Honderd keer pop in je moerstaal (89)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 89.

De jaren tien! Het decennium is nog lang niet voorbij, maar om het toekomstige historici gemakkelijker te maken, kunnen we best nu al beginnen met het karakteriseren van dit tijdperk.
  Politiek gezien was het op zijn zachtst wisselend. Het begon wel lekker, met Obama aan de macht en de Arabische Lente die democratie in het hart van de onvrije wereld zaaide, maar daarna kregen we een hele reeks boze rechtspopulisten en het nog veel bozere IS. Bovendien hadden we die crisis met de Grieken, die weliswaar bezworen werd maar toch geen mooie herinneringen achterliet. De jaren tien zullen dan ook wel de boeken ingaan als een tijd van conflict en onzekerheid.
  Muzikaal gezien valt dit decennium weer anders te definiëren. Persoonlijk heb ik de indruk dat het beter gaat dan in de jaren nul. Niet in verkoopcijfers natuurlijk – de winsten voor platenboeren blijven zakken. Maar in de jaren nul werden formules uit de jaren negentig of langer geleden eindeloos uitgekauwd, zonder richtinggevende impulsen. In onze tijd gaat het weer duidelijk een kant op.
  De hitlijsten worden gedomineerd door geautotunede elektropop – niet mijn stijl, maar zeker een soort muziek waarop de tieners van nu later nostalgisch zullen terugkijken. De hiphop is eindelijk weer aan het vernieuwen geslagen – tweederangs gangsterrappers als 50 cent zijn op de vuilnisbelt beland.
  Ook de alternatieve muziek leeft volop, maar daar is het weer anders gegaan. Als er één trend is die het alternatieve circuit domineerde, dan is dat het hipsterdom. Twintigers en jonge dertigers, hoogopgeleid, die in volksbuurten wonen, hun leven op sociale media delen, een voorkeur voor design en lokaal hebben en graag naar nieuwe bandjes luisteren. Er is veel op deze mensen gescholden, maar ze vormen een markt die de serieuze popmuziek in jaren niet gehad heeft.

De eerste helft van de jaren tien werd het hipsterdom gedomineerd door één trend: retro en vintage. Paradoxaal genoeg kwam de verfrissing van een onverholen duik in de tijd die de jongelui niet hadden meegemaakt: de jaren vijftig, zestig en zeventig. Folk werd weer groot, maar ook beat en psychedelica kwamen uit de (platen)kast.
  In 2012, precies op het goede moment, maakte Nederland kennis met zo’n band. Ze heetten The Kik, kwamen uit Rotterdam (dat kenne we hore!) en vrolijkten de zomer van 2012 op met zomerhit “Simone”.
  “Simone” is een cover van “The Dancer”, een liedje uit 1966 van de Australische groep The Allusions. Laten we dat eerst luisteren.

Nu The Kik:

Eerst maar even de kritiek. Nuchter gezien voegt deze cover weinig toe. De muziek is bijna identiek aan het origineel, en de naïeve liefdestekst tilt het werk ook niet naar een hoger plan.
  Waarom werd het dan toch een hit? En waarom loop ik er vijf jaar later nog steeds mee weg? Wel, ten eerste hebben ze wel een liedje gepakt dat niemand kende. Misschien lopen Australische babyboomers het nog weleens te fluiten, maar in Nederland zal het weinig belletjes doen rinkelen. De keuze voor dit liedje hangt samen met een bijna musicologische kennis van dit tijdperk. Zanger Dave von Raven, een verwoed vinylverzamelaar, wist een complete clubtoer samen te stellen met Nederlandstalige beat en kende het repertoire van Armand goed genoeg voor een best-ofplaat (zie aflevering 27). Zo’n man komt ook wel aan een beatplaatje uit Australië.
  Verder is het onderwerp misschien wel weinig origineel, maar dat stoort mij al minder door de manier waarop de tekst in elkaar zit. The Kik heeft een geweldig gevoel voor het juiste woord met de juiste klank. “The dancer”, dat loopt niet geweldig, maar “Simone”, dat is precies de goede naam voor dit ritme. Het vervolg, “je ziet me nooit eens staan”, is ook bijzonder goed gevonden: zes lettergrepen met even zoveel woorden, zonder al te veel klinkers die het ritme opstoppen, en een mooie heldere aa in de slotklank.
  Bovendien maakt de presentatie ook veel goed. De band maakt niet alleen retromuziek, ze halen zowat alles uit de jaren zestig. Simone stapt in een Cadillac en de heren lopen in flanellen pakken met smalle zwarte dasjes, zoals de Beatles in hun beginjaren. De gitaren, maar ook de microfoons, zien er al even oud uit. In de jaren zestig ‘mochten’ ongecompliceerde liefdesteksten nog. Omdat popmuziek nog tienermuziek was, maar ook omdat we nog niet zo cynisch waren als nu. Alleen het word “date” vind ik (in het Nederlands) niet erg jaren zestig.

Maar is dat dan niet erg kitscherig, jezelf verkleden en doen alsof het nog 1964 is? Bij de meeste andere bands zou ik ‘ja’ zeggen, maar bij The Kik niet. Ze brengen het overtuigend, en maken van de retro-act hun eigen stijl. Ze doen geen moment alsof het echt nog vijftig jaar geleden is, het is gewoon de stijl die hun het beste ligt. Vanaf de eerste seconde raak je daarvan doordrongen.
  Op latere albums bleef de beat niet alleen regeren. Er kwamen invloeden van de psychedelica en nog andere stijlen, maar vooral: een eigen geluid. Toch bleef het retro- en vintage-element altijd sterk met The Kik verbonden. De stijl van de jaren zestig namen ze niet als te imiteren voorbeeld, maar als vertrekpunt om hun eigen stijl uit te ontwikkelen. Helemaal parallel aan de hipsterbeweging, die ook van ‘retro’ naar ‘eigen stijl met retro-elementen’ evolueerde.
  The Kik is als haast geen andere band een kind van zijn tijd.

Honderd keer pop in je moerstaal (8)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 8.

Afgelopen maandag ben ik uitvoerig ingegaan op het werk van Boudewijn de Groot. Behalve “Testament”, het liedje waarom de post draaide, en Voor de overlevenden, de plaat waarvan het afkomstig is, behandelde ik ook Picknick even. Deze plaat uit 1967 is helemaal mee met de nieuwste mode in de kunstzinnige popmuziek: de psychedelica. Ons liedje van vandaag moeten we in hetzelfde licht zien. Het heet “Beestjes” en is afkomstig van Ronnie & De Ronnies.

“Psychedelica is een vlag die vele ladingen dekt”, zegt de Popencyclopedie van OOR. Dit voorbehoud – er is geen vaste definitie van het genre – moeten we hier zeker in acht nemen.
  Het begrip “psychedelisch” slaat allereerst op de werking van bepaalde drugs, in het bijzonder LSD, die het bewustzijn niet verdoven maar juist stimuleren. Zulke middelen openen, in de woorden van Aldous Huxley, “de deuren der waarneming”. In die zin sluiten Ronnie en de Ronnies redelijk op de psychedelica aan. Ze zingen weliswaar niet over modedrugs als lsd of cannabis, maar wel over de oude bekende alcohol (of tabak, zoals in hun nummer “Help, help”). En hoewel het meestal verdovend werkt, kan alcohol (preciezer: het opeens stoppen met drinken als je verslaafd bent) ook delirium tremens oproepen (mocht de lezer nieuwsgierig zijn: probeer het maar niet):

     Beestjes, beestjes!
     Blauwe, gele, rooie, alles zit erbij.
     Likkebaardend komen zij steeds dichterbij.
     En ze loeren allemaal op mij!

Maar psychedelica is meer dan alleen muziek over rare stofjes. Het is een genre dat gedefinieerd is door bepaalde nummers van de Beatles en de Beach Boys, het werk van The Doors (genoemd naar Huxley!) en een hele resem aan voornamelijk Californische bandjes – te veel om op te noemen, goed voor steeds weer nieuwe ontdekkingen. In die muziek gaan de bandleden experimenteren met de beat: ongewone structuren, bijzondere gitaareffecten, uitgebreide improvisaties (of tot solo uitgekristalliseerde improvisaties), soms een ongewoon instrument (de Indiase sitar was erg geliefd) en hermetische (‘vage’) teksten. Muziek die geïnspireerd kan zijn door een lsd-trip, maar ook muziek die een soortgelijk gevoel wil oproepen, desnoods zonder middelen.

We moeten eerlijk zijn en constateren dat Ronnie en de Ronnies daar niet ondubbelzinnig onder vallen. Het liedje duurt nog geen drie minuten, heeft geen solo’s en verloopt volgens een vrij normale couplet-refreinstructuur.
  Wel wijzen de galmeffecten en de ongebruikelijke manier van zingen (een beetje angstig, misschien bij de gedachte aan die beestjes?) in de richtig van kunstzinnige bedoelingen. Ik moet erbij denken aan het werk van Het, dat vorige week in aflevering 6 aan de orde kwam: een redelijk conventioneel popliedje waarin de luisteraar wordt uitgedaagd door subtiele details.
  De overeenkomsten gaan overigens verder. ‘Het’ werd groot gemaakt door Bob Bouber, Ronnie en de Ronnies waren het idee van Peter Koelewijn. Zowel Koelewijn als Bouber hadden het op eigen kracht gemaakt als pioniers van de pop in de eigen taal. Beiden geloofden in de kracht van het Nederlands als popmuziektaal en spanden zich in om meer bandjes van de grond te krijgen. Helaas strandden beide pogingen in schoonheid: zowel Het als de Ronnies haalden maar één echte hit en daarna alleen de tipparade. Pogingen om op de lange termijn iets van deze bands te maken mislukten.

Als psychedelicagroep is Ronnie en de Ronnies niet helemaal geslaagd. Waar de voortrekkers zich inspanden om lsd aan de man te krijgen als geestverruimend wondermiddel, zingt deze groep vooral over de gevaren van misbruik. Is dat Hollandse ‘nuchterheid’? Mogelijk.
 Er zijn mensen die platenbeurzen systematisch afgrazen op zoek naar onbekende psychedelica. Die mensen zullen de Ronnies wel overslaan en zich in plaats daarvan richten op alles wat veel kleurtjes heeft en er Amerikaans uitziet. Maar “Beestjes” is, net als “Ik heb geen zin om op te staan”, wel een bescheiden klassieker geworden.

Honderd keer pop in je moerstaal (6)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 6.

Geen enkel land, zeker niet op het Europese vasteland, pakte de Britse invasie zo creatief op als Nederland. Zeker in de Randstad, waar men piratenzender Radio Veronica kon ontvangen, besloten jongeren massaal om de Beatles en de Stones na te doen en een bandje op te richten. Zo kwam ons land (mijn excuses aan eventuele Vlaamse lezers) aan de Nederbeat. Het niveau was vaak nog heel verdienstelijk ook: met Golden Earring, The Outsiders en Tee Set hoeft Nederland zich niet voor zijn jaren zestig te schamen.
  Maar Nederlandstalige beat? Nee, dat was voor de meeste Nederbeaters geen optie. Heel in het begin had de covercultuur van de vroege jaren zestig (zie deel 3 en 4) nog wel voor een lading Beatlesvertalingen gezorgd, maar die verlieten de hitparade al gauw via de achterdeur. Nederlands klonk niet in beatmuziek, was de dominante opvatting, en trouwens: we willen het toch zeker ook in het buitenland gaan maken?

Gelukkig bestaan regels bij de gratie van uitzonderingen. Bob Bouber (die we vorige aflevering al als ZZ van de Maskers tegenkwamen) maakte niet alleen zelf muziek, hij was ook op zoek naar goede bandjes van eigen bodem. Zo vond hij eind 1965 Het. Ja, je leest het goed: Het was een Nederlandse band. Met “Ik heb geen zin om op te staan”, ook door Bouber geschreven, kwam deze groep in december van dat jaar de hitparade binnen.

Eerst maar eens over die bandnaam. Tegenwoordig kunnen bands alle mogelijke namen hebben. Noem jezelf maar Therapy?, Radiohead of Maserati, daar kijkt geen mens meer van op. In 1965 lag dat anders: toen was het toch wel gebruikelijk dat je bandnaam ofwel eindigde op Band, Group, Mob of iets dergelijks, ofwel bestond uit The met een meervoudig woord. Op die manier werd het collectieve karakter van de band benadrukt, en ook bij redelijk creatieve namen kon je spreken van “een Kink”, “een Shadow”, “een Rolling Stone”.
  Wie er als eerste begonnen is met “enkelvoudige” bandnamen? Weet ik niet, misschien is het ooit uitgezocht. Maar hier is de inspiratiebron waarschijnlijk The Who. De Britse mod-band had een vragend voornaamwoord in zijn naam, deze bandnaam is een persoonlijk voornaamwoord. Het kan ook best: in juli 1965 kwam The Who voor het eerst de Nederlandse Top 40 in (“Anyway, anyhow, anywhere”), en in november en december hadden ze een grote hit met “My generation”.

Lijkt de muziek ook een beetje op The Who? We gaan luisteren.

Hm, een kopie van The Who is het niet bepaald. Eerder doet het denken de vroege Stones. We horen namelijk bluesrock: een klaaglijke tekst, gitaren met veel distortion en feedback en de geijkte bluesriffs. Het bluesschema ontbreekt, dat wel.
  Maar in de stijl van de Stones is het ook niet echt. Bij Jagger en Richards lopen de bluesnummers over van testosteron en energie, dat kun je van Het moeilijk zeggen. Evenmin kunnen we dit liedje één op één aan een andere bluesrocker koppelen. Het liedje is zelfs een beetje kunstzinnig. Met een gemene dissonant (vanaf 0:56) en een ongemakkelijk golvende feedback (vanaf 1:45) zetten de heren onze oren op scherp en nemen ze een voorschot op de artrock.
  Ook over de tekst valt wat te zeggen. Iedereen kent het gevoel: geen zin om op te staan, te kort geslapen en straks weer acht uur werken in een saaie baan. Het is geen groot leed, maar het is de blues. Maar de zanger doet meer, of beter gezegd minder: “Ik blijf in bed / de hele dag / want ik heb geen zin (hij heeft geen zin) / om er nou nog uit te gaan.”
  De kans om, anno 1965, voor “dat werkschuwe tuig met zijn beatmuziek” te worden uitgemaakt is dan levensgroot. Maar meent de zanger het wel? Overdrijft hij niet? Of meent hij het juist heel erg en is dit nummer een aanklacht tegen de prestatiecultuur en de autoriteit van werkgevers? Het is pas 1965, het zou nog een paar jaar duren voor de jeugdcultuur echt politiek en radicaal werd. Maar toch, Bouber en Het kwamen uit Amsterdam, waar de Provobeweging al op gang gekomen was en de bom op barsten stond. Dus wie zal het zeggen…

Het maakte nog meer singles, van wisselend niveau en met vage teksten. De band bleek geen blijvertje en Nederlandstalige beat en bluesrock werd geen volwassen genre. Wat rest is een bescheiden klassieker.

Honderd keer pop in je moerstaal (5)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 5.

Vorige week kondigde ik de doorbraak van de beat aan, die de tienermuziek van de vroege jaren zestig helemaal zou wegvagen. Vandaag breng ik een band voor het voetlicht die laat zien dat de situatie toch iets genuanceerder lag, zeker in Nederland. We gaan vandaag luisteren naar ZZ & De Maskers en hun debuutsingle “Dracula”. Om maar meteen met de deur in huis te vallen:

Een Nederlandstalig, cabaretesk liedje over Dracula, dat alle griezelclichés uit gothic novels en vooroorlogse films dankbaar uitbuit. De hoofdpersoon gaat bij Dracula thuis eten en krijgt allerlei ongebruikelijke spijzen voorgeschoteld:

     We dronken eerst een knekelwijn
     Naar recept van Frankenstein.
     Daarna soep van vleermuisbloed
     Getrokken van een mensenvoet!

Voordat het nagerecht wordt opgediend, vlucht de ik-persoon in paniek het raam uit, want “bij de toespijs stond mijn naam!”
  Wij vinden het over de top; ook in 1963 was het beslist als zodanig bedoeld. Nederlandstalige popmuziek uit die dagen is vaak melig van aard. Naarmate het decennium vordert, lijken muzikanten zich te gaan schamen voor liefdesteksten in de eigen taal. Misschien doen die teksten te veel aan smartlappen denken. Bandnamen als “The Clungels” en teksten als “Je hakt toch je vader niet in duizend stukken” spreken boekdelen. Er zouden ook na de jaren zestig nog vele cabareteske popgroepen met Nederlandse teksten volgen; die gaan we dit jaar nog vaak genoeg tegenkomen.

ZZ & De Maskers werden door o.m. Vic van de Reijt omschreven als de eerste Nederlandse beatband. Daar kunnen we wel wat vraagtekens bij zetten. De band werd in 1962 opgericht, voor het beattijdperk. De eerste plaat kwam eind 1963 uit. “Dracula” is van deze plaat afkomstig, en kwam in december van dat jaar de hitparade binnen.
  In dezelfde maand hadden ook de Beatles hun eerste Nederlandse hit, met “She loves you”. Een beetje muziekkenner – Bob Bouber alias ZZ was dat wel – had tegen december allang gehoord van de nieuwe muziekrage uit Engeland. De beatmuziek kan dus van invloed zijn geweest op Dracula en hier en daar hoor je dat ook wel, bijvoorbeeld als de drummer even zijn gang mag gaan.
  ZZ & De Maskers zijn duidelijk een ander paar mouwen dan gepolijste tieneridolen als Ria Valk en Rob de Nijs. Helemaal beat is het nummer echter niet. Het nummer lijkt terug te grijpen op diverse muziekstromingen die destijds populair waren. We kunnen denken aan Cliff Richards of Del Shannon. De lopende bas uit het refrein doet zelfs sterk aan de swing denken. Het nummer is dus lastig thuis te brengen, al is het overduidelijk een kind van zijn tijd.

‘Eclectisch’ is het juiste woord voor deze band; niet alleen voor “Dracula” maar voor hun hele werk. Ze deden eigenlijk alle pop- en rockstijlen wel. Bovendien zongen ze zowel in het Nederlands als in het Engels. Of er werd helemaal niet gezongen: diverse van hun nummers zijn instrumentaal. Daar vinden we de invloed van The Shadows en de Californische surfbands. Op een ander moment werkt de band weer samen met twisticoon Chubby Checker.
  Misschien is dat het voordeel van de periferie. De verschillende rockstijlen uit Amerika en Groot-Brittannië waren in hun thuisland vaak gebonden aan een bepaalde subcultuur of bevolkingsgroep. De groep waarbij je hoorde bepaalde welke muziek je ging maken. In Nederland drongen de verschillende plaatjes wel door, maar zonder de sociologische connotaties. Je kon best surfmuziek maken en niet al je vrije tijd aan het strand doorbrengen. Zo stond het bands vrij om met een open oor alle nieuwe rages tegemoet te treden.
   Een jaar later zouden ZZ & De Maskers, in elk geval tijdelijk, alsnog de beat induiken. Met “Ik heb genoeg van jou” hadden ze zelfs een oorspronkelijk Nederlandstalig nummer met een serieuze liefdestekst. Een heel grote hit werd het niet, tussen al het Beatles- en Stonesgeweld, maar zijn plaats in de Nederlandse popgeschiedenis heeft de band er wel mee veiliggesteld. En Bob Bouber – die kwamen we buiten het poppodium nog vaak genoeg tegen als producent, regisseur en acteur.