste eeuw nog mee?
  De vraag “Wat ga je spelen?” kan ze niet zo kordaat beantwoorden. Ze komt niet verder dan “een liedje over iemand missen”, begeleid met het nodige “nou eh”, “gewoon” en “weet je”.
  Logisch dat ze maar gauw begint te zingen. Ruim vier minuten lang brengt ze een eenvoudig, verstild liedje. Af en toe wordt er ingezoomd op de jury. Die houdt natuurlijk altijd zijn mond tijdens een optreden, maar toch lijken ze stiller te zijn dan anders. Je ziet ze geen vin meer verroeren, en het lijkt wel of ze hun ogen wijd opensperren om alles goed te kunnen horen. (Ja, ik bedoel wat ik schrijf!)
  Na het slot barst Sanne Hans (“Miss Montreal”) in tranen uit. Giel Beelen troost haar, maar houdt het evenmin droog: “Sanne, jij ook al?” Eric Corton, de stoere rockman met tatoeages, houdt natuurlijk zijn zelfbeheersing. Hij is ook de eerste die iets kan zeggen: “Je hebt iets heel moois gemaakt!” Eric legt Maaike uit dat haar taalvirtuoze tekst de luisteraar tot in het diepste weet te raken – iedereen althans die weleens met verlies te maken heeft gehad.
  Cortons compliment is tweeledig: het liedje vertoont een grote taalvirtuositeit, en de tekst weet de luisteraar universeel te raken. Taalvirtuositeit, spelen met woorden, is een vaardigheid die je aan kunt leren. Het is niet gemakkelijk en aangeboren affiniteit met taal helpt wel. Misschien is Maaike fan van drs. P of diverse cabaretiers. In ieder geval beheerst ze op haar negentiende al moeiteloos het metrum van haar moedertaal, en rijgt ze zinvolle klankassociaties aan elkaar alsof het pindasnoeren zijn:

     Ik mis je, ik mis je.
     Ik grijp je, ik gris je.
     Ik wil je, bespeel je,
     ik roer en beveel je (…)

Maar met een taalspel heb je nog geen mensen tot tranen ontroerd. Daar moet je echt gevoel voor hebben, en dat is niet zo gemakkelijk aan te leren. “Orator fit, poeta nascitur” luidt het spreekwoord: De redenaar wordt gemaakt, de dichter wordt geboren.
  En of Maaike Ouboter daar gevoel voor heeft! Vertrouwd als ze is met haar moedertaal, durft ze ook de grammatica in haar expressieve voordeel om te buigen. Maaike doet in het liedje dingen in haar eentje, maar die draaien allemaal om degene die er niet meer is. Om dat uit te drukken maakt ze onovergankelijke werkwoorden overgankelijk:

     Je ademt en leeft me,
     siddert en beeft me.

En niet te vergeten: “In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister”. Een echte taalvirtuoos weet wanneer hij moet stoppen. In het refrein gaat het gewoon weer rechttoe rechtaan:

     Maar al denk ik soms dat het zo beter is,
     kan ik het niet helpen dat ik je soms mis…

Het liedje zit muzikaal uiterst eenvoudig in elkaar. De begeleiding bestaat uit 6/8-figuren op de gitaar waarvan alleen de bastoon wisselt. De vulstemmen blijven steeds dezelfde, waardoor ze nauwelijks een harmonische of een melodische functie hebben maar vooral ‘kleuring’ zijn. Het slepende tempo en de manier van zingen maken het liedje wat plechtstatig, maar welbeschouwd is de tekst verre van pathetisch. Maaike bezingt wel haar verdriet, maar beklaagt zichzelf nauwelijks, terwijl ze daar (gezien de biografische achtergrond van het nummer) best reden toe heeft.

Nadat Eric Corton zijn analyse heeft beëindigd, is het de beurt aan Giel Beelen. Dat hij zo stil was, komt doordat hij aan zijn vader dacht. En dat had hij al jaren niet meer zo intens gedaan. Toch komt ook hij met een nuchter en beslist oordeel: “Ik zou niet heel veel plannen maken deze zomer.” Met andere woorden: jij gaat het hoogstwaarschijnlijk maken en het druk krijgen met de muziek.
  Giels voorspelling is uitgekomen. “Dat ik je mis” werd een hit, en niet Maaikes enige. Twee jaar later kwam er een album uit. Kom daar bij Jim en Jamai van Idols eens om: twee jaar wachten met een album en de mensen willen je muziek nog steeds kopen.