De jukebox (5)

Dit jaar schreef ik in honderd stukjes, geconcentreerd rondom evenveel liedjes, een geschiedenis van de popmuziek in het Nederlands en verwante streektalen. Verschillende mooie, leuke en interessante liedjes zijn buiten de boot gevallen. De laatste twee weken van het jaar passeren die liedjes alsnog de revue.

Deel 5: Novelty (zie ook aflevering 1 en 57)

Inderdaad, dit jaar kwamen er maar twee noveltyliedjes voorbij. Niet zo vreemd ook: liedjes die bedoeld zijn als gimmick laten zelden een invloed van betekenis na. Artistiek gezien zou je ze zo kunnen negeren. Twee liedjes heb ik echter toch opgenomen, omdat ze wel degelijk iets over de muziekgeschiedenis zeggen. “De trappelzakboogie” (aflevering 1) geeft aan hoe volwassen mensen in het begin over de rock ’n roll dachten. “Gabbertje” (aflevering 57) geeft aan hoe niet-gabbers naar deze muziek keken. Bovendien viel het samen met het breekpunt van de gabberrage, dat Fosko en consorten volgens sommigen eigenhandig bewerkstelligd hebben.
  Een paar andere novelty-liedjes kwamen al voorbij in aflevering 1 van De Jukebox, over de jaren zestig. Vandaag passeren er nog een paar. De meeste neem ik niet op omdat ze enig muziekhistorisch belang hebben, maar gewoon omdat ik ze grappig vind, of omdat anderen ze grappig kunnen vinden.

We beginnen meteen met een van de bekendste nummers uit deze rubriek. In 2001 kwam het tv-programma Kopspijkers, dat destijds door miljoenen mensen bekeken werd, met een single. “One Day Fly”, een foute vertaling van “eendagsvlieg”, was een satire op talentenjacht Starmaker van Yorin, en de band K-otic die eruit voortkwam. Het was een megahit onder alle lagen van de bevolking; mensen die normaal nooit singles kochten, hadden hier massaal 11 gulden voor veil. Ja, ik ook. Het was mijn eerste singletje en het zou een van de weinige blijven.
  Zestien jaar later – waar blijft de tijd – klinkt het niet meer zo grappig en fris als destijds. De conclusie moet toch luiden dat we het vooral zo leuk vonden dankzij de Kopspijkers-troep die we elke zaterdag op tv zagen. Nu de actualiteit er vanaf is, staan er 60.000 singletjes in Nederlandse platenkasten stof te happen…

Zoals je kunt horen hebben ook George Baker (de echte) en Johan Cruijff (niet de echte, maar de imitatie door Viggo Waas) een cameo in dit nummer. De echte Johan Cruijff maakte nog een keer een singletje: “Oei, oei, oei, dat was me weer een loei”. Aan zijn zangstem mis je niet veel; het nummer is trouwens meer schlager dan pop en heeft in mijn rubriek dus niets te zoeken.
  Rond 1990 kregen we wel pop zingende voetballers, ja hele voetbalselecties. Een gouden greep natuurlijk: grote clubs hebben een brede fanschare en duizenden mensen kopen dat plaatje toch wel. Zo dook in 1992 de Feyenoordselectie, met latere culthelden als John de Wolf, Regi Blinker en Ed de Goey, de studio in voor “Wij houden van die club”.

Ajax kon daarbij niet achterblijven. Nog datzelfde seizoen kwam “Ajax is oké” uit. Met Amsterdamse branie, zoals de supporters het wilden. “Nooit, nee nooit, verliezen doen we niet”. In werkelijkheid werd Feyenoord dat seizoen kampioen en Ajax derde. Maar het Ajax-plaatje kwam wel hoger in de hitparade.

(Wie na het uitzitten van deze twee nummers denkt dat voetballers helemaal niet kunnen zingen, verwijs ik graag door naar de Brabantse folk van Björn van der Doelen of de hiphop van Royston Drenthe.)

Heel iets anders nu. Stel, je bent tatoeëerder. Dat is op zich al cool. Je mag mensen pijn doen en voor het leven verminken met creaties die je zelf uitkiest, en ze zullen blij en dankbaar je zaak uitlopen en je goed betalen. Als je dan ook nog een halfgod in de Belgische metalscene wordt, en heel Graspop kent je, dan heb je echt een topleven. Er is eigenlijk maar één hogere stap mogelijk: zelf popster worden. Tijs Vanneste verpopte zich tot Jef Van Echelpoel, een Kempische lapzwans die droomt van succes bij de meisjes. Deel van die metamorfose: hij vermijdt de metal maar doopt zich in de elektropop, een genre dat hij net zo min serieus neemt als zijn personage. Dat je dan toch een megahit haalt – is dat meegenomen?

Dit is allemaal weinig diepgravend, maar nog redelijk netjes. Er zijn natuurlijk ook liedjes die nooit bovengronds zullen komen omdat de teksten gewoon te smerig zijn. Wie herinnert zich de Dikke Lul Band nog? Twee volwassen mannen die hun beroep hebben gemaakt van popliedjes met seksuele teksten zingen. Het stomste is misschien nog dat er best wel zorg aan is besteed – ze nemen hun missie nog serieus ook.

Uit de gelederen van mijn Utrechtse studentenvereniging kwam het gelegenheidsduo Holland en Holland (een toespeling op de producers Bolland & Bolland), die de wereld verblijdden met “Bolletjes in mijn hol”. Dit mochten ze zelfs bij Edwin Evers komen uitvoeren. Met het kinderkoortje dat ook de plaatopname siert. Hun kinderen blijken erg bijdehand…

Voor echt aanstootgevende teksten moet je bij de extreme metal zijn. George Oosthoek, zanger/grunter van gothicmetalband Orphanage, wilde weleens wat anders dan die eeuwige sprookjesmuziek met vrouwenstemmen en keyboards, en richtte als zijproject Kutschurft op. De band speelt grindcore en death metal, en de Nederlandstalige teksten gaan over de smerigste en ranzigste dingen, vooral op seksueel gebied. Dat is op zich niet zo’n probleem, want je verstaat toch niets anders dan “gchòòòòòòòchgch!” In “Neuk je oma in d’r stoma” komt echter een parlando voor, waarin alle psychopathische praktijken van Dr. Ranzzz (zo noemt Oosthoek zich in deze gedaante) uitgebreid en verstaanbaar uit de doeken worden gedaan. Eén waarschuwing: niet voor tere zieltjes!

Laten we toch maar afsluiten met een liedje dat écht leuk is. Het viel me de laatste jaren steeds meer op dat mijn generatie, net als jongere generaties, verzot is op absurde humor. Grappen die echt als een tang op een varken slaan, volkomen willekeurige combinaties en situaties die zo idioot zijn dat ze wel kunst lijken. Mensen boven de veertig gaan dan naar verbanden zoeken: ze denken dat die absurdisten toch ergens een punt willen maken. Wij weten wel beter. (“Drie tennisrackets zitten in een boom te klaverjassen. Komt er een ei voorbij. Vragen de tennisrackets: ‘Hé ei, doe je mee?’ ‘Nee sorry,’ zegt het ei, ‘ik moet naar de kapper.'”)
  Een eerste aanzet gaf Monthy Python al in de jarne zeventig. Later kregen we Herman Finkers en Brigitte Kaandorp. Maar pas met Dirkjan en Kabouter Wesley bereikte mijn generatie echt wat ze wilde. En… met Yogho Yogho. Dat mierzoete drinkyoghurtmerk dat wij allemaal dronken, en dat veel cooler was dan zijn concurrenten. Dat kwam door zijn twee compleet van de pot gerukte reclames (zie hier en hier). Van die reclames werd ook een compleet lied van drie minuten gemaakt. Helaas kon je dat alleen via de Yoghopakken bestellen, dus een grote hit is het nooit geweest. Op Youtube is het nog wel te vinden. “Duizend mijlen onder zee / zit een man op de wc!” Geniet ervan!