Honderd keer pop in je moerstaal (80)

Dit jaar schrijf ik een geschiedenis van de Nederlandstalige popmuziek in honderd chronologische stukjes, steeds geconcentreerd rondom één nummer. Vandaag deel 80.

Vandaag behandelen we opnieuw een band die al tientallen jaren bestaat, die ook buiten zijn grootste gloriejaren degelijk werk heeft afgeleverd en die nog steeds volle zalen trekt. De Dijk, want daar hebben we het over, is bovendien niet onder één hoedje te vangen. Dat betekent dat de keuze voor één liedje hoe dan ook een belangrijk deel van hun oeuvre weglaat.

Bij het opstellen van de lijst die uiteindelijk deze rubriek werd besloot ik niet steeds voor het bekendste nummer van een artiest of band te gaan. Die nummers zijn vaak al tientallen keren opgenomen in lijstjes, op compilatie-cd’s, in de hoogste 200 plaatsen van de Top 2000. Die kennen we onderhand wel, en het verhaal erachter ook. Zodoende kwam “Bloedend hart”, het geflopte plaatje uit 1981 dat later alsnog een evergreen werd, niet op mijn lijst.
  De Dijk hoort natuurlijk wel in mijn rubriek. Eind jaren zeventig al maakte de band, onder de naam Stampei, naam in Amsterdam, al brachten ze welgeteld één single uit die behoorlijk onvindbaar is. In 1981 werd de band na een metamorfose omgedoopt tot De Dijk en verscheen “Bloedend hart”, wat dus niets deed. Nederlandstalige pop was sterk in opkomst, maar voor deze mengeling van soul en smartlap was het publiek echt nog niet klaar.
  Na het ineenstorten van de rage rond Doe Maar kwamen ze op als grootste Nederlandstalige band van hun tijd. Hun muziek leunde tegen de blues en de soul aan, stijlen die nog nauwelijks door de Nederlandstalige meesters waren beroerd. Hun teksten waren literair, maar niet op de manier zoals we die van Boudewijn de Groot kenden. Áls ze al ergens aan deden denken, was dat het Franse chanson. Hun invloed op nakomende bands was enorm: zonder De Dijk hadden we The Scene, Bløf en vele andere moeten missen.
  Ons liedje van vandaag laat de soul- en bluesgenen van De Dijk grotendeels onbelicht, en vestigt in plaats daarvan de aandacht op de chansoninvloeden. Laten we luisteren naar “Mijn van straat geredde roos” uit 2008, van het album Brussel.

Toen Brussel uitkwam, werd dit nummer niet als single uitgebracht. Niettemin maakte het op een aantal fans grote indruk. In 2009 kwam het op de 400e plaats in de Top 2000 binnen en sindsdien is het daar niet uit verdwenen. De Top 2000 is natuurlijk grotendeels het domein van blanke mannen boven de veertig, onder wie De Dijk het goed doet, maar dat juist dit nummer zijn plaatsje in het niet kinderachtige rijtje Dijk-klassiekers vond, zegt wel wat.
  Zoals gezegd is dit een van hun meer chansongerichte nummers. We horen een vierkwartsmaat zonder sterke afterbeat, een accordeon en een redelijk beheerste zang zonder rouwe uithalen. Helemaal binnen de lijntjes kleurt die zang nou ook weer niet: Huub van der Lubbe blijft Huub van der Lubbe en gaat hier niet anders zingen dan hij ten tijde van “Als ze er niet is” deed. Maar toch: vertaal de tekst naar het Noord-Limburgs en het had zo een nummer van Rowwen Hèze kunnen zijn.

Het verhaal van het nummer is een beetje verpakt in metaforen en versluierd in flashbacks, maar heel hermetisch is het niet. De ikpersoon heeft zijn huidige liefde op straat gevonden en is gelukkig met haar, al vraagt hij zich af of ze wel echt voor hem gegaan is, en weet hij dat deze relatie geen verstandig idee is.
  Wat er in een tekst wel en niet kan is voor iedereen verschillend, maar over het algemeen wordt dit vrij clichématige liefdesverhaal wel geaccepteerd. De band krijgt dat voor elkaar door het verhaal door elkaar te husselen. De tekst opent met “Zie haar lonken door mijn leven” en pas later wordt duidelijk over wat voor vrouw de ikpersoon het heeft. Zodoende focussen ze niet op het verhaal, maar op de gevoelens. We krijgen het wel mee, maar het verhaal wordt bijzaak, en de clichématigheid ergert ons niet.
  Toch doet dit liedje nog meer, en helemaal de vinger erachter krijgen lukt me niet. Iets heeft het liedje, waardoor het boven de middelmaat uitstijgt, waardoor de fans er steeds weer om vragen, waardoor ik het altijd wil meezingen. Jazeker, het is mooi, maar hoeveel mooie liedjes horen we dagelijks niet op de radio? Er zitten geen bijzondere akkoorden in, de melodie is redelijk doorsnee, en Huub zingt weleens met meer passie.
  De tekst rammelt zelfs een beetje: “Prikkels die haar gloed me geven” – het is niet de elegantste zin. Vaak stuiten we op een rare mix van spreektaal en zwakke metaforen, verpakt in half afgemaakte zinnen:

     Roos tussen het vuil en nat.
     Ongebroken mooi, je lachte wat.
     In de schoot geworpen schat.

De tekst is suboptimaal. Maar het gekke is: hij staat de beleving van het nummer niet in de weg. Geen moment heb ik althans het idee: “nou, mooi liedje, ondanks z’n rammelende tekst.” Misschien komt dat wel door het refrein. Uiteindelijk is dat altijd het belangrijkste aan een popliedje. En de tekst van het refrein zit goed in elkaar. Een welluidende zin met veel contrasterende klinkers en drie rollende r’en. Die wil je wel meezingen.

     Mijn van straat geredde roos,
     mijn van straat geredde roos.
     En ik denken dat ik jou,
     maar wedden dat jij mij uitkoos.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *