Honderd keer pop in je moerstaal (64)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 64.

Het Fries, zo leren we op school, is een aparte taal. Het is net zo min een Nederlands dialect als het Duits, Engels of Deens. Veel mensen vinden dat dat niet klopt. Zo’n oordeel komt meestal uit de onderbuik: “ik kan het prima volgen.” Dit is niet de juiste plaats om die discussie te voeren of om uit te leggen waarom het wel zo is, maar ga er maar vanuit dat de schoolmeester gelijk heeft: Fries is een aparte taal.
  Fries is ook door de Nederlandse overheid erkend als “taal van een minderheid” . De overheid heeft echter nog twee talen erkend: Limburgs en Nedersaksisch. Weliswaar hebben die de lagere status van “streektaal”, maar je voelt hem al aankomen: sommige mensen roepen ook heel hard dat Nedersaksisch en Limburgs aparte talen zijn en dus absoluut geen dialect(groep)en van het Nederlands.
  Zodoende heb ik een probleem. Moet ik de popmuziek in het Limburgs en Saksisch wel of geen plaatsje in mijn rubriek geven? Als ik ‘nee’ zeg, moet ik Normaal, Rowwen Hèze én Daniël Lohues missen. Dat zou zonde zijn, niet alleen van de goede muziek maar ook van de continuïteit van mijn verhaal. Normaal wordt steevast opgenomen in geschiedenissen van Nederlandstalige muziek, en Skik (de band van Lohues) was onmiskenbaar deel van de Nederlandstalige golf in de jaren negentig. Bovendien is zo’n criterium selectief. Flip Kowlier, die in het West-Vlaams zingt, zou welkom blijven, terwijl de voor Randstedelingen veel beter verstaanbare Daniël Lohues geweerd zou moeten worden.
  Daarom laat ik alle streektalen uit Nederland en Vlaanderen toe, inclusief het Fries. Uiteindelijk is het allemaal één verhaal, van mensen die in hun eigen taal zijn gaan zingen om zich directer te kunnen uitdrukken.

Over de geschiedenis van de Friese popmuziek tast ik een beetje in het duister. Begin jaren negentig verscheen naar het schijnt de volstrekt onvindbare Sammelskiif, een compilatie-cd met Friestalige bands. Rond dezelfde tijd was er een cultband met de naam LUL actief. Ook Meindert Talma is al jaren bezig, afwisselend in het Nederlands en het Fries (in zijn typerende Woudfriese dialect dat veel van zijn provinciegenoten nogal nuver in de oren klinkt).
  De eerste hitmuziek in het Fries verscheen pas tegen het einde van de jaren negentig. Daarvoor moeten we bij De Kast zijn. De taalgeschiedenis van deze band is interessant. Hij werd in 1985 opgericht als een bandje met Engelstalige teksten, genaamd Wish to Escape. In 1992 wordt er, misschien onder invloed van de opkomende rage, overgeschakeld op het Nederlands. De nieuwe naam wordt De Kast, en de eerste Nederlandstalige cd heet Alles uit de kast. Langzaamaan bouwt de band aan een reputatie in de eigen provincie en onder popliefhebbers.
  De grote doorbraak komt in 1997, als de band een liedje voor de film De gouden swipe schrijft. Een Friestalig lied. En geloof het of niet: juist met een nummer in de streektaal gaat het hele land plat voor Syb en zijn mannen. “In nije dei” haalt de tweede plaats in de Top 40 en wordt meteen hun grootste hit ooit.
  Vanaf dat moment bestaat hun repertoire uit een combinatie van Friese en Nederlandse nummers. Een vrij ongewone mengeling. Ook Skik wisselde de streektaal en de landstaal af, maar nooit binnen één cd. Bij De Kast staat het gewoon allemaal vrolijk door elkaar.
  “In nije dij” is een prima nummer, maar we gaan in lijstjes als dit al vaak genoeg voor de grote hits. Laten we vandaag luisteren naar het al even mooie “Wa’t ik bin”, een duet met Maaike Schuurmans, dat in 2000 de 24e plek in de Top 40 pakte.

Net als “In nije dei” is ook “Wa’t ik bin” ontstaan door een externe opdracht. De Kast, inmiddels een topband, werd gevraagd voor het Friestalige musicalspektakel SimmerTime. Daar moest natuurlijk ook muziek voor worden geschreven. Maaike Schuurmans kunnen we kennen van de musicalwereld; dat juist zij hier meezingt, is daarmee ook weer verklaard.

De opening, compleet met melancholieke mondharmonica, stuurt ons al meteen de sentimentele kant op. Het lijkt of we te maken hebben met een softrockliedje uit de jaren zeventig. Op sommige punten denk je ook: dit heb ik al eens eerder gehoord. Toch is het een oorspronkelijk liedje, geen cover van welk musicalliedje dan ook.
  “Wa’t ik bin” – de titel moet worden gelezen als ‘wie (dat) ik ben’, niet als ‘wat ik ben’ – gaat over een koppel dat na jaren scheidt. Ze zijn behoorlijk uit elkaar gegroeid, kunnen zichzelf niet zijn, en hadden dat jaren niet door. Het had zo mooi kunnen zijn,

     Mar by alles wat ik die, wat ik yn myn hannen hie
     feroarre blinkend goud yn inkeld sân.

We zien (ik moet het en passant toch even zeggen) meteen waarom Fries zoveel aanspraak maakt op een aparte status. De rijmwoorden uit het lied rijmen vaak totaal niet in het Nederlands, ook al zijn ze etymologisch gelijk. Die rijmt op hie, deed beslist niet op had. En feroare, dat is de verleden tijd van feroarje (“veranderen”) – goed voor een flinke vertaalfout als je niet met het Fries bekend bent.
  Dromen van vroeger zijn vervlogen, jaren zijn voorbijgegaan, maar toch gaat de muziek van het melancholieke mineur naar majeur. Er is dus hoop, veel hoop zelfs:

     De dreamen dy’t ik dreamde binne mei de tiid ferflein.
     Lit my frij om no te fleanen, lit my fleane yn ‘e rein.
     Ik iepenje de finsters en ik fljocht sa fier ’t ik kin,
     want ik kin no einlik wêze wa’t ik bin.

Een beetje kitscherig en clichématig is het allemaal wel. Maar hé, het is een musical, verwacht je soms iets anders? En waarom zou het niet mogen? De tekst is zo herkenbaar. Alleen de grootste geluksvogels blijven van hun vijftiende tot hun dood zonder spijt bij dezelfde partner. Ieder ander zal het gevoel van verloren jaren toch goed herkennen.
  De manier waarop De Kast en Schuurmans het onder woorden brengen, is trouwens wel degelijk interessant. De vergelijking met een vogel die zijn vleugels uitslaat, die is vrij afgezaagd, maar “lit my fleane yn’e rein” is wat anders. Syb en Maaike zitten binnen, waar het droog is. Ze willen buiten de vrijheid opzoeken, maar daar regent het wel. Ze verwachten dus bij voorbaat al grote moeilijkheden in hun nieuwe leven, maar dat is het waard.

Hoe het voor Friezen werkt weet ik niet, maar in het Fries vind ik de tekst beter te pruimen dan in het Nederlands. Alle clichés over de liefde, in deze verwante maar vreemde taal klinkt het net wat mystieker, wat minder banaal. Misschien komt dat door de moeite die ik moet doen om het te verstaan. Net als Engelse teksten komen Friese teksten minder direct binnen. Maar ook de kleinere zangtraditie kan een rol spelen. Alle perikelen van verliefd worden, vrijen en weer uit elkaar gaan zijn in die taal nog lang zo vaak niet bezongen. “Sa ticht by dy, myn hiele libben wie ‘k by dy”, het klinkt nieuwer dan “Zo dicht bij jou, mijn hele leven was ik bij jou” of “So close to you, my whole life I lived with you”.
  Daarom zal ik dit stukje maar gauw afsluiten. Ik vind het een erg mooi lied; als ik de tekst kapot analyseer, gaat het straks net zo voelen als een nummer van Corry Konings…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *