Honderd keer pop in je moerstaal (75)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 75.

Af en toe komt er in deze rubriek een artiest of groep langs die zoveel kwalitatief goed en relevant werk heeft gemaakt, dat je gewoon niet weet wát je moet kiezen. Dat hebben we al gemerkt bij Boudewijn de Groot (drie onwaarschijnlijk goede platen), Normaal (een band van de heel lange adem) en recent nog met Marco Borsato (een niet-aflatende stroom hits, al jarenlang).
  Ook Daniël Lohues is zo’n artiest. De bard van Erica (Drenthe) scheerde in de jaren negentig al hoge toppen met zijn band Skik. Liedjes als “Op fietse” en “’t Giet zoas ’t giet” kennen we allemaal wel, maar de rest van hun werk (deels in het Standaardnederlands!) is de moeite ook meer dan waard. Daarna maakte hij twee elektrische bluesplaten met de Louisiana Blues Club, daarna werd hij singer-songwriter: een eenzame man die zijn eigen werk uitvoert en van wie we teksten over zijn eigen leven verwachten.
  Zeker in de laatste fase werd hij buitengewoon productief. Hij is zelf de baas en de muzikanten hoeven niet uit Amerika te komen, dat scheelt vast in de tijd. Hoe het ook zij: bijna elk jaar komt hij met een nieuwe plaat en een nieuwe tournee. Intussen staat de teller op vijf cd’s met Skik (verzamelaar Best tof niet meegerekend), twee met de Blues Club en tien solo.
  Zoals jullie weten ben ik afgestudeerd op de man. Dat maakt de keuze niet gemakkelijker. Welk liedje neem ik nou op in mijn lijst, van de honderden die hij op ons af heeft gestuurd? Ik besloot in elk geval niet voor de Skik-klassiekers te gaan. Er zijn popacts waarvan de bekendste nummers ook de beste zijn, maar Lohues zou je daarmee tekort doen. Een bluesliedje had best gekund – hoeveel elektrische blues is er nou helemaal in het Nederlands, laat staan het Nedersaksisch? – maar ik voel meer voor zijn solowerk. Als je ziet hoeveel soloplaten hij heeft gemaakt, dan kun je toch wel concluderen dat hij zijn draai in het singer-songwriterschap heeft gevonden.
  Ook staat vast dat het dan een plaat uit de Allennig-cyclus moet worden. Naar mijn mening heeft Lohues zich na dit vierluik, dat hij tussen 2006 en 2010 uitbracht, nooit meer overtroffen. De albums erna vind ik ook goed, maar ze hebben hun zwakke plekken. Bovendien is hij de laatste jaren wat in herhaling vervallen; daar was ten tijde van Allennig nog geen sprake van.
  De vier Allennig-platen zijn conceptplaten. De titel moeten we letterlijk nemen: hij voert alle nummers geheel alleen uit, met instrumenten die hij ook zelf in real time kan bespelen. (Er zijn dus ook geen sessie- of tourneemuzikanten.) In ieder deel staat één seizoen centraal. Niet alle nummers gaan over het weer of de kalender, maar de sfeer die er steeds van de hele plaat uitgaat houdt wel met het betreffende seizoen verband.

Dat ik de vier Allennig-platen zo goed vind, komt niet in de eerste plaats door de individuele nummers. Het komt doordat de platen als geheel nauwelijks inzakken, geen teleurstellingen bieden. Bovendien zijn ze door een keur aan gebruikte instrumenten en muziekstijlen erg afwisselend, maar weet hij toch een gevoel van verbinding te creëren.
  Het spreekt voor zich dat er veel van die beleving verloren gaat als ik maar één liedje opvoer. Niettemin kan “De ganzenkoning”, van het eerste Allennig-album, heel goed op zichzelf staan.

Het liedje verschijnt bijna aan het eind van de plaat (track 12 van 13). De luisteraar heeft dan al een hele reeks wonderschone, maar deels wel erg moeizame liedjes voor zijn kiezen gehad: over het gevoel van eenzaamheid, over de oprukkende verstedelijking, over twee verloren liefdes (waarvan er een zelfs vreemdgaat), over het bijna verloren geloof. En dan, opeens, worden we getrakteerd op een naïef, sprookjesachtig liedje over een ganzenkoning met buitengewone gaven:

     Midden in ’t bos woont ’n aole man.
     Gao d’r mar nie hen, hij is raar.
     Ze zeggen dat-e magische krachten hef,
     ja eigenlijk ’n soort tovenaar.

     Hij döt gien vliege kwaod, en dus ook gien mens,
     mar toch word der ook wel ’s zegd
     dat hij wel ’s snachts tegen ganzen pröt
     en ze an ’t metzingen kreg.

Uit de bovenstaande regels wordt ook wel duidelijk waarom Lohues, met en zonder band, zoveel succes in West-Nederland heeft. Hij zingt dan wel in het dialect, maar zijn Drents is voor een westerling veel gemakkelijker te verstaan dan bijvoorbeeld Limburgse, Groningse of West-Vlaamse muzikanten. (Drenthe is echt een taalkundige lappendeken; wat ik hier over ‘het Drents’ zeg gaat alleen op voor het dialect van Erica waarin Lohues zingt.) Veel mensen begrijpen het meteen, en anders kom je er met het tekstboekje wel uit.
  Hoewel, begrijpen? Dat je de tekst verstaat, wil nog niet zeggen dat je snapt waarover het gaat. Wie is die ganzenkoning? Hoe komt Daniël Lohues erbij om zo’n sprookjesverhaal op te voeren op een plaat die verder helemaal over zijn eigen leven gaat? En waarom nou net een koning der ganzen? Een interviewer die hem ernaar vroeg, kreeg het volgende te horen:

     Dat heeft met mij te maken en met ganzen, meer zeg ik er nog lekker niet over. Er komt nog een vervolgliedje op. Ik ben gek op ganzen en ganzen zijn gek op mij. Ik ga ’s nachts wel eens naar buiten om met ze praten, hun geluid is net muziek.

Is Lohues dan zelf die ganzenkoning? Je zou het gaan denken. Hij gaat net als de hoofdpersoon van dit lied ’s nachts naar buiten om met ze te praten. Maar daar stuiten we toch op een paar problemen. Ten eerste: meteen in de eerste regel gaat het over een oude man. Lohues was 35 toen dit nummer uitkwam. Er zijn mensen die zich dan al heel oud voelen, maar of dat voor hem ook geldt is zeer de vraag. Bovendien woont hij op de veenontginning, je moet wel erg veel fantasie hebben om daar een bos in te zien.
  Ik geef maar eerlijk toe dat ik sinds het klaarkomen van mijn masterscriptie de Lohues-interviews niet meer heb bijgehouden. Misschien heeft hij inmiddels al onthuld wie die ganzenkoning was. Maar misschien ook niet. In ieder geval heb ik er wel een theorie over, die niet hoeft te kloppen maar die past in de feiten zoals ik ze aantref.
  In zijn columns (voor het Dagblad van het Noorden) schreef Lohues meer dan eens over Bernd, een oude man die in het graafschap Bentheim woonde, net over de Duitse grens. De kennismaking verliep toevallig:

     Het dichte naargeestige dennenbosje waar ik vanwege mijn voorkeur voor nauwelijks betreden paden doorheen gelopen was, bleek de rand van een mooi groen grasveld waarin een paar fruitbomen stonden met bijenkasten eronder. Twintig meter verderop zag ik een klein huisje met een kastanjeboom er schuin links voor. Shit. Ik was maar zo in iemands tuin terecht gekomen. Een paar ganzen sloegen aan, en de deur van het vooroorlogse huisje sloeg open. Een klein oud meneertje met een platte pet op zag me staan.

Lohues komt er daarna vaker. De taal en het plattelandsleven scheppen een band, ondanks het verschil in paspoort en leeftijd. Of Bernd echt geleefd heeft, weet ik niet. Ik denk van wel, al zit er een hoop fantasie in de diverse columns. Later komt er nog een verhaal bij over een Amsterdammer, ene Sjoerd, met wie het juist niet zo klikt (boodschap: de landsgrens doet er niet toe, maar tussen stad en platteland gaapt een des te diepere kloof). Uiteindelijk gaat Bernd in eenzaamheid dood.
  Bernd was een oude man, hij had ganzen en Lohues bereikte zijn huis door een bos. De column over Bernds dood stamt uit 2005. Allennig verscheen anderhalf jaar later. Zou “De ganzenkoning” misschien een requiem voor Lohues’ oude vriend kunnen zijn?

Eén ding is zeker: het is niet alleen een publieksfavoriet maar ook een belangrijk deel van de hele cyclus. Het springt er meteen al uit, door zijn klassieke idioom (Mozart-achtige begeleiding, in de bridge afgewisseld door een neo-barokke sequens) en, zoals gezegd, door zijn naïeve tekst. Op deel II en III komt de ganzenkoning terug in twee piano-instrumentaaltjes met een romantisch karakter. De laatste cd mag hij zelfs afsluiten met “Ganzenkonings slaopliedtie”.
  Daarmee lijkt de betekenis van het liedje verder te gaan dan de betekenis van alleen de tekst. Lohues kan aan zichzelf gedacht hebben, of aan zijn oude vriend, of allebei, maar hij draagt ook de muziek op het hart. Het is voor ons niet zo’n bevredigend antwoord, maar de echte betekenis van “De ganzenkoning” is misschien wel gewoon dat het zo’n mooi liedje is…