Het ijzeren repertoire – 1

Vandaag kom ik dan eindelijk, eindelijk toe aan wat ik jullie al eerder had beloofd. Eind vorig jaar stelde ik jullie een nieuwe reeks stukjes in het vooruitzicht. Vorige maand wilde ik daar ook aan beginnen, maar de techniek zat een beetje tegen. Een compleet stukje had ik uitgetikt, en het ging compleet verloren. Zie dan nog maar eens nieuwe motivatie op te brengen om het te herschrijven…
  Enfin, zodoende heb ik dus tot februari gewacht met mijn goede voornemen. Dat overkomt de besten, nietwaar?

Hoe dan ook, dit jaar schrijf ik een serie stukjes zoals jullie ze van me gewend zijn. Stukjes waarin een nummer geanalyseerd wordt aan de hand van de noten, de tekst en/of de sociale context, al naar gelang waar het meest over te zeggen valt.
  Waar het in 2017 ging om honderd Nederlandstalige popliedjes, ligt de nadruk nu op bekende liedjes. Echt het ijzeren poprepertoire, dat je vermoedelijk al tientallen keren gehoord hebt en dat je met je ogen dicht kunt meezingen. Liedjes die je misschien ook helemaal niet leuk vindt, alternatief als jij ongetwijfeld bent.
  Ik heb hier echter een goede reden voor. Popular Music Studies, de tak van de muziekwetenschap die de pop en de commerciële muziek in het algemeen onderzoekt, staat nog steeds in de schaduw van de historische muziekwetenschap (vooral de “klassieke” muziek met haar grote meesters) en de etnomusicologie. Bovendien concentreert PMS zich op de sociologische kant van de zaak; artikelen over popmuziek verschijnen vaak in niet-muziekwetenschappelijke tijdschriften. Die interdisciplinaire benadering is leuk en ook zeker zinvol, maar ook de analyse van muziekstukken op zich (nummers, platen, complete oeuvres, liveconcerten) hoort zijn plaats te hebben. Ik vind het een grote belediging voor alle popmuzikanten om te doen alsof alleen hun act relevant is en hun liedjes niet.
  Kortom: verwacht niet dat je dit jaar veel nieuwe muziek leert kennen. Verwacht wel nieuwe inzichten: ik hoop je veel dingen te vertellen die je nog niet weet of waar je nog nooit bij hebt stilgestaan.

Vandaag komt “The Rose” aan bod, in 1979 bekend gemaakt door Bette Midler in de gelijknamige film en een jaar later een hit in diverse landen.
  Wie 1980 bewust heeft meegemaakt, is vermoedelijk destijds niet aan het liedje ontkomen. Zelf ken ik het van de muziekles op de middelbare school. Dat schijnt voor meer mensen te gelden; ongetwijfeld vanwege zijn eenvoudige structuur komt het liedje vaak in de les voorbij. Anderen kennen het misschien van de AIDS-herdenkingsmarsen uit de jaren tachtig en negentig, of van hun moeder – want muziek voor huisvrouwen is het wel. Adult contemporary noemt de muziekindustrie dat: hitmuziek die niet of niet alleen tieners maar juist ook 25-plussers aanspreekt.
  Diverse lezers zijn ongetwijfeld niet zo tevreden over deze keus. Moet dat nou, zo’n suf en clichématig liefdesliedje? Ja, ik vind dat dat moet. In dit suffe liedje staan namelijk bijna ieder woord en iedere noot op de juiste plaats.

Even het geheugen opfrissen:

Wat onmiddellijk opvalt is de spaarzame begeleiding. Het voorspel bestaat uit acht karige pianoakkoorden. Eigenlijk zijn het niet eens akkoorden: het zijn open kwinten, die bestaan uit twee verschillende tonen – één te weinig voor een echt akkoord. Die minimalistische begeleiding houdt het hele eerste couplet aan.
  De tekst van dat eerste couplet bestaat uit acht regels van beurtelings acht en zes lettergrepen. Je kunt ook zeggen: vier regels van veertien lettergrepen, met steeds een duidelijke cesuur (scheiding waarin een stilte kan vallen) tussen de achtste en de negende.

     Some say: love, it is a river || that drowns the tender reed.
     Some say: love, it is a razor || that leaves your soul to bleed.
     Some say: love, it is a hunger || an endless aching need.
     I say: love, it is a flower || and you its only seed.

  Deze vier of acht regels maken uitgebreid gebruik van parallellisme. Veel woorden blijven steeds hetzelfde, waardoor je gaat letten op die paar woorden die wél veranderen. Het couplet laat zich keurig regelmatig indelen in vier complete zinnen. De woorden die wel veranderen passen keurig in het ritme (nergens in het hele nummer staat één lettergreep te veel of te weinig, nergens vind je een verkeerde klemtoon!), en ook het binnenrijm is keurig bewaard: river, razor, hunger, flower. Alle vier de woorden hebben dezelfde functie: een metafoor voor de liefde.
  Tegelijk verandert er wél iets in de laatste regel (of laatste twee regels). Drie keer is de mening van anderen over de liefde aan bod gekomen; drie keer is het iets negatiefs: verloren onschuld, pijn, een verslaving. De ikpersoon is de enige die er iets onverdeeld positiefs over te zeggen heeft. Het is een cliché van jewelste (“liefde is een bloempje, lalalalala!”), maar het komt hier tot zijn recht. Dwingend als het metrum en het rijm zijn, klinkt flower als het juiste woord op de juiste plaats.

Zodra de ikpersoon haar mening over de liefde geeft, breekt de begeleiding open. De kale, koude akkoorden in de rechterhand worden vervangen door een volwaardige begeleiding met een melodische figuur, plus een bas. Zo klinkt het meteen wat warmer. En breder. Om daarmee gelijke tred te houden, gaat Bette Midler met zichzelf tweestemmig zingen.
  Het is meteen tijd voor het tweede couplet, want een refrein kent het nummer niet. De luisteraar concentreert zich op die manier op de vergelijking tussen de coupletten. Wat blijft er hetzelfde, wat is er nieuw?
  Ook het tweede couplet is weer heel regelmatig verdeeld. De ikpersoon breidt haar visie op de liefde uit met vier nieuwe metaforen. Allemaal gaan ze over de twijfel in de liefde, waarin het zo vaak “net niet” is door de angst om te verliezen die het spel overschaduwt.
  Van dit couplet zou ik niet zo stellig durven zeggen dat élk woord op de juiste plaats staat. It’s the heart afraid of breaking that never learns to dance, klinkt het. Wat er bedoeld wordt is duidelijk: dansen is een metafoor voor flirten, voor het spel van verovering. Maar een hart kan niet dansen. Het klinkt een beetje houterig. Dan nog maakt de dwingende regelmaat (op rijm en metrum valt nog steeds niets aan te merken) een hoop goed. Je hoeft maar één keer iemand in de liefde te zijn misgelopen terwijl dat niet nodig was om de betekenis te voelen. Te voelen, niet alleen te snappen.

Het derde couplet zet de trend van muzikale verbreding voor. Een enkele ijle vioolpartij kwam in het eerste couplet al om de hoek kijken, maar hier krijgen we een compleet orkest, met naast strijkers ook diverse blazers in subtiele, goed gekozen partijen. Een arrangement is het halve werk, zeker als je een hit wilt. De tweestemmige zang loopt uit in een compleet koor (driestemmig met overdub).
  Tekstueel slaat het nummer nu een andere weg in. Het ijzeren parallellisme dat we gewend waren, wordt vervangen. Er klinken nu geen vier metaforen, maar één zin met één verhaal. Als je denkt dat liefde alleen voor de winnaars van deze maatschappij is weggelegd, denk dan aan de roos die in de lente altijd opschiet, al ligt er ’s winters nog zo’n pak sneeuw.
  Weer geen bijster originele metafoor. Wel een waarheid als een koe. Een waarheid die ook vaak herhaald moet worden, want hoeveel mensen krijgen er in hun leven niet te maken met wanhoop in de liefde? Hoeveel mensen moet er geen moed ingesproken worden om vooral maar door te gaan, ondanks alle vertwijfeling en tegenslagen die dit spel oplevert?

Soms gaat het er niet om wat je zegt, maar hoe je het zegt. Amanda McBroom (die het nummer schreef), Paul Rothschild (de producent) en Bette Midler zeggen het hier mooi en subtiel, met een nagenoeg perfect gevoel voor opbouw. Een goede vriend laat je de boodschap van moed aan den lijve voelen, ook als je haar al duizend keer gehoord hebt. Een goed nummer in een goed arrangement brengt de boodschap met dezelfde kracht.
  In de laatste maten, als het arrangement weer afslankt tot zang en piano, voel je de ontroering bij de zwaarst platgetreden metafoor. Alle cynisme bevindt zich even buiten je. Je wilt het geloven: de liefde heeft ook jou wat te bieden.

Honderd keer pop in je moerstaal (61)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 61.

Voor wie nog niet helemaal bekomen is van de Raggende Manne en hun negatieve energie, heb ik goed nieuws: vandaag behandelen we een echt liefdesliedje met een gemeende, teder gebrachte liefdesverklaring. Dit stukje gaat over “Afscheid” van Volumia!
  In aflevering 58 schreef ik al dat de glorietijd van de Nederlandstalige pop/rock in 1998 gewoon lekker doorging. De opkomst van Volumia! geeft al aan dat daar geen woord aan gelogen is. Deze band bestond al sinds 1992 en werd opgericht in het Heerlense studentenmilieu. Pas eind 1997 brak de band een beetje door, met de single “Het is over”. Wie de blikvanger en de grote kracht achter het succes was, werd al snel duidelijk: zanger Xander de Buisonjé, een hartenbreker eerste klas. Een soort Koen Wauters, kun je ook zeggen: Volumia! is overduidelijk op de leest van Clouseau geschoeid.
  1998 werd beslist het annus mirabilis voor de band. De band maakte een tienerpubliek helemaal gek, en het naamloze debuutalbum schoot de hoogte in. Net als de twee singles van dat jaar. Het bekendste werd “Hou me vast”; een nummer dat we destijds erg vaak gehoord hebben en met regels als “Niemand weet waarom de dag weer nacht wordt” anno 2017 best belachelijk klinkt. (Najib Amhali: “Hallo, de aarde draait. Dat weten wij hier allemaal!”) “Afscheid” werd bijna net zo’n grote hit, en dit nummer heeft wat mij betreft de tand des tijds beter doorstaan:

Meteen wordt duidelijk dat mooie jongen Xander echt wel iets kan. Voordat de single uitkwam, had hij het nummer al jarenlang op de plank liggen. Hij had het in zijn studententijd geschreven voor zijn vriendin, die tegen zijn zin op hotelstage ging. Het nummer is dus te vergelijken met “Het is een nacht” (aflevering 56): een lied uit studentenkringen over een echte gebeurtenis uit het leven van de zanger-schrijver. Alleen trekt hier zijn arrangeur een heel blik violen open, wat bij Guus Meeuwis niet het geval is.
  Dit type zangers werd in het verleden geleerd zo mooi, zo zoetvloeiend mogelijk te zingen. Crooners werden ze genoemd. We denken dan aan Frank Sinatra, maar ook aan tieneridolen als Frankie Avalon en Rob de Nijs (aflevering 4). De Buisonjé zingt natuurlijk, meer als een singer-songwriter. Hij heeft een pure stem (geen schuurpapier), maar legt er genoeg directe emotie in.

     Zeg dat je niet hoeft te gaan, schat,
     dat je aan mij echt genoeg had.
     Zeg dat je niet hoeft te gaan schat –
     ga schat, want je moet, ik weet je moet…

Zijn regels werken mee aan het “eerlijke” karakter. Zo bevat de regel “Zeg dat je niet hoeft te gaan, schat” niet minder dan drie g- of ch-klanken. Normaal zou je zo’n regel, zeker in het refrein, afraden als je een romantische knaller wilt neerzetten. Die klanken zijn nu eenmaal niet welluidend. Maar Xander de Buisonjé maakt er een diepe emotionele oproep van, waar de wanhoop in doorklinkt. Het is bijna of je Art Zaaijer, zanger van De Div (aflevering 34), hoort zeggen: “Dat zogenaamd lelijke aan het Nederlands, dat moet je juist gebruiken.” Totaal andere muziek, maar het zelfde principe bij twee muzikanten die dezelfde taal gebruiken.
  En het werkt. Onder het YouTube-filmpje staat een reactie van iemand die de tekst niet verstaat: “Go Dutch Go ..zeg dat je hoeft niet te gaan schat.” Zo is het maar net. Niemand ter wereld zou zich voor zijn moedertaal moeten schamen, ook wij niet.

Volumia! staat sinds zijn doorbraak bekend als een bijzonder kleffe band. Dat heeft natuurlijk veel te maken met Xander zelf (die Nederlands nationale pispaal werd nadat de roem hem naar het hoofd was gestegen en hij Wendy van Dijk bedroog), maar ook met hun werk. Net als bij Clouseau zijn hun hits wel meer van hetzelfde: het is meisjes voor en meisjes na, en altijd in een vergelijkbare sfeer.
  Bovendien doen veel nummers een stuk slijmeriger aan dan “Afscheid”. Dan ga je toch echt wel de kant van de oude crooners op. Blijkbaar is onze smaak met ballads tussen 1950 en 1990 behoorlijk veranderd. We accepteren ze wel, maar er moet soul in zitten. Dat constateerden we al in het stukje over “Blijf bij mij” (aflevering 51). Ruth Jacott en Paul de Leeuw leggen daarin maar een klein beetje soul, maar ze doen het wel. In Volumia! zit geen soul: Xander de Buisonjé zingt op een erg ‘blanke’ manier, rechttoe rechtaan. Hoe zouden zijn songs dan met soul klinken?
  Het antwoordt biedt Glennis Grace.

Glennis Grace is soulzangeres. Misschien heeft haar gedeeltelijk Caribische afkomst een rol in die keuze gespeeld, maar Glennis groeide op in de Jordaan en leerde de soul gewoon uit de hitparade kennen. Ze wilde als kind net zo goed worden als Whitney Houston. Welk meisje wilde dat in 1988 niet?
  Je kleurtje of afkomst bepaalt nog heel vaak wat voor muziek je gaat maken. Maar getalenteerde musici denken niet in hokjes, en zeker niet in muurtjes. Die herkennen goede muziek in alle genres. Zo ook Glennis Grace, die in de roomblanke muziek van Volumia! potentieel hoorde voor een souluitvoering. Zelfs met een ongewijzigde begeleiding weet ze dit nummer compleet naar haar eigen stijl om te buigen.

Welke versie er beter is? Kwestie van smaak. Maar als je met open oren luistert, moet je toch van beide diep onder de indruk raken.