N3rdistan in TivoliVredenburg

“Deze Marokkaanse band slaat met een mix van elektronica en Arabische poëzie een brug tussen de Arabische wereld en het Westen.” Eerlijk gezegd werd ik van deze aankondiging nog niet erg warm. Ze klinkt naar politieke correctheid van het gemaakte soort: kijk ons eens alle invloeden vreedzaam naast elkaar zetten en zo de harmonie tussen de volkeren bewaren! Gelukkig viel het mee.

Concreet: N3rdistan is een Marokkaanse (geen Nederlands-Marokkaanse maar een Marokkaans-Marokkaanse) band die bestaat uit zang, drumstel, samples, fluit en een instrument dat ik niet helemaal kon thuisbrengen maar dat sterk lijkt op de Indiase sitar. De teksten komen van diverse preklassieke, klassieke en moderne Arabische dichters; om die reden vond men het nodig om van tevoren arabiste Djûke Poppinga even voor een spoedcursus Arabische poëzie te laten zorgen.

Het programma werd voorafgegaan door een stuk klassieke Arabische muziek, verzorgd door twee Syrische vluchtelingen en een Palestijn op zang, trommel en luit. Voor de Marokkaanse jongens in de zaal was dit blijkbaar even doorbijten – zij stonden te wachten op de ritmes van de hoofdact – voor de rest van de zaal een zeer intelligente, rustige opwarmer.

N3rdistan werd van tevoren op verschillende plaatsen “hiphop” genoemd. Ik denk dat je die band daarmee tekort doet. Hij put in feite uit heel veel verschillende popstijlen (zowel direct uit westerse stijlen als uit Arabische popmuziek) en in de meeste nummers wordt gewoon gezongen. Er zijn invloeden van rap, maar ook van punk, van funk, van pop en zelfs van progrock, als er binnen hetzelfde liedje van maatsoort wordt gewisseld.

Het gebruik van een echt drumstel, geen drummachine, geeft een ontegenzeggelijke levendigheid die veel hiphopacts ontberen. Dat wil niet zeggen dat de elektronica afwezig is: in de hoek stond een meisje (ik heb geen namen onthouden) achter twee laptops de meeste uiteenlopende samples te produceren.

Het minste wat je van deze mengeling kunt zeggen, is dat ze echt werkte: het klonk nergens gemaakt of onverenigbaar. Uiteraard heeft men in de Arabische wereld al jarenlang geëxperimenteerd met allerlei mengelingen tussen de traditionele muziek en de westerse pop; een muziekwereld die grotendeels aan ons voorbijgaat. Niettemin klinkt N3rdistan een stuk frisser en onvoorspelbaarder dan veel Noord-Afrikaanse pop, en lang zo kitscherig niet.

Hoewel ik allerwegen een reputatie van stijfheid hoog te houden heb, bracht deze muziek me bijna onmiddellijk aan het dansen. Voor het merendeel van het publiek duurde dat wat langer. Het Marokkaanse deel van de zaal bewoog mee, en een enkele autochtoon in de zaal ging duidelijk vaker naar hiphop of Mystic Grooves, maar voor de rest bleef men vrij rustig staan.

Dat zal wel te maken hebben met de onbekendheid van deze muziek. Uiteraard is dat ook een groot nadeel als het om de teksten gaat. Er is ons verteld dat die afkomstig zijn van grote Arabische schrijvers, maar als je geen Arabisch verstaat, moet je dat maar geloven. Af en toe kwam de zanger ons melden waar het volgende lied over ging, of wie het geschreven had. Los van het gebruik van een vreemde taal was de tekst soms onduidelijk gearticuleerd, of kwam de stem niet goed uit de mix, waardoor ze ook voor Arabische sprekers niet goed te verstaan moet zijn geweest.

Het eindoordeel over dit concert is zonder meer positief: ik heb fijn (zij het ook niet goed) gedanst, goede muziek gehoord en het gebruik van Arabische poëzie is ook een plus. Het zou voor onze cultuur beter zijn als Nederlandse zangers ook eens een hele zaal met jongeren op Vondel los lieten gaan.

Merlijn Kerkhof – Alles begint bij Bach

Mijn voormalige studiegenoot en medetwitteraar Merlijn Kerkhof, bij de massa voornamelijk bekend als muziekrecensent van het NRC-Handelsblad, heeft een boek uitgebracht. In Alles begint bij Bach wil hij, naar eigen zeggen, de lezer “aan het luisteren krijgen” en hij doet dat vooral door uit te leggen hoe verschillende soorten klassieke muziek werken – waarom ze gecomponeerd zijn, waarom wij ingewijden ze zo goed vinden en hoe men in de klassieke wereld wel en niet denkt. Een boek voor een lekenpubliek dus, dat ik niet nodig meen te hebben. En dat ik, eerlijk is eerlijk, vast niet zou hebben gekocht als het Merlijn niet was, net zo min als ik eerder aandrang voelde om het boek Van Bach tot Bernstein van Arie Boomsma en de onlangs geradicaliseerde opiniemaker Thierry Baudet aan te schaffen.

Mijn gevoel bij Merlijn Kerkhof was altijd: geen domme jongen, maar niet uitzonderlijk in zijn schrijftalent of vakkennis. Het was dat hij een vlottere babbel had, anders had ik net zo goed op die stoel kunnen zitten. Na de eerste paar hoofdstukken van dit boek was ik daar niet meer zo zeker van. Man, wat kan die gozer schrijven! Het leest als een trein, op een manier die studieboeken niet vaak doen. Een kwestie wordt bij de staart gevat, schematisch weergegeven met de efficiëntie van een metrokaart, uitgelegd in taal zo helder als pompwater en verluchtigd met sprekende metaforen en onorthodoxe formuleringen, die met een voorbeeldig gevoel voor dosering gebruikt zijn. Van “greatest hits” tot “een melkwegstelsel van verschil”, er zijn te veel mooie vondsten om op te noemen. Dat Kerkhof dat kon, wisten we natuurlijk al van zijn stukjes in nrc next, maar een coherent boek breien is nog even een ander verhaal. En ja, er is een redacteur overheen geweest en de jongen heeft zijn stukken vast zeshonderd keer opnieuw geformuleerd, maar niemand verwacht dat je een goed boek binnen een maand aflevert.
  Ik ben geen snelle lezer. Omdat ik gemakkelijk afgeleid raak, doe ik over een boek van 250 pagina’s al gauw een week. Alles begint bij Bach ging met 50 pagina’s per uur. Ik kan me echter voorstellen dat iemand uit de doelgroep dit tempo niet haalt. Iemand voor wie de klassiekemuziekwereld zo goed als nieuw is, zal de dingen die Merlijn hier uitlegt toch even moeten laten bezinken. Het begin, waarin de gang van zaken bij een orkestconcert wordt uitgelegd, is prima te doen, maar verderop, als ter sprake komt waarom Bach en Beethoven zo goed waren, gaat de moeilijkheidsgraad omhoog. Daar ontkom je niet aan, dat is zeker de fout van de schrijver niet. Kerkhof legt het integendeel zeer elegant uit, vaak ook in uitgesproken lekenidioom.
  Het overbekende eerste deel van Beethovens Vijfde wordt niet uitgelegd met “monothematische techniek” of “kiemcelmotief”, maar met “Het lijkt alsof er een stuwende kracht actief is: het is haast onmogelijk om hiervan los te komen.” De technische waarheid en de programmatische thematiek achter deze muziek in één zin, ja in één beeld vervat (p. 69). Consequent is Kerkhof daar niet in: twee bladzijden later krijgt de lezer de beginselen van de sonatevorm voor zijn kiezen (p. 71). Het behoeft geen verder betoog dat de gemiddelde leek, als hij dit boek echt van a tot z leest, het niet in één ruk uit krijgt. Maar de oningewijde zal onderweg toch wel stoppen om te luisteren naar de Spotifylijsten die de auteur zo behulpzaam aan ieder hoofdstuk toevoegde.

Merlijn Kerkhof kan dus schrijven, maar heeft hij er ook verstand van? Jazeker. Zijn deskundigheid loopt van de werking van de muziekgeschiedenis tot aan triviale weetjes over deze of gene toondichter, en blijkt genoeg zaken te omvatten die ik nog niet wist. Ongetwijfeld heeft Kerkhof een en ander opgezocht bij het schrijven van dit boek (dat geeft hij ook toe). Wist hij van tevoren dat Wellingtons Sieg niet over de Slag bij Waterloo gaat maar over de (eerdere) slag bij Vitoria (p. 72), of heeft hij dat opgezocht? Het doet er niet zoveel toe. Een geleerde is geen wandelende encyclopedie, en weten waar iets staat is al een kunst apart. Trouwens, over het algemeen weten we ongeveer evenveel, wat ons beiden gelukkig verschoont van een eventueel indringerssyndroom.
  Wanneer je boek door een vakbroeder gerecenseerd wordt, kun je er vanop aan dat er op details wordt gelet. Klopt dit wel, is dat niet erg misleidend? Dus, Merlijn, het spijt me, maar ik ga musicologische mieren neuken. De vroegste overgeleverde compositie is niet het Seikiloslied (p. 93) maar Hoerritische hymne nummer 6, uit 1400 voor Christus. Hoe vaak het tegendeel ook is beweerd, The Streets of London en Basket Case hebben niet (precies) hetzelfde schema als Pachelbels Canon en zijn er al helemaal niet op gebaseerd (pp. 26-7). Om voor de zeventiende eeuw over “Hanzesteden” te spreken (p. 40) is een anachronisme. De “typische muziek van de barok” is niet monodisch (p. 32). Weliswaar maakten de eerste barokmeesters daar een heel groot punt van, maar er is heel veel barokmuziek in alle genres waarin polyfonie centraal staat. In kerkmuziek was het een must, in dubbelconcerten en triosonates kon het niet anders. Bachs favoriete fugavorm is zelfs een barokke uitvinding. Mozart heeft geen 41 symfonieën geschreven, zoals men kort na zijn dood dacht (p. 67): sommige zijn ondergeschoven, vele andere zijn later opgedoken. De mensen achter de Ars gallica zetten zich weliswaar sterk tegen de Duitsers af (pp. 191-2), maar volgden de Duitse meesters in de praktijk vooral na. De Bagatelle sans tonalité van Liszt is heel radicaal, maar naar ons begrip nog niet geheel atonaal (p. 221). Schönbergs twaalftoonsmuziek is niet per se radicaler (p. 218) dan zijn eerdere muziek in de vrije atonaliteit. Niet alle minimal music “ligt ook heel gemakkelijk in het gehoor” (p. 25): alleen de grootste weirdo’s zullen Steve Reichs Four Organs bij een romantisch dinertje opzetten.
  De meeste moeite heb ik echter met de titel. Alles begint bij Bach – daarmee wil de schrijver natuurlijk de liefde belijden voor de superheld van zowat alle ingewijden in dit vakgebied. Bach staat bovenaan, hij is de grootste. Verder is hij ook een van de eerste componisten die postuum op een voetstuk werden gezet (eerst door Forkel, later door Mendelssohn); wiens muziek door het nageslacht “klassiek” werd gemaakt. Dat is waar en legt Kerkhof het ook uit. Toch zou ik deze titel vermeden hebben. Hij suggereert namelijk dat alle latere klassieke muziek uit Bach voortkomt, dat Bach de klassieke muziek heeft uitgevonden. Het tegendeel is waar: Bach was een eindpunt van de barok, hanteerde een vrij conservatieve stijl, vond geen nieuwe genres uit en kreeg nauwelijks directe navolging.
  Let wel: het bovenstaande biedt een bijna uitputtend overzicht aan dubieuze beweringen, op een feitendicht boek van 250 pagina’s (exclusief bijlagen) is dat een goede score.

De auteur weet heel veel van het standaardrepertoire, waar hij iedere week beroepshalve op af wordt gestuurd. Komt het op Oude en Nieuwe Muziek aan, dan lijkt hij minder parate kennis te hebben. Dat uit zich niet in feitelijke onjuistheden, wel in een wat nauwere, duidelijk op boeken gebaseerde blik in de hoofdstukken die erover gaan. Zijn playlist met Oude Muziek komt in de buurt van een “greatest hits”, iets wat hij in andere hoofdstukken juist zo knap vermijdt. Kerkhof kent de muziek van Schönberg, maar een zin als “Een van de beste stukken van Schönberg moet zijn opera Moses und Aron zijn” (p. 223) doet je afvragen hoe goed hij die kent. Webern wordt terecht afgeschilderd als een zeer strenge componist, maar zijn Fünf Orchesterstücke, stammend uit zijn pre-twaalftoonsperiode, zijn niet het goede voorbeeld. Echte na-oorlogse avant-garde komt er bekaaid vanaf: waarom staat er geen Stockhausen in de speellijst?
  Toch weet Kerkhof nog steeds meer dan genoeg van zowel Oude als Nieuwe Muziek om de leek wegwijs te maken. Zijn kennis van de madrigaaltraditie is zelfs erg uitgebreid (pp. 102 vv.) en met de hedendaagse muziek is hij helemaal mee (zoals blijkt uit de hoofdstukken over opera, Nederlandse muziek en vrouwenmuziek en nog op verschillende andere plaatsen). Deze recensent bezoekt vaak genoeg een première.

Een verdere verdienste van het boek zijn de prangende kwesties die hij aanpakt. Wagner, was dat niet die enge, antisemitische componist waar Hitler mee wegliep? Ja, maar vooral een weergaloos genie. In een apart hoofdstuk (pp. 162 vv.) wordt alles uitgelegd: zijn baanbrekende visie op opera, zijn ultramoderne harmonieën, zijn ideeën en zijn nalatenschap tot in de nazitijd. Iedereen met vooroordelen of nare gevoelens bij Wagner en zijn muziek moet dit stuk lezen: raak, compleet en heel wat kernachtiger dan deze recensie. Ook Sjostakovitsj – was dat niet die componist van Stalin? – heeft een heel hoofdstuk voor zich (pp. 234 vv.).
  Merlijn Kerkhof loopt de canon van de muziekgeschiedenis af, maar vindt zeker ruimte voor zijn particuliere liefdes. Schubert krijgt een eigen hoofdstuk (pp. 120 vv.), net als het orgel (pp. 140). Soms zijn Merlijns liefdes ook de mijne, zoals bij Bruckner (pp. 10, 162-3, 175-6), soms totaal niet. Hij heeft net als ik geen hoge pet op van Einaudi (pp. 21-5), maar Arvo Pärt, die ik bijna even erg vind, wordt met groot respect behandeld (pp. 256-60). Mendelssohn vind ik een van de meest overschatte componisten, maar Kerkhof vindt dat Felix “nog steeds niet de erkenning [krijgt] die hij verdient” (p. 151). Gelukkig zijn boekauteurs er niet om de dingen op te schrijven waar ik het mee eens ben. Wel mis ik in dat hoofdstuk een verwijzing naar Mendelssohns orgelwerk: Kerkhof is orgelfan en juist dat deel van zijn oeuvre behoort tot het interessantste.
  Ook in de minder particuliere hoofdstukken klinkt een eigen stem. Kerkhofs favoriete Bachcompositie blijkt de Hohe Messe – geen obscuur stuk natuurlijk, maar op die eerste plaats vind je vaker de Matthäus-Passion of de Goldbergvariaties. En de luisteraar die het strijkkwartet van Grieg kan waarderen, is klaar voor de kwartetten van Bartók (p. 79). Phoe, dat is nogal een overgang! Ik help het je hopen…

Merlijn Kerkhof had met dit mooie boek één hoofddoel: de lezer aan het luisteren krijgen. Ik zou statistisch onderzoek moeten doen om uit te vinden of dat gelukt is, maar de luisteraar enthousiasmeren kan hij als haast geen ander. In een boek dat is ontstaan uit losse stukjes maar de samenhang van een goed wetenschappelijk artikel kent, doet hij wat wij muziekwetenschappers eigenlijk allemaal moeten doen: de rest van de mensheid duidelijk maken waarom ons vakgebied zin heeft. De wereld is vervuld van muziek, bijna iedereen luistert ernaar, maar in de roes van je eigen bezigheden houdt de gemiddelde luisteraar geen zicht op de context. Gelukkig zijn wij er nog om uit te leggen hoe muziek werkt, waar muziek vandaan komt, wat er in muziek gebeurt en hoe de ene muziek de andere niet is. Sommige mensen zijn in dat uitleggen heel goed. Nieuwelingen: koop dit boek, maak er je vademecum van, lees het stuk, maar luister vooral naar de vele uren muziek die het voor je ontsluit!

Rotterdams Philharmonisch Orkest – Sinfônico Brasil

De afgelopen week was ik meer dan gemiddeld bezig met Brazilië. Waarschijnlijk is mijn interesse gewekt door het WK voetbal twee jaar geleden en nu aangewakkerd door de aankomende Olympische Spelen. De beslissing om nu net dit concert bij te wonen – nog wel in De Doelen, waar ik al dertien jaar niet meer was geweest – was daarom redelijk impulsief.

Het programma van gisteravond was tweeledig, zeg maar gerust hybridisch. Voor de pauze werd er werk van Braziliaanse componisten uitgevoerd, met weliswaar veel invloed uit de folklore maar toch: klassiek. Na de pauze kwam een in Brazilië wereldberoemde samba-artiest, Paulinho da Viola, een uur lang aan bod. Volgens de aankondiging van het concert treedt hij nooit buiten Brazilië op, maar nu wel – niet Lissabon, niet New York, niet Londen maar Rotterdam krijgt de eer om bij uitzondering deze grootheid te ontvangen.

De noviteit miste haar uitwerking in elk geval niet. Het gebruikelijke concertpubliek was sterk in de minderheid vrijdagavond. Ik wist nauwelijks dat Nederland een Braziliaanse gemeenschap had, maar de vele mooie meisjes en het overal hoorbare Portugees maakten toch wel duidelijk dat je hier met een Braziliaans publiek van doen had. Ook niet heel gebruikelijk: bij de deur werd je verwelkomd door een groepje trommelaars en berimbau-spelers, binnen speelde een ensemble samba en bossa nova (compleet met ingehuurde dansers) en aan de bar werden caipirinha’s verkocht. Kortom: de sfeer zat erin.

Het eerste werk was de Sinfônia da Alvorada van Antônio Carlos Jobim, althans de eerste twee delen daaruit. Deze muziek werd geschreven voor de oplevering van Brasília in 1960. Het werk deed populistisch aan: sfeerbeelden met strijkerstremoli en parallelle kwinten die doen denken aan Respighi en Ravel. Daar is niets mis mee – avant-gardistisch werk zou in één programma met populaire muziek misschien een beetje misstaan – maar het was geen memorabele compositie. Ook jammer is dat het stuk niet helemaal werd uitgevoerd. De delen gaan direct in elkaar over en na het tweede deel werd het werk nogal abrupt afgebroken.

Hierna verliet het orkest, dat deze avond trouwens door de Venezolaan Manuel López-Gómez werd gedirigeerd, het podium, op acht cellisten na. Zij kregen de taak om de Noors-Nederlandse zangeres Kari Postma te begeleiden in de Cantilena van Heitor Villa-Lobos. In dit stuk wilde de componist het contrapunt van Bach aan de Braziliaanse folklore paren. De voordracht van Postma was helaas een beetje orthodox, met veel vibrato. Het folkloristische element gaat zo wel erg naar de achtergrond; bovendien raakte de tekst net zo onverstaanbaar als bij opera. Voor het volume is het ook niet nodig: een sopraan kan best zonder vibrato boven een paar celli uit klinken.

Het volgende werk was een gitaarconcert van Yamandu Costa, die in het stuk, zoals de reizende virtuozen van weleer, zelf de solopartij speelde. Ik moest denken aan een stuk dat ik anderhalf jaar geleden op November Music heb gehoord: een gitaarconcert van Stian Westerhus. Niet alleen was in beide stukken de invloed van de populaire muziek overal aanwezig, de solist werd ook hier zelf een soort popster doordat hij behalve spelen ook moest zingen.
  Het stuk had zijn goede en zijn minder goede kanten. In het eerste deel botsten toegankelijke en minder toegankelijke stukken al te abrupt op elkaar, het tweede deel – omdat we vanavond niet met een standaardpubliek te maken hadden, werd er tussen de delen door geklapt – was wat al te zoet. Alleen in het derde deel verliep echt evenwichtig en geïntegreerd. Veel beter waren de twee pauzetoegiften (!) die Costa daarna gaf. Een solostuk dat stilistisch verwant was aan zijn concert (een mengelmoes van klassieke gitaar, flamenco en zo’n beetje alles wat de folklore aan gitaarmuziek te bieden heeft) werd gevolgd door een improvisatie op Carinhoso, een liedje dat het Braziliaanse deel van de zaal moeiteloos meezong.

Doordat de gitarist zijn publiek in het Portugees vroeg om mee te zingen met een liedje dat wij niet kennen, kreeg je af en toe het gevoel op andermans feestje te zijn. Dat gevoel overheerste ook het tweede deel met Paulinho da Viola, voor wie de meeste mensen ongetwijfeld waren gekomen. Ondanks de zeldzaamheid van een optreden buiten Brazilië had de oude sambista een beminnelijke uitstraling: geen “wat boffen jullie toch maar weer dat ik hier optreed” maar een paar vriendelijke woorden voor het orkest en een kort praatje over zijn muziek. Wat Brazilianen zich bij samba voorstellen gaat verder dan ultraritmische muziek om met drie veren aan je toges op te dansen. De scheidslijn tussen samba en bossa nova blijkt niet scherp, en de zanger-schrijver blijkt ook – zoals hij zelf al zegt – met de veel rustiger choro overweg te kunnen.
  Het tweede concertdeel verliep rustig. Paulinho is te oud om gekke dingen op het podium te doen. Hij zit gewoon te zingen (zijn stem klinkt verre van sleets) met zijn gitaar of cavaquinho (een soort ukulele), terwijl het orkest zijn werk doet. De liedjes die hij tijdens het concert bracht, stonden netjes in het programma aangegeven – handig voor leken zoals ik, die de muziek later kunnen nazoeken. Natuurlijk kwamen er toegiften – drie zelfs, want het publiek was merkbaar verrukt om deze man in Rotterdam te horen.

Hoewel niet alle composities even goed waren, en hoewel ik, ondanks mijn recente flirt met de Braziliaanse mei cultuur, nog steeds weinig heb met sambamuziek, heb ik toch waar voor mijn geld gekregen. Een divers programma met veel onbekende muziek, twee concerten voor de prijs van één en een gratis voor- tussen- en naprogramma in de foyer. Helaas liep het tegen elven en moest ik nog terug naar Utrecht – het was nog steeds te gezellig om weg te lopen. Was het bij Mozart en Beethoven ook maar zo’n feest in De Doelen. Toch?

Asko|Schönberg – Swingende kruisbestuivingen

De echte liefhebber ging natuurlijk gewoon naar de première, gisteren in het Muziekgebouw aan ’t IJ. Maar het Asko|Schönbergensemble gaf vanavond hetzelfde concert nog een keer in Utrecht, en omdat me dat reiskosten scheelt viel de keuze op deze uitvoering. Vier werken van evenveel levende componisten, allemaal op hun eigen manier door popmuziek beïnvloed.

Het concert opende met Restless Feeling van David Horne, een verwijzing naar The Velvet Underground. Voor wie het allerergste snobisme terzijde zet, is deze New Yorkse band natuurlijk een verantwoorde keuze: afkomstig uit de tegencultuur rond Andy Warhol en werkend met allerlei vervreemdende, onorthodoxe klanken die de redelijk simpele liedjes scherp, tijdloos en eeuwig fris doen klinken.
  De componist gebruikte niet alleen de sound van deze band maar ook specifieke songs van de banaan-elpee; voor wie wist waar hij op moest letten was dat ook duidelijk te horen. De altviool kreeg een vrij grote rol; een verwijzing naar de prominent aanwezige elektrische alt van John Cale. Soundbites (geen letterlijke citaten) van Venus in furs en Sunday morning kwamen aan de oppervlakte, en de slagwerker (die erg veel te doen had in dit werk) imiteerde duidelijk een drumstel door de combinatie van pauk (“basedrum”) en aangeslagen tamboerijn (“hihat”). Al met al lukte het redelijk om de balans te bewaren tussen al te duidelijk ontlenen en alleen in theorie inspiratie halen; het werk was bovendien redelijk coherent en afwisselend.

Hierna volgde Joey Roukens’ vioolconcert Roads to everywhere, dat gisteren in wereldpremière ging. Dit werk kunnen we als het hoofdwerk van het concert beschouwen; in elk geval werd voor dit stuk de meeste reclame gemaakt. Dat Roukens heel behoorlijk violistisch kan componeren, weten we al sinds hij in 2001 de aandacht trok met een vioolcapriccio; dat hij graag toegankelijk schrijft en zijn inspiratie uit de popmuziek haalt, zijn we ook van hem gewend. Dat wil niet zeggen dat Roukens niet naar de avant-garde kijkt: Roads opende met een tamtam die door een staafje (een stemvork) werd aangestreken, een speeltruc die zo uit Stockhausens Mikrophonie I afkomstig lijkt.
  Het vioolconcert stelt niet teleur. Bij de opening van het eerste deel hou je nog wel je hart vast: de gesyncopeerde ritmes van het ensemble zijn nogal tam. Maar dan komt de vaart erin: het ritme wordt opgestuwd en de violist krijgt Paganini-achtige virtuositeiten voor zijn kiezen. Het ritme komt bij Roukens, in tegenstelling tot Horne, van een echt popslagwerk. Daarnaast gebruikt het werk ook een keyboard, dat helaas meestal niet of niet goed te horen was. Eigenlijk hebben we, verspreid over diverse werken, een hele rockband voorbij zien komen: Reich schreef een basgitaar voor en Bermel vraagt om een elektrische gitaar en een zangeres.
  Het tweede deel was traag van tempo; een echte popballad, met voor die soort muziek typerende Sus-akkoorden (welluidende, Debussy-achtige dissonanten). Roukens verstaat de kunst om zulk idioom op een romantische manier – veel chromatiek, tempowisselingen en lange melodielijnen – te ontwikkelen tot een mengvorm. Deze mengvorm klinkt vooral naar filmmuziek, maar de kunstige manier waarop dat gedaan is maakt het resultaat zeer genietbaar.

De bekendste componist op het programma was Steve Reich; zijn Radio rewrite moest een “remix” worden van twee Radiohead-liedjes: Everything in its right place en Jigsaw falling into place. Het resultaat – vijf delen, afwisselend snel en langzaam, waarin beide liedjes om de beurt worden bewerkt – klinkt vooral erg naar Steve Reich. De verwijzingen naar indie-akkoorden en -melodiek zijn erg vaag en voor de gemiddelde luisteraar vermoedelijk niet te ontdekken.Dat wil niet zeggen dat het werk niet goed was. Eigenlijk schreef een eerdere, in het programma aangehaalde recensie het al: door zichzelf met remixers te vergelijken, doet Reich zich behoorlijk tekort.

Het laatste stuk, Canzonas Americanas van Derek Bermel, was helaas het minste van de avond. In dit vierdelige stuk moest de componist diverse Noord- en Zuid-Amerikaanse tradities met elkaar verbinden, of beter de bestaande dwarsverbanden (ze hebben tenslotte gemeenschappelijke wortels) blootleggen. In het eerste deel mislukte dat al behoorlijk, toen een countryachtig (en niet zeer geïnspireerd) wijsje frontaal botste met het ingebracht latin-materiaal. Het tweede deel, een simpel air varié met als thema een klezmermelodie, was beter geslaagd maar niet zeer ambitieus. Het derde deel was nog het beste: uit een rumba met bluesgitaar – deze mengeling lukte wel – kwam een steeds ingewikkelder chromatische passage voort, die wegstierf om ineens plaats te maken voor een strijkkwartet. Het afsluitende deel was helaas niet veel meer dan een simpel Braziliaans liedje, opgeleukt met de inheemse berimbau en wat vervreemdende orkestklanken.

Over de uitvoering van het Asko|Schönbergensemble hoef ik het eigenlijk niet te hebben. Lastige ritmes en moeilijke passages vormen nauwelijks een hobbel voor deze hardliners van de nieuwe muziek, en met alle vier de componisten nog in leven hoeven we ons ook geen zorgen te maken dat de dirigent rare dingen wil gaan doen. Zeker, soms waren bepaalde instrumenten niet te horen, maar dat lag meer aan de compositie dan aan de uitvoering. De muziek was ook zeer onderhoudend: gemakkelijk in het gehoor, maar interessant genoeg om de twee uur die het concert duurde goed door te komen. Eén bedenking blijft: is dit allemaal geen wegwerpmuziek? Gaat dit zich staande houden? Over een jaar of vijftien nog maar eens goed luisteren.

Daniël Lohues – Aosem

“Denk mar nie veur mij”, zingt Lohues in de afsluiter van zijn nieuwe album. Ik moest denken aan het verwijt dat hij me maakte over mijn scriptie: er stonden allerlei onwaarheden in doordat ik dingen voetstoots had aangenomen c.q. ingevuld. Sindsdien kijk ik wel beter uit om overhaaste conclusies over andermans werk te trekken. Echter: helemaal kom je daar niet onderuit als je een plaat gaat recenseren.

Aosem heet zijn nieuwste album. De titel is natuurlijk Drents voor ‘adem’, maar lijkt net zo goed een knipoog naar het Engelse modewoord ‘awesome’ (een idee dat misschien uit West-Vlaanderen komt?). Vorig jaar heeft de Drentse zanger-schrijver bij uitzondering geen nieuwe plaat gemaakt. Inmiddels heeft hij zijn eigen label (Ericana, naar een eerder album), maar verder sluit dit album goed bij zijn voorgangers aan. De soloartiest Daniël Lohues wordt nog steeds bijgestaan door enkele vertrouwde begeleiders, al speelt hij soms alle instrumenten in deze studioversies zelf.

Tijdens de eerste twee liedjes krijg je de indruk dat hij naar het idioom van zijn oude band Skik terugkeert (Lohues kwam onlangs in de media melden dat een reünie van Skik niet voor de hand ligt – waarom zou je dan niet dezelfde muziek met andere mensen maken?), maar over de gehele plaat overheersen akoestische of bijna akoestische liedjes. In feite lijkt het idioom nog het meeste op de Allennig-platen – country- en bluesgrassachtige nummers wisselen subtiele pianoballads af. Toevoegingen als een strijkkwartet in twee liedjes kunnen dat niet verbloemen. (Geen kwaad woord over deze keuze trouwens, ze pakt uitstekend uit.)

Ook de liedteksten doen denken aan het Allennig-vierluik. Liefhebbers zullen zich nog wel herinneren dat de zanger toen vaak niet goed in zijn vel zat. Op Aosem overheersen ook diepe overpeinzingen: heeft de mens een vrije wil, heeft het leven zin, moet ik mezelf ambitieuze doelen stellen – allemaal vertrouwde kost voor Lohues-volgers. De teksten zijn misschien wel mooier dan ooit: wetenschappelijke inzichten over het einde van de zon (en daarmee ook de aarde en de maan) worden in eenvoudig en elegant Ericaas op maat en rijm gezet. De liefde is present als vanouds: meisje weg (“Slof”), nieuw meisje terug (“En toen kwam jij”). Henny Vrienten en Jack Poels vonden zichzelf al kinderlijk toen ze op 32- respectievelijk 36-jarige leeftijd weer verliefd werden, Daniël Lohues bewijst dat het ook op je 44e nog kan. “Belinda”, dat lijkt een liedje over een verbroken relatie, maar gaat dat niet gewoon over stoppen met roken?

Toch zijn de teksten somberder dan anders. Dat Lohues graag verre reizen maakt, dat weten we. “Eben weg” wil hij, ook hier weer. Maar in “Op de loop” lijkt hij serieus over emigreren te denken: ‘As ’t zo deurgiet gao ik nog ’s echt / Op de loop.’ Zou het de huidige tijd zijn? Zou Lohues zich zoveel zorgen maken dat hij echt uit Drenthe weg wil? Ronduit duister is de afsluiter “Let mar niet op mij”. Onheilspellende synthesizerklanken leiden naar een country-achtig liedje in mineur, dat zich moeizaam voortsleept rond een uitgeput klinkende tekst, om onbevredigend in de dominant te eindigen. Gothic americana noemt men dat in de VS, en het is voor het eerst dat Daniël Lohues, toch nooit te beroerd om alle soorten country te verkennen, dit genre op zijn eigen plaat gebruikt. Bovendien sluit hij zelden een plaat met een somber liedje af, wat het effect alleen maar bloedstollender maakt. We moeten bijna wel hopen dat zijn volgende plaat vrolijker is.

Eindoordeel? Eerst het punt van kritiek. Alles bij elkaar valt Lohues, de grootmeester van de Nedersaksische popmuziek, hier in herhaling. Vooral muzikaal bieden de meeste liedjes veel wat we al eerder gehoord hebben, zeker ook bij hem zelf. Maar de kwaliteit is weer uitstekend. Na ruim twintig jaar zit er nog altijd geen rem op Lohues’ inspiratie, na diverse projecten en talloze zijwegen is het niveau nog steeds niet gedaald. We kunnen gewoon weer naar de schouwburg om van een nieuw stuk Drentse topmuziek te genieten – maar had iemand daar van tevoren aan getwijfeld?

Pierre-Laurent Aimard – Beethoven en Stockhausen

Alleen de ongebruikelijke combinatie van deze twee componisten, die de Franse pianist donderdag 8 januari in het Muziekgebouw aan ’t IJ ten gehore bracht, was al genoeg om veel mensen nieuwsgierig te maken. Bovendien had Aimard vorige maand nog samen met Tamara Stefanovic geschitterd in Mantra, dus met zijn gevoel voor Stockhausen zat het in elk geval wel goed.

Stockhausen en Beethoven laten zich tot op zekere hoogte goed met elkaar vergelijken. Beiden kwamen ze uit het Rijnland, beiden stonden ze bekend als compromisloze vernieuwers met een sterke persoonlijkheid, beiden kampten ze met een slecht gehoor. Stockhausen was zelf ook onbescheiden genoeg om die vergelijking aan te gaan; zo gaf hij ooit een uitvoering van Kurzwellen met stukjes Beethoven. Hun muziek is natuurlijk zeer verschillend, en het leek er wel op dat veel bezoekers vanavond een abonnement op de serie Piano hadden en vooral voor Beethoven kwamen.

Het programma begon met het elfde Klavierstück van Stockhausen, een aleatorisch stuk waarin de pianist negentien losse fragmentjes van een enorm vel opleest en zonder nadenken in willekeurige volgorde speelt. Daar heeft Aimard behoorlijk vals gespeeld: op zijn lessenaar stond conventionele bladmuziek, die de bladomslaanster gewoon van voren naar achteren doorbladerde. Een van te voren vastgelegde volgorde dus. Dat wil niet zeggen dat de pianist slecht speelde. Integendeel: hij wist van Stockhausens abstracte seriële notenbouwsel een overtuigend muziekbetoog te maken en de samenhang binnen de diverse groepjes getrouw te benadrukken.

Hierna volgden Beethovens Eroica-variaties. Geen heel bekend stuk; het is een typisch pianistisch bravourewerk (bijna lisztiaans) waarin thematisch materiaal uit de Eroica-symfonie eindeloos wordt gevarieerd en de nadruk vaak sterk op briljante, virtuoze loopjes ligt. Hoewel zo’n stuk veel kan hebben aan volume (het is bijvoorbeeld geen Mondscheinsonate) was het pianospel vaak nog te luid. Ook was het rubato aan de magere kant; naar mijn smaak te zakelijk voor Beethoven. Niet dat de uitvoering mechanisch was, of te snel; het tempo klopte. De polyfone passages waren ook naar mijn zin.

Na de pauze kwam de Appassionata-sonate aan bod. Natuurlijk begon Aimard dit werk wel zacht, zoals het hoort. Het andere euvel bleef echter: wat weinig rubato, soms uitgesproken steriel. Vooral de vele zestiendenloopjes wilden maar niet tot leven komen – alsof de musicus ons alleen maar wilde tonen hoe goed hij die moeilijke passages in de vingers had. Dat wil overigens niet zeggen dat de pianist niet met de expressie van het stuk bezig was: hij maakte grootse lichamelijke gebaren en kon zich vaak niet inhouden om hardop mee te neuriën.

Maar de grootste verrassing moest nog komen. Direct nadat hij het slotakkoord van de Appassionata losliet, klonk de beroemde vierklank van Stockhausens negende Klavierstück. En de overgang voelde niet eens verkeerd aan! Nog meer dan in nummer elf liet Aimard hier horen hoeveel gevoel hij voor deze lastige muziek heeft. De eindeloze herhalingen van het openingsakkoord laat hij vloeiend in dynamiek toe- en afnemen, in de zachte passages houdt hij het publiek in spanning en de stukken met voorslagnoten weeft hij elegant aan elkaar.

Het eerder die avond nog erg onwennige publiek leek Stockhausen aan het eind van de avond compleet aanvaard te hebben. In elk geval voelde de zaal zich niet te beroerd om de pianist met een langdurig applaus te belonen. Voor één keer gaf de Fransman ook een toegift: een kort stukje van de deze week overleden Boulez.

Pierre-Laurant Aimard is in de eerste plaats iemand voor de avant-garde. Daarin schittert hij en toont hij zijn gaven. Beethoven beheerst hij zeker wel, maar de concurrentie is daar veel groter waardoor het hem niet lukt zich van de rest te onderscheiden. En toch – hij heeft de juiste beslissing genomen. Klassieke en hedendaagse muziek mogen veel vaker worden gecombineerd. De avant-garde moet niet op zijn eigen eilandje zitten en het conventionele concertpubliek mag wel eens wat meer worden uitgedaagd. Ik ben hoopvol dat dat vanavond in deze volle zaal gelukt is.

Asko|Schönbergensemble – Natuurkrachten

Het Muziekgebouw aan ’t IJ, het Asko|Schönbergensemble, drie generaties naoorlogse componisten, een gesproken inleiding door Thea Derks – de Nederlandse Nieuwemuziekwereld was vanavond weer eens bezig. Op het programma stonden Thallein van Iannis Xenakis, Scream sing whisper van Anders Hillborg en het celloconcert van Kate Moore, trouwe lezers van mijn blog al bekend. Het ensemble werd niet geleid door Reinbert de Leeuw, die op het moment als Satie-pianist op tournee is, maar door de pas dertigjarige Christian Karlsen, net als Hillborg een Zweed en net als Hillborg en Moore als Nieuwe-Muziekexpat in Nederland werkzaam. Alle drie werden ze van te voren geïnterviewd.

Wat de programmeur heeft bezield om het concert Natuurkrachten te noemen werd mij niet meteen duidelijk. Het tekstboekje meldt: “Van (…) Iannis Xenekis klinkt Thallein, een werk waarin ongebreidelde natuurkrachten sluimeren, die in Kare Moores celloconcert een mechanische tegenhanger krijgen.” Verder blijkt θαλλειν ‘ontspruiten’ te betekenen. Zelf vind ik de vergelijking die Karlsen maakte, met de lelijke maar sublieme brutalistische gebouwen van Xenakis’ tijd, treffender (zij het totaal niet nieuw: Xenakis was ook architect en zijn muziek is uitentreuren met zijn bouwsel vergeleken).

Het onversneden modernisme van Xenakis, dat de luisteraars al vanaf maat 1 met een harde cluster voor de kiezen krijgen, is het ASKO|Schönbergensemble wel toevertrouwd. Loepzuiver en spatgelijk voeren ze de veeleisende klankblokken uit, en door elkaar lopende wriemelpassages worden zonder noemenswaardige weerstand en met veel gevoel voor de muzikale logica geproduceerd. Karlsen lijkt het allemaal moeiteloos te beheersen en dirigeert alsof hij de grote romantische meesters onder handen heeft. Thallein mag dan een relatief onbekend en vrij laat stuk zijn, het is duidelijk dat Xenakis in 1983, toen hij het werk schreef, zijn gave voor timing en effectieve verdeling van het muzikaal materiaal nog lang niet was kwijtgeraakt.
  Hillborg, de componist van het volgende werk, liet zich hoorbaar (en naar eigen zeggen) inspireren door de Franse Griek, maar bezit duidelijk diens gave voor het spannend houden van een werk niet. De keiharde klappen voelen gratuit aan en missen al gauw hun uitwerking, de atonale maar swingende unisonomelodietjes zijn niet bepaald geïnspireerd en de paar microtonale effecten bieden niet meer dan een flauwe kleuring. Wat Karlsen in het werk van zijn landgenoot ziet, is me niet geheel duidelijk, al werd het weer niet slecht uitgevoerd.

Na de pauze ging het verder met Kate Moores celloconcert. Dit werk beleefde, met enige aanpassingen, vanavond zijn tweede uitvoering. Bij de première, op de Gaudemeamus Muziekweek 2014, had ik de eer voor het festival te mogen recenseren. Bij die gelegenheid heb ik het stuk de hemel in geschreven. Het heeft dan ook weinig zin om mijn mening over deze compositie te herhalen. Ook nu was ik weer compleet in extase van dit werk, deze uitgebouwde versie van Days and Nature, waarin de luisteraar langzaam en subtiel, bijna plagerig, naar een climax wordt geleid die zijn gelijke in de muziek amper kent. De geluksbeleving werd alleen maar volkomener door de uitvoering, met name door de solist die nu, anders dan bij de première, volkomen synchroon liep met het ensemble.

Helaas wordt dit meesterwerk voorlopig nog niet op cd uitgebracht, en op de partituur is het ook nog even wachten. Gelukkig heb ik dit stuk twee keer kunnen horen. Ook gelukkig is dat het ASKO|Schönbergensemble maar weer eens toont alle hedendaagse muziek, van hardcoremodernisme tot tonale minimal, moeiteloos te beheersen en geen taboes in de programmering te kennen. Grote namen uit het verleden koppelen aan meesters van nu, dat mag vaker gebeuren. En Anders Hillborg, die een gevoel voor timing ontbeert, heeft van zijn Australische collega kunnen horen hoe het wel moet!

Calliope Tsoupaki – Mariken

Tsoupaki’s nieuwe opera Mariken, een zetting van het middeleeuwse toneelstuk over Mariken van Nieumeghen, was de afgelopen tijd al uitgebreid besproken; doorgaans positief. Om de een of andere reden draait de voorstelling van Opera2day niet in Utrecht. Ik moest er daarom voor naar Amersfoort, bijna twintig kilometer op de fiets in – ik lijk wel gek – de regen.

Voor wie het verhaal niet kent: Mariken woont bij haar oom, die haar om boodschappen naar Nijmegen stuurt. Op de terugweg wil ze bij haar tante logeren, die zwaar uit haar humeur Mariken met grove scheldwoorden de deur wijst. Mariken roept dat God of de duivel haar mag helpen. Het laatste gebeurt; ze leeft zeven jaar lang in zonde met de duivel. Dan komt ze tot inkeer, gaat met haar oom naar de paus en doet boete.
  Hoewel de normen van de middeleeuwen niet de onze zijn, zit er genoeg in dit verhaal waar ook de moderne mens iets mee kan. De oom voelt zich van meet af aan niet goed omdat hij zijn nichtje alleen op weg stuurt, en buiten loert het gevaar: de zonde, de verleiding, waar Mariken weliswaar voor kiest, maar die natuurlijk het werk van de duivel is. En hoewel een middeleeuwer er waarschijnlijk niet aan twijfelde dat de duivel letterlijk een menselijke vorm kon aannemen en je persoonlijk kon verleiden, staat Moenen (zoals deze incarnatie zich noemt) duidelijk symbool voor de misdadiger van vlees en bloed die rechtschapenen het verderf in stuurt. Een loverboy maakte de regisseur ervan; zo’n grote verandering is dat niet.

Het ensemble is modern en gestroomlijnd, maar tegelijk heel karakteristiek; in de orkestbak bevonden zich enkelvoudig bezette strijkers, een hobo, een fagot, een hoorn, een trombone en slagwerk, maar ook middeleeuwse instrumenten: portatief, harp, draailier, vedel en verschillende blokfluiten. Het valt te prijzen dat de componiste die verleiding nu eens niet weerstaan heeft en juist deze voor de hand liggende verbinding met Marikens tijdvak heeft gelegd. De uitstekend bespeelde historische instrumenten mengen zich bovendien moeiteloos met de hedendaagse rest van het instrumentarium.
  Ook de muziek zelf vertoont duidelijke raakvlakken met de middeleeuwen. Zoals zoveel Nederlandse componisten klinkt Tsoupaki als een discipel van Louis Andriessen, met statische, modale muziek; muziek dus in de middeleeuwse kerktoonsoorten. Vanuit zo’n muzikaal idioom is de weg naar middeleeuwse sfeerbeelden niet lang meer; de componiste maakt daar goed gebruik van.
  Het wat statische idioom past goed bij de stijve figuren van de oom en de paus (hier een countertenor; hetzij om met zijn autoriteit te spotten, hetzij als schildering van zijn afstand tot de hoofdpersonen), maar minder goed bij de in furie ontstoken tante: zij klinkt met haar wervelende frygische gezangen eerder als een grootvizier die een ontdekkingsreiziger in audiëntie ontvangt. Gelijkaardige muziek als die voor de tante blijkt voor Moenen wel te werken: zijn koele en tegelijk krachtige baslijnen doen de luisteraar sidderen.
  Even statisch als de muziek is een groot deel van het toneelspel. Terwijl de verteller zijn verhaal doet, loopt Mariken (een spreekrol, jammer, al is het wel Hannah Hoekstra zelve die de rol vervult) rondjes op de bühne of zingt een nonnenkoor een gregoriaans gezang. Soms lijkt het daardoor of je, in plaats van een opera, met een oratorium te maken hebt. Heel iets anders kregen we in het tweede bedrijf, toen de verteller als marskramer het podium opkwam, de muziek stopte en de vierde wand doorbrak door vanuit de orkestbak met het publiek te gaan praten. Ik weet nog altijd niet wat ik daarvan moet vinden. Melig enerzijds, maar aan de andere kant van groot belang voor het verhaal, omdat de reizende koopman ons op zijn middeleeuws laat nadenken over zonde en vergeving.

Nederlanders zijn over het algemeen niet zeer begaan met hun eigen literaire klassiekers. Een Griekse wijst ons hierin de weg, met een ontzagwekkend gevoel voor de geest van de tekst en de denkwereld van zijn schrijver. Ook over de uitvoerenden hebben we weinig te klagen. Het idioom legt beperkingen op aan de muzikale originaliteit. Mariken is daarom geen meesterwerk, maar wel zeer de moeite waard.

Gaudeamus Muziekweek 2015 – Slotconcert en prijsuitreiking

Om zes uur vanavond zou de winnaar bekend worden gemaakt. Op een festival als dit kan zoiets niet gebeuren zonder dat er eerst nog een concert wordt gegeven. Daarvoor mochten twee leden van Slagwerk Den Haag – zie het vorige concert – samenwerken met Niels Broos, toetsenist van Kyteman, en met het Groningse balletgezelschap Club Guy & Roni.

De drie heren gaven een langdurige, veelzijdige improvisatie weg, waar veel van het meer experimentele Kyteman-werk te herkennen was. De onderlinge interactie was briljant en niets wees erop dat de muziek ter plekke in de hoofden ontstond. Nog mooier was het moment waarop de dans begon. De drie dansers stonden met gewone kleren in het publiek en begonnen volstrekt onverwacht aan hun pasjes. Waren hun bewegingen niet zo vloeiend en intens geweest, dan had ik gedacht dat een toeschouwer er spontaan mee begon. Wie in deze zaal zou er nog meer gaan dansen?
  Een paar minuten voor zes vonden de musici het echter nodig nog een improvisatie te beginnen. Dat had nu weer niet gehoeven. We wilden gewoon naar de prijsuitreiking, en drie kwartier improvisatie was wel genoeg. Bovendien was het nieuwe stuk je reinste oordopjeswerk, reden voor sommige mensen om buiten aan de deur maar verder te luisteren.

Rond kwart over zes mochten we dan toch naar beneden, waar Hans Heuvelmans ons al opwachtte. Niet hij, maar de jury (Calliope Tsoupraki, Stefan Prins en Raphaël Cendo – hun werken hebben we deze week gehoord en de recensies zijn op mijn site te vinden) had natuurlijk de beslissing genomen, maar als directeur had hij de eer de winnaar aan te mogen kondigen. Deze winnaar werd Aleksander Choebejev.

Wat moeten we daarvan vinden? Om het maar eerlijk te zeggen: ik ben het er niet mee eens. Weliswaar is de Rus geen slechte componist, en zeker beter dan Jason Buchanan en Stylianos Dimou. Maar zijn werk is zo… radicaal. Te excentriek, te cryptisch, te compromisloos om over te komen bij de luisteraar. Special effects worden gewoon, confronterend materiaal confronteert niet meer. Hoe kun je ooit nog choqueren als je een dirigent met touwen vastbindt en over plexiglas laat schrapen?
  Waarschijnlijk is het de jury daar nu net om te doen. Vernieuwen, je publiek verrassen, niet blijven stilstaan bij de conventie, daar gaat het bij dit festival toch om? Creativiteit betekent tenslotte niet: andermans stijl navolgen. Het verschil in vooruitstrevendheid werd vanmiddag maar al te duidelijk. Er moest iets ongewoons worden gedaan met slagwerk – Choebejev leeft zich uit met emmers en ijzerdraad, Asuroğlu neemt genoegen met een conventioneel ensemble.
  Maar wat is vernieuwen? Laten we eerlijk zijn: alles is al eens gedaan, ook het type muziek dat de winnaar maakt. Denk alleen maar aan de Fluxus-beweging in de jaren zestig, waarbij componisten bij de koffie met scharen langsrenden om de stropdassen van concertgangers af te knippen. En dat was vijftig jaar geleden!
  Buiten de muren van TivoliVredenburg geldt John Adams als de grootste levende componist, viert Michel van der Aa triomfen met een vioolconcert en wordt de tachtigste verjaardag van Arvo Pärt wereldwijd gevierd. En hier wordt een componist tot winnaar uitgeroepen die niet eens in toonhoogte geïnteresseerd is! Een beetje wereldvreemd is het wel. Als we niet oppassen, gaat de Muziekweek lijken op de school van Milton Babbitt, die decennialang in een kleine enclave het ware seriële geloof verdedigde terwijl Amerika om hem heen achtereenvolgens door John Cage en de minimalisten werd overdonderd.

Eerlijk is eerlijk: de intentie van de programmeur is dit niet geweest. Op het programma stonden crossovers naar de rock- en dancemuziek (popmuziek dus, de muziek waar de echte wereld naar luistert). Ook conventioneel modern klassiek kreeg de ruimte: tegelijk met het “Out of the percussion box”-concert klonken er in Rood|Noot preludes en fuga’s van Arthur Wagenaar. En dit jaar hadden we natuurlijk een genomineerde die zich zulke muziek veroorlooft: Mátyás Wettl. Had hij dan niet beter kunnen winnen?

Vragen te over dus. Maar uiteindelijk is het belangrijkste niet of de winnaar wel een beetje behoorlijk in de huidige trends past. Het belangrijkste is dat we vijf heel behoorlijke aankomende componisten hebben gehoord, in doorgaans fantastische uitvoeringen, in een heerlijke setting, in een prachtig muziekpaleis. De Nederlandse nieuwemuziekwereld leeft en bloeit nog altijd. Wil de Gaudeamus Muziekweek niet verwelken, dan mag ze nooit ophouden om door de grote ramen van TivoliVredenburg de wereld in te kijken.

Gaudeamus Muziekweek 2015 – Out of the percussion box

Voor de eerste en enige keer hadden we vanmiddag alle vijf de kandidaten in één concert, zodat we hun werk mooi konden vergelijken. De heren (ten overvloede: alle vijf de genomineerden zijn mannen) hadden de opdracht gekregen zich te laten inspireren door de mogelijkheden die het ensemble Slagwerk Den Haag bood: niet alleen conventionele klappen op gongs en xylofoons, maar alles wat geluid geeft als je erop slaat.
  De vijf componisten hadden zulke uiteenlopende bezettingen voorgeschreven dat het concert niet in één ruimte gehouden kon worden. Of misschien kon het wel, maar de gekozen oplossing was beslist leuker: de eerste twee werken klonken in Pandora, het derde op Plein 6, het vierde in Cloud Nine en het laatste in Hertz. Zo kom je nog eens ergens…

Aleksander Choebejev stond als eerste op het programma, met Rebirth Island: Song of the death. (Misschien bedoelt hij song of the dead of anders song of death – zie mijn opmerking over Russen en lidwoorden gisteren.) De relatie tussen de titel en de muziek is onduidelijk, maar misschien niet van belang. De opdracht was in elk geval goed aan deze excentrieke componist besteed: Choebejev kijkt niet op een raar geluid of ongewone speeltechniek meer of minder. Drie slagwerkers stonden her en der door de zaal, de componist als dirigent op een eiland (!) tussen het publiek. De musici moesten met strijkstokken en stalen vingers over strak gespannen draden, waaraan resonerende objecten als emmers, plastic potten en stukken piepschuim waren bevestigd. En wij stonden er met onze neus bovenop! Chapeau Aleksander, dit is nou eens een formule waarin je herriemuziek echt werkt! Om het allemaal nog mooier te maken: de componist had de hele handel zelf ontworpen en gebouwd.

Maar Mátyás Wettl dan? Die was tot nu toe alles wat Choebejev niet is: toegankelijke, tonale stukken, op het sentimentele af, met alleen wat lichte vervreemding in de begeleiding. Wie schetst onze verbazing als zijn Nocturne begint: voor vier spelers die zestien schemerlampen bedienen. Wat? Maakt uitgerekend hij een stuk dat niet eens voor muziek kan doorgaan? Een ordinaire lichtshow? Ho. De schakelaars maken harde klakgeluiden, en daar blijkt het om te gaan. Hoe langer hoe meer herkennen we er ritmes in, eenvoudige, aansprekende ritmes, die soms aan het kleuteronderwijs, soms aan het ijzeren repertoire doen denken. De musici klikklakken liedjes na. Hoe absurd ook, dit werk is dus eigenlijk net zo toegankelijk als de andere twee composities die we van Wettl gehoord hebben. Niet dat het licht verder niet van belang is. Er gaan prachtige patronen door de in een rij opgestelde lampen, en bij een triller flakkert het mooi aan en uit.
  Het blijft bevreemdend om Wettl van zijn vertrouwde ballads ineens zoiets op radicaals over te zien stappen. Wil hij laten zien dat hij dit ook kan? Of is het een persiflage op de nieuwemuziekwereld om hem heen, waar je alleen wordt bewonderd als je iets raars doet? Ik houd het op het laatste.

Stylianos Dimou, die ik eerder deze week nog een kanshebber voor de eindzege noemde, kwam met het interessanterig getitelde my grounding | surrounding [it]_self / h_l. Hier hadden we meer met een conventionele slagwerkcompositie van doen, waarin onder meer twee gamelan-instrumenten alsmede vier ijzeren kettingen (Schönberg, Gurrelieder?) werden vermengd met ingeblikte geluiden en live-elektronica. Het programma vertelde niet waar de titel vandaan kwam, wel iets over de compositorische filosofie: elektronica op zich is niet interessant, het wordt pas iets in combinatie met akoestisch geluid.
  Het technoakoestische spel kwam goed tot zijn recht. De opbouw van het stuk liet daarentegen te wensen over, al hoorde je wel iets terug van imitatie en een verdeling in episodes.

Jason Thorpe Buchanan had de compositieopdracht aangegrepen om een nieuwe scène aan zijn in wording verkerende opera Hunger toe te voegen. Deze opera is gebaseerd op een boek van de Noor Knut Hamsun, maar in deze bewerking verkoopt de verarmde schrijver niet zijn kleren maar zijn lichaamssappen (gadverdamme…). In walkside, lost frunniken drie musici gericht met diverse spullen aan kistjes, die van microfoons voorzien zijn. Het hele gebeuren wordt op een scherm getoond. Tegelijk fluisteren, spreken, schreeuwen ze woorden; veelal onverstaanbare, maar ergens voorbij het midden meende ik toch het woord “poppycock” (diarree!) op te vangen…

Utku Asuroğlu had het meest conventionele werk van de middag. Zijn Coup de bec (“klap voor je muil”) schreef wel gekke voorwerpen als eiersnijders en toeters voor, en gebruikte technieken als aangestreken slagwerk, maar was toch een zeer goed te volgen compositie. De gewelddadige titel was maar schijn: ook deze keer zette de Turk ons een levenslustig, druk werk voor waarvan het componeerplezier afspatte. Hard ja, maar eigenlijk niet confronterend.

Dit concert bracht een hoop positieve dingen. Aleksander Choebejev wist de sceptische luisteraar met zijn excentriciteiten te overtuigen als nooit tevoren. Matyás Wettl liet zich van zijn andere kant zien. En meer in het algemeen lieten de vijf componisten zijn dat een duidelijk omlijnde componeeropdracht voor hen niet beperkend werkt.