Honderd keer pop in je moerstaal (51)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 51.

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: in deel 51 behandelen we “Blijf bij mij”. Niet de song van André Hazes (of de cover waarin Gerard Joling zich postuum aan Hazes opdringt), maar het duet van Paul de Leeuw en Ruth Jacott, dat in juli 1993 hoog in de hitparade stond.
  Paul de Leeuw, die kent iedereen nog wel. Dat is een cabaretier van middelbare leeftijd die af en toe nog een matig tot redelijk bekeken programma presenteert. In de jaren negentig was hij meer, veel meer. Zijn grove stijl (specialiteit: BN’ers de grond in trappen) was in de mode en zijn show hield heel Nederland onder de 40 in de ban. Hij maakte kleine muzikanten groot, bracht de commerciëlen tot woede en veroverde het monopolie op de Oudejaarsavond. En tussendoor presenteerde hij ook het Songfestival en bouwde hij een zangcarrière op. Die voedde hij met melige cabaretliedjes, maar ook met serieuze nummers. Ja, Paul de Leeuw was in 1993 zo’n beetje alles.
  Ruth Jacott was een populaire zangeres en is dat nog steeds, maar heel veel hoor je niet meer van haar. Ze speelde nog eens Billie Holiday, maar dat was alweer in 2008 en in 2013 kwam ze negatief in het nieuws door haar deelname aan het Koningslied (kan het erger?). In 1993 was ze, al een end in de dertig, een rijzende ster. Ze kwam uit de musicalwereld, haalde dat jaar twee hits en zou er een jaar later zelfs vijf scoren. Zoals de Surinaamse Nederlanders in vijftien jaar tijd van een marginale randgroep tot een compleet geïntegreerd deel van de samenleving waren uitgegroeid, zo scoorde ook zij hit na hit, en niet alleen bij Surinamers. “Stijlvol-decadente zangeres, die haar uitgekiende, tot in de puntjes verzorgde soul bij een breed publiek in de smaak ziet vallen”, zo (ongeveer) omschreef OOR’s Popencyclopedie haar. Met haar Zwarte Muziek voor Miljoenen werd Jacott het zinnebeeld van de geslaagde Surinaamse integratie.

Anno 2017 hebben zowel Paul de Leeuw als Ruth Jacott een hoog “o-ja-weet-je-nog-wel”-gehalte. Voor een nieuwe generatie tieners zijn ze hooguit wat Gerard Cox en Frans Halsema voor ons waren: zangers die je met je (groot)ouders associeert, met Middle-of-the-Roadrepertoire waar niemand meer van wakker ligt. Maar goed: weglaten zou zonde zijn. Dus laten we maar eens gaan luisteren.

Het eerste wat opvalt: Paul de Leeuw zingt een serieus liefdesduet met een vrouw. Dat is opmerkelijk als je bedenkt dat De Leeuw homo is. Een duet met een man, dat gaat blijkbaar toch een stapje te ver. Daar verkoop je geen plaatjes mee.
  Aan de andere kant is het vreemd dat wij het vreemd vinden. Ruth Jacott zat op dat moment ook in een vaste relatie, maar omdat zij ‘gewoon’ op mannen valt vindt niemand het gek dat ze Paul de Leeuw de liefde verklaart. Achter de duizenden duetten tussen mensen die in het echt geen koppel vormen zoekt niemand ooit zelfverloochening.
  Is dat dan homofoob of bekrompen van mij, dat het me juist bij Paul de Leeuw opvalt? Laat ik mezelf maar het voordeel van de twijfel geven. De Leeuw is niet alleen homo, hij ventte zijn geaardheid ook opzichtig uit in zijn shows en in sommige nummers. Heel Nederland móést het weten. Dan valt dit liedje toch wat uit de toon.

Chemie tussen De Leeuw en Jacott lijkt er trouwens wel degelijk te zijn. Of in elk geval weten ze goed raad met het lied. Aan de tekst, die vooral clichés aaneenrijgt, is niet veel bijzonders. Aan de muziek evenmin: die haalt haar spanning vooral van de aloude dalende bas, die bijvoorbeeld ook onder De Leeuws hit “Vlieg met me mee (naar de regenboog)” zit.
  Maar Ruth Jacott brengt de muziek tot leven. Dat doet ze met de soul. In zakelijk, muziekwetenschappelijk jargon betekent dat: spontane syncopen, uithalen in de zang en uitgebreide, aan de gospel ontleende melisma’s (groepjes noten rond één lettergreep). Het moet wel binnen de perken blijven, want het blijft commerciële muziek. Geen raspende stem of harde uithalen dus. Meer Whitney Houston dan Angie Stone.
  Paul de Leeuw houdt het allemaal nog veel meer binnen de perken, maar ook hij laat iets van soul in zijn zang horen. Af en toe een extra nootje, een beetje voor de tel hangen en zeker, emotie in zijn zang. Het valt ons allemaal nauwelijks meer op. Eigenlijk zegt dat heel veel. Anno 1993 was soul niet langer een zwart muziekgenre, maar was het, in verdunde vorm, tot de mainstream doorgedrongen. Voor popgerichte ballads als deze was het zelfs de eerste keuze: zonder soul zou het slijmerig of futloos klinken.

De soul was hetzelfde lot beschoren als eerder de jazz en de rock ’n roll: begonnen als gewaagd genre van een zwarte voorhoede, was er een verdunde variant van gemaakt die de burgerij wist te bekoren. Op zo’n moment staan critici natuurlijk al in de rij om Paul de Leeuw en Ruth Jacott te veroordelen. Hij: dief van de zwarte muziekcultuur. Zij: commerciële uitverkoop van haar roots.
  Ik vind niet dat Ruth Jacott zichzelf verloochent. Dat je muziek niet de avontuurlijkste is, wil niet zeggen dat je er niet achter staat. Misschien houdt zij helemaal niet van dat rouwe, ongepolijste. Als miljoenen Nederlanders het mooi vinden, waarom zij dan niet?
  Helaas is het nummer daardoor wel gedateerd. Niet dat het nu niet meer kán, het maakt alleen niet zoveel indruk meer. Maar wat is er mis met ‘gedateerd’? De jaren negentig waren een mooie tijd, en de hits van toen verdienen het best om opgehaald te worden. Misschien maar weer eens een show van Paul de Leeuw kijken. Kan iemand me vertellen op welke dag en op welke zender hij tegenwoordig te zien is?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *