Honderd keer pop in je moerstaal (28)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 28.

Er komt geen einde aan. Vandaag opnieuw een behoorlijk onbekend nummer en weer een uit de tegencultuur. Een heuse cultklassieker zelfs: “Voetbalknieën” van Ton Lebbink.

Hoe dit nummer in mijn rubriek is gekomen is nog een verhaal apart. Twee jaar geleden liep ik al met het idee voor een lijstje van honderd Nederlandstalige popnummers rond. Ik gooide toen op Twitter een balletje op: welke nummers moeten er van jullie in? Eén gebruiker suggereerde “Voetbalknieën”.
  Ik had nog nooit van Ton Lebbink gehoord, maar na een luisterbeurt vond ik het wel een opname waard. Uiteindelijk heeft “Voetbalknieën” het maar ternauwernood gehaald. Ik was een paar nummertjes vergeten en om die op te nemen moesten er ook een paar uit. Deze stond zeker op de lijst om geschrapt te worden. Maar vanwege het artistieke gehalte en het unieke karakter besloot ik Lebbink toch maar te canoniseren. Trouwens: ik had dat balletje op Twitter niet opgegooid om er uiteindelijk niets mee te doen.

Goed, Ton Lebbink dus. Een eigen Wikipedia-artikel heeft hij niet, maar een klein beetje googelen levert al aardig wat op. Hij was de drummer van de Amsterdamse newwaveband Mecano. Als zodanig kunnen we hem eenvoudig linken aan de krakers- en buurthuizenscene die we de afgelopen weken hebben zien langskomen. Mecano was bijzonder geliefd bij een artistiek publiek; hier kunnen we een lijntje trekken naar het Utrechtse Braak van vorige week, al maakte Mecano andere muziek.
  Mecano, althans zijn zanger Dirk Polak, zong in het Engels. Ton Lebbink maakte een plaat in het Nederlands. Dat heeft alles te maken met de artistieke bedoelingen van het album. Op Luchtkastelen staan geen gewone songs, maar popgedichten: associatieve teksten met een popmuziekbegeleiding. De teksten doen denken aan het werk van stadsgenote Elly de Waard, die veel bekender werd maar (of ik moet me heel sterk vergissen) nooit een plaat heeft gemaakt.

De muziek is modern voor 1981. We horen een basloopje met daarboven wat plaatsamples, een techniek uit de disco, of uit de dan nog gloednieuwe rap! Daarna valt de spreekstem in. Een gedicht, nog redelijk conventioneel. De plaats van handeling is het Olympisch Stadion in Amsterdam.
  Al gauw ontaardt de tekst in een associatieve opsomming van uiterlijke kenmerken. Misschien de karakterlijven en -koppen van de knoestige sporters die hier hun werk doen? Dat zal wel, zeker als het over “voetbalknieën” gaat.

     Tochtlatten, kroeskoppen, baardapen, melkboeren-
     hondenhaar.
     Appelwangen.
     Pluklippen, wijsneuzen, flaporen,
     speknekken!
     Kippenborsten, hangtieten.
     Winterhanden, bofkonten, bierbuiken…
     paardenreten.
     Voetbalknieën.

Verderop gaat de tekst echter een hele andere kant op. Er wordt voornamelijk gezongen over allerlei kwalen die je beslist niet associeert met de goede conditie van topsporters. Of wat te denken van “Binnenschippers, buitenspelers, misstanden, raakvlakken”?
  De tekst, die begint als impressie van het Olympisch Stadion, verandert halverwege in een zinledige associatie die maar één doel lijkt te hebben: de luisteraar meeslepen. Luisteraar ja, want dit is geen poëzie om in stilte te lezen.

Hierin is het werk van Ton Lebbink verwant aan de hiphop. Hij declameert zijn teksten ritmisch in plaats van ze te zingen; als hij zingt beperkt hij zich tot twee tonen. Ook de muzikale begeleiding is in wezen nogal saai. Toch weet hij de luisteraar, net als een goede rapper, vier minuten in spanning te houden door de klankwaarde van zijn teksten.
  Maar of Lebbink en de kring rondom hem dat ook zo zagen betwijfel ik. Hiphop was een gloednieuw genre, geassocieerd met de zwarte getto’s van New York en met de hitparade luisterende puberjongens van Nederland. Bovendien was het hiphopgeluid toen nog erg beperkt: het moest op een zeer ritmische funkbegeleiding. Anno 2017 zouden we een plaatje als “Voetbalknieën” zeker onder de noemer “undergroundhiphop” plaatsen, in 1981 deed men dat beslist niet. Het was hoogstens new wave, maar eigenlijk gewoon sui generis, een genre op zich. Was het überhaupt wel muziek?

Nederlandstalige pop was de afgelopen jaren veelbelovend tot bloei gekomen, maar het leek te blijven steken in goede bedoelingen van een kleine minderheid. Het grote publiek, zeker het tienerpubliek, zou wel altijd Engelstalige pop willen blijven horen. Toch…?