Honderd keer pop in je moerstaal (84)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 84.

Met deel 84 zitten we al aan het zesde liedje uit 2008. Als je bedenkt dat deze rubriek honderd liedjes omvat, verspreid over zestig jaren, dan kun je toch wel concluderen dat 2008 een goed jaar was voor de Nederlandstalige popmuziek. Ook al zit er één Friestalig nummer bij en waren de betrokken artiesten natuurlijk ook daarvoor en/of daarna actief.
  Roosbeef, de band die we vandaag bespreken, maakte in 2008 zijn plaatdebuut. Niettemin had de band rond Roos Rebergen al een flinke livereputatie opgebouwd. Opgericht in 2003 – Roosje was nog maar vijftien en niemand dacht toen dat je het in het Idols-tijdperk als serieus bandje nog kon maken – haalde de groep in 2005 de Grote Prijs van Nederland. Het jaar daarop hoorde ik, geloof ik, voor het eerst van Roosbeef, waar op dat moment enorm reclame voor werd gemaakt. Er was nog helemaal geen cd, maar iedereen was enorm enthousiast over dat spontane, onrijpe wicht van achttien en haar alternatieve, maar vooral leuke liedjes.
  De fans moesten geduld uitoefenen, maar in 2008 kwam het debuutalbum uit. Bij Excelsior – wat wil je nog meer als Nederlandse band. De titel leek vooral ontworpen om lengterecords te breken: Ze willen wel je hond aaien maar niet met je praten. Van deze plaat luisteren we vandaag het eerste nummer: “Onder invloed”.

In de begintijd had Roosbeef zowel Engelstalige als Nederlandstalige liedjes. Toen de band vorm begon te krijgen, werden de eerste eruit gegooid en werd Roosbeef een zuiver Nederlandstalige act. Ik juich dat als voorvechter van het Nederlands natuurlijk toe.
  Toch levert het gebruik van de eigen taal ook nadelen op. Je gaat je ergeren aan dingen die je in het Engels nooit zouden storen. Zo kan ik maar moeilijk wennen aan het Poldernederlands van Roos. “Ben ondeg infloed fan jaauw, ik stchaukel oowvej main woojde”, het doet me hartstochtelijk verlangen naar de onberispelijke dictie van Boudewijn de Groot. (“Geniet er maar van. Het zou niet eeuwig zo blijven”, schreef ik in aflevering 7 niet voor niets.) En dan te bedenken dat deze vrouw in Duiven groot is geworden, ver van de Randstad waar deze klanken thuishoren!

Maar jullie snappen natuurlijk wel het lelijke accent van Roos maar bijzaak is, zelfs voor zo’n taalzeikerd als ik. Of eigenlijk geen bijzaak, maar deel van haar act. Met haar slordige dictie zet ze mede het imago neer van jong meisje dat er eigenlijk niet met haar hoofd bij is, als was ze nog niet klaar voor het grote gebeuren hier op het podium. Dit ‘imperfectionisme’ is bedoeld om vooral geen ster op het podium neer te zetten.
  Kleine meisjes hebben ook moeite met het uitspreken van moeilijke woorden. De zanger van Volumia! (je weet wel, van aflevering 61) heet “Xander de Brusonee”. Dat deze man ter sprake komt, dat komt doordat Roosje (althans: de ikpersoon) verliefd is. Dan gaan zelfs liedjes die ze eigenlijk veel te mainstream vindt (“alle liedjes op de radio lijken heel veel op elkaar”) er bij haar in als koek. Natuurlijk is verliefdheid ook een enorm clichéonderwerp – een onderwerp waarmee je moet uitkijken, zeker als je in het Nederlands zingt, helemaal als je dan ook nog, zoals Roosbeef, artistieke pretenties hebt.
  Roos Rebergen weet er gelukkig creatief mee om te gaan. Heel creatief zelfs, op haar eigen onnavolgbare manier.

     Ben onder invloed van jou.
     Kan geen auto meer besturen,
     ook niet als ik een rijbewijs had gehad.

Het klopt als een zwerende vinger. Als je verliefd bent op iemand, ben je onder zijn invloed. Maar dat zeg je natuurlijk niet van mensen, alleen van drank en andere middelen. En de volgende zin, die spreekt natuurlijk voor zichzelf. Je verwacht na de regel “ik kan geen auto meer besturen” niet de mededeling dat ze dat eigenlijk toch al niet kon. Het is een kwinkslag, een trucje dat ze vaker gebruikt, maar hier is het nog vers.

     Geen loverboy wil me hebben
     al leg ik er zelf een gouden ketting bij.

Het onzekere pubermeisje, des te onzekerder nu ze verliefd is en niet weet hoe ze haar geliefde moet bereiken, dat is eigenlijk helemaal niet grappig. Verwijzingen naar loverboys – een vrij nieuw woord in 2008, en daarmee tegelijk een verwijzing naar het nieuws van destijds – zijn nog minder grappig. Maar in deze formulering kun je er toch om lachen. Misschien is het gewoon de potsierlijke overdrijving.

     Ik zit maar in de wachtkamer,
     ik sta al heel lang ingeschreven,
     ik heb alle tijdschriften nu wel gelezen.

Een metafoor die even herkenbaar als onorthodox is. Dubbel raak. Niemand associeert een aanslepende verliefdheid waar je maar niets mee durft te doen met het wachten bij de dokter. Maar nu klinkt die metafoor en je voelt dat hij klopt.

Zullen we het ook over de muziek hebben? Met een gewoon popinstrumentarium – akoestische en elektrische gitaar, toetsen, drums – weten ze iets tot klinken te brengen dat totaal niet lijkt op wat wij pop of rock noemen. In het begin misschien nog wel, dan lijkt het op een gewoon singer-songwriterliedje, maar het zachte loopje van de elektrische gitaar en het gebruik van – tja, wat zijn het, semi-klassieke pianoakkoorden? – sturen het liedje toch wel in een andere richting. In welke richting eigenlijk? Onverwachte modulaties houden onze oren scherp. En Roos, die spreekt een groot deel van het liedje meer dan ze zingt, maar ze kan ook heel zuiver zingen. En geen moment geeft een van de bandleden ook maar de minste indruk dat ze kunst aan het maken zijn.

Van dit lied bestaat nog een versie, die in 2012 op de ep Warüm werd gezet (ja, met verkeerde umlaut). Jullie snappen dat ik ook die graag met jullie deel.

Roosbeef – Kalf

Een beetje mosterd na de maaltijd, deze recensie. Het nieuwe album van Roosbeef is al een paar weken verschenen en uitentreuren besproken in gezaghebbender media dan mijn blog. Het heeft zo lang geduurd omdat ik op de vinylversie zat te wachten. Die was voor vandaag (13 maart) aangekondigd, maar bleek hedenmorgen een dikke maand uitgesteld. Nu heb ik de cd maar gescoord.

Roosbeef was, zoals mijn lezers vast nog wel weten, die Nederlandstalige band rond Roos Rebergen die meisjesachtige, onrijpe maar superintelligente alternatieve pop maakte. Mensen die jaren geleden kennis maakten met Roosbeef zullen de band zeker terug kennen. Het onrijpe is er langzaam af gegaan, maar het speelse (en toch een beetje kinderlijke) is gebleven. De zangeres zegt het zelf mooi:

Mijn dromen zijn over de 18
Mijn haar niet in een staart
Mijn dromen zijn over de 18
Ik wil nog steeds een paard

Wat is er veranderd? Haar voordracht, die in het begin nog iets brutaals had, is schuchterder geworden dan ooit. Zachtjes, haast mompelend komen de woorden over de verloren liefde, de niet-verloren liefde met wie je het toch best gezellig hebt, de gewone dingen des levens, de verwondering over de wereld haar mond uit.

Net zoals altijd weer weet de zangeres de teksten van a tot z spannend te houden. Roos heeft een zeldzaam talent voor timing van onverwachte wendingen. “Liefste, lik onze wonden schoon voor ze komen”; “Jij was al een man, maar ik nog niet”; “Laat mij niet ongedeerd” – het zijn zomaar drie grepen uit het tekstboekje. Een handjevol liedjes over de liefde voor jongens, en eentje voor een paard – maar ze komt nog niet in de buurt van welk cliché dan ook.

Over de teksten gesproken: Er zit een Duitstalig liedje tussen. “Und man liebt so viel” is niet van Roos. Ze lijkt met de Duitse uitspraak echter geen moeite te hebben. Iets wat van haar Nederlandse dictie minder gemakkelijk gezegd kan worden. Rebergen heeft (zoals altijd al) een uitgesproken Poldernederlands accent. Dit ondanks haar duidelijke liefde voor Vlaanderen, die blijkt uit het liedje “De Schelde”. Haar taalgebruik is gek genoeg ook vervlaamst. Kalf, de albumtitel, is een Zuid-Nederlandse uitdrukking voor ‘onvolwassen meisje’, en op de site van de band gaat het van “de hoofdvogel afschieten” en “putje winter”. Maar goed, haar accent is echt het enige wat mij aan Roosbeef stoort, dat zegt genoeg.

Muzikaal valt de plaat relatief conventioneel uit. De EP Warüm uit 2012 klonk behoorlijk apart, avant-gardistisch bijna. Deze plaat klinkt ook alternatief en zeker niet commercieel, maar ligt een stuk gemakkelijker in het gehoor. Er zitten gitaar- en pianoballads bij, en vooral “Raak mij aan”, met zijn strijkkwintet en zijn romantische climax baart opzien. De zachte krachten worden afgewisseld door rocknummers, al zou ik het geen ‘rockgeweld’ willen noemen. En natuurlijk is het met de muziek als met de teksten: lang voordat het cliché toeslaat, is ze allang de andere kant op gedraaid.

Het eindoordeel mag duidelijk zijn: dit is een prachtplaat voor wie al van Roosbeef hield. De liefhebbers van harde muziek zal de plaat niet bereiken, maar dat hoeft ook niet, als Roos en haar band maar zo subtiel, intelligent en spitsvondig blijven. En laten we dat afspreken: blijf ook een beetje kinderlijk, anders is de lol eraf.

PS: Roos, als je dit leest, zullen we een keer samen een buitenrit maken? Als jij je paard hebt gekocht?