Honderd keer pop in je moerstaal (62)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 62.

Laat ik met de deur in huis vallen: dit stukje gaat over “Heyah mama” van K3. Lezers met een hekel aan K3: niet meteen afhaken. Er komt nog best een interessant stukje. Wel is het zo dat twee jaar geleden ook al over K3 heb geschreven; deze post zal daarom voor een groot deel in herhaling vallen.

K3 kennen we natuurlijk als de kleuterpopgroep uit de stal van Gert Verhulst (Studio 100). Zo is de groep echter niet begonnen. Voor de oorsprong van K3 moeten we naar een van de grootste muziekrages van de jaren negentig.
  De jaren negentig leken het decennium van house en techno te worden, op zijn minst wat tienermuziek betrof. Alles wat jong was, danste op de beats die uit de clubs ontsnapt waren en nu de hitparade gevonden hadden. Alleen sommige meisjes deden wat anders: die luisterden naar boy bands.
  In 1996 kwam er ineens een hype op die alle dansrages van de jaren ervoor compleet deed vergeten: de Spice Girls. Een meidengroep uit Engeland met een stoer imago, die de ene na de andere hit haalde en niet uit de media weg te branden wasn. Hun boodschap was feministisch: girl power. Nou ja, boodschap… de dames zeiden weinig wat hun niet eerst door het management was ingefluisterd. Uiteindelijk waren de Spice Girls net zo gefabriekt als hun voorgangsters uit de jaren zestig. Maar zij werden wel als stoere meiden gepresenteerd, niet als jongejuffers die droomden van een man met vooruitzichten, en ze kregen alle vijf een eigen persoonlijkheid aangemeten.
  Nieuwe rage, dat betekent navolgers. In Duitsland kreeg je bijvoorbeeld de Funky Diamonds (daar wel een succes, bij ons niet echt). In Nederland hadden we Wow! (“Keer op keer / kom ik een jongen tegen” – daarna niets meer van gehoord). En in Vlaanderen bedacht ene Niels William K3. Zowel Wow! als K3 zongen in het Nederlands, wat maar weer illustreert hoezeer die taal in de mode was.

K3 ging kort na zijn oprichting meteen op voor de Belgische inzending van het Songfestival 1999. Dat ging als volgt:

Aan alles is te zien dat K3 geen kindergroepje moest worden. Het begint al met een melig filmpje, welk kind van acht schat dat op waarde? Het doet mij eerder denken aan de amateuristische maaksels uit mijn oude studententijd. Ook heeft K3 nog een soort van stoer imago, nog ver weg van de roze jurkjes die wij zo goed kennen. Eén ding herkennen we wel: “We hebben altijd de slappe lach”.
  Dan volgt het liedje. Bart Peeters kondigt het aan als een “door de Afrikaanse zon bezwangerd liedje, met een Vlaamse tekst maar wel een internationaal refrein”. Dat laatste is een diplomatiek synoniem voor een nonsenstekst. Inderdaad heeft het liedje een tropische inslag, niet zozeer Afrikaans als wel Jamaicaans (reggae). Er zijn twee vermoedelijk Congolese achtergrondzangeressen. Bij de latere concerten zouden die ontbreken; het ‘Afrikaanse’ karakter van het liedje was toen dus niet meer van belang.
  De drie jongedames zijn uitgezongen; de jury krijgt het woord. Marcel Vanthilt (die we in aflevering 36 nog tegenkwamen als voorman van Arbeid Adelt!) is er niet zo van gesticht: “babymuziek”. Natuurlijk is dat deel van het spel: presentator Bart Peeters speelt de neutrale allemansvriend, juryvoorzitter Marcel Vanthilt de geborneerde lomperik. Dat spel gaat wel ver: hij noemt de drie meisjes “fijne vleeswaren”. Met zo’n seksistische opmerking mag je toch blij zijn als je geen rechtszaak aan de broek krijgt…

Maar één ding heeft hij blijkbaar goed gehoord: het is muziek voor kinderen. Vanthilt doet de cynische suggestie dat de dames maar naar Gert Verhulst moeten, om zich bij Studio 100 aan te sluiten. Dat is nadien ook echt gebeurd (zij het niet op dezelfde avond).
  Had ik op zijn plek gezeten, dan had ik het nummer misschien ook wel te licht bevonden, maar ik had er beslist geen kinderliedje in gehoord. De tekst is overduidelijk op pubers gericht. Dit is toch geen kinderkost:

     Hittegolf in mijn hart.
     Laat mij vanavond naar je kamer komen.
     Duizend hete dromen.
     (…)
     Doe het heel zachtjes,
     geen kreetjes en geen lachjes.

En toch werd “Heyah mama” populair bij kleuters en schoolkinderen, niet bij pubers. We moeten het kinderlijke karakter ergens anders zoeken. Als we OOR’s Popencyclopedie aan het woord laten, krijgen we het volgende recept: “bijzonder vlotte deuntjes, teksten die zelfs kleuters vanaf de eerste keer kunnen meebrullen (die dit vervolgens ook maar wat graag doen), en het ondeugend meisjesachtige, lacherige imago van de drie dames.”
  Kijk, daar kunnen we wat mee. “Bijzonder vlotte deuntjes”. Het liedje ligt inderdaad gemakkelijk in het gehoor. Er zit een reggaebeat onder, maar die is al zo verbasterd dat het ons nauwelijks nog opvalt. Hier in het filmpje moet die nog met donkere achtergrondzangeressen worden geïllustreerd. De beat is eigenlijk net genoeg om de melodie boven het gemiddelde uit te tillen; zonder beat zou het refrein niet zo sterk blijven hangen.
  “Teksten die zelfs kleuters vanaf de eerste keer kunnen meebrullen”. Dat geldt met drie uitroeptekens voor het refrein. Dit is vooral in elkaar gezet om een internationaal publiek op het Songfestival te bekoren (de meerderheid van de jury’s en televoters verstaat geen Nederlands, die mensen hebben meer aan een onzinrefrein; lees ook aflevering 13 terug), maar ook kinderen pakken het natuurlijk gemakkelijk op. Songfestivalpubliek, kleine kinderen – hun smaak verschilt niet zo gek veel….
  “Het lacherige imago van de drie dames”. Kijk, dat zit er al vanaf het begin in. En als je het mij vraagt, is daar niets van gespeeld. K3 was nooit zo’n langdurig succes geworden als de chemie tussen de drie zangeressen niet zo sterk was. Het staat hierboven al: zelfs voor hun imagoverandering hadden ze altijd al de slappe lach. En voor een popgroep die het goed moet doen op het Songfestival is dat heel wat anders dan voor een kindergroepje. Meisjes van acht doen graag gek, mannen van veertig iets minder.

De grootste verdienste van K3 is niet dat ze zoveel hits scoorden. Wel dat ze jarenlang bij elkaar bleven. Goed, Kathleen ging eruit en werd vervangen door Josje, maar de andere twee hielden het achttien jaar uit. De onderlinge chemie die ze aan het giechelen bracht, was ook de lijm tussen de groepsleden. En zelfs toen de dames stopten was de formule nog vruchtbaar genoeg om drie nieuwe meisjes onder dezelfde naam bij elkaar te brengen.
  K3 was een waar fenomeen geworden, een stuk muziekgeschiedenis. Niet vanwege de liedjes, maar vanwege de jarenlange impact. Het is zoiets als Kinderen voor Kinderen (aflevering 47): een waar begrip voor generaties kinderen en nog altijd niet aan de vuilnisbelt toe. Kinderen van nu raken er nog net zo van in verrukking als mijn zusje jaren geleden. Ook nog van “Heyah mama”, een van hun eerste liedjes.
  Alleen: de meisjes zullen het wel altijd meer waarderen dan de jongens. Vorig jaar hoorde ik een paar jongens nog precies dezelfde tekst op het refrein zingen die mijn broertje zong:

     Eeejo, lik de ballen van Theo!

Honderd keer pop in je moerstaal (47)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 47.

Ik kondigde het onlangs al aan: we zitten nu in tijden die ik bewust heb meegemaakt, dus de nostalgie dreigt het soms te winnen van het muziekhistorisch belang. Als dat gevaar ergens op de loer ligt, is het vandaag wel. Vandaag bespreken we namelijk een nummer van Kinderen voor Kinderen, het kinderkoor van de VARA dat sinds 1980 elk jaar een plaat maakt met (voornamelijk) popliedjes over alle onderwerpen waar kinderen mee te maken krijgen.

Ooit, toen ik bij een studentenvereniging zat, ontdekte ik tot mijn ontzetting dat er mensen van (ongeveer) mijn leeftijd waren die geen zwak voor Kinderen voor Kinderen hadden, die het allemaal maar bagger vonden en die als het erop aankwam ook niet ontdooiden wanneer het werd opgezet.
  Persoonlijk knal ik zowat uit elkaar van nostalgie bij het horen van de liedjes. Ik heb ze als kind uitentreuren geluisterd, de cd’s gebietst, eindeloos op bandjes gekopieerd, tv-programma’s met het Kinderen-voor-Kinderenkoor gekeken en de liedjes zelf gezongen – als het kon met vriendjes, maar net zo goed in mijn eentje, wie er ook in de buurt was.
  Toen mijn bachelorscriptie – waarin ook Kinderen voor Kinderen zijn plaatsje heeft – klaarkwam, kreeg ik als cadeau van mijn moeder een dubbele verzamelbox met alle afleveringen van 1 tot en met 27. De eerste elf heb ik in één ruk achter elkaar geluisterd en ik voelde me er extreem gelukkig onder. Vanaf aflevering 15 ging het minder vlotjes: de rol van de nostalgie raakte uitgespeeld. Maar de liedjes bleven overeind staan. De VARA trekt voor zijn kinderkoor al jaren de beste liedjesschrijvers en componisten van Nederland aan, uit de meest uiteenlopende genres. Daardoor is elke cd weer gevuld met goede tot uitstekende composities in verschillende stijlen.
  En niet te vergeten: met verschillende onderwerpen. Pubermuziek gaat alleen over liefde en seks (of drank en drugs), popmuziek voor schoolkinderen gaat goddank over veel meer: school, vrienden, lastige ouders, lieve grootouders, geld, eten, dieren, muziek, ouder worden en nog veel meer wat een kind van tussen de 7 en 12 kan bezighouden.

Als ik dan mijn voor Kinderen voor Kinderen ongevoelige vrienden/kennissen wees op de uitstekende composities, was hun reactie vaak: “ja, de composities zijn wel goed.” Met andere woorden: ze konden gewoon niet tegen de kinderen. Tja, ik kan erin meegaan zolang het over het accent van de kinderen gaat. Die eeuwige Gooise r, die tegenwoordig iedereen heeft overgenomen. Maar een hekel aan kinderen? Nee, dat wil er bij mij niet in. Kinderen reageren altijd oprecht, voeren geen oorlogen, vragen geen bonussen, spelen geen ingewikkelde spelletjes in de liefde en sluiten nog gemakkelijk vriendschap. En als ze ruzie maken, is er nog alle kans dat het later weer goedkomt. Kom daar bij volwassenen eens om. Nee, laat mij maar lekker naar Kinderen voor Kinderen luisteren.

Maar goed, uiteindelijk gaat het er niet om hoe ik me bij een bepaalde muziekgroep voel. Een act moet wel muziekhistorisch belang hebben. Nou, dat zit bij Kinderen voor Kinderen wel goed. Verschillende van hun nummers werden hits of extreem bekend (ik hoorde dit jaar nog schoolkinderen “Op een onbewoond eiland” zingen, van nummer 2, uit 1981!), en hun albums eindigen altijd hoog in de Album Top Zoveel. Kinderen voor Kinderen bleef succesvol toen halverwege de jaren tachtig de Nederlandstalige markt instortte, en ook jaren later, toen iedereen de formule al had afgeschreven. De laatste jaren komen hun albums zelfs steevast op één. Dat zegt niet alles (we kopen nu eenmaal veel minder platen dan vroeger), maar wel iets.
  En los van de macht van het getal: bijna de voltallige elite van de Nederpop heeft er op een bepaald moment aan meegeschreven. Het Goede Doel, de Jazzpolitie, Henny Vrienten, Bennie Jolink, Robert Long, maar ook Hans van Hemert, de grote man achter Luv’, die het zonder “Meidengroep” nooit in het Nederlands zou hebben geprobeerd. Met een succesformule die al bijna 40 jaar overeind staat en zoveel zwaargewichten weet te trekken, mag je toch wel van een relevante popact spreken.

Misschien zie je het probleem al aankomen: welk liedje kies ik als ik een groep met zo’n omvangrijk oeuvre (eind vorig jaar kwam nummer 37 uit) zo goed ken? Moest ik hun grootste hit nemen? Of juist een lans breken voor een liedje dat mij persoonlijk aanspreekt? Het dromerige “De wereld van de ster”? Het absurdistische “Ik wil een krokodil als huisdier”? “Allemaal kabaal”, met zijn rocksound? Of juist “Ik ben toch zeker Sinterklaas niet”, met een nijdig rappende Edwin Rutten?
  Uiteindelijk heb ik niet voor hun grootste, maar toch voor een redelijk grote hit gekozen: “Wakker met een wijsje”, afkomstig van Kinderen voor Kinderen 12.

Het nummer, met Jannes Drop als solist (dit zeg ik op gezag van de VARA zelf), is geschreven door Jochem Fluitsma en Eric van Tijn. Deze twee producers kennen we natuurlijk van “Vijftien miljoen mensen”, maar veel belangrijker is hun werk achter de schermen. Ze waren de grote mannen achter meidengroepen de Dolly Dots, Mai Tai en Linda, Roos en Jessica en deden productiewerk voor talloze grote artiesten, voornamelijk Nederlandse, maar volgens Wikipedia ook Status Quo.
  Met “Wakker met een wijsje” hebben deze hitmachines een absoluut meesterwerk afgeleverd. Echt elk detail aan dit liedje klopt. Niet voor niets werd het de grote knaller van deze verder niet zo bijzondere nummer 12. We zongen het nog ruim na het verschijnen van de opvolger. Oké, we zongen vooral parodieën (“Ik word altijd wakker met een meisje in mijn bed / Lig de hele dag te neuken en te vrijen”), maar hoeveel popliedjes blijven er zo lang hangen in een kinderhoofd, waarin de ene mode de andere opvolgt?

Laten we gewoon moment voor moment analyseren wat er in het liedje gebeurt. Dat doen we aan de hand van het filmpje. Eigenlijk is het jammer dat er geluidseffecten in gemonteerd zijn als het lopen met een fiets en het toeteren van de auto’s, want dat leidt af van die geweldige productie.
  Het begint met een simpel, vlot drumpatroon, waarover eerst een wekker gaat. Meteen daarna kraait de haan. De luisteraar weet al: dit liedje gaat over opstaan. En bovendien over vlot en vrolijk opstaan: het tempo zit er vanaf de eerste seconde in. Die haan trouwens, die komt in de clip niet in beeld. En jij en ik weten: hanen kraaien veel langer en intenser. Dit is een gereduceerde hanenkraai, een geluidseffect. Maar wel een effect dat meteen de bedoeling duidelijk maakt. Wij denken niet heel lang na over die haan, maar we snappen wel dat het liedje over de ochtend gaat.
  Dan (0:11) volgt er een nog redelijk simpel voorspel. Een paar noten over wat later het akkoordschema voor het refrein zal blijken. Het lijkt niet veel bijzonders, maar ik krijg het al 25 jaar lang niet uit mijn hoofd. Nog helemaal los van de rest van het liedje.

Vervolgens (0:27) valt de solist in. Zijn couplet bestaat uit vier regels die twee keer dezelfde melodie over niet precies hetzelfde akkoordschema. Fluitsma en Van Tijn gebruiken – ook dat valt op – meteen voornamelijk de mineurtrappen ii, iii en vi, die popmuzikanten vaak compleet links laten liggen.
  Op 0:41 begint het bruggetje, het grensgebied tussen het couplet en het refrein. Hier valt het koor in: een tegenstem tegen de solist. Contrapuntisch nog wel: het koor gaat soms naar beneden als de melodie naar boven gaat. Natuurlijk, een liedje wordt in de studio in stukjes en beetjes opgenomen, maar dit kinderkoor is goed genoeg geoefend om het ook live te kunnen. Terwijl dat nog niet zo gemakkelijk is. Probeer het zelf maar eens: de tegenmelodie meezingen terwijl je in je hoofd de gewone melodie hoort.
  Hier valt nog een producerstruc te ontdekken. De solist is alleen, het koor is met zijn twintigen. Normaal zou het koor er dan ver bovenuit klinken. Een producer heeft daarvoor zijn mengpaneel: even schuiven en het koor klinkt zachter dan de solist. Maar niet iedereen doet dat met evenveel gevoel als Fluitsma en Van Tijn: juist hier klinkt het precies goed.

Dan wordt het tijd voor het refrein (0:49). Dat is het belangrijkste deel van een popliedje: het moet knallen en het liefst tot meezingen uitnodigen. Een componist zorgt voor twee dingen: eenvoudige muziek en hooks waardoor de melodie er toch uitspringt.
  De vereenvoudiging zit in de akkoorden: nu klinken eindelijk de trappen I, IV en V. Die drie akkoorden waar popmuzikanten vaak genoeg aan hebben. De luisteraar is weer thuis, de muziek doet wat hij wil.

     Ik word (I) altijd (IV) wakker met een (I) wijsje in mijn (V) hoofd.
     Loop de (vi) hele dag te zingen en te (IV) flui- (V) ten.

De melodie doet ook iets nieuws: ze gaat de hoogte in. Het woord “fluiten” zet in op een hoge d, terwijl de melodie in het hele nummer nog niet boven de c kwam. Die d is meteen een halve noot lang, om er maar voor te zorgen dat wij hem goed horen. Bovendien wordt hij bereikt door een kwartsprong omhoog, terwijl de rest van de melodie vooral uit secunden bestaat. Je verwacht hem dus niet. Het is een geijkte truc: tik het hoogtepunt niet te vaak en niet te snel aan, en zorg dat het goed in de verf wordt gezet.
  Onderwijl is de solist in het koor opgegaan: ze zingen nu samen. Maar nog steeds tweestemmig. En weer op zo’n manier dat het niet meteen opvalt: de bovenstem is in de mix weer sterker gemaakt.
  Op 1:05 valt de solist weer in. Het koor blijft zingen, maar raakt zijn tekst kwijt: het blijft bij “oeoeoe…” Een achtergrondkoortje dus, de zangstem als instrument. De trukendoos gaat onmiddellijk nóg verder open: op 1:11 breekt de solist zijn zang af en stoppen de drums. We horen één klap op de gitaar en de muziek gaat verder. Ook dat noemen we een hook.

Dan volgt het tweede couplet. De muziek is gelijk aan het eerste, dus daar hoeven we het niet over te hebben. Maar de tekst. Het tweede couplet begint met twee regels waar ik als kind erg om moest lachen:

     Fiets ik langs een file, dan valt het me vaak op:
     hoe deftiger de wagen, hoe knorriger de kop.

Daar komt de oude linkse VARA weer even om de hoek kijken. In de beginjaren kwam er regelmatig een radicaal liedje voorbij. Kinderen werden aangespoord vegetariër te worden (“Sluit je aan”) of tegen het kapitalisme opgezet (“Geld is overbodig”). In lijn met de tijdgeest zwakte dat linkse karakter eind jaren tachtig af, maar het idealisme is nooit helemaal verdwenen. Hier wordt maar eens ingewreven: geld maakt niet gelukkig. (Een stelling die Gooise kinderen natuurlijk dagelijks kunnen toetsen – deftige wagens met chagrijnige bestuurders genoeg.)

Na de tweede keer het refrein wordt het tijd voor de bridge. Dat is in elk geval een stalen popregel: na twee coupletten moet er een soort alternatief couplet komen: korter en het liefst met heel andere muziek. Fluitsma en Van Tijn gaan daar niet tegenin.
  En voor andere muziek zorgen ze. De bridge begint (op 2:14) meteen met een akkoord dat we nog niet gehad hebben: VII♭ (spreek uit: verlaagd zeven). Een akkoord dat eigenlijk niet in de toonsoort thuishoort, maar zeker in de pop best vaak gebruikt wordt. In dit liedje was het tot nu toe nog niet gebruikt; het is dus meteen duidelijk dat de bridge begonnen is. De bridge bevat misschien wel de beste regels van het lied:

     Ik stap altijd met mijn beste been uit bed
     en voor de spiegel doe ik samen een duet.

Het koor beperkt zich weer tot achtergrondwerk, tweestemmig nog wel en extra vet aangezet deze keer:

     Oeoeoeoeoeoeoeoeh…. lalalaaala

Zo’n truc is gevaarlijk: voor je het weet ligt het er te dik bovenop en gaat het storen. Opnieuw voelen de twee producers feilloos aan waar de grens ligt: je gaat je helemaal niet ergeren, je krijgt er een enorme kick van.
  Zo’n bridge schept nog meer verwachtingen. Zouden Fluitsma en Van Tijn gaan moduleren? Dat is een veelgebruikte truc om een popliedje spannend te houden: aan het einde een halve of een hele toon hoger zingen. Maar deze twee meesters hebben die truc helemaal niet nodig: het hele liedje staat in F-groot zonder zijn spanning te verliezen.

Dan volgt nog twee keer het refrein. Het einde van het liedje komt in zicht. Ook daarvoor is een goedkope truc: de fade-out. Veel popliedjes, zeker liedjes uit deze tijd, herhalen hun refrein eindeloos om ten slotte bij het masteren de volumeknop omlaag te draaien. Een eind aan een liedje maken – sommige artiesten schijnen het niet te kunnen of niet te durven.
  Fluitsma en Van Tijn waren hier vast met een fade-out weggekomen. Dan had je als luisteraar het liedje verlaten met een knallend refrein dat je niet gauw zou vergeten. Maar ook aan het slot tonen de twee producers geen gemakzucht. Er komt nog een heuse slotcadens (3:35). Het drumstel zwijgt, de rest van de band gooit het tempo omlaag en gitaar en toetsen omspelen nadrukkelijk de laatste akkoorden die het liedje uitluiden. Met wéér een nieuw, zelfstandig melodietje, dat zo als reclamejingle zou kunnen dienen.

Man, wat hadden Fluitsma en Van Tijn een inspiratie bij het produceren van dit nummer en wat hebben ze van a tot z hun best gedaan. Kinderen voor Kinderen, een project van de publieke omroep, was vast niet hun best betaalde klus, maar ze hebben zich met hart en ziel ingezet. Het resultaat is een liedje dat niet alleen gáát over liedjes die in je hoofd zitten, maar ook onnavolgbaar in je hoofd blijft hangen – tot je tachtigste.

K3 laat zich aflossen – wat ik daarvan vind

Geef het maar toe. Al roep je nog zo hard dat je bezig bent met dat fantastische nieuwe album van Courtney Barnett, de teasers voor de aankomende Mumford & Sons dan wel Muse analyseert, of op Spotify zoekt naar obscure Faeröerse avant-gardebands, sinds gisteren ben je voornamelijk met één ding bezig: K3 stopt ermee, en hoewel dat na een jaar of 17 best een keertje mag, komt dat hard aan. Niet hard in de zin van “ik moet huilen”, het is meer dat er een tijdperk eindigt. Dat hoort natuurlijk niet, bij een kindergroepje dat zulke onbeduidende bubblegumliedjes maakt. Hoe heeft het zover kunnen komen?

K3 bediende een publiek dat voor een groot deel samenviel met de doelgroep van Tik Tak en de Teletubbies, al kwamen er ook beduidend oudere kinderen op af (om maar te zwijgen van de volwassen mannen). Wat het meidengroepje anders maakt dan andere massacultuur voor kinderen, is dat ze niet als zodanig bedoeld zijn. K3 werd in 1998 door Niels William (Samson en Gert kwamen pas later om de hoek kijken) bij elkaar gebracht als Vlaamse kloon van de Spice Girls. Die groep was de twee jaar daarvoor een uit de hand gelopen succes onder tieners en kon zelfs – eventjes – een beetje goedkeuring bij de critici losmaken. De keuze voor de Nederlandse taal lag voor de hand: zowel in Nederland als in Vlaanderen was, in het kielzog van Clouseau, een bloeiende Nederlandstalige scene ontstaan. Ook tienerpop in de moerstaal (Isabelle A) deed het bij onze zuiderburen goed. In Nederland werd het voorbeeld van de Spice Girls trouwens ook nagevolgd: herinner je je Wow! nog (“Keer op keer/ Kom ik een jongen tegen…”)?

Dat mislukte. De single “Wat ik wil” deed niet veel. Het liedje “Heyah Mama” werd commercieel wel succesvol, maar flopte toch: het had de Belgische inzending voor het songfestival moeten worden, maar Marcel Vanthilt (van Arbeid Adelt!, maar toen al vooral van de tv) boorde het groepje de grond in. Niet alleen de muziek moest eraan geloven, de meisjes kregen ook de seksistische aanduiding ‘fijne vleeswaren’ mee. Om een lang verhaal kort te maken: debuutalbum Parels sloeg enorm aan, maar alleen bij kinderen en niet bij tieners.

Dat alles maakte K3 tot een atypisch kinderbandje. Echte kleutermuziek is buitengewoon simpel een kort, de Vlaamse meisjes zongen gewone popliedjes van drie minuten met coupletten, refrein en bridge. De teksten waren ook niet helemaal kindvriendelijk: “Hittegolf in mijn hart/ laat mij vanavond naar je kamer komen/ duizend hete dromen.” (Het doet bijna denken aan Doe Maar, een serieuze band maar een met een erg jeugdig publiek, dat tegen wil en dank vijfjarigen “Je loopt je lul achterna” deed zingen.) Weliswaar bubblegompop, maar toch: pop. Dat maakt het voor (jong)volwassen luisteraars een stuk beter aan te horen dan de muziekjes die men overdag op Zapp draait. De erotische teksten verdwenen, maar verder werd de formule weinig meer veranderd.

Hoe verliep mijn eerste kennismaking met K3? Bij ons thuis hadden we één iemand die ten tijde van de doorbraak in Nederland (2000/2001) tot de doelgroep behoorde. Mijn zusje was een jaar of acht toen Parels 2000 (de uitgebreide versie van het debuut) in huis kwam. Mijn broertje en ik hadden het niet echt begrepen op deze kleinemeisjeszooi. Om de muziek niet meer te horen, verstopten we zelfs de cd binnen in de computerkast. Dat bleek een gouden vondst: tegen de tijd dat we het geval weer teruggaven, was de zusterlijke interesse in de meidengroep overgewaaid.

Toen kwam mijn studie. Ineens was ik het huis uit en de behoefte om me tegen mijn zusje af te zetten verdween als sneeuw voor de zon. Mijn medestudenten, die waarschijnlijk helemaal geen broertjes en zusjes onder de 12 hadden, bleken er zelfs fan van. Ironisch natuurlijk, maar toch… “Op vakantie hebben we drie dagen lang alleen K3 gedraaid, ik heb me nog nooit zo gelukkig gevoeld!” Anderen schroomden niet om de liedjes in de pauze tijdens college zelf te laten horen. Studenten muziekwetenschap! Vond ik het gek? Natuurlijk. Maar een paar maanden later was ik zelf bekeerd!

Hoe dat kan? Misschien komt het juist doordat we tot onze knieën in de muziekstudie zaten. De meesten van ons luisterden voornamelijk klassieke muziek. Popmuziek, ook intelligente popmuziek, is over het algemeen nu eenmaal simpeler, minder ambitieus en minder ingenieus dan de klassieke meesters. Als je uit de klassieke hoek komt en je houdt toch van popmuziek, dan heb je je snobisme al voor een groot deel opzij gezet. Van Björk en Sufjan Stevens naar K3 is het dan niet zo’n grote stap meer. Iedereen begrijpt heus wel dat het jouw hele muzieksmaak niet is, dus waarom niet?

Ik ken verhalen van studenten die naar hun concerten gingen, al dan niet geschminkt als goths om vooraan tussen de gechoqueerde kinderen te headbangen. Zo bont het ik het nooit gemaakt. Wel heb ik één cd (uiteraard afgeprijsd) en één poster (superafgesprijsd) van ze gekocht.

Het eigenaardigste aan dit hele verhaal moet nog komen. Onze docent twintigste-eeuwse muziek, dr. Paul van Emmerik, kwam in een college ook met K3 aanzetten. Deze stoffige en onhippe man, de laatste die je met camp in verband zou brengen, bouwde zijn colleges normaal op rondom de moeilijkste avant-gardemuziek en lastige filosofische vraagstukken. Voor één vraagstuk had hij echter wat anders nodig: zouden aliens, zonder kennis van zaken, een wezenlijk verschil horen tussen Wolfgang Rihm en “Blub ik ben een vis”?

Wat ik er dan van vind? De liedjes zijn goed gecomponeerd, maar vaak openlijk gejat (althans: openlijke rip-offs). Als Spice Girlskloon schoten ze tekort, maar voor de doelgroep waarbij ze uiteindelijk terechtkwamen waren ze prima. (Goed in hun soort, al zegt dat nooit alles: de Kalasjnikov is ook goed in zijn soort.) Maar belangrijker: het is wel degelijk een groep met karakter. Hoe commercieel en gemaakt ook: er was ten langen leste een typische K3-sound, de meisjes vonden het overduidelijk zelf leuk, hadden een geweldige klik (ook later met Josje) een bleven ook na hun dertigste giechelkonten. En dom waren ze niet, zoals wel meerdere keren uit publieke optredens in quizzen er dergelijke is gebleken. Maar het allerbelangrijkste: ook kleine kinderen van nu luisteren nog dolgraag K3. Terwijl de fans van het eerste uur inmiddels achter in de twintig moeten zijn, staan de zesjarigen nog steeds vooraan bij hun concerten. K3 is toch echt wel een relevant deel van onze cultuur geworden, zeker als je bedenkt dat de modale bubblegumact maar achttien maanden lang succesvol blijft.

Tot slot: de dames houden ermee op, maar de band niet: ze zoeken drie opvolgsters. Dat is nou het enige jammere. Het had Gert gesierd als hij de formule niet eeuwig wilde uitmelken. De onderneming zal nu wel een zachte dood sterven.

PS: Ik heb tijdens het typen van dit stukje naar de Heideroosjes geluisterd.