Honderd keer pop in je moerstaal (88)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 88.

Wie de vrolijke klanken van Pater Moeskroen nog in zijn hoofd heeft, krijgt vandaag een kouwe douche. Het nummer van vandaag is behoorlijk ernstig en echt vrolijk zul je er niet van worden.
  Ons liedje van vandaag komt uit Zeeuws-Vlaanderen, een regio die de meeste Nederlanders waarschijnlijk alleen van de landkaart kennen. Wie moet er nou ooit in Zeeuws-Vlaanderen zijn? Sowieso is Zeeland niet de meest opvallende provincie. Veel mensen gaan erheen op vakantie, dat wel, maar het is geen regio die zich met veel bombarie tegen de Randstad afzet, zoals Friesland met zijn taal, het oosten met zijn boeren, Brabant met zijn gezelligheid of Limburg met zijn buitenlandse aard.
  Dat werkte ook in deze rubriek door. Terwijl Skik, Rowwen Hèze en De Kast met streektaalmuziek hoge toppen scheerden, werd Zeeland bekend met Bløf, een standaardtaal zingende band geënt op De Dijk uit Amsterdam. Het zal de Zeeuwse mentaliteit zijn: ze voelen zich toch te verwant met Holland en de Hollanders om nationalistisch te gaan doen.
  Muziek in het Zeeuws was er wel, vooral op Zuid-Beveland. Het waren vaak zangers van simpele luisterliedjes. Ouderen uit de streek kan ik Engel Reinhoud aanbevelen (zanger van liedjes als “Een bolus bie de koffie”). Iets minder oubollig, maar nog steeds niet erg wereldschokkend, is Peter Dieleman. Jongeren luister(d)en naar Surrender (een boerenrockband die ik liefhebbers van dat genre warm kan aanbevelen) of naar Du Driefstang (een boerenrockband die ik liefhebbers van het genre beslist niet aanbeveel).
  Toen ik op mijn achttiende uit Zeeland (terug) naar de Randstad verhuisde, voelde ik me erg Zeeuws en had ik wél de behoefte me tegen die Randstad af te zetten. Helaas kon ik bij mijn medestudenten niet al te veel pronken met muziek in de streektaal. Uiteindelijk moest ik nog tien jaar wachten op echte kwaliteitspop in het Zeeuws. In 2012 kwam Broeder Dieleman (voor zover bekend geen familie van Peter) met zijn debuutalbum Alles is ijdelheid. Laten we daarvan nu “Duuzend veugels” luisteren.

Ik ben fan van het eerste uur. Het kan zijn (dat lijkt me zelfs erg waarschijnlijk) dat de man al optrad met eigen werk vóór ik hem kende, maar dit filmpje, dat werd uitgebracht om de debuutplaat aan te kondigen, haalde me meteen over. Akkoord, ik kon het niet meteen verstaan (Zeeuws-Vlaams, Land-van-Axels om precies te zijn, is nog heel wat anders dan eiland-Zeeuws) en ik vond het filmpje wat vaag, maar man wat een mooie beklemmende muziek!
  Iets later kwam ook de plaat uit, bij een obscuur label met de achterlijke naam “Beep! Beep! Back up the Truck”. Uiteraard kocht ik hem. Het was, geloof ik, mijn eerste vinylplaat. Niettemin ging de plaat nog maanden langs iedereen heen. Pas toen het iets bekendere Snowstar Records ermee aan de haal ging, werd de plaat breder opgepikt en kwam er bijvoorbeeld een recensie in de OOR. Dan heb je wel je dag hoor, als je als pophipster met een pick-up kan zeggen: “ik had die plaat vorig jaar al!”

Broeder Dieleman zet zijn Zeeuwse teksten op folkmuziek (toch één overeenkomst met Pater Moeskroen!). Die folk is over het algemeen op Amerikaanse leest geschoeid – geen echte country maar wel liedjes met banjo. Dieleman haalde zijn inspiratie onder meer bij Bonnie Prince Billie, met wie hij samenwerkte en vaak vergeleken is. De man heeft echter een open blik; alle eenvoudige melodieën en bezwerende muzieksoorten spreken hem wel aan. Zodoende ging hij ook op zoek in het archief van het Meertens Instituut naar Zeeuwse traditionals; hij is dus een van de weinige Nederlandse folkartiesten die wél iets hoorde in het materiaal van eigen bodem.
  De teksten en muziek van zijn debuutplaat schreef hij nog zelf. Alles is ijdelheid staat in het teken van zijn te vroeg gestorven moeder, wat de beklemmende sfeer verklaart. Jeugdherinneringen wisselen met snapshots op het strenge geloof waarmee hij werd grootgebracht. Broeder Dieleman lijkt niet het godsgeloof, maar wel de moraal van zijn oude religie te hebben behouden: in haar strenge puurheid doet de muziek calvinistisch aan, en de zanger is veel meer een dominee dan een extraverte rockster.
  In “Duuzend veugels” overheersen zo te horen de warme jeugdherinneringen. De tekst is fragmentarisch en ik kan nog altijd niet ieder woord verstaan (er zit geen tekstblad bij de elpee), dus een voorbehoud is op zijn plaats. Dieleman “droomde dat hij wakker werd” en dat zijn armen verminkt waren. Misschien waren het vleugels geworden, en vloog hij nu met de zwerm buiten mee? Hij droomde, dus “nu was alles mogelijk”.
  De eerste regels lijken misschien een beetje angstaanjagend: armen kapot, overal bloed. Maar hij droomt alleen maar, en de wereld erbuiten is juist heel geruststellend:

     De wind is zacht, de deken werm:
     Duzend veugels in ’n zwerm.

De kleine Tonnie (zoals Broeder Dieleman in het dagelijks leven heet) kan dromen wat hij wil, doordat hij zo veilig in zijn warme bed ligt en buiten geruststellend de wind waait. Meer heeft de Broeder eigenlijk niet te zeggen. Tenminste, niet in woorden. Het belangrijkste wat hij over wil brengen is de sfeer, en die wordt grotendeels gedragen door de muziek. Helaas beperkt dat ook de mogelijkheden om er meer van te zeggen…

Daarom zal ik het hierbij maar laten. Broeder Dieleman maakte na Alles is ijdelheid het al even prachtige maar veel vrolijker Gloria. Begin vorig jaar kwam Uut de bron uit, een literair album rond een raadselachtige dichtende kluizenaar uit de streek. En hij deed meer. De ter ziele gegane Middelburgse discotheek The Nighttrain (één keer in mijn leven naartoe geweest) werd mede door zijn werk Poppodium De Spot, hij haalde cult-bluesman Ries de Vuyst (eveneens Zeeuws-Vlaming) uit het undergroundcircuit en hij kreeg Peter Slager, bassist en tekstschrijver van Bløf, zover om het eindelijk eens in het Zeeuws te proberen.
  Eén appeltje heb ik nog wel met hem te schillen. Als vroege fan volgde ik Broeder Dieleman ook al bijna van meet af aan op Twitter. Ik geef toe dat ik soms wat opdringerig was, en misschien waren we het vaak oneens. Maar waarom heeft hij het nodig gevonden om mij op Twitter te blokkeren? Zeg meneer Dieleman, als u meeleest: hebt u misschien op de verkeerde knop gedrukt? Bedenk wel dat zulke acties ook uw eigenbelang schaden. Doordat ik uw tweets niet kon zien, was ik niet op tijd op de hoogte van Uut de bron. Als u mij niet op de hoogte houdt, kan ik nooit uw platen kopen of uw shows bezoeken. Twitter biedt de mogelijkheid om gebruikers te negeren, zonder ze te blokkeren. Zou dat misschien een idee voor u zijn?

Honderd keer pop in je moerstaal (68)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 68.

Sinds jaar en dag kun je als serieuze popliefhebber niet meer aankomen met Bløf. Sterker nog: je scoort beter als je de vier Zeeuwen verrot scheldt. Hun muziek is “te commercieel”, hun teksten zijn “quasi-diepzinnig”. Helemaal eerlijk is dat niet. Natuurlijk, Bløf is al jaren een van de grootste bands hier te lande en hoge bomen vangen veel wind. Toch lopen pakweg Coldplay, Red Hot Chili Peppers en U2, die vergelijkbare muziek maken, niet zo algemeen tegen een muur van onwil op in de wereld van de zelfverklaarde popliefhebbers.

Dat is niet altijd zo geweest. Toen ik in Zeeland kwam wonen, twintig jaar geleden, moest Bløf nog landelijk doorbreken. Op Walcheren kende men de band al twee jaar. De klas liep ermee weg en mij deed “Aan de kust”, met zijn mengeling van roemrijk verleden en harde zelfspot, ook wel wat.
  Toen ik muziekwetenschap ging studeren, mocht Bløf ook nog. Ik was er “die Zeeuw” en Bløf was iets om trots op te zijn. De Nederlandstalige rage van de jaren negentig ijlde nog na en deze band had een brede fanschare opgebouwd. De teksten, steevast geschreven door bassist Peter Slager, werden nog als ‘literair’ beoordeeld, in de beste traditie van De Dijk en The Scene (aflevering 46). De muziek was mainstream, maar goed, en Paskal Jakobsen was een rasartiest. En de dood van drummer Chris Götte had zoveel indruk op Nederland gemaakt, dat het gedenkalbum Blauwe ruis twee jaar in de hitlijsten doorbracht.

Vandaag bespreken we een liedje van de opvolger Omarm, een positieve plaat die helder afsteekt bij de treurige voorganger. Om precies te zijn bespreken we de titeltrack.

Het liedje opent met een rustige, maar redelijk ingewikkelde gitaarriff. Dat loopje doet ons verlangen naar de drummer, die ons ritmegevoel kan bevestigen. In plaats daarvan slaat de drummer echter een andere maat: hij speelt 6/8 terwijl de gitaar een vierkwartsmaat laat horen. Met deze ritmische truc wordt het nummer muzikaal al meteen boven de middelmaat getild. Bovendien wordt meteen duidelijk dat je met een luisterlied te maken hebt, want zonder eenduidige ritmische puls gaat dansen of meebewegen niet werken.
  Alle reden dus om de tekst eens te beluisteren. Die is in elk geval weer 100% Bløf:

     Hoe ver je gaat
     heeft met afstand niets te maken.
     Hoogstens met de tijd.

In letterlijke zin zijn die regels onzinnig. ‘Ver’ betekent gewoon ‘op grote afstand’, het heeft dus alles met afstand te maken. Daarom is het erg verleidelijk om de teksten van de band inderdaad maar als quasi-intellectuele onzin af te doen.
  Maar dat is ook een vorm van luiheid. Laten we nu gewoon wél de moeite nemen om een diepere betekenis achter deze regels te vinden. De schrijver wil dialectisch denken op gang brengen: met een paradox verwijst hij naar een hogere waarheid die je in een gewone omschrijving niet zó elegant of veelzeggend kunt uitdrukken.
  Die waarheid zou kunnen zijn: je kunt met een vliegtuig in een halve dag naar de andere kant van de wereld reizen. Maar ben je dan zo ver van huis? Vliegveld, resort, vliegveld, weer terug, verder niets van de wereld gezien. Pas als je langer weg bent uit je oude omgeving, ga je je misschien wat onthechten en ben je verder weg. Maar uiteindelijk moet het ook daar niet aan liggen.
  Überhaupt is het de vraag of het hier letterlijk over reizen gaat. Een mens kan ook in zijn leven ver gaan: ver van de waarden waarmee hij is grootgebracht, ver van de gewoonten die hij normaal praktiseert, ver van de dingen die zijn omgeving doet. Heel het liedje – ik ga niet elke spreuk van dat lied analyseren – staat bol van de paradoxen over denkprocessen.

Des te opvallender is het refrein. Dat lijkt in ieder geval overduidelijk:

     Lief, ga dan mee
     en omarm me,
     omarm me, omarm me
     en breng me nergens heen.

In eerste instantie ben je natuurlijk geneigd daar weer iets diepers achter te zoeken. “Neem me zoals ik ben”, dat ligt voor de hand. Maar de letterlijke betekenis moeten we zeker ook niet vergeten. Paskal staat hier eerst en vooral gewoon te zingen “kom maar hier”. De liefde, met licht-erotische boventonen, domineert het album. Omarm werd de titel van de hele plaat, de hoes vertoont zwoel geel en rood en later worden we getrakteerd op de regels “Sla je benen om me heen / en laat me bij je binnen”. Bij een keurige band als Bløf werkt dat wel lichtelijk choquerend!

Het vurige “omarm me” valt moeilijk te rijmen met het bedachtzame karakter van de eerste twee coupletten met hun tegen elkaar in lopende ritmes. Daarom gaat na het tweede refrein de schuif ook vol open en horen we ineens stevige rock met een hammondorgel (een in Nederland geliefd instrument). Tegen het einde gaat het nummer dan toch weer terug naar de oorspronkelijke textuur, terwijl de zang afsluit met nog een aforisme.
  Je kunt zeggen dat het nummer hiermee op twee gedachten hinkt: moet het filosofisch-bedachtzaam of juist ongecompliceerd en volle bak? Muzikaal gezien is dat eigenlijk een non-argument: hoeveel nummers beginnen er niet rustig, om dan naar een climax toe te werken die tegen het einde weer wordt afgebouwd? Bovendien: tempo, toonsoort en een groot deel van het ritme blijven behouden. Nee, dit nummer lijdt niet aan interessantdoenerij!
  Het beste argument voor die stelling bieden de reacties onder het YouTubefilmpje. Op de een of andere manier is het liedje bekend geraakt in Brazilië, waar men niets van de tekst verstaat. Maar de pure zeggingskracht van het liedje doet het hem blijkbaar: “Simplesmente fantástico! Agradável de se ouvir.”
  Waren wij nog steeds maar zo vol lof over deze talentvolle Middelburgers…

Peter Slager – Slik

“Let op mijn woorden: die gaat solo”, zeide mien docente Popmuziek Lutgard Mutsaers a in 2004 over Paskal Jakobsen. Bløf stoeng toen zò’n bitje op z’n ‘oôgtepunt qua roem en erkennienge: ‘eêl ’t land luusterde d’rnae en as poplief’ebber ko jen ’t nog maeke. “Is-ie z’n tekstschrijver kwijt!”, was ’t antwoord van eên van mien mee-studenten. Neênt, daer ao Mutsaers nie an gedocht: de typische teksten van Bløf, die-an nie bie iedereêne in de smaek valle mae d’n band wè z’n smoel geve, komme uut de penne van bassist Peter Slager. Misschien mochte ze dan saeme solo vedder?

Dit jaer is ’t dan zòver gekomme: Paskal Jakobsen én Peter Slager bin allebei solo gegae. Alleên: nie saeme, mae aollebei mee d’r eige project. En laeme maer eêrlijk weze: van Peter ao gin mens da verwacht. ‘Ie is zòas de meêste bassisten noga verlege, nie echt ’n podiumbeêste as Paskal, meêr iemand die-a in de schae bluuft. Dan moe je constant nae de konte van de zanger kieke, mae dat is vò zukke mensen beter as 40.000 man publiek recht in d’r gezicht.
  ’t Is dan ok nie vreêd da Peter de vurm kies die bie zò iemand ’t beste past: die van singer-songwriter. Stille, bescheie liedjes daerin ’n ver’ael verteld oor, en minder ’n show gebrocht. Vò dit project koos t’n vedder vò zien moerstaele, ’t Zeêuws van Dreister (Dreischor), Schouwen-Duveland. Da’s a ‘eêl wat. Je kan de taele nog zo goed spreke, je za toch opnieuw schrieve lere moete a je ’t meêr as twintig jaer in ’t ‘Ollands gedaen ei. En Zeêland is nie de beste provincie vo dit soort werk. Onderwiel dan ze in Friesland, Limburg en Oôst-Nederland an de lopenden band mee dialectmuziek kwaeme, bleef ’t in ’t zuudwesten groôtendeels beperkt toet streektroubadours en d’n boerenrockband Surrender. Mae kiek, ’n paer jaer vromme was t’r ineêns Broeder Dieleman uut Zeêuws-Vlaendere mee serieuze muziek de eige taele, dus noe wou Peter ’t ok wè’s probere.

Bløf wier in z’n tropenjaeren altoos aol ’n echte Zeêuwsen band genoemd, wat ze eigelek glad nie wouwe. Ze zoenge nie over Zeêland, nie in ’t Zeêuws en nie op ’n typisch Zeêuwse manier. En as ’t dan toch ins over Zeêland goeng, zòas in “Aan de kust”, dan was dat ironisch. Die schae ‘aelt Slager ‘ier avast in. Vanaf liedje eên is de setting Dreister en omstreken. Sterker nog: vanaf d’n titel a. Iedereêne die wè is mee baemisse in Zeêland is gewist, weêt dan d’r dan waerschoewiengsbordjes nessens de wegt stae mee ‘slik’ d’rop. De lèste jaeren moe d’r ‘modder’ vò in de plekke komme omdan die ‘Ollanders ’t aors nie zouwe begriepe; as dat deugaet, kan de plaettitel nog ’n daed van verzet ore. Mae goed, slik dus. En ‘windstil’ (“Ik ‘oôpte op de wind / Dat ’n m’n douwe zou zòas da kon as kind”). Of “As d’n diek straks breekt”. ‘Ie weêt ‘r mooie diengen mee te zeien: ‘oe at ’t in z’n eige durp toch ’n bitje tegevaolt, maer ok dat ’n nie zò noôdig de sterre ‘oef te wezen (zòas Paskal): “Oesters zonder paerels smaeke goed.” Ok as ’n gewoon zeit wat ’n bedoel, kom zien wiesdom goed uut:

   In de groôte stad bin ‘k ’n opgeslote beêst
   In zonsondergangen gloeie ‘ier nie nae
   Ik mis de polders en de dunen en de zeê
   En de zoute wind die deu m’n ‘arte raest.

Dat de man teksten schrieve kon wiste me van eiges a jaeren. Van z’n muziekkwaliteiten wiste me alleên dat ’n basgitaor speelde. Maer ’n ‘ei nog wè meer in z’n mars. Schrief je eve mee: gitaor, ukulele, guitalele, banjo, ‘akkebord, contrabas (ok gestreke eej!), piano, trapurgel, Shrutibox (trek’armonica) en percussie speelt ’n neffens de bas nog op de plaet! En live (bie de plaetpresentaotie donderdag in Middelburg) è’k ‘m ok nog ‘ommel zien spele. En o jae, zienge, dat doet ’n ok nog. Zien stemme is nie zò sterk as die van Paskal, mae zuver en vreêd expressief. Goed geschikt vò dit soort repertoire dus. En dienk jen eige maer in: d’r staet ’n cover van Tom Waits op ’t album! Dan weê’k toch wè welke van tweê da’k liever ore…
  In de muziek ‘ore men ’n antal singer-songwriters vromme. Deu zien veezieïg’eid (is dat ’n woord?) doet ’n an Daniël Lohues dienke. De plaete is ok op ‘tzelfde label as d’n dieën z’n solowerk uutgebrocht, en Slager gebruuk dezelfde sessiemuzikanten. In de media verschenen a vergeliekiengen mee Sufjan Stevens; da’s wè de groôste eêre die je ’n zanger-schriever bewieze kan. ’n Bitje de folk- of alt-country-‘oek gaet ’t zeker wè op. Dat maek d’n ‘oes trouwens a bos dudelijk: de foto’s komme uut Dreister en omgevienge, mae bie sommige plaetjes is ‘t, a je ’n bitje scheel kiekt, juust asof je ergest in ’t diepe zuie van de VS staet.
  Slager schrieft ‘eêl mooie liedjes, daerin d’n in de beste traditie mee weinig middels complete sfeerbeelden weêt te maeken. Eên dienk moet ’n misschien nog lere. Zien liedjes ‘ebbe nie vreêd vee hitpotentie. “As d’n diek straks breekt” komt ‘r nog ’t kortste bie, mae ’t bluuf nie in j’n ‘oôd ‘ange as “O, m’n bloedmooie Zeêland”, wat-a ’n vertaelinge van Ryan Adams (“Oh my sweet Carolina”) is. Nie “Aan de kust”, mae dát zou noe ins goed geschikt weze as nieuw volkslied! Ok “In de kouwe hrond” doet ’t goed, mae dat is dieën cover van Tom Waits. De pakkendste liedjes komme dus van aoren.
  Dat beteêkent nie dat de rest van de liedjes tweêderangs is. Nie alleên bin ze daevò vees te goed gemaekt, ze vurme ok saeme de plaete. Slik is ’n echte saemen’angende plaete mee ’n verbindend thema en ’n dudelijk verloôp, wat-a gae van d’n trugkeer nae ’t ouwerlijk durp toet an d’n doôd laeter: nog eên keer zwemme in zeê, en asjeblief nie alleêne. ’n Bitje somber, maer alla, dat bin me van die zanger-schrievers wè gewend.
  Schrieven in ’t Zeêuws ‘oeft ’n nie meer te leren. Ik docht eêst eve van wè: in ’t liedje “O m’n bloedmooie Zeêland” stae wè wat woorden die alleên rijme a je ze op z’n ‘Ollands uutspreekt. Mae live ao d’n aol uutgeleid dat ’n precies dat liedje eêst nae ’t ‘Ollands ao vertaeld, en toen docht: mae dat moet ik feitelijk op z’n Zeêuws zienge. In de aore liedjes is ’t andersom: d’r komme woorden in vò die in ’t Ollands nie rijme zouwe. Wat wè nog beter kan, is de spellienge. Die is nie zò consequent en liekt ’n bitje op gevoel gedae. Zou Peter deze recensie leze, dan eit ’n ‘ier de link nae de Schriefwieze(r) van Noe. Graeg gedae. 🙂

Eerlijk gezeid è ‘k deze plaete blind gekocht. Zò’n biezonder project wou ik ‘oe dan ok in ‘uus ‘ebbe, ‘oe ’t ok kloenk. ‘k È d’r gin moment spiet van g’oad. Wat meer is: ik kan ze iedereêne anraede. En dat zeie ‘k nie van aolle muziek die ‘k zelf goed vinde. A je fan bin van Bløf, oor je ‘ier vast blieë van. A je Bløf zò beu bin as gespoge spek, ‘oor je ‘ier wat-an ze nog meer kunne. A je van Zeêland ‘ouwt, ei je ‘ier je portie. A je internationaol gericht bin, is ‘ier ’n ‘eêl pront werkje Amerikaonse muziek. Kom noe nie an mee “Ik verstae d’r gin klap van”: de teksten zitte d’rbie, en wat-a je nie begriept, kan je an mien vraege!