Honderd keer pop in je moerstaal (2)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 2.

Twee keer weeks zou ik mijn rubriek gaan bijhouden, en om nou meteen bij aflevering 2 mijn voornemen te verzaken is wat al te bruut. Daarom heb ik vandaag voor jullie: “Kom van dat dak af”, van Peter Koelewijn.

Anders dan de Trappelzak-boogie, die maandag het spits afbeet, is dit nummer algemeen bekend bij Nederlanders boven de twaalf. Sterker nog: nummer twee van de lijst achter deze rubriek is misschien wel het bekendste van alle honderd. Sinds het 57 jaar geleden de hitparade binnenvloog, is het geen moment uit het collectieve geheugen verdwenen. Al was het maar omdat Koelewijn er tussen 1960 en 1989 niet minder dan vier versies van heeft uitgebracht. Laten we maar meteen naar de eerste luisteren:

Wat horen we hier? Een rock-‘n-rollnummer, zoveel is duidelijk, met een refrein in het vertrouwde bluesschema en twee coupletten (het derde is een herhaling van couplet één) met een ander schema. De begeleiding lijkt geïnspireerd op de oude boogiewoogie en eventueel de muziek van Little Richard: we horen een tenorsaxofoon en een piano, nog geen elektrische gitaar zoals bij Chuck Berry.
  Maar belangrijker: de tekst is Nederlandstalig. Kan dat wel? Is het dan wel rock-‘n-roll? Dat moeten de luisteraars destijds gedacht hebben. Het tienerpubliek wist niet beter of rock-‘n-roll werd gemaakt door Amerikanen, met teksten in de taal van dat onweerstaanbaar hippe land. Áls Europeanen zich daar al aan waagden, moesten ze toch niet hun eigen lompe taal gaan gebruiken? Dat swingde niet.
  Peter Koelewijn had de ballen om het wel te proberen. Toch hoor je bij hem de aarzeling. Hij zingt, vooral in de coupletten, met een gemaakt Amerikaans accent om zijn Nederlands ‘swingender’ te doen klinken. Ook schuwt hij niet om er een lettergreep in te gooien als dat lekkerder bekt. “Yunna Yunsen zen vrow, dee wus an coarddunseress”. En niet te vergeten: hij wil vooral niet “ergens” over zingen. De Amerikaanse rock-‘n-roll bestond uit vaak seksueel geladen liefdesteksten. Peter Koelewijn durft dat niet aan. Hij zingt het liefst over een absurd onderwerp: een koorddanseres die op het dak klimt en er blijkbaar niet meer af durft. Alles in dienst van die ene lekker bekkende kreet: “Kom van dat dak af!”

Peter en zijn Rockets werden dik beloond. Zijn liedje schoot naar nummer één en bracht 26 weken (een halfjaar!) in de hitlijsten door. Hoe lukte hem dat? Natuurlijk is de man niet van talent gespeend. Maar het moment waarop is alles bij hitmuziek. De rock-‘n-rollrage had in 1956 hard toegeslagen, maar was tegen het einde van het decennium wel uitgeteld. Chuck Berry zat in de gevangenis, Little Richard was in de Here, Elvis zat in dienst en Buddy Holly – tja, Buddy Holly was in februari 1959 omgekomen bij een vliegtuigongeluk.
  Zo kwam er ruimte voor iets nieuws. In Amerika kreeg je een hele resem tieneridolen en de muziek van Brill Building, in Engeland de razend populaire Cliff Richard. En in Nederland – daar stonden mensen ineens open voor rock-‘n-roll in het Nederlands. Met Elvis in de kazerne kon Peter Koelewijn ongehinderd de hitparade bestormen. Geen ersatz, geen tweede keus, gewoon het beste wat er was. En laten we eerlijk zijn: de vergelijking met neo-crooners als Cliff Richards en Pat Boone doorstaat hij glansrijk.

In de jaren zestig zouden de popmodes elkaar snel opvolgen: het genre ging sky-high en de rock-‘n-roll was snel vergeten. Toch nam Koelewijn in 1971 een nieuwe versie op, die bovendien de hitparade haalde:

Ook deze versie leunt nog sterk op de boogie, met een prominente rol voor sax en piano. De mix is afgewogener, net als Koelewijns stem. En het nep-Amerikaanse accent is verdwenen.

Ook na 1971 werd het nummer niet vergeten. In 1981 was het blijkbaar weer tijd voor een nieuwe versie (die ditmaal op plek 14 van de Top 40 bleef steken). De meest curieuze opname is echter de laatste, uit 1989. Deze keer doet de man een feature met rappers MC Miker G en DJ Sven.

Tja, wat zullen hiervan zeggen? Peter Koelewijn werkt in een te foute jarentachtigbroek zijn refrein af. Daarna komt het rapduo in beeld om, overeenkomstig gekleed, Koelewijns nummer tegelijk te dissen en de hemel in te prijzen.

     “Hoe verzin je toch zo’n tekst”, heb ik me afgevraagd
     Een eindje verder wordt-‘ie ook nog erg gewaagd:
     “Het eten werd koud en Janne Jansen werd heet”
     Dat de censuur daar nooit iets aan deed!

Of deze versie anno 2017 een hit zou worden, valt te betwijfelen. Miker G en Sven rappen in bejaardentempo met de dictie van een disco-plaatjesdraaier uit de jaren zeventig, en hun achterstevorenpetjes zien er knullig uit. Maar destijds… de heren hadden een paar jaar daarvoor een internationale hit gehad met hun “Holiday rap”. Ze waren “hot”, zoals de toen nog nieuwe hiphop dat vanzelf was.
  Alleen Nederlands, dat was in 1989 niet hot. De “Holiday rap” haalde nummer 1, deze samenwerking kwam niet verder dan de twintigste plaats. De “Holiday rap” is (net als de rest van hun gewone oeuvre) dan ook Engelstalig, en bovendien gezongen vanuit het perspectief van Amerikaanse jongeren die Londen, New York en “a little bit of Amsterdam” komen bezoeken. Niets eigens aan. Deze jongens wilden het vooral “he-le-maal maken in Amerika”.
  Dat is gelukkig veranderd. 1989 was ook het jaar dat Osdorp Posse voor het eerst de media haalde. Nederlandstalige rap voor de underground. De afloop kennen we. Underground werd alternatief, alternatief werd mainstream en anno 2017 rapt iedereen in het Nederlands of wat erop lijkt. Net als de Nederlandstalige rock had de Nederlandstalige rap gewoon even tijd nodig om een plekje te vinden. Maar dat komt later dit jaar nog aan bod.

Honderd keer pop in je moerstaal (1)

Drie kleine kleuters met de Jonkers en de Joffers – De trappelzak-boogie

Een tijdje terug alweer gooide ik hier en op Twitter een balletje op. Stel, er moest een (chronologische) lijst komen van honderd Nederlandstalige popliedjes die ertoe doen, welke liedjes moeten erin? Wel, de lijst kwam klaar en sindsdien heb ik er niets meer mee gedaan. Dit jaar komt daar verandering in. Ik ga over elk nummer in de lijst een stukje schrijven. Omdat het kan, om mijn blog levend te houden, om de mensheid iets te delen over de wondere wereld van pop in de moerstaal. De inspiratie komt, behalve van vele soortgelijke muzieklijstjes, ook van Marc van Oostendorps sonnettenproject op het Neerlandistiek-blog. In beginsel schrijf ik twee keer per week een stukje, maar ik heb dit jaar meer te schrijven (niet in de laatste plaats mijn dissertatie!), dus pin me er niet op vast.

Vandaag in deel 1: De trappelzak-boogie. Wie zich niet afvraagt wat er achter die rare naam schuilgaat, is misschien wel verbaasd dat op nummer één niet “Kom van het dak af” staat. Begint niet daar de popmuziek in het Nederlands? In zekere zin wel, daar kom ik in de volgende aflevering op terug. Maar de rock ’n roll drong in Nederland al door in 1956, toen wij ook hier de film Rock around the clock konden gaan kijken.
  In Amerika had deze film, en zijn voorganger Blackboard jungle (waarin de song “Rock around the clock” van Bill Haley ook klinkt), al voor grote consternatie gezorgd. Heel het land boos over moreel verval, waarbij racistische ondertonen vaak niet van de lucht waren. Niet dat de zwarte middenklasse deze muziek nu massaal omarmde: rock-‘n-roll was in de eerste plaats niet fatsoenlijk. De teksten waren seksueel geladen, de manier van zingen en de dans waren suggestief.

Hier in Nederland was de reactie milder, maar nog steeds afkeurend. In Gouda mocht de film alleen zonder geluidsband gedraaid worden: stel je voor dat de jongelui in de bioscoop gingen dansen! Een reden voor de mildere reactie kan zijn dat we in Europa nog nauwelijks “negers” hadden. De vorm van racisme waarbij een blanke spontaan in een stuip schiet zodra er iemand met een donkere huidskleur op het scherm komt, was hier niet zo diepgeworteld. Wel werd de rock-‘n-roll de eerste jaren het pakkie-an van gekleurde Nederlanders: indorockers als de Blue Diamonds en de Tielman Brothers verdienden hier hun sporen met pionierswerk. Omdat ze in het Engels zongen, zullen we deze bands niet in mijn lijst tegenkomen.
  De afkeuring van de rock-‘n-roll had in hier te lande vooral het karakter van een generatiekloof. De ouders konden de muziek van hun kinderen gewoon niet velen. “Wat een herrie, hoe kun je dat nou mooi vinden?” Een reactie die de ouders zelf vaak genoeg hadden gekregen toen zij tieners waren en zich op de jazz stortten. Maar oud, wijs en zonder wilde haren gaan nieuwe muzieksoorten er nu eenmaal niet zo gemakkelijk meer in.
  Toch hadden de ouders iets aan hun luisterbagage. In de rock-‘n-roll herkenden ze het bluesschema, maar dan veel sneller. Hoe noemde je dat ook alweer? Juist, boogie-woogie. Maar dan wel een heel kinderachtige vorm van boogie-woogie. Hoe zullen we dat eens noemen?

Zo moeten we dit liedje waarschijnlijk horen: als een parodie op de nieuwe tienermuziek door een stel volwassen mensen. Uitgebracht op het ouderwetse 78-toerenformaat bovendien (45 toeren raakte in die tijd in de mode, en was voor de echte rock-‘n-roll zeker de standaard). Met hun gekke kinderstemmetjes halen ze effectief de angel uit die gevaarlijke, seksuele muziek. Voor de huidige babyboomers maakt het allemaal niet meer uit: die hebben er een heerlijk melige jeugdherinnering aan. Vic van de Reijt weet het nog precies: “Zwaar bepakt op weg naar Zoutelande (…) hoorden wij hem voor het eerst. En we vergaten dat we hartstikke misselijk waren.”

Peter Slager – Slik

“Let op mijn woorden: die gaat solo”, zeide mien docente Popmuziek Lutgard Mutsaers a in 2004 over Paskal Jakobsen. Bløf stoeng toen zò’n bitje op z’n ‘oôgtepunt qua roem en erkennienge: ‘eêl ’t land luusterde d’rnae en as poplief’ebber ko jen ’t nog maeke. “Is-ie z’n tekstschrijver kwijt!”, was ’t antwoord van eên van mien mee-studenten. Neênt, daer ao Mutsaers nie an gedocht: de typische teksten van Bløf, die-an nie bie iedereêne in de smaek valle mae d’n band wè z’n smoel geve, komme uut de penne van bassist Peter Slager. Misschien mochte ze dan saeme solo vedder?

Dit jaer is ’t dan zòver gekomme: Paskal Jakobsen én Peter Slager bin allebei solo gegae. Alleên: nie saeme, mae aollebei mee d’r eige project. En laeme maer eêrlijk weze: van Peter ao gin mens da verwacht. ‘Ie is zòas de meêste bassisten noga verlege, nie echt ’n podiumbeêste as Paskal, meêr iemand die-a in de schae bluuft. Dan moe je constant nae de konte van de zanger kieke, mae dat is vò zukke mensen beter as 40.000 man publiek recht in d’r gezicht.
  ’t Is dan ok nie vreêd da Peter de vurm kies die bie zò iemand ’t beste past: die van singer-songwriter. Stille, bescheie liedjes daerin ’n ver’ael verteld oor, en minder ’n show gebrocht. Vò dit project koos t’n vedder vò zien moerstaele, ’t Zeêuws van Dreister (Dreischor), Schouwen-Duveland. Da’s a ‘eêl wat. Je kan de taele nog zo goed spreke, je za toch opnieuw schrieve lere moete a je ’t meêr as twintig jaer in ’t ‘Ollands gedaen ei. En Zeêland is nie de beste provincie vo dit soort werk. Onderwiel dan ze in Friesland, Limburg en Oôst-Nederland an de lopenden band mee dialectmuziek kwaeme, bleef ’t in ’t zuudwesten groôtendeels beperkt toet streektroubadours en d’n boerenrockband Surrender. Mae kiek, ’n paer jaer vromme was t’r ineêns Broeder Dieleman uut Zeêuws-Vlaendere mee serieuze muziek de eige taele, dus noe wou Peter ’t ok wè’s probere.

Bløf wier in z’n tropenjaeren altoos aol ’n echte Zeêuwsen band genoemd, wat ze eigelek glad nie wouwe. Ze zoenge nie over Zeêland, nie in ’t Zeêuws en nie op ’n typisch Zeêuwse manier. En as ’t dan toch ins over Zeêland goeng, zòas in “Aan de kust”, dan was dat ironisch. Die schae ‘aelt Slager ‘ier avast in. Vanaf liedje eên is de setting Dreister en omstreken. Sterker nog: vanaf d’n titel a. Iedereêne die wè is mee baemisse in Zeêland is gewist, weêt dan d’r dan waerschoewiengsbordjes nessens de wegt stae mee ‘slik’ d’rop. De lèste jaeren moe d’r ‘modder’ vò in de plekke komme omdan die ‘Ollanders ’t aors nie zouwe begriepe; as dat deugaet, kan de plaettitel nog ’n daed van verzet ore. Mae goed, slik dus. En ‘windstil’ (“Ik ‘oôpte op de wind / Dat ’n m’n douwe zou zòas da kon as kind”). Of “As d’n diek straks breekt”. ‘Ie weêt ‘r mooie diengen mee te zeien: ‘oe at ’t in z’n eige durp toch ’n bitje tegevaolt, maer ok dat ’n nie zò noôdig de sterre ‘oef te wezen (zòas Paskal): “Oesters zonder paerels smaeke goed.” Ok as ’n gewoon zeit wat ’n bedoel, kom zien wiesdom goed uut:

   In de groôte stad bin ‘k ’n opgeslote beêst
   In zonsondergangen gloeie ‘ier nie nae
   Ik mis de polders en de dunen en de zeê
   En de zoute wind die deu m’n ‘arte raest.

Dat de man teksten schrieve kon wiste me van eiges a jaeren. Van z’n muziekkwaliteiten wiste me alleên dat ’n basgitaor speelde. Maer ’n ‘ei nog wè meer in z’n mars. Schrief je eve mee: gitaor, ukulele, guitalele, banjo, ‘akkebord, contrabas (ok gestreke eej!), piano, trapurgel, Shrutibox (trek’armonica) en percussie speelt ’n neffens de bas nog op de plaet! En live (bie de plaetpresentaotie donderdag in Middelburg) è’k ‘m ok nog ‘ommel zien spele. En o jae, zienge, dat doet ’n ok nog. Zien stemme is nie zò sterk as die van Paskal, mae zuver en vreêd expressief. Goed geschikt vò dit soort repertoire dus. En dienk jen eige maer in: d’r staet ’n cover van Tom Waits op ’t album! Dan weê’k toch wè welke van tweê da’k liever ore…
  In de muziek ‘ore men ’n antal singer-songwriters vromme. Deu zien veezieïg’eid (is dat ’n woord?) doet ’n an Daniël Lohues dienke. De plaete is ok op ’tzelfde label as d’n dieën z’n solowerk uutgebrocht, en Slager gebruuk dezelfde sessiemuzikanten. In de media verschenen a vergeliekiengen mee Sufjan Stevens; da’s wè de groôste eêre die je ’n zanger-schriever bewieze kan. ’n Bitje de folk- of alt-country-‘oek gaet ’t zeker wè op. Dat maek d’n ‘oes trouwens a bos dudelijk: de foto’s komme uut Dreister en omgevienge, mae bie sommige plaetjes is ’t, a je ’n bitje scheel kiekt, juust asof je ergest in ’t diepe zuie van de VS staet.
  Slager schrieft ‘eêl mooie liedjes, daerin d’n in de beste traditie mee weinig middels complete sfeerbeelden weêt te maeken. Eên dienk moet ’n misschien nog lere. Zien liedjes ‘ebbe nie vreêd vee hitpotentie. “As d’n diek straks breekt” komt ‘r nog ’t kortste bie, mae ’t bluuf nie in j’n ‘oôd ‘ange as “O, m’n bloedmooie Zeêland”, wat-a ’n vertaelinge van Ryan Adams (“Oh my sweet Carolina”) is. Nie “Aan de kust”, mae dát zou noe ins goed geschikt weze as nieuw volkslied! Ok “In de kouwe hrond” doet ’t goed, mae dat is dieën cover van Tom Waits. De pakkendste liedjes komme dus van aoren.
  Dat beteêkent nie dat de rest van de liedjes tweêderangs is. Nie alleên bin ze daevò vees te goed gemaekt, ze vurme ok saeme de plaete. Slik is ’n echte saemen’angende plaete mee ’n verbindend thema en ’n dudelijk verloôp, wat-a gae van d’n trugkeer nae ’t ouwerlijk durp toet an d’n doôd laeter: nog eên keer zwemme in zeê, en asjeblief nie alleêne. ’n Bitje somber, maer alla, dat bin me van die zanger-schrievers wè gewend.
  Schrieven in ’t Zeêuws ‘oeft ’n nie meer te leren. Ik docht eêst eve van wè: in ’t liedje “O m’n bloedmooie Zeêland” stae wè wat woorden die alleên rijme a je ze op z’n ‘Ollands uutspreekt. Mae live ao d’n aol uutgeleid dat ’n precies dat liedje eêst nae ’t ‘Ollands ao vertaeld, en toen docht: mae dat moet ik feitelijk op z’n Zeêuws zienge. In de aore liedjes is ’t andersom: d’r komme woorden in vò die in ’t Ollands nie rijme zouwe. Wat wè nog beter kan, is de spellienge. Die is nie zò consequent en liekt ’n bitje op gevoel gedae. Zou Peter deze recensie leze, dan eit ’n ‘ier de link nae de Schriefwieze(r) van Noe. Graeg gedae. 🙂

Eerlijk gezeid è ‘k deze plaete blind gekocht. Zò’n biezonder project wou ik ‘oe dan ok in ‘uus ‘ebbe, ‘oe ’t ok kloenk. ‘k È d’r gin moment spiet van g’oad. Wat meer is: ik kan ze iedereêne anraede. En dat zeie ‘k nie van aolle muziek die ‘k zelf goed vinde. A je fan bin van Bløf, oor je ‘ier vast blieë van. A je Bløf zò beu bin as gespoge spek, ‘oor je ‘ier wat-an ze nog meer kunne. A je van Zeêland ‘ouwt, ei je ‘ier je portie. A je internationaol gericht bin, is ‘ier ’n ‘eêl pront werkje Amerikaonse muziek. Kom noe nie an mee “Ik verstae d’r gin klap van”: de teksten zitte d’rbie, en wat-a je nie begriept, kan je an mien vraege!

N3rdistan in TivoliVredenburg

“Deze Marokkaanse band slaat met een mix van elektronica en Arabische poëzie een brug tussen de Arabische wereld en het Westen.” Eerlijk gezegd werd ik van deze aankondiging nog niet erg warm. Ze klinkt naar politieke correctheid van het gemaakte soort: kijk ons eens alle invloeden vreedzaam naast elkaar zetten en zo de harmonie tussen de volkeren bewaren! Gelukkig viel het mee.

Concreet: N3rdistan is een Marokkaanse (geen Nederlands-Marokkaanse maar een Marokkaans-Marokkaanse) band die bestaat uit zang, drumstel, samples, fluit en een instrument dat ik niet helemaal kon thuisbrengen maar dat sterk lijkt op de Indiase sitar. De teksten komen van diverse preklassieke, klassieke en moderne Arabische dichters; om die reden vond men het nodig om van tevoren arabiste Djûke Poppinga even voor een spoedcursus Arabische poëzie te laten zorgen.

Het programma werd voorafgegaan door een stuk klassieke Arabische muziek, verzorgd door twee Syrische vluchtelingen en een Palestijn op zang, trommel en luit. Voor de Marokkaanse jongens in de zaal was dit blijkbaar even doorbijten – zij stonden te wachten op de ritmes van de hoofdact – voor de rest van de zaal een zeer intelligente, rustige opwarmer.

N3rdistan werd van tevoren op verschillende plaatsen “hiphop” genoemd. Ik denk dat je die band daarmee tekort doet. Hij put in feite uit heel veel verschillende popstijlen (zowel direct uit westerse stijlen als uit Arabische popmuziek) en in de meeste nummers wordt gewoon gezongen. Er zijn invloeden van rap, maar ook van punk, van funk, van pop en zelfs van progrock, als er binnen hetzelfde liedje van maatsoort wordt gewisseld.

Het gebruik van een echt drumstel, geen drummachine, geeft een ontegenzeggelijke levendigheid die veel hiphopacts ontberen. Dat wil niet zeggen dat de elektronica afwezig is: in de hoek stond een meisje (ik heb geen namen onthouden) achter twee laptops de meeste uiteenlopende samples te produceren.

Het minste wat je van deze mengeling kunt zeggen, is dat ze echt werkte: het klonk nergens gemaakt of onverenigbaar. Uiteraard heeft men in de Arabische wereld al jarenlang geëxperimenteerd met allerlei mengelingen tussen de traditionele muziek en de westerse pop; een muziekwereld die grotendeels aan ons voorbijgaat. Niettemin klinkt N3rdistan een stuk frisser en onvoorspelbaarder dan veel Noord-Afrikaanse pop, en lang zo kitscherig niet.

Hoewel ik allerwegen een reputatie van stijfheid hoog te houden heb, bracht deze muziek me bijna onmiddellijk aan het dansen. Voor het merendeel van het publiek duurde dat wat langer. Het Marokkaanse deel van de zaal bewoog mee, en een enkele autochtoon in de zaal ging duidelijk vaker naar hiphop of Mystic Grooves, maar voor de rest bleef men vrij rustig staan.

Dat zal wel te maken hebben met de onbekendheid van deze muziek. Uiteraard is dat ook een groot nadeel als het om de teksten gaat. Er is ons verteld dat die afkomstig zijn van grote Arabische schrijvers, maar als je geen Arabisch verstaat, moet je dat maar geloven. Af en toe kwam de zanger ons melden waar het volgende lied over ging, of wie het geschreven had. Los van het gebruik van een vreemde taal was de tekst soms onduidelijk gearticuleerd, of kwam de stem niet goed uit de mix, waardoor ze ook voor Arabische sprekers niet goed te verstaan moet zijn geweest.

Het eindoordeel over dit concert is zonder meer positief: ik heb fijn (zij het ook niet goed) gedanst, goede muziek gehoord en het gebruik van Arabische poëzie is ook een plus. Het zou voor onze cultuur beter zijn als Nederlandse zangers ook eens een hele zaal met jongeren op Vondel los lieten gaan.

Bob Dylan en de Nobelprijs

Jarenlang waren er mensen die het riepen: Bob Dylan moet de Nobelprijs in de Literatuur krijgen. Vandaag werd deze prijs, alsnog tot grote verbazing van velen, daadwerkelijk aan de aartsvader aller singer-songwriters toegekend. Uiteraard lokt dat discussie uit: is een popmuzikant zo’n prijs, de meest prestigieuze van de wereld, wel waard? En zelfs al is hij even goed als de grote literatoren der aarde, moet die Nobelprijs niet naar een gewone dikkeboekenschrijver (m/v) gaan? Ongetwijfeld stroomt het internet op dit moment vol met goeddeels weinig ter zake doende meningen hierover. Sta mij toe, als een soort van deskundige, ook mijn visie te geven.

We schrijven 2002. Ik ben zojuist begonnen aan mijn studie muziekwetenschap. Verder ben ik al een tijdje bezig aan een inhaalslag: ik heb me, op het moment dat de Top 40 voor mijn klasgenoten een religie was, totaal niet met popmuziek beziggehouden en deze muzikale lingua franca is geheimtaal. De slag wordt op meerdere fronten geleverd: ik bestudeer de hitparade (om tot mijn verbazing te ontdekken dat de meeste achttienjarigen die muziek niet meer boeit), ik bestudeer de smaak van mijn jaargenoten en ik bestudeer de geschiedenis van de popmuziek.
  Op dat laatste terrein ben ik nog het best mee. De gemiddelde persoon uit mijn omgeving is (nog) geen expert op dat terrein – hun kennis is nog zodanig dat ik ze voorbij kan streven – en de beginselen krijg ik beetje bij beetje in de colleges van Lutgard Mutsaers voorgeschoteld.
  Dat wil niet zeggen dat ik niet zelf op onderzoek uitga. Zo ben ik op het spoor gekomen van Bob Dylan. De simpele compilatie-cd Greatest hits is een van de eerste pop-cd’s die ik ooit aanschaf. Ik draai de cd ook bij mijn grootouders thuis, waar ik op dat moment inwoon. Mijn opa heeft wel van Bob Dylan gehoord, en het nummer dat ik draai, “Blowin’ in the wind”, kent hij ook wel. Zijn reactie is echter gereserveerd. “Waar heeft die Bob Dylan zijn roem aan te danken? Aan zijn composities? Toch niet aan zijn stem zeker?” Ondanks mijn dan nog geringe (pop)repertoirekennis heb ik mijn antwoord klaar: “vooral aan zijn teksten.” En wat zijn stem betreft: jullie luisterden naar Louis Armstrong, had die dan een mooiere stem? Nee, dat leek eigenlijk nergens op, geeft mijn oma grif toe. Het ging om zijn trompetspel, maar die stem – ik vond het wel bijzonder om dat te horen. Mijn grootouders zijn geen domme mensen en zien de parallel: bij Bob Dylan gaat het om de teksten, maar zijn stem geeft ook persoonlijkheid.
  Opa en oma hadden die teksten zo gauw nog niet verstaan en konden er niet over oordelen, maar een paar weken later, op een verjaardag bij mijn ouders thuis, waren ze wel overtuigd. “Van wie zijn die Engelse versjes?”, vroeg mijn opa toen ik twee geprinte vellen had laten slingeren. “Dat zijn songteksten van Bob Dylan”, was mijn antwoord. Uiteraard was ik niet te beroerd om ze even met gitaarbegeleiding te zingen. Ondanks de dubbele generatiekloof was mijn opa, toch niet mijn minst kritische familielid, wel overtuigd van Bob Dylans literaire kwaliteit.

Waarom trok het mij dan vanaf het begin aan? Je moet weten dat ik voor mijn kennismaking met popmuziek helemaal opnieuw moest leren luisteren. Op klassiek gebied was ik al aan Schönberg toe, maar popmuziek met een artistiekerig randje (denk aan Spinvis, om van Zappa of Björk maar te zwijgen) kon ik moeilijk hebben. Tegelijk stoorden mij natuurlijk de al te simpele liefdesteksten in de pop. Bob Dylan bood, met zijn literaire teksten op welluidende, eenvoudige liedjes, een remedie voor beide bezwaren. Helemaal mooi was dat ik mezelf pas kort daarvoor had leren gitaarspelen. Dat nu juist de hooggewaardeerde, klassiek geworden songs van Bob Dylan zo gemakkelijk te spelen waren, kwam bijzonder mooi uit.

Inmiddels zijn we veertien jaar verder en hoewel ik nog steeds een pop-achterstand op mijn groepsgenoten ervaar, weet ik nu een stuk meer van deze muziek af. Hoe groot is de verdienste van zijn werk? Wel, de liedjes waarmee hij het bekendst is geworden, de akoestische protestliedjes, waren er al. Woodie “this machine kills fascists” Guthrie had de Amerikaanse songtraditie al uitgebreid onder zijn intellectuele publiek verspreid, en er politiek geladen liedjes in gemaakt.
  Guthrie lukte echter niet waarin Bob Dylan wel slaagde: een crossover tot stand brengen naar het grote poppubliek. De rock-‘n-rollgeneratie, die midden jaren vijftig als pubers de Amerikaanse burgerij had geschokt, moest het begin jaren zestig met redelijk ingeslapen muziek doen. Nu ze rond de twintig waren, kwamen deze protestliedjes als een geschenk uit de hemel. Zo kwam Dylans folk de popwereld binnen. Dat maakte niet alleen een hele generatie volkse musici wakker (denk aan Simon & Garfunkel, om maar eens twee voorbeelden te noemen), maar zorgde voor een heel nieuw type musicus: de singer-songwriter. Niet langer was de popmuziek het exclusieve domein van bands en door een orkestje bijgestane zangers. Zelf je eigen muziek schrijven werd nu een kernwaarde van alles wat aanspraak maakt op de titel “betere popmuziek”.
  Bob Dylan heeft er ook voor gezorgd dat zijn muziek geen eiland in de popwereld bleef. In 1964 was dat nog wel zo: je hebt elektrische bands die rock maken en akoestische singer-songwriters die folk maken. Maar toen vond de man uit Minnesota ineens de folkrock uit. Alle hippies boos, boegeroep bij het eerste optreden en zelfs mensen die onder het podium kruipen om het snoer door te knippen. Maar op de lange duur heeft het gewerkt. Folk, rock en country bevinden zich anno 2016 op een perfecte glijdende schaal: alle mengvormen zijn mogelijk.

Maar het gaat om de teksten, nietwaar? Daar heeft Dylan tenslotte de Nobelprijs voor gekregen. Sterker nog, daar heeft hij zijn naam aan te danken – ook letterlijk, want de zanger ruilde zijn geboortenaam Robert Zimmerman in voor het pseudoniem Bob Dylan en deed dat ter ere van dichter Dylan Thomas. Wel, net als de muziek kwamen de teksten natuurlijk op het juiste moment. De stem van de protestgeneratie, die begin jaren zestig uit haar hedonistische schulp kroop en zich maatschappelijk ging engageren.
  En er is meer aan de hand. Ten eerste heeft hij het mogelijk gemaakt dat er in mainstream-popmuziek überhaupt over iets anders dan tienerliefde of lekker dansen gezongen kon worden. Rock-‘n-roll moet in de eerste plaats lekker uit zijn bluesschema knallen, singer-songwritermuziek gedijt niet als de teksten niet werken. Zijn invloed op alle intelligente popmuziek daarna is dan ook nauwelijks te overschatten.
  Invloed is niet de enige voorwaarde waaraan je kunstzinnige kwaliteit afmeet. Kan hij zich meten met de groten die deze prijs in het verleden ontvangen hebben? Wat mij betreft wel. Dé reden voor zijn doorbraak destijds en zijn grote aanzien nu zijn de kwaliteiten van zijn teksten. Geëngageerde stukken, jazeker, maar met veel meer poëtische waarde dan het werk van Guthrie. Eeuwigheidswaarde ook. “Blowin’ in the wind” hoeft helemaal niet over Korea of Vietnam te gaan, het is toepasbaar op elke oorlog. Transcendent is zijn werk ook. Een gemiddeld protestlied klinkt belachelijk als je het in je eentje op je kamer speelt: het gedijt alleen in een boze menigte. De poëzie achter Dylans werk spreekt het individu echter net zo sterk aan als de massa.
  De transcendentie van de teksten blijkt wel als je de twee bekendste versies van “Mr. Tambourine man” naast elkaar legt. In het origineel van Bob Dylan zelf is het nog een protestlied over het Avondland dat tot zand wederkeert en een stel linkse drop-outs dat afleiding zoekt in marihuana. Bij The Byrds verdwijnt de politieke dimensie en wordt het een volbloed psychedelisch hippienummer. Een heel ander voorbeeld is “Don’t think twice, it’s alright”. Dit wrange en soms wat cynische liefdeslied bleek niemand minder dan Johnny Cash zodanig aan te spreken dat de man in black het coverde. De grote held van de country en zijn conservatieve publiek. Dan heb je het wel goed gedaan, als jonge protestzanger.

Eén vraag blijft overeind: komt een popdichter, hoe goed zijn teksten ook zijn, die Nobelprijs wel toe? Ook die kritiek hoorde ik: sommigen vinden dat een prijs van dat kaliber thuishoort bij de kern van de literatuur. Dat lijkt me niet. Ten eerste heeft Alfred Nobel zijn prijzen ooit bedoeld voor mensen die in hun werk getuigden van idealisme, die schreven (of wetenschap bedreven, of over vrede onderhandelden) teneinde iets voor de mensheid te doen. Aan dat criterium voldoet Bob Dylan als geen ander. Ten tweede wordt de beste kunst nooit helemaal binnen de lijntjes gemaakt. Als de Nobelprijs voor de Literatuur steeds weer aan een conventionele romanschrijver wordt uitgereikt, geeft het comité geen goed voorbeeld. Ten derde zijn ook de andere prijzen wel eens buiten het hokje uitgereikt. De Chemieprijs is diverse keren naar een moleculair bioloog gegaan, de Vredesprijs ging in 2009 naar Obama (die als president van de VS zijn handen echt wel vuil maakt aan oorlog). Wie kijkt er dan van op als de Nobelprijs in de Literatuur een keertje naar de bekendste literator ter wereld gaat?

Daniël Lohues – Aosem

“Denk mar nie veur mij”, zingt Lohues in de afsluiter van zijn nieuwe album. Ik moest denken aan het verwijt dat hij me maakte over mijn scriptie: er stonden allerlei onwaarheden in doordat ik dingen voetstoots had aangenomen c.q. ingevuld. Sindsdien kijk ik wel beter uit om overhaaste conclusies over andermans werk te trekken. Echter: helemaal kom je daar niet onderuit als je een plaat gaat recenseren.

Aosem heet zijn nieuwste album. De titel is natuurlijk Drents voor ‘adem’, maar lijkt net zo goed een knipoog naar het Engelse modewoord ‘awesome’ (een idee dat misschien uit West-Vlaanderen komt?). Vorig jaar heeft de Drentse zanger-schrijver bij uitzondering geen nieuwe plaat gemaakt. Inmiddels heeft hij zijn eigen label (Ericana, naar een eerder album), maar verder sluit dit album goed bij zijn voorgangers aan. De soloartiest Daniël Lohues wordt nog steeds bijgestaan door enkele vertrouwde begeleiders, al speelt hij soms alle instrumenten in deze studioversies zelf.

Tijdens de eerste twee liedjes krijg je de indruk dat hij naar het idioom van zijn oude band Skik terugkeert (Lohues kwam onlangs in de media melden dat een reünie van Skik niet voor de hand ligt – waarom zou je dan niet dezelfde muziek met andere mensen maken?), maar over de gehele plaat overheersen akoestische of bijna akoestische liedjes. In feite lijkt het idioom nog het meeste op de Allennig-platen – country- en bluesgrassachtige nummers wisselen subtiele pianoballads af. Toevoegingen als een strijkkwartet in twee liedjes kunnen dat niet verbloemen. (Geen kwaad woord over deze keuze trouwens, ze pakt uitstekend uit.)

Ook de liedteksten doen denken aan het Allennig-vierluik. Liefhebbers zullen zich nog wel herinneren dat de zanger toen vaak niet goed in zijn vel zat. Op Aosem overheersen ook diepe overpeinzingen: heeft de mens een vrije wil, heeft het leven zin, moet ik mezelf ambitieuze doelen stellen – allemaal vertrouwde kost voor Lohues-volgers. De teksten zijn misschien wel mooier dan ooit: wetenschappelijke inzichten over het einde van de zon (en daarmee ook de aarde en de maan) worden in eenvoudig en elegant Ericaas op maat en rijm gezet. De liefde is present als vanouds: meisje weg (“Slof”), nieuw meisje terug (“En toen kwam jij”). Henny Vrienten en Jack Poels vonden zichzelf al kinderlijk toen ze op 32- respectievelijk 36-jarige leeftijd weer verliefd werden, Daniël Lohues bewijst dat het ook op je 44e nog kan. “Belinda”, dat lijkt een liedje over een verbroken relatie, maar gaat dat niet gewoon over stoppen met roken?

Toch zijn de teksten somberder dan anders. Dat Lohues graag verre reizen maakt, dat weten we. “Eben weg” wil hij, ook hier weer. Maar in “Op de loop” lijkt hij serieus over emigreren te denken: ‘As ’t zo deurgiet gao ik nog ’s echt / Op de loop.’ Zou het de huidige tijd zijn? Zou Lohues zich zoveel zorgen maken dat hij echt uit Drenthe weg wil? Ronduit duister is de afsluiter “Let mar niet op mij”. Onheilspellende synthesizerklanken leiden naar een country-achtig liedje in mineur, dat zich moeizaam voortsleept rond een uitgeput klinkende tekst, om onbevredigend in de dominant te eindigen. Gothic americana noemt men dat in de VS, en het is voor het eerst dat Daniël Lohues, toch nooit te beroerd om alle soorten country te verkennen, dit genre op zijn eigen plaat gebruikt. Bovendien sluit hij zelden een plaat met een somber liedje af, wat het effect alleen maar bloedstollender maakt. We moeten bijna wel hopen dat zijn volgende plaat vrolijker is.

Eindoordeel? Eerst het punt van kritiek. Alles bij elkaar valt Lohues, de grootmeester van de Nedersaksische popmuziek, hier in herhaling. Vooral muzikaal bieden de meeste liedjes veel wat we al eerder gehoord hebben, zeker ook bij hem zelf. Maar de kwaliteit is weer uitstekend. Na ruim twintig jaar zit er nog altijd geen rem op Lohues’ inspiratie, na diverse projecten en talloze zijwegen is het niveau nog steeds niet gedaald. We kunnen gewoon weer naar de schouwburg om van een nieuw stuk Drentse topmuziek te genieten – maar had iemand daar van tevoren aan getwijfeld?

Armand & The Kik – Armand & The Kik

Even een bekentenis: van Armand kende ik tot voor kort alleen “Ben ik te min”. Ook als (zelfbenoemd) expert in de Nederlandstalige pop vond ik het jarenlang niet de moeite waard om de rest van zijn werk te onderzoeken. The Kik brak deze protestzanger voor ons open. Zij lieten hem al opdraven op hun debuutplaat (“Want er is niemand”) en brachten dit jaar met Record Store Day een single met hem uit. De twee liedjes van dat plaatje, “Snelle jongens” en “Fuck the blues”, bleken afkomstig van een compleet gezamenlijk album.

Armand en The Kik zijn in veel opzichten een goed koppel. Armand is in veel opzichten blijven hangen rond 1970, The Kik maakt muziek in de stijl van die tijd. Het was de Rotterdamse band dan ook wel toevertrouwd om deze Armandcomposities, merendeels afkomstig van verschillende oude albums, van beat- en psychedelica-arrangementen te voorzien.

Anders dan Boudewijn de Groot is Armand een echte protestzanger, die vermoedelijk ook niet boos wordt als je hem zo noemt. Engagement en maatschappijkritiek toont hij echter meestal niet met grote gebaren, maar met het alledaagse. ‘Trek je niet terug met zelfmedelijden’ is een veelgehoorde boodschap (“Waar is je glimlach”, “Fuck the blues”).
  Ook iemand die op zijn 69e nog steeds op industriële schaal wiet rookt en lang haar heeft, ontkomt niet aan het burgerleven: zonder schroom zingt hij (in “Giglied”) bezingt hij de vele benzinepompen die hij tegenkomt als hij na een concert met de burgerlijke, vervuilende auto huiswaarts keert. Het intellect wordt evenmin geschuwd: een liedje over de dood, die hij soms in het ziekenhuis in de ogen ziet, heet, met een verwijzing naar P.N. van Eycks gedicht De tuinman en de dood, “De weg naar Isfahan”.
  De grote wereldzaken komen wel om de hoek kijken, maar nooit met enge kreten als ‘kapitalisme’ of ‘revolutie’. Het dichtst in de buurt komt nog “Gemeengoed”, waarin Armand tekeer gaat tegen de grote jongens in alle sectoren (niet in het minst de muziekindustrie). Dit is echter een cover, de enige van de plaat, en wel van de extreemlinkse zanger David Rovics.
  Veelzeggend, want ondanks zijn ongenoegen lijkt de nuance Armand beter te passen. Zonder specifiek doelwit en met een algemene boodschap zijn zijn liedjes ook een stuk tijdlozer. “Ik heb te veel stellingen gehoord om er nog maar eentje te geloven”, zo klinkt het in “Te veel werelden”, en “Ik kan die tijd wel beter benutten / dan me door een of ander normenstelsel op te laten jutten” (“Ik heb het gevonden”). Dat laatste liedje ademt vooral de drop-outboodschap die in de hippietijd soms provocatief werd gepreekt: geen carrière maken, gewoon blowen. Het sarcasme druipt ervan af, maar wat de zanger echt wil, komen we niet te weten: spreekt hier Armand de grootverbruiker, of hebben we juist te maken met een lied tegen blowers wie de rest van de wereld niets meer kan schelen?

Muzikaal ademt de plaat de geest van de sixties, maar bepaald niet de geest van hasjiesj. De beatachtige rock is soms best stevig en in de liedjes “Te veel werelden” en “Waterfiets” bijna opgefokt. Wel ademt vooral kant B een sterk psychedelische sfeer, met blazersarrangementen, onaangekondigde tempowisselingen en vage teksten (bijvoorbeeld “Een mens is wat ‘ie geeft”). “Giglied” is zelfs een countrynummer – niet het eerste genre dat je met de protestgeneratie in verband brengt.
  De muziek is over het algemeen goed; er lijkt geen slecht liedje tussen te zitten. “Snelle jongens”, eerder dit jaar de A-kant van het singletje, springt eruit als pakkend liedje, “Een mens is wat ‘ie geeft” als muzikaal interessante song.

Hoewel Armand veel woorden nodig heeft voor zijn wijdlopige verhalen, en hoewel je je kunt afvragen of je na vijftig jaar protesteren niet een keer aan wat anders toe bent, is er al met al weinig op dit album aan te merken. Het zal waarschijnlijk geen klassieker worden, maar het is wel meer dan een curiosum. De bejaarde zanger en de hippe band vullen elkaars leemtes op en strijden niet om de meeste aandacht: die is gewoon voor Armand. Iedereen die zich afvraagt hoe zo’n samenwerking nou klinkt, kan het album rustig aanschaffen. Mocht deze plaats íéts bereiken, laat het dan zijn dat ik eindelijk eens ga kijken wat de Brabantse protestzanger de afgelopen veertig jaar heeft gemaakt.

Tame Impala – Currents

Eerder dit jaar ging er een onaangename schok door de popwereld. Mumford & Sons, producent van hippe, frisse folk per strekkende meter, pakte het rockinstrumentarium op. Het resultaat was pijnlijk, vonden veel muziekmensen toch wel. Vernieuwen akkoord, maar je gouden formule opofferen om als een aftreksel van Coldplay te klinken is een heilloze route.
  Tame Impala, de eenmansband van Kevin Parker, heeft zich voor de nieuwe plaat Currents ook vernieuwd maar heeft deze valkuil gelukkig weten te vermijden. Het album past in een evolutie die op eerdere platen al ruimschoots werd voorbereid. Op Innerspeaker was het nog alles gitaren wat de klok sloeg. Op Lonerism waren de vele gitaareffecten niet meer genoeg voor de Australiër en kwam de synthesizer om de hoek kijken. Nu heeft de elektronica de overhand genomen en is Tame Impala een synthipopact geworden, waarin de gitaar nog maar sporadisch klinkt.
  De essentiële dingen zijn gebleven: Parkers liefde voor bizarre geluidseffecten, zijn stem die zo eng veel op John Lennon lijkt, het autistische vreemdeling-in-mijn-eigen-wereldgevoel van de teksten. De sfeer blijft intact, maar het retrogevoel dat de band vroeger met zich meedroeg is definitief verdwenen.

Tame Impala opent buitengewoon sterk met “Let it happen”. Vanaf het begin hoor je een lekker klinkend midtemponummer waarin de elektronica zich een waardig opvolger van de gitaar toont. Onderweg wordt het nummer vreemder en buitelen de geluidseffecten over elkaar heen. Aan het eind verraadt een blik op de tracklijst dat we intussen 7 minuten en 46 seconden verder zijn! Lang is niet altijd te lang, zo toont dit geweldige nummer wel aan.
  Hierna gaat het verder met onder meer “The moment”, een poppy liedje met een soort glamrockbeat (!), “Yes I’m changing” (een langzaam nummer met de veelzeggende tekst “They say people never change, that’s bullshit: they do”) en “The less I know the better”, waarin de gitaar toch nog een bijrolletje krijgt. Toch komt halverwege de klad erin. De songs zijn niet meer zo sterk als de allereerste en gaan steeds meer op elkaar lijken. Hoeveel verschillende geluiden Parker ook uit zijn synthesizer tovert, onze oren worden er langzaamaan onverschillig voor. Het helpt ook niet dat de Australiër een voorkeur voor zoemende geluiden met weinig boventonen lijkt te hebben. Vergeleken met de scherpe bliepjes van een Depeche Mode maakt dat de muziek slaapverwekkend. Dit is niet de synthesizermuziek die ons tijdens de jaren tachtig een decennium lang kon boeien.
  Dat is best zonde, want op die manier worden we doof voor wat de muzikant ons allemaal nog brengt. “Disciples” lijkt een beatliedje in vermomming, en in afsluiter “New person, same old mistakes” klinkt zowaar een echo van Joy Division door.

Al met al hebben we geen slechte plaat te pakken. De dertien liedjes zitten allemaal knap in elkaar en één is er zelfs bijzonder goed. En eerlijk is eerlijk: ook van Lonerism zijn we gaan houden, en ook die plaat had één grote knaller en voor de rest minder opvallende liedjes. Als achtergrondmuziek op een verantwoord feestje is Currents erg geschikt. Actief luisteren kun je beter in etappes doen.

Wederganger – Halfvergaan ontwaakt

Blijkbaar werkt er op de (socialemedia)redactie van Onze Taal een metalfan, want hun Twitterkanaal meldde gisteren het bestaan van een vrij nieuwe Nederlandstalige blackmetalband, genaamd Wederganger, die deze maand in beperkte oplage het album Halfvergaan ontwaakt uitbracht. Dit album blijkt zeker de moeite van het recenseren waard.

Nederlandstalige metal – lange tijd was dat nauwelijks mogelijk. Sinds een aantal jaar hebben we Heidevolk, een Vikingmetalband die in de huid van de oude Saksen kruipt en op het podium Germaans carnaval houdt. Black metal was er ook al eerder: de namen Winterkou en Fluisterwoud komen in me op, maar hun muziek ken ik nauwelijks – ze zijn intussen trouwens allebei gestopt.

De Nederlandse taal leent zich nochtans geweldig voor dit soort rouwe metal – beter dan het Engels, dat niet zo stoer Germaans klinkt en bol staat van de Franse leenwoorden. Alleen de titel geeft het al aan: geen vampiers of zombies maar wedergangers, mensen die na hun dood uit het graf terugkeren. Zulk bijgeloof bestond ook in onze streken, waarom zouden we ze dan een creoolse of Slavische naam geven?

De teksten zitten over het algemeen goed in elkaar. Ze zijn niet perfect – kreupelrijmen en antimetrieën komen geregeld voor – maar ze missen hun doel niet: de sinistere sfeer van eeuwenoude angsten en bijgelovige volksverhalen wordt met verve geschilderd. “Gezellig” en “hygiënisch” zijn niet de juiste woorden voor de tekstuele inhoud: “Mijn wormstekige lijf / De gore stank van het graf / Smerige geur van de dood / Die mij sinds jaren omgaf”… De griezelverhalensfeer loopt in “Zwarte gedachten”, het laatste liedje, uit op een compleet aards inferno: “De bronnen vergiftigd / De hemelen zwart / Een wereld gegeseld / Met tergende smart.”

De teksten gaan dus niet over het satanisme, maar over het één-na-favoriete onderwerp van het subgenre. De link met Cradle of Filth is snel gelegd. Ook muzikaal zijn er parallellen aan te wijzen. Wederganger heeft te veel muzikale pretenties om een hardcore blackmetalband te zijn. Voorspelen, naspelen, gitaarsolo’s, het zit er allemaal in, en de hoge grunts worden afgewisseld met lage, heldere zang en spreekzang. Een mooi effect is zingen en grunten tegelijk, zoals in “Dwaallichtbezwering”. De grunts zijn trouwens goed: hoewel dit soort vocalen eigenlijk nooit te verstaan zijn, wordt er beter gearticuleerd dan bij veel bekendere bands.
  Bij extreme muziekgenres ligt eenvormigheid op de loer: ben je niet goed ingewijd, dan gaan de liedjes op elkaar lijken. Veel nummers op dit album vallen er deels aan ten prooi: een ellenlange afwisseling tussen twee akkoorden en steeds herhaalde melodieën. “Dodendans” is met zijn bijna acht minuten echt wel te lang. Andere nummers blijven spannend (of worden weer spannend) door goed gekozen tempowisselingen, waarbij beurtelings drums-in-moordtempo (typisch voor het genre) en rustiger passages te horen zijn. Speciale vermelding verdient “Zwarte gedachten”, met een magnifieke ritmische truc: 3/4-maat in de gitaar tegen 4/4-maat in de drums. Ritmisch onduidelijk, en in de verste verte geen black metal, is ook de Tiersenachtige instrumental “Schimmelspel”.

Ik luister niet elke dag naar metal, laat staan black metal. Er zijn beslist mensen die mij zaken over deze muziek kunnen vertellen die ik niet weet. Maar één ding staat wel vast: ik heb op dit album mooie dingen gehoord, die maar weer eens bewijzen dat de Nederlandse taal voor alles geschikt is. Hopelijk wordt dit album breed opgepikt en komt er een tweede persing van meer dan 1000 stuks. De band verdient het niet om net zo obscuur te blijven als zijn teksten!

Muse – Drones

Beter laat dan nooit: vandaag heb ik op mijn gemak Drones, de nieuwste plaat van Muse, beluisterd, en hoewel de muziekbladen hun recensies al lang en breed hebben gepubliceerd, zal ook ik mijn mening er nog over geven, al was het maar omdat ik langjarig liefhebber ben. (Zo, da’s nog eens een zin!)

Wat moet dat worden, dachten we drie jaar geleden toen The 2nd law uitkwam. Muse, toch al “niet van grote gebaren gespeend” (OOR Popencyclopedie), had zijn sound onderhand tot onmenselijke proporties laten doorgroeien en zijn rock volgestopt met flink aanzettende invloeden, van klassiek tot dubstep. Het volgende album moest haast wel een stap terug doen.

Die stap terug is ook gezet. De meeste liedjes op de plaat zijn echte rockers. Liedjes als “Dead inside” en “Revolt” zijn zowaar recht-toe-recht-aannummers met coupletten, refrein en redelijk bescheiden gitaarsolo. De nummers lonken naar de aanstekelijkheid van de glamrock en doen daarmee denken aan “Uprising” van The resistance. Veel andere nummers grijpen nog verder terug, op Origin of symmetry en Absolution.
  Muse is thans niet meer op zijn best als het de nummers vet wil aanzetten. “Reappears” klinkt log en topzwaar en slaagt er niet in te prikkelen, ook niet met de quasi-atonale gitaarsolo. Ook “Defector” gebruikt de grote middelen, maar het werkt allemaal niet meer zo goed als in Muse’ gloriedagen.
  De toon is door het werk heen natuurlijk pathetisch, maar de band kan ook een tandje terugschakelen. “Revolt”, een liefdeslied dat als synthesizerballad begint en als powerballad eindigt, zal ongetwijfeld sommigen te zoet in de oren klinken, maar tussen het gebruikelijke geweld is het een hele verademing. Een ontdekking bovendien: dit kunnen ze blijkbaar ook!
  De meningen zullen ook wel weer verdeeld zijn over het einde van de plaat. In “The globalist” komt de progrocker in Matthew Bellamy weer naar voren: het opent met een Morricone-moment (onheilspellend gefluit met de lippen boven sferische orkestbegeleiding), ontpopt zich na het voorspel als softrocknummer, wordt vervolgens een harde rocker om ten slotte uit te komen op een pianoballad, waarvan de muziek gebaseerd is op “Nimrod” uit de Enigmavariaties van Elgar. Natuurlijk niet voor niets: De verwijzing naar de Bijbelse jager ondersteunt de woorden “The greatest hunter will survive alone”.
  Of de band hier te pretentieus is of te veel hooi op zijn vork neemt, moet de luisteraar zelf maar bepalen. Ik kan het prima hebben. Te gortig wordt het mij alleen bij het slotnummer “Drones”, waarin Bellamy het Benedictus uit Palestrina’s Missa papae Marcelli covert en alle zes stemmen in zijn eentje zingt.

Tekstueel is dit album beslist beter te pruimen dan de voorgaande twee. Bescheidener, mag je wel zeggen. Op The 2nd law legde de band de wet van Kelvin volledig verkeerd uit, op Resistance voerden complottheorieën de boventoon. Ook hier lijken complotten de centrale gedachte: Drones, helse machines die veilig vanuit een commandopost iedereen kunnen vermoorden, gaan ons leven beheersen. Het woord “conspiracy” komt zelfs onbeschaamd naar voren in een tekst van Kennedy uit 1961, gesampled in “Defector” en uiteraard behoorlijk uit zijn verband gerukt. De strijd wordt hier echter niet alleen tegen een regering gevoerd, maar tegen de hele maatschappij. De hele maatschappij is doordrongen van deze ellende en de enige manier om te vluchten is om je van die maatschappij af te sluiten.
  De plaat valt mooi uiteen in vier elpeekanten die globaal elk een deel van het verhaal vertellen. Op kant A (“Dead inside”, “Mercy”) wordt de luisteraar geconfronteerd met de ontmenselijking (onder meer door een clichématige drilsergeant). Kant B (“Reappears”, “The Handler”) zoekt naar de achtergronden: je kunt deze liedjes horen als een aanklacht tegen de staat, maar ook als een (wat zwaar) verwijt aan je naasten. Kant C (“Defector”, “Aftermath”) gaat over de poging van de ik-persoon om uit de maatschappij te vluchten (in het geval van “Aftermath” samen met de geliefde). Op kant D (“The Globalist”, “Drones”) heerst de postapocalyptische sfeer.

Drones werd door veel recensenten negatief ontvangen, soms extreem negatief. Ook bij mij overheerst de teleurstelling. Er is op zich niet zoveel mis met dit album, en kwam het van een debuterende band, dan zou ik vast staan te juichen. Muse heeft echter in het verleden met een paar meesterwerken de lat enorm hoog gelegd en die lat wordt met dit album niet gehaald. Een nieuwe Muse-plaat, niets meer of minder. Goed genoeg voor de liefhebbers, maar vast geen klassieker.