Honderd keer pop in je moerstaal (57)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 57.

Eén van de uitgangspunten bij het samenstellen van deze rubriek was: geen novelty-acts, geen eendagsvliegen, geen gelegenheidszangers. Honderd liedjes om de hele Nederlandstalige pophistorie te schetsen, dat brengt beperkingen met zich mee. Novelty-acts spelen zich in de rand af, en hun invloed op de popgeschiedenis is minimaal. Logisch dat echte bands en reguliere zangers voorgaan.
  Ik maak vandaag toch een uitzondering voor Hakkûhbar, dat ons in 1996 verblijdde met “Gabbertje”. Daar heb ik twee redenen voor. Ten eerste verwijst het nummer naar een zeer relevant deel van de Nederlandse popgeschiedenis. Ten tweede heeft dit nummer wel degelijk invloed gehad op de loop der dingen. Volgens sommigen heeft Hakkûhbar zelfs eigenhandig de gabberrage de nek omgedraaid. Dus laten we even ons geheugen opfrissen:

Er valt een heleboel over dit nummer en alles wat eraan vastzit te zeggen. Laten we dat stap voor stap doen.
  Om te beginnen: wat is er te zien en te horen? Niet zo gek veel. In een vrij eenvoudige clip zien we cabaretier/acteur Ruben van der Meer als gabber, die zijn hoofd laat kaalscheren. De rest van het nummer zien we hem hakken, zoals de gabbermanier van dansen genoemd wordt. Dat doet hij op “Gabbertje”, een cover van het “Swiebertje”-thema met een gabberbeat eronder.
  Het nummer heeft een hele tekst – ongebruikelijk voor gabber, je hebt dus waarschijnlijk niet met echte gabber te maken. De tekst wordt niet gezongen door Ruben van der Meer, maar door Bob Fosko (pseudoniem van Geert Timmer, in het dagelijks leven zanger van de Raggende Manne – hen komen we binnenkort nog tegen). Er wordt op een milde manier gespot met de levensstijl van de gabbers: ze lopen op Nikes en in dure trainingspakken, ze slikken xtc (een stuk meer dan de gemiddelde discoganger, want ze moeten een moordend tempo bijhouden), ze maken een potje van hun school en hun feestjes duren absurd lang: “Als ik zeg: ‘Twee uur thuis’, bedoel ik natuurlijk niet twee uur ’s middags, kale zombie!”
  Zijn manier van leven is niet de gezondste, dat is hem zelf ook wel duidelijk:

     Ze zeggen dat ik slecht ben maar ik heb nog niks gemist.
     En nog een jaar zo doorgaan, dan lig ik in m’n kist!

Gabber, wat was dat ook alweer? Deze rubriek is voor Nederlandstalige muziek, dat wil zeggen: muziek met tekst. Dance, in al zijn vormen, blijft daardoor automatisch zwaar onderbelicht. Wat we nu dance noemen, ontstond rond 1980 uit de puinhopen van de disco. Als een muziekstroming ophoudt populair te zijn, komt er meer ruimte voor alternatieve subgenres. Zo ontstond de house, de muziek van de zwarte homoseksuelen in Detroit.
  In de loop van de jaren tachtig verbreedde het genre zich, zowel qua geografische en demografische verspreiding als in artistieke zin. Clubs in de hele westerse wereld draaiden de house, goeddeels buiten het zicht van de media. Pas op het eind van het decennium ging elektronische dansmuziek er echt bij horen. In Groot-Brittannië werd de “Second Summer of Love” uitgeroepen en ook in West-Berlijn bloeide er iets moois. Eén specifiek genre, techno, ging een heel eigen leven lijden. Dance, het beloofde dé muziek van de jaren negentig te worden.
  En zo geschiedde. Maar er waren wel verschillende stromingen. Moest het hard of zacht, kaal of melodisch, turbo of relaxt? In Rotterdam kwam een scene op die het wel wist: keihard, biljartkaal, razend snel. Geen concessies, want dat is commercieel. In Amsterdam was men daar weer minder van gediend. Een dj uit de havenstad kreeg een badinerende opmerking over die muziek “van jou en je gabbers” naar zijn hoofd. Een geuzennaam was geboren.
  We schrijven dan begin jaren negentig. De gabber had het pleit nog lang niet gewonnen. De grote massa luisterde naar commerciële Eurohouse – een genre dat vooral kinderen aansprak. Ik was in die tijd kind, reken maar dat ik daar hard op ging! De gabberscene bleef ondergronds, maar groeide gestaag door.
  Een tussenfase naar de wereldheerschappij was de happy hardcore. Zou het niet mooi klinken, dacht een dj (Paul Elstak), om de harde gabberbeats met zang en zachte synthesizerklanken te combineren? Nou, een succes werd het zeker, en niet alleen in Nederland. Het werkte als een trein. Na de Eurohouse dansten wij (nog steeds kinderen) ons nu kapot op happy hardcore, een muziek die het euforische gevoel van xtc zonder pilletjes kan oproepen.
  Natuurlijk werden de echte gabbers toen boos. Met het liedje “happy is voor homo’s” werden Elstak en zijn navolgers nadrukkelijk op hun plaats gezet. Dit is de tijd waarin de echte gabber langzaam naar de mainstream doorsijpelt. Ik zat in groep acht; een paar jongens uit mijn klas waren gabber (al mochten ze van hun moeder hun kop niet kaalscheren). Onder wat oudere jongens – het waren niet vaak meisjes – was de gabberrage nog veel harder aan het toeslaan. Klinkende namen als Neophyte, Ruffneck en Rotterdam Terror Corps werden er rijk van, en de cd-reeks Thunderdome vloog de winkel uit.

In 1996 werd de gabberrage zo groot dat het nu echt volwassen mensen begon op te vallen. Bob Fosko bijvoorbeeld, die dat jaar al 41 wordt. Hij besluit, samen met wat vrienden, de gabbers eens op de hak te nemen met de novelty-act Hakkûhbar. De act komt uit Amsterdam, waar natuurlijk met een scheef oog naar deze rage werd gekeken. Gabber was heel Nederland aan het veroveren, maar bleef sterk met Rotterdam geassocieerd.
  Op dat moment was ik 12 jaar, brugklasser en zelf nog steeds geen gabber. (Voor de goede orde: ik zou het ook nooit worden.) Pas rond de tijd dat ik dit nummer hoorde, maakte ik echt kennis met de gabbercultuur. In mijn naïviteit dacht ik nog dat dit liedje échte gabber was: het hele verhaal erachter van puristische luisteraars en ruzie tussen Amster- en Rotterdam kende ik niet.
  En ik was de enige niet. “Gabbertje” werd een dikke hit bij een tienerpubliek, en anders dan de echte gabber werd het onder alle lagen van de bevolking bekend. Dat leverde meteen een stortvloed aan copycats op. Het regende in 1997 gabberparodieën op basis van kinderliedjes. “Gabber Piet”, “De Mosselman”, “Gabberwijfie” – wie kent ze niet.

Volgens sommigen heeft dat de gabbercultuur de das omgedaan. Het hele gebeuren werd belachelijk gemaakt, waardoor jonge pubers het helemaal niet meer cool vonden om gabber te worden. Tegelijk verhardde de bestaande gabberscene: ze verruilden hun Nikes en Aussies voor kisten en bomberjacks. Er viel nu echt niets meer te lachen bij de gabbers. Met hun kale koppen erbij begon dat behoorlijk op skinheads te lijken. Het einde van het liedje was dat neonazi’s ook echt onder gabbers gingen werven. Niet dat dat veel succes had, maar met zo’n associatie kun je mainstreamacceptatie wel op je buik schrijven.
  Persoonlijk denk ik niet dat Hakkûhbar eigenhandig de opmars van het gabberdom heeft gestuit. Elke rage gaat op den duur op zijn retour. Veel groter dan ze was kon de gabbercultuur niet worden. Zeker niet met van die extreme muziek, die maar een deel van de bevolking aantrekt.
  Bovendien: het was aan het verstarren. Je was pas gabber als je een bepaald merk trainingspak had (met een eigen ritssluiting!) en Nikes droeg, het liefst de allerduurste, en je hoofd moest per se kaalgeschoren zijn. Als een tegencultuur conformistischer wordt dan de mainstream, is dat meestal een veeg teken. Dan is de spontaniteit weg. En het trekt imitatoren aan: “ik scheer mijn hoofd kaal, ik trek een Aus aan en koop Nikes, dus nu ben ik gabber!” Dan lopen de mensen van het eerste uur weg, of ze gaan – inderdaad – verharden. Met andere woorden: ook zonder Bob Fosko was het wel zo gegaan.

Mocht het nog niet duidelijk zijn geworden: ik was net iets te jong om de gabberrage kundig te kunnen beoordelen, maar ik had precies de goeie leeftijd om heel erg hard te gaan op “Gabbertje”. Voor mij en de meesten van ons was de Nederlandstalige gabber gewoon een nieuwe rage, na de Eurohouse en de happy hardcore. En ook de vele imitaties gingen er bij ons goed in. Timo Pisart van 3voor12 spreekt van “geestdodende, bloedirritante liedjes”. Ik kán ze gewoon niet haten, “Hakke en zage“, “Mossels“, “Klappus in je handjes” en nog veel meer muziek die de “Hollands Hakkûh”-cd’s vulde.
  Normaal bed ik in deze rubriek alleen filmpjes in van één nummer, eventueel in diverse coverversies. Maar vandaag kan en wil ik het daar niet bij laten. Geniet van dit geweldige nummer waarin twee van onze jeugdhelden in gabbers veranderd zijn: “Arie en Bastiaan”!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *