Honderd keer pop in je moerstaal (87)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 87.

Op verschillende momenten zagen we het afgelopen jaar folkmuziek voorbijkomen; herlees daarvoor afleveringen 11, 14, 59 en 78. We konden daarin constateren dat vooral de Vlamingen nog een bruikbare folktraditie hebben. Nederlanders die hun eigen wortels opzoeken, doen dat liever met moderne muziekgenres; folk is hier te lande vooral een verkleedpartij op Keltische muziek. Dat blijkt uit het voorbeeld van Rapalje, van Heidevolk en nu ook van Pater Moeskroen.

Van deze drie bands is Pater Moeskroen beslist de meligste. “Pretfolk uit de Lage Landen”, zo luidt de omschrijving is OORs Popencyclopedie, en hun compilatie-cd uit 1996 werd veelzeggend “10 jaar dikke pret” gedoopt. Hun liedjes klinken vrolijk en fris van de lever, maar het zijn vooral de melige teksten die aandacht trekken.
  Pater Moeskroen blijkt al uit de jaren tachtig te stammen en werd in Amersfoort opgericht – niet meteen de eerste plaats die je met bloeiende volkscultuur in verband brengt. De oprichters waren Brabantse studenten (hoe kan het ook anders) met een muziekhobby.
  Het duurde nog wel even voordat de heren een cd konden uitbrengen, maar toen dat in 1991 gebeurde was heel Nederland wel om. Althans, iedereen die destijds de radio aanzette kent “Roodkapje” wel. Veel mensen kennen ook “Whisky is de duivel” en “Hela hola (tuthola)” nog wel, al moet je die mensen waarschijnlijk niet vragen om de hele tekst mee te zingen. De rest van hun werk is vooral aan fans voorbehouden.
  Toch is de band nog altijd actief, en maken ze anno 2017 nog altijd de folk- en carnavalspodia onveilig, steeds met nieuw werk naast de vertrouwde klassiekers. Begin 2011 kwam hun single “Joost” uit, een van hun bekendste nummers uit de nieuwe eeuw.

Van meet af aan zien we wat er zo melig en carnavalesk is aan Pater Moeskroen. Een stel middelbare mannen die zich nog steeds in kilt kleden en daar een ongelofelijke lol uit halen. Maar we zien ook meteen een groep waarvan het muzikaal talent en speelplezier afspat, of ze nu de doedelzak, de banjo of ‘gewoon’ de gitaar spelen. Met vrolijke, melodische muziek die je onmiddellijk meezingt maar waar je ook niet gauw genoeg van krijgt. Om dat laatste hoef je bij de meeste carnavalsbands niet te komen.
  De tekst gaat over een oude schoolvriend van de verteller. Hij is homo (“andersgeaard”), en dat lag er in zijn kindertijd al dik bovenop. Hij speelde als kleuter met meisjesspeelgoed, en als puber was de kogel helemaal door de kerk:

     En toen we veertien waren, kwam het echte werk:
     de meisjes en de jongens spraken af achter de kerk.
     Ik zoende er met Karin, met Christel, met Claire
     en Joost las met Ida in de Flair.

Op dit moment leven we in een tijd waarin de politieke correctheid weer flink opgang maakt, zeker in culturele kringen. Met de ideologische pen in de hand kun je in dit liedje flink gaan strepen: er hoort geen jongens- en meisjesspeelgoed te bestaan, want geslachtsrollen zijn aangeleerd; dat iemand op mannen valt wil niet zeggen dat hij maatschappelijke vrouwenrollen wil vervullen en vice versa; je hoort je sowieso niet vrolijk te maken over iemands geaardheid.
  Maar je moet wel verdomd humorloos zijn om je over dit liedje echt op te winden. Nergens blijkt een spoor van kwade bedoelingen uit. Niet uit de muziek, die de hele meute (inclusief de andersgeaarden) aanspoort om mee te doen. Niet uit de gedeelde ervaringen: Joost doet gewoon mee in de klas, maar dan op een andere manier. En zeker niet uit het slot van het lied. Joost blijkt zijn leven aan zijn geaardheid te danken. De grootste grap van het lied gaat niet over homo’s, maar over elektrotechniek:

     De oorzaak was de bliksem en de storm,
     de omvang van de schade was enorm.
     Het was een wonder, zo stond er genoteerd:
     iedereen was geëlektrocuteerd,
     behalve Joost, behalve Joost
     want: Joost is andersgeaard….

Ik zei eerder in dit stukje dat vooral fans het latere werk van Pater Moeskroen nog kennen. Ik zei ook dat dit een van hun bekendere liedjes is. Hoe kan dat dan? Nou, de meeste feestvierders kennen dit liedje niet in het origineel. Eén carnaval later, in 2012, ging een andere groep ermee aan de haal: De Lawineboys. Deze feestband kwamen we in aflevering 33 al tegen met een (diplomatiek gezegd) bewerking van Klein Orkest. Voor zover ik weet hebben de Lawineboys nog nooit een eigen nummer geschreven; hun grote knallers zijn in ieder geval allemaal covers.
  Hun versie van “Joost” is niet eens zo slecht. Bovendien zit er een redelijk amusant clipje bij. Toch kan deze hoempaversie het nooit winnen van de eeuwig frisse Pater Moeskroen-folk. De volgende keer dat ik weer iemand hoor spreken over “Joost, dat nummer van de Lawineboys”, verwijs ik hem met spoed naar het origineel door. Voor nu sluiten we met de bekendere versie af.