Geen toekomst

Het jaar loopt af en wederom ziet het er beroerd uit voor de klassieke muziek en alle andere kunsten. En dat is geen toeval. Volgens mij heeft de kunst tout court haar tijd gehad.

Zo tegen het einde van het jaar lopen de media steevast vol terugblikken en vooruitblikken. Ik heb wel een idee hoe dat komt. In mijn ogen moet je voorzichtig zijn als je op die gewoonte inhaakt, vooral waar het voorspellingen betreft. Niemand heeft een glazen bol en roepen dat jij al weet waar het heen gaat is bluf.
  Niettemin heb ik nu wel wat te zeggen en mijn boodschap is niet vrolijk. Ik denk dat er geen toekomst meer is voor de klassieke muziek – zeker niet op de korte en middellange termijn, en zeer waarschijnlijk ook niet op de lange termijn. En wat meer is: dit geldt voor elke kunstvorm.
  Ik zal mij in dit stuk niet op de lange termijn richten, omdat elke trend binnen vijftig, honderd, vijfhonderd jaar finaal kan omkeren op een manier die niemand ook maar in het minste zag aankomen. Niettemin is één van de trends die ons bedreigen zó fundamenteel, dat ik niet zie hoe die ooit nog ongedaan kan worden gemaakt.

Genoeg mensen zullen me een zwartkijker noemen en me willen tegenspreken. Die wijzen me op zogenaamde lichtpuntjes en zeggen dat die toch aanknopingspunten bieden. Ammehoela. Dat is hetzelfde als een grote toekomst voor de Mohikanen voorspellen op het moment dat er nog twee in leven zijn. De kunst heeft geen sterke punten, alleen zwaktes; geen kansen, alleen bedreigingen; geen stijgende, alleen dalende trends.
  Dat mensen dat anders zien, komt alleen maar door het Pollyannasyndroom: de aandoenlijke, tragikomische neiging van de meeste mensen om overal lichtpuntjes te zien. Depressieve mensen en mensen met een angststoornis zijn de enigen die zich daaraan onttrekken; dat is wetenschappelijk aangetoond. Ik hoor bij de eerste groep; dat is nu eens in mijn voordeel.

1. De kunst heeft zichzelf opgeblazen
Oude klacht, maar niet minder waar anno 2022. Door zich eindeloos monomaan op vernieuwing te concentreren heeft de kunst zichzelf in de twintigste eeuw op een doodlopende weg begeven. Een kleine twee eeuwen lang was het credo van alle kunst die later relevant bleek: vernieuwen. In de negentiende eeuw was ‘vernieuwing’ vooral nog het argument dat de waarde van bepaalde kunst moest verdedigen: Liszt maakt de muziek van 1850, wat van Rubinstein niet gezegd kan worden.
  In de twintigste eeuw veranderde dat argument gaandeweg in een doel op zich, iets wat Richard Taruskin zo treffend ‘patentbureau-modernisme’ noemde: een kunstenaar was pas relevant als hij iets nieuws uitvond, en die techniek mocht een ander nooit overnemen. Die mentaliteit lijkt me achterhaald. Niemand zal nu nog in alle ernst willen beweren, zoals zestig jaar geleden gebeurde, dat de gortdroge en inspiratieloze Babbitt een betere componist is dan Stockhausen, omdat hij nu eenmaal een paar jaar eerder was met het serialisme.

Maar het idee dat je eindeloos moet vernieuwen leeft nog wel. De Utrechtse musicoloog Emanuel Overbeeke, bekend als musicologisch manusje-van-alles maar vooral als essayist, bracht dit jaar een boek uit getiteld ‘Het tijdloze modernisme’. De strekking daarvan luidde dat het modernisme geen stroming is die op een bepaald moment in de muziekgeschiedenis begint en ophoudt – nee, álle relevante componisten waren vernieuwers, dus modernisten. Zowat alle levende componisten worden op één hoop gegooid: nostalgisch en irrelevant.
  Ik was eigenlijk stomverbaasd dat die mentaliteit nog bestaat anno 2022. Meneer Van Overbeeke, wat valt er dan nog te vernieuwen? Welke noten moet een componist dan nog schrijven als 100 tikkende metronooms, tien brandende piano’s, viereenhalve minuut stilte en uiterste wiskundige doorberekening van klanken zonder rekening met het klinkend resultaat te houden – als dat in de vorige eeuw al allemaal voor muziek heeft mogen doorgaan? Dan kan nieuwe muziek alleen maar de ruimtes daartussen verkennen, moeilijker is het toch niet?
  Trouwens, de strekking is ook niet juist. U zegt dat Monteverdi, Bach en Mozart, “toevallig of niet”, allemaal vernieuwers waren. Ik zeg u: ze waren het geen van drieën. Monteverdi was de eerste grote componist die de nieuwe modes, opgekomen rond 1600, opnam en naar hun volle mogelijkheid gebruikte. U hoort toch te weten dat niet hij, maar Jacopo Peri de eerste opera schreef? Dat zijn eerste madrigaalboeken allemaal polyfoon zijn en hij pas later, naar het voorbeeld van anderen, de monodie oppakte? Vanaf 400 jaar afstand lijkt hij misschien een vernieuwer, maar vanuit het oogpunt van een Italiaanse tijdgenoot was hij een keiharde polderaar: elke vernieuwing moest kritisch worden bekeken voordat ze geschikt werd verklaard.
  En Bach – serieus? Bach was de meest ouderwetse componist die er in zijn dagen maar rondliep. Of toch de meest ouderwetse grote componist van zijn tijd. Hij stond zijn leven lang met één been in de zeventiende eeuw. In zijn sublieme beheersing van het contrapunt, wat al zijn bewonderaars zo geweldig aan hem vinden, brengt hij één grote hommage aan Buxtehude. Natuurlijk had hij zijn oren open voor nieuwe modes uit Italië, maar nooit zover als Händel, Telemann, Stoelzel en al die andere tijdgenoten van hem. Daarin lijkt hij op Monteverdi: geen kind werd met het badwater weggegooid. En laten we niet vergeten: het was juist zijn wereldbeeld dat hem die ouderwetse stijl ingaf. Bach bleef zijn leven lang bij de orthodoxieën van het lutheranisme en verzette zich tegen de opkomende Verlichting. Hij had zich waarschijnlijk zwaar beledigd gevoeld als iemand hem ‘vernieuwer’ had genoemd.
  Mozart ten slotte komt nog het dichtst in de buurt van een vernieuwer. Hij begon met een eenvoudig rococo-idioom en legde uiteindelijk mede de grondslag voor de romantiek. Maar van Mozarts pianoconcerten en late opera’s naar de grote werken van de negentiende eeuw is het nog een enorme afstand. Mozart bleef zijn leven lang, naast kunstenaar, ook people pleaser – iemand die de smaak van het publiek aanvoelde, zeker ook mede maakte, maar dan ook voelde wat hij kón maken. Mozart was een vernieuwer zoals de Beatles en de Stones dat waren. Ze deden zelden iets wat de band met het publiek écht in gevaar bracht – niet eens uit zakelijke berekening, gewoon omdat de aard van hun stiel dat vereiste.

Als je het mij vraagt, vind ik dat componisten aan Mozart een voorbeeld moeten nemen. Componisten moeten weer Beatles worden. Net als in Mozarts tijd zitten we op Stunde 0: de muziektraditie is zo goed als ingestort, maar de theorie is er nog wel en de partituren ook. Een waar genie toont ons hoe je, in het woud van mogelijkheden dat de erfenis van de westerse muziek ons biedt, een relevante weg vindt.

Maar is de muziek dan ingestort? Veel kunstenaars, critici en het weinige lekenpubliek dat er nog is zullen vinden van niet. Ja, de zalen zitten niet erg vol, maar was dat niet altijd al zo bij nieuwe muziek? Nou, kijk eens wat verder dan twee meter voor je uit. Vroeger trokken avant-gardemusici volop de belangstelling. Voor nieuwe werken van Stockhausen liepen zalen vol, zelfs al waren het elektronische werken waar geen enkel liveaspect aan zat. ‘Oote’ van Jan Hanlo werd in het parlement besproken. Nieuwe (vernieuwende) kunst veroorzaakte schandalen, maakte de tongen los tot ver buiten de wereld van kenners. De tegenstanders waren altijd talrijker dan de voorstanders, maar de kunst kreeg gratis reclame door de overvloedige media-aandacht.
  Kom daar nu eens om. Vraag een x aantal mensen op straat maar eens om vijf levende dichters, componisten of schilders te noemen. Iedereen zal je nee verkopen. Alleen vijf romanschrijvers, of vijf popmusici, dat maakt nog enigszins kans. Maar zelfs die kunstvormen kwijnen langzaam weg. Mensen hebben alles al gezien, en wie net komt kijken kan achterom kijken.

2. De kunst vervult niet meer de maatschappelijke functie van vroeger
Maar er zijn diepergaande redenen. Een heel belangrijke reden is een verandering in sociale normen. Onder het ancien régime was kunst, zeker muziek, vooral een speeltje van de machthebbers: hof- en kerkcomponisten hadden de boel maar op te fleuren. Natuurlijk hadden ze pretenties en waren er musici die meer dan gemiddelde bewondering genoten, maar de verhouding was duidelijk: de kunstenaar, en zeker de musicus, was een ambachtsman en zijn werk was een ambacht dat je, vaak van vader op zoon, kon leren.
  Eind achttiende eeuw kwam daar verandering in. De bourgeoisie ging de muziek nu claimen – en niet alleen dat, ze ging ermee dwepen. Was een concert voorheen een avondje uit waarbij je rustig mocht kletsen met de mensen die je er tegenkwam, nu werd je geacht te luisteren. Met een opera moest je meeleven, in een symfonie moest je het drama gaan zoeken. Componisten, en ook schilders, werden wat dichters en schrijvers al eeuwen waren: helden.
  In de negentiende eeuw breidde die trend zich uit. De negentiende-eeuwse samenleving was een uitgesproken klassensamenleving, maar de klassen waren niet gesloten. Je kon opklimmen en als het je goed tegenzat ook vallen. Zulke samenlevingen baren snobisme: de middenklassen gaan de hogere klassen nadoen. Dat leidde tot veel kitsch, maar ook tot een echte groei aan kunstzin. Kooplieden en lage ambtenaren wilden maar wat graag de smaak van de hoge heren en dames proeven en spanden zich in om klassieke muziek, schilderijen en gedichten mooi te vinden. Natuurlijk werd bewondering weleens geveinsd, maar grosso modo was het een enorme vooruitgang: meer mensen deden moeite voor de kunst, die een publiek kreeg als nooit tevoren. En de echte rijken? Die zorgden wel dat ze hun geld eraan uitgaven. Wie zich niet in de loge vertoonde, riskeerde een statusval.

In de twintigste eeuw ging het heel anders. Het ideaal van gelijkheid breidde zich uit en snobisme werd doorgeprikt. Dat betekende niet meteen het einde van de hoge kunst. Integendeel: de vaak centristische of centrumlinkse regeringen bedachten de kunst, oud en modern, rijkelijk met subsidies. De burgerij bleef ook nog lang vasthouden aan haar kunstliefde. Kijk maar om je heen: de Stille Generatie domineert nog altijd de concertzaal, ook al is ze stervende.
  Maar in milieus waar de traditie van de klassieke muziek niet heerst, ging dat toch even anders. Mijn opa (1921) komt uit een arbeidersgezin en schopte het tot docent aan de HTS. Hij heeft, totdat zijn hardhorendheid dat onmogelijk maakte, decennialang van klassieke muziek genoten, en bovendien jarenlang rondleidingen in het museum gegeven. Maar zijn broers en zusters? Zij kwamen niet veel verder dan Dorus en Johnny Hoes. Na de oorlog kwamen ze, zoals bijna iedereen, in burgerlijke omstandigheden te leven, maar in hun arbeidersmilieu paste kunst gewoon niet.
  Het is een pijnlijke waarheid, maar gelijkheid is de dood in de pot voor hogere kunst. De geëmancipeerde groep wil geen moeite doen om de kunst van de voorheen bevoorrechte groep over te nemen (want laten we eerlijk zijn, slechts een minderheid is op het eerste gehoor verliefd op Beethoven en Schubert – daar moeten we haast allemaal moeite voor doen) en zal, wanneer op haar ‘slechte’ smaak wordt gewezen, direct vragen: ‘Wie ben jij om dat voor mij te bepalen?’

Nou bracht de twintigste eeuw iets wat we in de negentiende niet hadden kunnen voorzien: popcultuur. Afroamerikaanse muziek werd niet alleen populair, maar haalde ook een niveau dat de Europese, ‘blanke’ popcultuur nooit aantikte. Jazz emancipeerde tot ver boven amusementsniveau, en na de oorlog gebeurde hetzelfde met rock. Jongeren van alle sociale klassen maakten er het gesprek van de dag van. Ze bewezen dat interesse voor kunst en vernieuwing niets met sociale klasse te maken heeft.
  Eind goed, al goed toch? Nou nee. De begeestering van de jeugd met popmuziek bleek tijdelijk. Mijn klasgenoten waren nog volop bezig met de hitparade – ikzelf niet, omdat ik met 13 al monomaan klassiekfan was – en later met diverse soorten alternatieve muziek. Tieners van tegenwoordig hebben andere helden. Vloggers, influencers, socialites – je hebt het de afgelopen jaren wel voorbij zien komen. Nieuwe muziek neemt een veel kleinere positie in dan voorheen. Tieners zijn vooral bezig met beroemdheden – mensen met een vaak tautologische faam, beroemd omdat ze beroemd zijn.
  Natuurlijk komt dat door het internet en de technische veranderingen die dat heeft gebracht. Vroeger was de radio hét medium dat jou als tiener bezighield, tegenwoordig kan je vlug denkende en snel de aandacht kwijtrakende geest elke gewenste indruk via één schermaanraking tevoorschijn halen. Muziek is ook niet meer zo bijzonder nu het overal gratis wordt aangeboden. Maar ik denk ook dat hier de rek er gewoon uit is, net als bij de hoge kunst. Tieners van nu kennen opvallend veel oudere muziek. De TikTokkers die zij vereren gebruiken vaak stukjes uit oude nummers, en die worden opgezocht. Kate Bush zag ‘Running up that hill’ dit jaar zelfs een hit worden nadat dit nummer in een streamingserie verscheen. Daar had je in mijn geboortejaar niet om hoeven komen! Toen lag de interesse echt wel bij synthesizers, hiphop en hardrock met veel haar. Tieners vinden nu vaak wat wij ouwe lullen altijd al riepen: dat de beste muziek vroeger werd gemaakt. Als jong en oud het daarover eens is, is dat de dood in de pot.

Maar laten we nog eens terugkomen over dat gelijkheidsideaal. Een arbeider die tegen een burger zegt: ‘wie ben jij om te bepalen dat mijn muzieksmaak minder is?’, hoe klinkt dat? Precies, woke. Of politiek correct. En zo weten we allemaal: deze manier van denken maakt momenteel opgang. In ieder geval in de intellectuele kringen waar het debat zich afspeelt.
  Heel erg duidelijk is dat in het theater. Ik werk zelf in het pand van Theater Kikker en loop elke werkdag twee keer door het trappenhuis. Deze week hingen er allerlei regenboogvlaggen. Verder werd Shakespeares ‘Twelfth Night’ aangekondigd als een ‘genderfluïde komedie’. Eerder hingen er allerlei panelen over wat de Nederlanders allemaal fout hadden gedaan in de slavenhandel en later in koloniaal Suriname, en onlangs werd een bewerking van de roman ‘Lady Chatterly’s lover’ aangekondigd als een stuk dat de ‘heteronormatieve’ samenleving ter discussie stelde. Kortom: theater anno 2022 is behoorlijk woke.
  Is dat erg? De geëtaleerde ideeën zijn voor 90% de mijne, en 10% meningsverschil is in het verleden nooit aanleiding geweest om boos weg te lopen. Het gaat mij om de dwingende vorm waarin het wordt opgediend. Kunst móét politiek zijn, en het móét ook nog eens per se de ‘juiste’ denkbeelden verkondigen. Dat vind ik verstikkend. Tien jaar geleden had ik waarschijnlijk de hedendaagse insteek van Twelfth Night of Lady Chatterly grappig en ergens wel terecht gevonden, nu denk ik alleen maar: o God, daar gaan we weer.
  Bepaalde mensen uit die hoek (goddank niet allemaal) zullen wel weer roepen dat ik bang ben mijn privilege als ‘witte’ cis-hetero man te verliezen. Makkelijk hoor, zo’n bandje dat je kunt afdraaien en waar je altijd je morele gelijk mee haalt. Anderen zullen tegenwerpen: maar kunst moet toch mensen aan het denken zetten? Allicht, maar dan in de breedste zin van het woord. Aanzetten tot denken is niet hetzelfde als politiek. Kunst moet vooral … kunst zijn. Iets uitdrukken op een niet-alledaagse manier. Voor activisme heb je het Malieveld. Activisme is rechttoe rechtaan en staat lijnrecht tegenover kunst. Zodra kunst de lijnen van het ideologisch wenselijke één op één volgt, is het eigenlijk geen kunst meer. Trouwens, wie zet je aan het denken als je een zaal vol GroenLinksers vertelt dat de samenleving te veel op blanke heteromannen is ingericht? Het is een offline-filterbubbel, waarin mensen hun eigen ideeën te horen krijgen.

Oké, tot zover. Dat kunst politiek correct is, is één ding. Dan zou je nog een groot deel van de bevolking kunnen bedienen: alle stemmers op linkse partijen. Maar trekken aanhangers van GroenLinks, de PvdA of Bij1 nou zo massaal naar het theater? Nee. Misschien dat ze het affiche lezen en instemmend knikken, maar de drempel komen ze niet over. Of mensen nou links of rechts zijn, geen enkele stroming maalt om ons.
  Voorbeelden ter rechterzijde hadden we al te over. De streken die Rutte I ons, vooral op initiatief van de PVV, heeft geleverd, zijn we nog niet vergeten. Het argument van Wilders is zo duidelijk als het simpel is: waarom zou iedere belastingbetaler moeten opdraaien voor de smaak van de minderheid?
  Wij hoopten dat we ter linkerzijde, waar de meeste kunstenaars van nature al zitten, veilig waren. Wel, misschien bij de partijen. Maar bij linkse mensen? Dat is een illusie. We zagen het dit jaar maar al te goed. Activisten tegen de klimaatverandering verstoorden klassieke concerten en bekladden wereldberoemde schilderijen. Zij zien niet de onschatbare, immateriële waarde van geniale kunst, zij zien alleen het bezit van een klasse die de macht heeft. Onze realiteit van kunst als eerste levensbehoefte bestaat voor hen gewoon niet.
  De bekende recensent Merlijn Kerkhof – overigens oud-studiegenoot van me – zei het dit jaar al: “Het is treurig om te zien dat de progressieven het VVD-/PVV-frame hebben overgenomen van klassiek als iets voor de elite in plaats van iets voor wie toevallig van klassieke muziek houdt.” Ja, dat klopt. Maar dat is niet iets van vandaag of gisteren. Dat is een mening die bij het gros van de mensen al leefde voordat de PVV bestond. De politiek heeft die alleen maar opgepikt voor electoraal gewin.

Deze mentaliteit heeft zich trouwens ook goed ingekankerd in de kunstwereld. Vooral in de VS. Dat is niet zo vreemd, want dat land is verweven met politieke polarisatie. De ene helft kiest een gevaarlijke gek als Trump, wat voor de andere helft reden is om terug te vallen in bizarre orthodoxieën.
  Op het aan Nieuwe Muziek gewijde weblog “I care if you listen”, en het daaraan gekoppelde Twitterkanaal, worden vaak de radicaalste meningen verkondigd. Bijvoorbeeld: de cultus van het genie moet verdwijnen. Allemaal loze verering van witte mannen. Kom vooral niet aan met de opmerking dat Hummel net zo blank, Duits en man is als Beethoven, en dat er dus een andere reden moet zijn waarom we Beethoven hoger hebben zitten – nee, kunstenaars mogen niet vereerd worden en alle muziek is gelijk. Sterker nog: westerse klassieke muziek is “inherent racistisch” en moet verdwijnen. Dat gebeurt nu ook, en dat is logisch: de samenleving wordt gelijker en stoot die gore zweer af. Een stuk met die strekking werd een paar jaar geleden vanaf hun Twitterkanaal gelinkt!
  Het is zo zot, zo absurd dat ik het eigenlijk niet hoef te weerleggen. “Inherent racistisch”, dat betekent dat het racisme in de noten zit. Het wordt niet onderbouwd, het is blijkbaar gewoon zo. En spreek hem niet tegen, want hij is zwart en jij weet niet hoe dat voelt dus je moet je bek houden.
  Sindsdien heb ik nooit meer normaal naar klassieke muziek kunnen luisteren. Nou ja, oude muziek en nieuwe muziek ging nog net. Maar zodra de luisterervaring uit het gevoel komt, is ze bedorven. Vroeger raakte ik in verrukking van Mozarts Klarinetconcert en in opperste extase van Bruckner 7. Maar die verrukking is, blijkbaar, niets anders dan een uiting van mijn ingebeelde superioriteit, en die extase geeft alleen maar lucht aan het verlangen om de slavernij te herinvoeren. Zulke ideeën hebben de afgelopen jaren zoveel tractie gekregen, dat ik ze niet van me af kan zetten – ook al weet ik dat ze te bizar voor woorden zijn.

Hopelijk begrijp je me nu beter als ik eens zeg dat er een woke-probleem is. Dat wordt vaak ontkend met de argumentatie: nee, het echte probleem zit aan de rechterkant. En dat klopt. Zorgen over wokisme vallen in het niet bij zorgen over extreemrechts.
  Gelukkig hoeven we het daar ook helemaal niet te zoeken. Thierry B. (ik gun dat geboefte zijn volledige naam niet) deelt een deel van zijn kunstsmaak met mij, dat is waar. Maar ten eerste kan dat geen reden zijn om die kunst en mij erbij te veroordelen, en ten tweede overlapt onze smaak op een heel belangrijk deel ook niet. Meneer ziet moderne kunst op dezelfde manier als bepaalde ideologische voorgangers van hem: als ‘ontaarde kunst’.
  Goh, verrassend. Maar tegelijk ook de mening van heel veel fatsoenlijke mensen. Welke buitenstaander ziet er nou wél de waarde van moderne kunst? Het doet er gewoon niet meer toe voor de samenleving. Niet meer voor activistisch links, want daar vindt men rechtvaardigheid belangrijker. Niet meer voor centrumrechts, want die zijn alleen in geld geïnteresseerd. En niet voor populistisch-rechts, want die willen dat kunst duidelijke taal spreekt. Hooguit een beetje voor gematigd-links, maar die denkwijze is uit de mode.
  Eén ding hebben deze drie stromingen gemeen: zij vinden dat de mens wel degelijk bij brood alleen leeft. Ze zijn geobsedeerd door grondig herverdelen (links), door zoveel mogelijk economische groei (midden), of door houden wat je hebt (populisme). Niet met de mooie dingen van het leven.

En als je mij nou eerlijk op de man afvraagt: vind jij kunst nou belangrijker dan mensenrechten, dan zal ik niet bevestigend antwoorden. De afgelopen jaren heeft het ook in de kunstwereld MeToo-schandalen geregend, vaak in verband met diep bewonderde kunstenaars. Hadden die dan, vanwege hun artistieke merites, op hun voetstuk moeten blijven staan? Niet vol te houden hè. Nou, dan weet je het wel: kunst was ooit heilig maar zonder die heiligheid is het vogelvrij. Ook ik ben een kind van mijn tijd en kan daarom kunst die ideologisch besmet raakt niet meer verdedigen.

3. AI heeft ons ontmaskerd: kunst is niets bovennatuurlijks
Kunst heeft geen richting en heeft het publieke tij tegen. Dat zijn nare vaststellingen maar dat kan veranderen. Er kan een periode aanbreken waarin kunstenaars de weg naar nieuwe bloei vinden, of waarin kunstzin opeens weer in de mode komt. Maar één ding zal beslist niet veranderen: de voortschrijding van de techniek, die alles wat mensen doen – ook kunst – overbodig maakt.

Wij mensen, zeker wij kunstenaars, hebben lang geprobeerd menselijke werken in twee gelijkwaardige delen op te splitsen: verstand en gevoel, logica en empathie, Erklären en Verstehen, reductionisme en holisme, bèta en alfa. Maar de waarheid is: al het verstandelijke is uiteindelijk superieur. Holisme leidt tot pseudowetenschap, gevoel tot redeloosleid, en irrationeel gedrag blijkt met de moderne cognitiewetenschap uitstekend te verklaren.
  Kunst is ook doorgelicht. Eeuwenlang geloofden kunstenaars dat er zoiets als een ziel aan hun werk zat, een essentie waar geen rationeel systeem vat op zou kunnen krijgen. Recente ontwikkelingen in de AI hebben deze illusie genadeloos doorgeprikt. Elke kunstvorm is automatisch na te bootsen, als de computer maar genoeg gegevens krijgt. Eén druk op de knop en je krijgt een Mozartkwartet. Eén druk op de knop en je krijgt een schilderij over een willekeurig onderwerp in de stijl van een willekeurige schilder. Zelfs schrijvers zijn sinds kort niet meer zeker van hun baan. Het heilige aura van goddelijke inspiratie dat er eeuwenlang om kunst heen zweefde is bij dezen als fictie ontmaskerd.

Nu zul je zeggen: leuk en indrukwekkend wat AI allemaal kan, maar kunst heeft toch zeker twee kanten? De maker doet er minstens zoveel toe als de beschouwer, en als er geen maker is boeit het mij niet. Misschien denk jij er zo over, maar 99% van de mensen doet dat niet.
  De meeste mensen luisteren wel naar muziek – steeds meer ook wordt er duidelijk over de meer dan gewone betekenis die muziek voor onze hersenen heeft. Maar voor de grote meerderheid is muziek niets dan ontspanning, arbeidsvitaminen, behang. De meeste mensen graven niet naar artistieke merites, voor hen is muziek naar hun smaak genoeg. En als je in de zeer nabije toekomst oneindig muziek kunt genereren in een stijl naar keuze – Mozartsymfonieën, Westkust-hiphop, acid house, Beatlesliedjes – dan zullen de meeste mensen dat prefereren boven de eindigheid van het bestaande repertoire. Wie gaat er nog achter onbekende muziek aan als AI voor jou de 55e van Bruckner maakt? En wat kan jou het schelen dat die 55e, in tegenstelling tot de 7e of de 9e, níét het werk was van een diepgelovige, seksueel gefrustreerde Oostenrijker die met vernieuwende muziek uiting gaf aan zijn hemelse en aardse verlangens? Als jij die voldoening er maar uit haalt!

En trouwens, de wetenschap dat kunst alleszins te verklaren en in cijfers te vangen valt, is ook nieuw voedsel voor hen die de kunstsubsidies willen afschaffen. Hét argument daartegen was altijd dat hoge cultuur een waarde had die gewone cultuur niet bezat, dat het iets heel bijzonders was en niet zomaar de smaak van een of andere elite. Het wordt ineens een stuk moeilijker om dat zo te blijven zien…
  De cognitiewetenschap biedt ook antwoord op een vraag die we eerder beroerden: leeft de mens bij brood alleen of heeft hij kunst als geestelijk voedsel nodig? Wel, de mens heeft iets aan kunst, maar niet per se aan hogere kunst. Je hebt iets aan muziek die je leuk vindt. En die kan voortaan gewoon uit de computer komen.
  Daarmee heeft ook de wokiaan die de ‘cultus van het genie’ wil afschaffen ten gunste van muziek door gewone mensen nieuw voedsel. Maar hij mag niet te vroeg juichen. Ook muzieksoorten als blues uit de Mississippidelta kunnen binnenkort overtuigend uit de computer worden getoverd, en geen menselijk oor zal het verschil kunnen horen tussen Robert Johnson en X4zn0r T1X10c-49 of hoe die gegenereerde bluesartiest ook mag heten. Jij zult een authentieke verklanking van diepe ellende menen te horen die volledig uit nullen en enen is ontstaan en door niemand ooit aan den lijve gevoeld is. Zodra gegenereerde kunst de Turingtest doorstaat, maakt het voor de kunstbeschouwer niet meer uit of de bron menselijk dan wel machinaal is.

Besluit
Als je dit helemaal gelezen hebt, begrijp je waarschijnlijk waarom ik zo somber gestemd ben over de toekomst van de kunst. Ik twijfel aan alles, van de banaalste dingen (waar moet het geld vandaan komen) tot de fundamenteelste (heeft kunst überhaupt waarde), en ik zie niets dat mij fundamenteel van deze twijfel kan afbrengen.

Tot slot nog even over dat maatschappelijke debat. De modes die nu, in de vorm van online-burgeroorlogen, het debat bepalen, die zie ik wel verdwijnen. Vallen over elk wissewasje met het argument dat het racistisch, seksistisch of homofoob zou zijn, dat is niet erg sexy en dat blijft niet in de mode. Roepen dat ‘ze’ ‘onze’ cultuur bedreigen en dat vroeger alles beter was, dat is al helemaal niet sexy. Over een jaar of tien is dat allemaal geleden leed.

Maar iets anders zal wel blijven. Het klimaatactivisme. Dat is de leer van onze tijd, daar halen we nu echt zingeving uit. Ik zeg het maar ronduit: Greta Thunberg is wat mij betreft de Jezus van het derde millennium. Incorrumpabel, rechtlijnig, met een magnetische persoonlijkheid en een overschot aan gelijk. Zij gaat voor vele generaties, misschien wel voor eeuwen, ons denken bepalen en onze verering oogsten. Thunberg hoeft ook niet te beweren dat ze de dochter van God is, ze heeft genoeg aan de wetenschap als argument.
  En wat zei Greta Thunberg eerder dit jaar over de activisten die kunstwerken beschadigen? ‘Mensen zoeken nieuwe methodes omdat we beseffen dat tot nu toe nog niets werkte. Dat er nieuwe soorten acties zijn, is niet verrassend.’ De dochter van een gevierd operazangeres, die trouwens stopte met haar carrière om niet meer te hoeven vliegen, geeft al even weinig om kunst als de modale arbeider.
  Je hoeft het met niemand eens te zijn, ook al kijk je nog zo naar hem op. Het feit dat ik Thunberg bewonder, betekent niet dat ik haar blind in deze uitspraak volg. Maar zoals ik al zei: in dit hoofd wordt de ideologie van de eenentwintigste eeuw gemaakt. Thunberg is de stem van wat nieuwe generaties wel en niet belangrijk vinden. En ze is duidelijk: kunst is ondergeschikt aan grotere doelen. Cultuur heeft in het wereldbeeld dat nu opkomt niet hetzelfde belang als natuur. Ik ben bang dat we tot een zeer marginaal bestaan verdoemd zijn.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.